woensdag, augustus 29, 2012

Controlerechten van de burger stoemelings afgeschaft in Vlaanderen


Wat we zelf doen, doen we duidelijk niet altijd beter. Een manifest voorbeeld vinden we in de wijziging van het gemeentedecreet en provinciedecreet (1) door het Vlaams Parlement, waarbij een van de oudste waarborgen van de burger tegen nalatigheid van het lokale bestuur sneuvelt.  

Het betreft de mogelijkheid voor een inwoner van een gemeente om op eigen kosten rechten van de gemeente voor de rechter geldend te maken wanneer het gemeentebestuur dat niet doet. Deze mogelijkheid is bijna zou oud als de Belgische staat, al golden er destijds wel bepaalde beperkingen. We vinden de mogelijkheid reeds in de oude Gemeentewet van 1836 (2). Het Belgische voorbeeld vond navolging in Frankrijk (1837)(3), Luxemburg (1843)(4) en Nederland (1851)(5). Destijds diende de burger wel toestemming te hebben van een hoger bestuur (met name de provincie). Deze beperking werd afgeschaft in de nieuwe Gemeentewet van 1988. Na de regionalisering van de wetgevende bevoegdheid inzake lokale besturen in 2002 was het Vlaams Parlement aanvankelijk wel voorbeeldig: de mogelijkheid werd ook ingeschreven in de Provinciedecreet waardoor inwoners van een provincie ook namens de provincie konden procederen. Dit werd verder ook mogelijk gemaakt voor rechtspersonen met zetel in die gemeente of provincie (6). In Wallonië werd de regel ongewijzigd overgenomen in de nieuwe Code de la démocratie locale et de la décentralisation (7).

Nu blijkt echter dat politici burgers maar dergelijke rechten gunnen zolang ze ze vooral niet gebruiken. De jongste jaren is de genoemde techniek immers een stuk populairder geworden. Burgers zijn vaker - op eigen kosten - gedingen gaan voeren die de politieke meerderheid van een gemeente weigerde te voeren. De techniek werd bv. gebruikt om namens de gemeente een strafklacht met burgerlijke partijstelling in te dienen waar het bestuur van de benadeelde gemeente weigerde dat zelf te doen. Ze werd gebruikt om onwettige overheidsbeslissingen die een gemeente benadelen aan te vechten waar de zittende meerderheid dat niet wil, bv. ook een bouwvergunning. 

Dat burgers op eigen kosten een onwettige benadeling van een gemeente aanklagen en proberen ongedaan te maken voor de rechter was er blijkbaar teveel aan. Niet toevallig waren het parlementsleden van Open VLD die het initiatief namen met een amendement bij de lopende aanpassing van het gemeentedecreet. De meerderheidsfracties lieten zich niet onbetuigd en dienden op hun beurt amendementen in om zowel op gemeentelijk als op provinciaal vlak dit recht van de burger af te schaffen, behalve bij ernstige milieuschade. De argumenten zijn potsierlijk: er zou nu een beter evenwicht komen tussen de inspraakmogelijkheden van de burger en het algemeen belang. Men verzwijgt daarbij dat zo’n procedure door een burger maar slaagt wanneer er een onwettigheid is begaan, aangezien de rechter alleen de wettigheid en niet de opportuniteit mag beoordelen.  Onze volksvertegenwoordigers gaan er dus van uit dat het in het algemeen belang is om onwettigheden in stand te houden wanneer de zittende politieke meerderheid dat liever zo houdt. Of nog: anders dan in 1836 zou de burger nu veel meer andere mogelijkheden om het gemeentebestuur te controleren, zodat dit recht overbodig is geworden. De waarheid is dat het afgeschaft wordt niet omdat het overbodig was, maar omdat het blijkbaar zo weinig overbodig was dat het steeds meer werd gebruikt. Opnieuw zegeviert de opvatting dat democratie ertoe gereduceerd wordt dat een burger eenmaal om de zoveel jaar een bolletje mag inkleuren en zich voor het overige vooral niet mag moeien met wat de verkozen politici vervolgens uitspoken. 

---------------------------------------------------

 (1) Art. 64 van het Decreet van 29 juni 2012 tot wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, B.Staatsblad 08/08/2012, bl. 46359 c.q. art. 59 van het Decreet van 29 juni 2012 tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005, B.Staatsblad 03/08/2012, bl. 45990
(2) Art. 150
(3) Artikel 49 van de Gemeentewet van 18 juli 1837: “Cependant tout contribuable inscrit au rôle de la commune a le droit d’exercer, à ses frais et risques, avec l’autorisation du conseil de préfecture, les actions qu’il croirait appartenir à la commune ou section, et que la commune ou section, préalablement appelée à en délibérer, aurait refusé ou négligé d’exercer. La commune ou section sera remise en cause, et la décision qui interviendra aura effet à son égard”. Nu Artikel L2132-5 Code général des collectivités territoriales
(4) Nu art. 85 Loi du 7 novembre 1996 portant organisation des juridictions de l'ordre administratif : « Un ou plusieurs habitants peuvent, à défaut du collège échevinal, ester en justice au nom de la commune, moyennant l'autorisation du ministre de l'Intérieur, en offrant, sous caution de se charger personnellement des frais du procès et de répondre des condamnations qui seraient prononcées. Le ministre de l'Intérieur est juge de la suffisance de la caution.

