zondag, maart 20, 2005

Territorialiteitsbeginsel en minderhedenverdrag

Onderstaande tekst is de toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse leeuw aan de burgemeesters van Halle-Vilvoorde. Deze handelt voornamelijk over het territorialiteitsbeginsel en het minderhedenverdrag.

--------

Deze Orde wordt vandaag voor de 22e maal uitgereikt. Vandaga keren we terug naar de wortels van onze Orde. De eerste orde werd immers uitgereikt in 1971 aan Ernest Soens, burgemeester van Strombeek-Bever, die zich met succes verzette tegen de annexatie van zijn gemeente bij Brussel of de invoering van faciliteiten. Op de 21e uitreiking, in 2003, eerden wij de dichter Hubert van Herreweghen, vandaag eren we doeners uit de streek van de dichter. Einde 2004 werd de Heer Luc Demedts, voorzitter van het Halle-Vilvoorde-Komitee. U hoorde zonet de laudatio door minister van Grembergen voor de gelauwerden van vandaag, Leo peeters en zijn collega-burgemeesters van Halle-Vilvoorde. Zij hebben in de Conferentie van burgemeesters van Halle-Vilvoorde kordaat gestreden om een einde te maken aan de bevoogding van de gemeenten van Halle-Vilvoorde door franstalig Brussel door de onderwerping van die gemeenten aan het arrondissement Brussel. Het woord arrondissement is niet toevallig een term die dateert uit de Tijd van de Franse bezetting en annexatie.

Omwille van de actualiteit hebben we de uitreiking van de Orde dit jaar enkele maanden vervroegd. We waren er bij de planning eigenlijk van overtuigd dat de splitsing van het arrondissement vandaag reeds een feit zou zijn, aangezien die ons onverwijld was toegezegd.

Een bekende partijvoorzitter noemde die splitsing het 177E probleem, En ik ben het met hem eens dat er een hele reeks problemen zijn van groter gewicht, al weet ik niet zeker of we hetzelfde bedoelen. Van groter gewicht zijn inderdaad de gezondheidszorg, ik bedoel de splitsing daarvan, het werkgelegenheidsbeleid, ik bedoel de splitsing daarvan, de sociale zekerheid, ik bedoel de splitsing daarvan, de rechtsbedeling, ik bedoel de splitsing daarvan, en zo kunnen we nog even doorgaan. Alleen: als onze Vlaamse leiders nog niet in staat zouden blijken om probleem 177 op te lossen door eenvoudigweg de grondwettelijke indeling in taalgebieden door te trekken in de kiesomschrijvingen, wat kunnen we dan nog verwachten dat ze zouden bereiken op die andere domeinen ?

In ieder geval, de splitsing van Brussel en Halle-Vilvoorde is het sluitstuk van het territo-rialiteitsbeginsel dat nog steeds éénzijdig wordt toegepast: consequent ten gunste van Wallonië, halfslachtig als het om Vlaanderen gaat. Het is natuurlijk een oud verhaal, en het is eigen aan taalimperialisten dat zij het territorialiteitsbeginsel wel in vraag stellen in gebieden waar ze nog niet in de meerderheid zijn of die ze nog niet onder controle hebben, maar natuurlijk wel ten volle toepassen eens ze een bepaald gebied geannexeerd hebben of onder controle krijgen.

In de Belgische geschiedenis zijn het overigens - het kan geen kwaad hier even aan te herinneren niet de Vlamingen die de keuze gemaakt hebben voor het territorialiteitsbeginsel, maar de Walen. Bij de totstandkoming van de eerste taalwetten, in 1878 zowel als in 1921, wilden de Vlamingen in het Parlement instemmen met een regeling die elke particulier in het gehele België de keuze zou geven tussen Nederlands en Frans. Maar de Franstaligen wilden absoluut de eentaligheid van Wallonië handhaven. Dat was voor beide partijen de meest rechtvaardige en verstandige keuze, gezien geen van beiden zeker kon zijn van de machtsverhoudingen op lange termijn. Enkel zijn de Franstaligen blijven valsspelen en hebben ze hun annexatieplannen nooit opgegeven. De Vlamingen hebben het spel ten aanzien van Wallonië wel correct gespeeld, en de ééntaligheid van Wallonië is nooit meer in vraag gesteld.