La commune ne peut transiger sur le procès sans l'intervention de celui ou de ceux qui ont poursuivi l'action en son nom.
En cas de refus, un recours est ouvert auprès du Tribunal administratif. »

(5) artikel 143, lid 3 Gemeentewet 29 juni 1851“elke ingezetene kan, daartoe volgens artikel 194 gemachtigd, ten zijnen laste, namens de gemeente een eis in rechte doen, die volgens zijn mening in het belang der gemeente behoor de te zijn gedaan”
(6) De tot deze zomer geldende tekst luidde dan ook voor de gemeenten: 
"Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad niet in rechte optreden, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.
Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de gemeente is gevestigd.
De gemeente kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd".
(7) Code de la démocratie locale et de la décentralisation , Art. L1242-2:
"Un ou plusieurs habitants peuvent, au défaut du (collège communal), ester en justice au nom de la commune, en offrant, sous caution, de se charger personnellement des frais du procès et de répondre des condamnations qui seraient prononcées.
La commune ne pourra transiger sur le procès sans l’intervention de celui ou de ceux qui auront poursuivi l’action en son nom". 


vrijdag, augustus 03, 2012

Vrij spreken en verantwoorden in 500 woorden


Deze bijdrage verscheen in: Auteurs in de bres voor auteurs, PEN Jaarboek 2011 (http://www.penvlaanderen.be/deploy/index.php/jaarboek), p. 36-37. Het is een bijgewerkte en ingekorte versie van mijn tekst "Vrijheid van meningsuiting: de puntjes op de i" (http://vlaamseconservatieven.blogspot.be/2008/10/vrijheid-van-meningsuiting-de-puntjes.html)




Vrij spreken en verantwoorden in 500 woorden.

Mij werd gevraagd in zowat 500 woorden te reageren op de woorden van Philippe van Parijs over de vrijheid van meningsuiting (1). Deze instructie geeft de mogelijkheid al dadelijk ex absurdo aan te geven wat de vrijheid van meningsuiting niet inhoudt: de redacteurs van dit boek hebben niet de plicht om mij de kans te geven mijn mening in méér dan 500 woorden te uiten. Ze hebben zelfs niet de plicht mij 500 woorden te gunnen. Wanneer ik omgekeerd zelf een boek samenstel heb ik de vrijheid te bepalen wie daarin mag publiceren en mag ik daarin zelfs naar hartenlust discrimineren door de mij welgevallige auteurs ruimte te geven voor 5000 woorden en de andere 500 woorden of zelfs helemaal geen. De vrijheid van meningsuiting als juridisch begrip omvat immers enkel de vrijheid om op eigen kosten - of die van iemand die de kosten wil dragen – zijn mening te uiten in de publieke ruimte of in de eigen private ruimte – of die van iemand die daarmee instemt -. Er geldt dus geen “recht op vrije meningsuiting”, maar wel een “vrijheid van meningsuiting”.

Dat houdt in dat die vrijheid, zoals omschreven, niet mag worden ingeperkt door de overheid. Bij meningsuitingen in de publieke ruimte mag de overheid die uitingen ook reglementeren, zolang het niet de inhoud is die gereglementeerd wordt; bij die reglementering mag de overheid evenmin discrimineren op grond van de inhoud van die meningsuiting. Uitwerking en nuancering hiervan gaat dit kort bestek te buiten. Inhoudelijke beperkingen aan de zo begrepen vrijheid van meningsuiting zijn slechts zeer uitzonderlijk gerechtvaardigd: met name waar een meningsuiting een kennelijk en onmiddellijk gevaar betekent voor een belangrijk rechtsgoed zoals het leven, de lichamelijke integriteit en gezondheid of de eer en goede naam van individuele personen. Elders heb ik dit meermaals nader uitgewerkt, zodat ik mijn resterende woorden aan een ander aspect wil wijden. Verdedigers van verdergaande beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting verwarren namelijk een – ontoelaatbaar – juridisch of feitelijke verbod door de overheid met de beperkingen die voortvloeien uit het gebruik dat andere burgers van hun vrijheden maken. Zij verwarren ook juridische verantwoordelijkheid met morele verantwoordelijkheid.

Die morele verantwoordelijkheid houdt in dat men door zijn medemensen ter verantwoording kan worden aangesproken wanneer men nodeloos kwetst, of over de morele en maatschappelijke invloed van de eigen meningsuitingen, of bij gebrek aan tolerantie voor andermans meningen, en dergelijke meer. Over de graad van moraliteit, fatsoen en tolerantie kan men echter van mening verschillen; zo deel ik de mening van Philippe van Parijs niet dat de Deense “karikaturen” nodeloos kwetsend waren; de meeste bekende ervan illustreerde volgens mij juist de kern van de zaak, dat de profeet die als onverbeterbaar voorbeeld wordt opgevoerd handelingen stelde die naar onze maatstaven vandaag terroristisch zijn. Maar precies omdat we daarover van mening kunnen verschillen is het zo nodig om de juridische vrijheid van meningsuiting intact te laten. Dat iets wettelijk is toegelaten, kan echter nooit inhouden dat andere burgers verplicht zijn om die  uiting ook moreel aanvaardbaar te vinden. Eenieder heeft dus evenzeer de vrijheid om meningsuitingen van anderen aan de kaak te stellen en om anderen omwille van hun onfatsoenlijke meningen desgevallend te "discrimineren". Soms heeft men zelfs de morele plicht om handelingen van anderen ook al zijn ze juridisch toegelaten, als immoreel te verwerpen. We moeten de caritas beoefenen tegenover personen, maar zonodig hard zijn in het aanklagen van bepaalde praktijken, zelfs indien die door de heersende moraal als belangrijke verworvenheden worden beschouwd. Het gebruik van de vrijheid brengt altijd een morele verantwoordelijkheid met zich mee voor de wijze waarop die vrijheid wordt gebruikt; die verantwoordelijkheid eist echter vooreerst een juridische vrijheid zonder dewelke ze niet kan bestaan.

(1) Het betreft de redevoering van Philippe van Parijs bij ontvangst van de Arkprijs voor het vrije woord op 25 mei 2011, eveneens in hetzelfde PEN jaarboek verschenen.

zaterdag, april 28, 2012

Historia docet

Tien jaar geleden beschreef de Leuvense hoogleraar Jo Tollebeek in een bijzonder boeiende uiteenzetting over “De conjunctuur van het historisch besef” hoe het bewustzijn van de geschiedenis verandert de doorheen de eeuwen en hoe ook historici in hun wetenschapsbeoefening op vele manieren aan geschiedschrijving doen (1). Elke historiografie, of ze nu verhalend is of niet, berust natuurlijk op een selectie en interpretatie van feiten, en die worden grotendeels bepaald vanuit het heden. Interpreteren wil zeggen dat men op zoek gaat naar de betekenis van dingen. Wat is de betekenis van de moord op Julius Caesar, van de kruisdood van Christus, van de Guldensporenslag of de slag bij Waterloo?

En onmiddellijk aansluitend, aangezien de methode van de geschiedwetenschap nu eenmaal op de eerste plaats berust op de studie van teksten: wat is de betekenis van de kronieken daarover, de teksten van de Romeinse auteurs, de Evangelies, de middeleeuwse kronieken of negentiende-eeuwse monografieën? Juristen en theologen weten en historici zouden moeten weten dat er verschillende wijzen zijn om een tekst te interpreteren die ook een verschillende functie kunnen hebben. Men kan nagaan wat de bedoeling waren van de auteur van een tekst, of van een handeling. Man kan nagaan welke gevolgen die tekst of handeling gehad heeft in de loop der geschiedenis. Het merkwaardige is dat hoe langer iets geleden is, hoe beter men de betekenis ervan in die zin kan inschatten – als men te dicht op de feiten zit beseft men de mogelijke gevolgen en betekenis ervan ervan minder. Bij die Wirkungsgeschichte kan men ook bestuderen welke rol de herinnering aan een feit of plaats in een latere periode heeft gespeeld. Zoals ik eerder al mocht schrijven (2), bestaat de betekenis van de Guldensporenslag vandaag meer uit de kracht die de herinnering eraan gegeven heeft aan de Vlaamse Beweging in de negentiend en twintigste eeuw dan uit de kracht die de slag toen heeft gehad (ook al moeten we die daarom niet minimaliseren). Teksten en feiten kunnen ook een praktische betekenis hebben voor vandaag, en dat is wat voor juristen natuurlijk het belangrijkste is. Men kan er een symbolische betekenis in zien in plaats van ze letterlijk te interpreteren, zoals wij vandaag meestal wensen bij sacrale teksten waarvan de letter te moordend kan zijn. Bovenal ook worden historische teksten net zoals literaire teksten educatief en ethisch gebruikt. Zij kunnen positieve rolmodellen van menselijke deugden tonen net als negatieve beelden van menselijke zwakheden. En wat zou er mis zijn met het aanbieden van rolmodellen ? Sommige historici vandaag specialiseren zich liever in de pathografie van de geschiedenis, de zwartschildering of Kriminalgeschichte en kunnen blijkbaar niet goed verdragen dat er uit de eigen geschiedenis ook nog iets anders kan geleerd worden. Uit reactie tegen de eenzijdigheden van sommige voorgangers schrijven ze een geschiedenis die meer politiek correct is dan “historiquement correct” (met de titel van een boek van Jean Sevillia)(3). Tu quoque ?