De voorbije jaren zijn we getuige geweest van het persistent misbruiken door de Fransta-ligen van hun machtspositie op internationaal vlak om op die manier hun imperialistische politiek verder te zetten.

Ze zijn daarbij geholpen door de manifest éénzijdige en scheefgegroeide ontwikkeling inzake de rechten van nationale minderheden - waarmee autochtone etnisch-culturele minderheden worden bedoeld. Anders dan sommige andere internationale instrumenten, die een stuk evenwichtiger zijn, maar jammer genoeg niet dezelfde rol spelen, komt deze scheeftrekking duidelijk tot uiting in het kaderverdrag inzake nationale minderheden.

Het is vandaag de dag natuurlijk modieus om elke wind die onder de naam mensenrechten wordt gelaten als een schitterend parfum te beschouwen, maar dit simplisme miskent de enorme verschillen in intrinsieke kwaliteit tussen de verschillende instrumenten die aan dergelijke rechten vorm proberen te geven. De Kaderconventie is bijna een schoolvoorbeeld van zo'n instrument waarvan de intrinsieke kwaliteit zeer laag is, wat precies een heleboel landen goed uitkomt, maar dan wel ten koste van enkele andere volkeren die niet in het gebrekkige concept passen.

Het Verdrag lijdt onder meer daaraan, dat het geen onderscheid maakt tussen enerzijds opvattingen of regels die uitgaan van louter individuele rechten welke in se niet vereisen dat men deel uitmaakt van een welbepaalde (minderheids)groep, en anderzijds rechten en vrijheden die duidelijk verbonden zijn met het deel uitmaken van een specifieke groep die al dan niet territoriaal is afgebakend. In het eerste geval gaat het namelijk om rechten die elke burger heeft, ongeacht tot welke groep hij behoort, en waarvan de inhoud niet verschilt doordat hij lid is van een bepaalde groep: gelijkheid voor de wet, vrijheid van vereniging, meningsuiting, godsdienst, recht op een tolk in strafzaken, niet-gesubsidieerd privé-onderwijs, e.d. In een liberaaldemocratische rechtsstaat komen deze rechten aan iedereen toe, en daar is een minderhedenverdrag dus overbodig. Daarnaast zijn er echter rechten die personen maar hebben omdat er een volksgroep is, waartoe zij behoren, en die bepaalde kenmerken heeft: gebruik van hun taal door de overheid, gelijkelijk gesubsidieerd onderwijs, e.d.m. Het gaat hier ook om individuele rechten, maar geen louter individuele rechten, zij hebben een collectieve dimensie, en gelden slechts voor zover men tot een erkende groep behoort of voor zover zij collectief worden uitgeoefend. Deze rechten komen niet toe aan elke burger, maar slechts aan diegenen die tot een autochtone volksgroep behoren, een nationale minderheid. Zoniet zou van elke overheid kunnen worden geëist dat zij in meer dan 3.000 talen werkt.

Dergelijke rechten van de tweede categorie kunnen in beginsel op twee manieren worden georganiseerd: op personele basis en op territoriale basis. Indien zij werkelijk ernstig worden genomen leiden zij tot een personeel dan wel een territoriaal federalisme, mogelijks zelfs tot onafhankelijkheid van de volksgroep. In de Belgische grondwet worden deze rehcten ook ernstig genomen: in beginsel geldt een territoriaal federalisme, behalve in het tweetalig gebied Brussel, waar ten dele een personeel federalisme geldt - voor de zogenaamde gemeenschapsbevoegdheden. Dit alles heeft de belgische franstaligen tot één van de allerbest beschermde minderheden ter wereld gemaakt. Maar voor sommigen is het nooit genoeg en is gebiedshonger nooit gestild.

In de Raad van Europa was de weerstand tegen het recht op autonomie van de volksgroepen, zij het in personele of territoriale vorm zo groot, dat men tot onevenwichtig halfslachtige oplossingen gekomen is, grotendeels personeel geïnspireerd, doch zonder enige erkenning van volksgroepen of autonome gemeenschappen.

Het probleem van nationale minderheden in het Procrustesbed van uitsluitend individuele rechten leggen, getuigt echter van een blindheid voor de machtsverhoudingen die er bestaan tussen grote en kleine culturen, en tussen culturen die een eigen staat hebben en degene die dat niet hebben.