(1) in De horizonten van weten en kunnen, red. Bart Raymaekers, Gerd Van Riel, p. 167 v.

(2) "Gebruik en misbruik van geschiedenis", Opsomerlezing 2002, Vivat Academia, nr. 115, 2002, p. 61 v = http://storme.be/opsomer2002-storme.pdf

(3) Jean SEVILLIA, Historiquement correct, uitg. Perrin 2003

maandag, maart 19, 2012

Eresenaat 2012

Antwerpen (Elzenveld) zondag 5 februari 2012 - 50 jaar Europese Eresenaat

Opening door prof. Matthias Storme, voorzitter Eresenaat



Dames en heren excellenties, ministers van Staat, ministers en ambassadeurs, volksvertegenwoordigers en andere parlementsleden, eresenatoren, voorzitters, bestuursleden en journalisten, vrienden van de Europese Beweging,

Het is met enige nostalgie dat we hier samenkomen na het overlijden van de heer Walter Kunnen,n kanselier van deze eresenaat, en dit 50 jaar na de start van de Eresenaat en ongewis over de toekomst van onze Beweging. De heer Guido Naets zal zo dadelijk de laudatio uitspreken voor de heer Kunnen waarmee we hem postuum in "zijn" Eresenaat willen opnemen.

Het is echter ook mijn droeve plicht U de eresenatoren in herinnering te brengen die de voorbije anderhalf jaar overleden zijn. Het is een lange lijst van grote persoonlijkheden, veelal uit de generatie van Europese pioniers na de tweede wereldoorlog, en ook nu nog weet ik niet of ze wel volledig is.





Eerwaarde Pater Karel van Isacker, geboren in 1913 jezuïet en historicus, van wie ik nog college heb moegen volgen aan de UFSIA, scherpzinnig beschrijver van de Vlaamse sociale geschiedenis, criticus van de ontwijding van onze samenleving, overleden te Niel bij As op 25 augustus 2010;

Dr. Egon Klepsch, geboren in 1930, mit seine Familie aus dem Sudetenland vertrieben, Historiker, in 1964 Präsident der Internationalen Union Junger Christlicher Demokraten Europas, später Mitglied des Europäïischen Parlements und Vorsitzender der EVP-Fraktion, derjenige der “dem anfangs zum Chaos neigenden Parlament eine Struktur“ gegeben hat, später Parlamentspräsident sowie Vorsitzender der Panueropa-Union Deutschland, verstorben am 17 september 2010;

Rector Max Kohnstamm, geboren te Amstaerdam in 1914, historicus, vanaf 1952 Secretaris van de Hoge Autoriteit van de EGKS; vicevoorzitter van het door Jean Monnet opgerichte Comité d'Action pour les Etats Unis d'Europe., van 1976 tot 1981 de eerste rector van het Istituto Universitario Europeo te Firenze, gestorven te Amsterdam op 20 oktober 2010;

Dr. Iuris Paul van den Bussche, geboren in 1921, historicus en jurist, journalist bij de radionieuwsdienst NIR, later programmadirecteur van de Vlaamse televisie en tenslotte administrateur-generaal van de publieke omroep, de BRT, overleden op 26 mei 2011;

Botschafter Josef von Ferenczy, geboren in Ungarn in 1919, Widerstandskämpfer, Filmproduzent, Verleger und erster Medienmanager, später auch außerordentlicher Botschafter der Republik Ungarn, verstorben in Grünwald am 29 Mai 2011;

Dr. Yelena Bonner, born in 1923, pediatrician, human rights activist and author, since 1971 married to her fellow activist Andrei Sakharov, deceased in Boston on June 18, 2011;

Seine kaiserliche und königliche Hoheit Erzherzog dr. Otto von Habsburg-Lothringen, geboren 1912, Mitglied des Europäische Parlaments, Vorsitzender der Internationale Paneuropa Union, Großmeister des Ordens vom Goldenen Vlies, verstorben in Pöcking am 4. Juli 2011;

Rudolf Dumont du Voitel, geboren in Nürnberg 1916, Musikologe und Journalist, Leiter im Presse- und Informationsdienst der Europäischen Kommission, Präsidiumsmitglied der Europa-Union, geschäftsführender Vorsitzender der ’Europäischen Akademie Bayern’ und von 1980 bis 1986 Schatzmeister der Europäischen Föderalisten; verstorben in Erlanden am 2. August 2011;

Minister van Staat Willy de Clercq, geboren te Gent in 1927, jurist, herhaaldelijk Belgisch minister, Europees commissaris van 1985 tot 1989 en meermaals lid van het Europees Parlement, meermaals een gewaardeerd spreker op zittingen van deze Eresenaat, gestorven te Gent op 28 oktober 2011;

President Vaclav Havel, geboren in Prag 1936, Schriftsteller und Dissident, Initiator der Charta 77, Wegbereiter der deutsch-tschechischen Aussöhnung, Tschechoslovakischer und nachher Tschechischer Staatspräsident 1989 bis 2003, und verstorben in Prag am 18. Dezember 2011;

Eerwaarde Pater Phil Bosmans, geboren in Gruitrode 1922, pater Montfortaan, bezieler van de Bond zonder Naam, gestorven te Mortsel op 17 januari 2012;

Monsieur Jean Lecerf, né en 1918, journaliste et chercheur économique, chroniqueur et historien de l’unification européenne, en 2010 encore auteur de L'Europe racontée à nos arrières petits enfants, décédé à Boulogne Billancourt le 20 janvier 2012;

Monsieur Pierre Sudreau, né en 1919, le “petit prince” de Saint-Exupéry, licencié en droit et en lettres, résistant, grand commis de l’état, ministre de la construction et plus tard de l’éducation nationale, député et maire de Blois, père du TGV, et décédé à Paris le 22 janvier 2012.

Laudatio ad Memoriam Walter Kunnen (1921-2011)

door de heer Guido Naets, oud-voorzitter Europese Eresenaat.



Walter Kunnen overleed na een rijk gevuld leven van negentig jaar. Geboren Antwerpenaar, Limburger in hart en nieren, Vlaming en voor alles Europeër, steeds gedreven en geëngageerd. Hij had volgens het doodprentje “de goede strijd gestreden, zijn weg ten eind gegaan en zijn geloof bewaard”.
De ondernemer en strijder voor vele nobele zaken zal echter vooral herinnerd worden als voorvechter van de Europese zaak: stichter en bezieler van de BVSE, de Beweging voor de Verenigde Staten van Europa, de wat eigenzinnige Vlaamse afdeling van de UEF, de Unie van Europese Federalisten en bedenker van deze “Europese Eresenaat”. Aanvankelijk kwamen vele honderden getrouwen naar deze jaarlijkse hoogmis van de Beweging, onder het voorzitterschap van graaf Legrelle, dan Hendrik Brugmans, vandaag Matthias Storme. Elk jaar opnieuw wist hij top-Europeërs te strikken, alles samen 300 Europrominenten van alle politieke gezindten en horizonten: Edward Heath en Emilio Colombo, August De Schrijver en Otto von Habsburg, Jean-Luc Dehaene en Karel Van Miert, Alain Poher en Jean Monnet, Vaclav Havel en Gyula Horn, telkens voorgesteld door zittende Eresenatoren. Er waren ook steevast de jaarlijkse Persprijzen: Manu Ruys, Achiel Samoy, Louis Meerts, en Mark Grammens om enkele Vlaamse reuzen te noemen. En op Europese schaal Emmanuele Gazzo, Jean Lecerf, Charles Rebuffat, Jan Werts en vele anderen.
Walter zag de belangstelling voor Europa en voor “de Beweging”’ geleidelijk afkalven. In Europa Eén van eind 1999 zei hij: “De Beweging, destijds op gang gebracht door Hendrik Brugmans, Denis de Rougemont, Ernst Friedländer, Altiero Spinelli enz. , gedragen door Robert Schuman, Adenauer, Spaak en de Gasperi, voortgezet door nobele en eerlijke vechters als Leo Tindemans, Willy De Clercq, Fernand Herman.. zieltoogt bij gebrek aan belangstelling vanwege de burgers en vooral van de jeugd. Onze media hebben, duidelijk niet de rol gespeeld die men van gedreven journalisten kon verwachten… maar ook wij hebben gefaald”. Hebben wij gedaan wat moest gedaan worden? En hij besloot: “Er gaapt tussen de politici en het volk een afgrond van afkeer en onverschilligheid”.Dat was, 12 jaar geleden. Vandaag is het nog erger want de Magnette’s zingen luid het lied van de anti-Europese populisten mee. Walter zag de dwaasheid met lede ogen en waarschuwde steeds opnieuw met de verzen uit Het Programma van Armand ROBIN:
“Men zal het geloof afschaffen uit naam van het licht, vervolgens zal men het licht afschaffen.
“Men zal de charitas afschaffen in naam van de rechtvaardigheid, vervolgens zal met de rechtvaardigheid afschaffen., en men hoorde hem er bij denken:
“Men zal de staten en volkeren afschaffen in naam van Europa en vervolgens zal men Europa afschaffen.
Maar Kunnen bleef strijden tegen het kleinburgerlijk nihilisme, bleef geloven in een Europees Europa, bleef hameren op steeds dezelfde simpele geloofspunten:
- we moeten niet kiezen tussen Europese en nationale identiteit maar opkomen voor elke identiteit, op haar domein, zonder uitsluiting, niet of/of maar en/en;
- we moeten federeren en pacificeren (toen hij Paul Henri Spaak tot het federalisme bekeerde zag hij zich terecht als foederator en pacificator);
- en: geen Europese politiek zonder politiek Europa. Daarom ook verwachtte hij zoveel van de Europese verkiezingen. Zeven verkiezingen hebben we nu gehad en de opkomst zakte stapsgewijs tot beneden de 50 %. Dat knaagt aan de legitimiteit van het Europees Parlement en noopt tot een gewetensonderzoek bij de gekozenen: hebben wij gedaan wat de kiezer van ons verwacht? Walter betreurde la trahison des clercvs.
Net nu een grote sprong voorwaarts nodig is om het bereikte in stand te houden, schijnt zowel de burger als de politieke klasse af te haken, denkend dat we kunnen overleven met MINDER Europa. Europa moet niet opnieuw worden uitgevonden, we moeten enkel het Europees geloof opnieuw prediken. Maar dat hij, “alter müder Kâmpfer” leek te prediken in de woestijn verontrustte Walter Kunnen in zijn 90ste levensjaar diep.
Om wat deze man de voorbije halve eeuw voor Europa heeft betekend, om zijn geloof en zijn trouw, Voorzitter, heeft het bestuur het zinvol gevonden, zijn overleden kanselier “Pro pace et unitate” POSTUUM op te nemen in de Europese Eresenaat. Ik zou voorzitter Prof Storme dan ook willen verzoeken de versierselen van te willen overhandigen aan Walter Kunnen Jr., de oudste zoon van Walter en zijn geliefde Diane Debray.