Andere experten inzake minderheden hebben dan ook aangetoond dat het voor een kleine cultuur veel belangrijker is om over een "safe haven" of "security area" te beschikken, een gebied waar men thuis kan zijn en waar de cultuur niet voortdurend onder druk staat van machtiger grotere culturen, waarvan de identiteit en integriteit wordt eerbiedigd. Het territorialiteitsbeginsel is dus de aan de situatie van deze volkeren aangepaste vorm van bescherming van minoritaire culturen, zoals de Vlamingen, die immers minoritair zijn wanneer men het perspectief niet vervalst door uitsluitend op het niveau van de bestaande staten te kijken. Op europees vlak zijn de Vlamingen immers duidelijk een minderheid, en is het juist deze die moet worden beschermd tegen de druk van machtiger buurculturen zoals de franstalige.

Ontwerpen om een dergelijke meer evenwichtige bescherming van nationale groepen tot stand te brengen zijn op europees niveau weliswaar ook besproken, maar niet gerealiseerd; denken we bv. aan het ontwerp-handvest van rechten van etnische groepen voor de EG van 1988 (Stauffenberg-ontwerp), later overgenomen in het ontwerp-Alber. Aanzetten tot een bescherming door middel van een beveiligd territorium vinden we ook in de Déclaration universelle des droits collectifs des peuples, waarvan art. 9 bepaalt: "Tout peuple a le droit d'exprimer et de développer sa culture, sa langue et ses règles d'organisation, et de se doter pour ce faire de ses propres structures politiques, d'enseignement, de communi-cation et d'administration publique, sur son aire de souveraineté." En artikel 7 van het Projet de déclaration des Nations Unies sur les droits des peuples autochtones stelt: " Les peuples autochtones ont le droit, à titre collectif et individuel, d'être protégés contre l'eth-nocide ou le génocide culturel, notamment par des mesures visant à empêcher et à réparer tout acte ayant pour but ou pour effet de les priver de leur intégrité en tant que peuples distincts ou de leurs valeurs culturelles ou identité ethnique". Ook het Europees handvest voor streektalen legt nog een duidelijke band tussen minderheidsbescherming en territori-aliteit, en gaat dus niet uit van louter individuele rechten.

In de Raad van Europa vonden vele regeringen echter een recht op personele dan wel ter-ritoriale autonomie een veel te verregaande bescherming van minderheidsvolkeren. De échte bescherming van kleinere culturen in de vorm van territoriale autonomie, in de vorm van een security area, werd dus geweerd. De regels die het de kleine culturen moeten mogelijk maken hun identiteit en de integriteit van hun gemeenschap te vrijwaren tegen de wet van de sterkste, in casu de macht van grotere culturen en naties, ontbreken. De Raad van Europa werd gekaapt door ideologen die tegen volksgroepenrechten zijn en alles door de scheve bril van louter individuele mensenrechten bekijken.

Dit is niet erg voor volkeren die zelfs in eigen streek al geminoriseerd zijn: voor hen is het een stap vooruit. En het is relatief onschadelijk voor kleinere volkeren die wel hun eigen territorium hebben en het tot een onafhankelijke staat hebben gebracht. Het is echter ook goed voor de grote culturen die aan de hand hiervan overal minderheidsrechten kunnen proberen opeisen en zo hun machtspositie nog versterken.

De houding van de Raad van Europa is des te merkwaardiger, nu deze in het arrest over de Turkse Refahpartij, het verbod op die partij door de vingers heeft gezien - geheel ten onrechte overigens - omdat die partij voorstander was van het in de ogen van het Hof onaanvaardbare personaliteitsbeginsel, volgens hetwelk de burgers van eenzelfde territo-rium aan verschillende wetten zouden zijn onderworpen naargelang de groep waartoe ze behoorden.