***

Vervolgens werd de Europese persprijs over 2011 uitgereikt aan Udo van Kampen, journalist en correspondent van ZDF-TV, met een laudatio door Horst Keller.

Tenslotte werden opgenomen in de Europese Eresenaat "Pro Pace et Unitate, e meritu et honoris causa”:
* Ulrich Brandenburg, Europees ondernemer, met laudatio door Prof. Ir. Marcel Van de Voorde
* Antonio Vetyra Diaz Diaz, Voorzitter van de Fundacion Academia Europea de Yuste, laudatio door Beatrijs Van Craenenbroeck
* Herman Van Rompuy, President van de Europese Raad, llaudatio door Minister van Staat Leo Tindemans.







Dames en heren,

Sta me toe bij wijze van lichte provocatie als antwoord op de hetze jegens ons broedervolk in Hiongarije te besluiten met een passend gedicht van onze betreurde eresenator Josef von Ferenczy:

Unser Europa
Über ein halbes Jahrhundert schon ,
lebe ich in Emigration,
Ungarn und Europas Einheit,
Hauptbeweggrund meiner Arbeit,
Auf meiner Fahne stets geschrieben:
Er ist leidenschaftlicher Ungar geblieben,
treuer Deutscher, begeisterter Europäer.
Leidenschaftlich Ungar sein,
wer Ungar ist, kann nur das sein.
Treuer Deutscher, weil ich mein Leben,
wie ich lebe, den Deutschen kann verdanken.
Begeisterter Europäer, weil das Europäische Haus
für alle Nationen ein gutes Zuhause.
Kein Chauvinismus mehr, Mörder der Völker
aber das Wunder der Heimatliebe, edle Flagge,
unseres gemeinsamen Europäischen Hauses.

woensdag, februari 01, 2012

Bij de verguizing van politiek idealisme

Een opinieonderzoek van Gallup reveleerde vorig jaar dat in de VS Republikeinen vandaag veel sterker de mening toegedaan zijn dat politici moeten vasthouden aan hun overtuigingen, terwijl Democraten het belangrijker vinden om compromissen te sluiten om op korte termijn dingen te realiseren. Kortom, idealisme is in Amerika vandaag vooral te vinden aan de "rechterzijde", en een bepaalde vorm van pragmatisme aan de "linkerzijde". Een vergelijking met de situatie bij ons is natuurlijk gevaarlijk, maar men kan niet ontkennen dat ook de Vlaamse burgers hierover grondig verdeeld zijn, en het partijpolitieke spectrum van links naar rechts grosso modo dezelfde variatie vertoont. Aan de linkerzijde een dwepen met het compromis als ultieme moraal van de politiek, aan de rechterzijde een pleidooi voor zuiverheid en tegen participatie aan het systeem, in het midden een bereidheid om de tegenstander tegemoet te komen, maar niet tegen elke prijs. Wat me daarbij vooral zorgen maakt of ergert is de mateloze verguizing door de zichzelfweldenkenden van elk politiek idealisme en van elke houding waarbij hetgeen men voor de verkiezingen aan de kiezer als programma presenteert niet zo snel mogelijk na de verkiezingen overboord wordt gegooid.

De waarneming is wel interessant omdat ze ingaat tegen de idée reçue dat idealisme "links" is en om die reden aan de "linkerzijde" veel moet worden vergeven. De verklaring hiervoor kan zeker niet in één enkele reden gevonden worden, maar ik geef toch een paar mogelijke elementen. Op de eerste plaats is ons politiek bestel wellicht al zo socialistisch geworden dat socialisten er vooral baat bij hebben dit toe te dekken en de roep om ernstige hervormingen te discrediteren. Verder zijn het vooral politici die voor de eigen groep aan zelfbediening vanuit de overheid willen doen, die absoluut aan de macht moeten zien te blijven of te komen; een compromis met andere stromingen met dergelijke bedoelingen is dan ook veel sneller gemaakt dan met diegenen die minder op die zelfbediening uit zijn.

Spreken in termen van idealisme versus pragmatisme kan anderzijds ook leiden tot enkele verkeerde gevolgtrekkingen. Zo bv. valt de hier genoemde tegenstelling m.i. niet samen met de door Max Weber gethematiseerde tegenstelling tussen “overtuigingsethiek” en “verantwoordelijkheidsethiek”. De overtuigingsethiek (in het Duits Gesinnungsethik) kan namelijk afglijden in een opvatting die mensen niet beoordeelt op wat ze doen, maar wel op hun correcte of incorrecte gezindheid, en dit is een fenomeen dat we minstens zo sterk vinden bij de verdedigers van het compromis als aan de andere zijde van het spectrum. En omgekeerd zal verantwoordelijkheid er vaak juist uit bestaan om geen genoegen te nemen met het behoud van het bestaande evenwicht (dat dan als compromis wordt vertaald) maar integendeel een gedurfd antwoord te geven op de noden van de tijd.

Geef mij maar een combinatie van idealisme én verantwoordelijkheidszin boven de lege ophemeling van het compromis.

(verscheen eveneens in Doorbraak februari 2012)

woensdag, november 09, 2011

Matthias Storme oog in oog met zijn reputatie

Matthias Storme: ‘Karikaturen blijven slechts hangen in de kringen die erin willen geloven’