Door uitsluitend te focussen op individuele of personele oplossingen en de minderheden-bescherming door middel van de erkenning van territoriale integriteit te weigeren, voert de Raad van Europa dan ook een uitermate eenzijdige minderhedenpolitiek, die ten onrechte één vorm van minderhedenbescherming voorrang geeft en de andere geheel negeert. Het territorialiteitsbeginsel is géén inperking van de individuele vrijheid, maar juist een garantie ervoor, een garantie tegen verdrukking van de leden van kleinere taalgemeenschappen door de grotere. Het is dus wraakroepend wanneer men landen die een veel verregaander minderhedenbescherming hebben zoals België door middel van zijn defederalisering, de les gaat spellen op basis van een conventie die juist weigert die verdergaande bescherming te erkennen.

Dit zou allemaal niet zo erg zijn wanneer Vlaanderen een onafhankelijk staat was: van onafhankelijke staten wordt de territoriale integriteit en nationale identiteit door Europa immers wél erkend, van volkeren zonder staat blijkbaar niet. Indien Vlaanderen onafhan-kelijk was, konden we ons de ratificatie van zo'n minderhedenverdragen dus allicht wel permitteren, ondanks de bedroevende kwaliteit ervan.

Die kansen op bescherming van onze territoriale integriteit en op onafhankelijkheid dreigen we overigens te verliezen indien we ons nu dat ontwerp van Europese grondwet door de strot laten duwen. Niet toevallig is daarin op het laatste ogenblik stoemelings ook een bepaling opgenomen die discriminatie van nationale minderheden verbiedt. Met andere woorden: het heeft geen enkele zin dat onze politici moedig weigeren het Minderheden-verdrag te ratificeren, wanneer ze niet hetzelfde doen ten aanzien van die Europese Grondwet, waarvan de rechtskracht nog een heel stuk groter is. Indien men al het Min-derhedenverdrag zou kunnen goedkeuren middels bepaalde voorbehouden - en beter ook dat niet - dan moet men minstens dezelfde eisen en reserves formuleren tegenover de Europese grondwet. En die reserve kan m.i. niet anders luiden dan dat men erkenning eist van het feit dat de bescherming van de verschillende nationale minderheden in België volwaardig gebeurt, en zelfs veel verregaander en effectiever dan in de kaderconventie, door voor elk van de drie taalgemeenschappen een eigen territorium te hebben erkend, naast de regeling van de tweetaligheid in Brussel-Hoofdstad en de autonomie in persoonsgebonden aangelegenheden voor beide gemeenschappen aldaar.

Enkel een verdrag dat het toekennen van een eigen taalgebied aan de diverse taalgroepen fundamenteel als een minstens evenwaardige vorm van bescherming van nationale min-derheden erkent kan dus in aanmerking komen voor ratificatie.

Dames en heren, verontschuldig mij dat ik het ditmaal wat zwaarwichtiger heb gehouden, maar dit thema is m.i. te belangrijk om het niet onder uw aandacht te brengen. De voorbije jaren kon ik mijn gelegenheidstoespraka op het ritme van gedichten brengen, de actualiteit hefet me dit jaar in het proza vastgehouden. Maar ik kan het toch niet laten om af te sluiten met een een gedicht:

De koekoek

Waalse koekoek, die uw eieren legt
In 't warme Vlaamse nest,
wij hebben ze groot gekweekt uw jongen,
Wij kennen hun schreeuwen, kennen hun sprongen,
De onzen hebben ze eruit gedrongen.
Waalse koekoek in 't Vlaamse nest,
Wij kennen u best.

Wat voor een vogel is er de Blauwvoet,
Dat hij de koekoek niet aan en kan?
Niets met zijn bek en niets met zijn klauw doet?
Wat voor een fladderaar is hij dan?

Witte stormvogel, stel u te weer,
Vlieg doe vreemde koekoek te keer
Met spannende harde vlerken,
Snavel hem weg van zijn roof en zijn buit,
Ruk hem pennen en veren uit,
Dat hij vlucht in de Waalse berken.

Ginds mag hij roepen, te zomertijd,
Met hoge borst en fraaie stem,
Koe koe, koe koe,
Dat het galmt door beuk en sperre.
Zijn wij de lastige kerel kwijt,
Niet ongeren horen wij hem
Af en toe
van verre, koe koe, van verre.

Was de koekoek niet zo'n dief
Alle vogels hadden hem lief.

U zal de versvoet herkend hebben van René de Clercq. die toen reeds perfect de betekenis van het territorialiteitsbeginsel in vers uitdrukte.

Geen opmerkingen:

 
Locations of visitors to this page