‘Oei!’, reageert een collega van de krant als hij hoort dat ik Matthias Storme (52) ga interviewen. De advocaat en professor privaatrecht en rechtsfilosofie heeft nogal een reputatie in progressieve kringen. Nadat het Gentse hof van beroep het Vlaams Blok in 2004 veroordeeld had wegens racisme stelde Storme dat het bijna een morele plicht was om op die partij te stemmen. Later nam links er met verbijstering akte van dat hij zijn pijlen richtte op de antidiscriminatiewet. Meer hoef je in Vlaanderen echt niet te doen om in extreem rechtse hoek gestoken te worden.
Zelf heb ik al mogen aanschouwen hoe hij in een debat geestdriftig blijft inhakken op argumenten waar hij het niet mee eens is. Zijn temperamentvolle manier van discussiëren is een heus spektakel. Niet dat Storme zijn tegenstrevers omver schreeuwt, wel is de man verdraaid rad van tong.
De Matthias Storme die ik te spreken krijg, is echter één en al charme. Met voorname beleefdheid ontvangt hij me in zijn mooie villa in de Gentse deelgemeente Mariakerke. Ik leg hem uit waarom ik aan m’n boek ben begonnen en vraag hem of hij kan inschatten wat zijn imago is. ‘Aan de verschillende reacties te merken is dat zeer uiteenlopend en dus maak ik er mij niet te veel zorgen over’, glimlacht hij diplomatisch.
Toch is er één beeld dat overheerst: dat van de Vlaams-radicale advocaat. ‘Wel, advocaat is mijn beroep. Dus dat komt al overeen met de werkelijkheid’, grijnst Storme. Hij heeft nooit weggestoken dat hij een communautaire scherpslijper is. Zo wees hij er al op dat er ‘een alternatief’ moet zijn voor de onderhandelingen over de staatshervorming. ‘Als niets nog vooruitgaat, wat doe je dan? Dat is de situatie waar we nu zo ongeveer in verzeild geraakt zijn. Het zou geen kwaad kunnen dat er nog iets meer gewerkt wordt aan een meer radicaal scenario voor het geval dat noodzakelijk zou zijn. Je moet weten wat je gaat doen als de onderhandelingen niets opleveren. Ik heb zelf altijd geprobeerd om daarover na te denken. Dan krijg je gemakkelijk het etiket van radicaal.’
Het stoort hem niet wanneer de omschrijving ‘Vlaams-radicaal’ opduikt. ‘Ik heb de gewoonte om woorden nogal positief te bekijken. ‘Radicaal’ komt van het woord ‘radix’, of wortel. Vlaams-radicaal betekent dus de communautaire problemen bij de wortel aanpakken. Met dat imago heb ik niet te veel moeite. Wel met de connotatie die sommige mensen aan het woord ‘radicaal’ geven, dat is nog iets anders.’ Wat is die connotatie dan? ‘Voor sommige mensen zijn ‘radicaal’ en ‘extreem’ hetzelfde. Voor mij is dat niet noodzakelijk zo. Je kunt bij wijze van spreken radicaal centrum zijn.’
De flamingante advocaat heeft ook het imago een ethisch conservatief man te zijn. ‘Wat wil dat precies zeggen, ethisch conservatief? Dat lijkt zeer duidelijk, maar dat is niet zo. Conservatief is een begrip dat vele nuances kent, al was het maar omdat het conservatisme geen vastomlijnde ideologie is, maar veeleer een levenshouding met gradaties. Een Weltanschauung, zoals ze dat zo mooi zeggen in het Duits.’
Het lijkt wel een paradox dat hij als conservatief ook radicaal is. ‘Dat hangt ervan af. Ik denk dat bepaalde radicale ideeën perfect verzoenbaar zijn met het conservatisme. Je moet kijken wat de noden zijn van deze tijd’, legt Storme uit. ‘Conservatisme betekent voor mij enerzijds dat je jezelf voortdurend de vraag stelt wat fundamenteel is en wat bijkomstig. Anderzijds is er ook de overtuiging dat er een zekere stabiliteit nodig is, zelfs ten aanzien van zaken die niet fundamenteel zijn. Je moet dingen niet te rap veranderen als dat niet echt nodig is. Er kunnen goede redenen zijn om tradities en gebruiken niet zomaar weg te gooien. In dat opzicht zijn er twee niveaus aan het conservatisme die niet noodzakelijk met elkaar in tegenspraak zijn.’
Met het etiket van conservatief heeft hij nooit een probleem gehad. ‘Ook niet toen het nog een echt scheldwoord was. Tot vijf jaar geleden was dat zo, vandaag niet meer. In die zin is er wel wat veranderd. Ik stel vast dat het woord ‘conservatief’ het niet meer doet, dus maakt men er ‘aartsconservatief’, ‘extreem conservatief’ of ‘oerconservatief’ van. ‘Conservatisme’ heeft niet voldoende negatieve lading meer. Daar kan ik vanzelfsprekend alleen maar blij om zijn’, vertelt Storme met een geamuseerde glimlach.
Als conservatieve intellectueel blijft Storme gevreesd. Zeker vroeger kon er niet genoeg gewaarschuwd worden voor zijn boosaardig persoon. Net omdat hij zo schaamteloos conservatief was, werd hij regelmatig aan het toenmalige Vlaams Blok gelinkt. ‘Blijkbaar kun je in Vlaanderen niet een beetje rechts zijn zonder de verdenking op je te laden dat je eigenlijk een Blokker bent’, zei een aanstormend politiek talent dat luisterde naar de naam Bart De Wever in 2003. De toenmalige ondervoorzitter van de N-VA nam in Knack de verdediging van Storme op zich. ‘Matthias Storme bij het Vlaams Blok? Dat is absurd. Hij is het soort conservatief dat je bij uitstek bij CD&V vindt: een burgerlijke, rechtse cocktail van old fashioned values.’
‘Dat is leuk’, lacht Storme als hij hoort hoe De Wever hem omschrijft. ‘Globaal genomen vind ik dat een niet geheel onterechte typering. Ik kom uit een christendemocratische familie en beschouw mezelf tot op zekere hoogte nog altijd als christendemocraat. Het woord ‘burgerlijk’ heeft bij ons natuurlijk een veel negatievere connotatie. In Duitsland spreekt men van ‘die bürgerliche Parteien’, waarmee men in de eerste plaats CDU en CSU bedoelt. In die betekenis is daar niets mis mee.’
Maar het klopte wel dat conservatieven meteen in de hoek bij het VB werden gezet? ‘Ja, tenzij je al zo publiekelijk in de ethisch conservatieve vleugel van de CVP of de CD&V militeerde dat zo’n claim absurd was. Anders kreeg je snel die connotatie, zelfs als je niets met het Vlaams Blok te maken had. Ik heb natuurlijk nooit ontkend dat ik ook in die partij vrienden heb. Ik heb altijd gevonden dat je persoonlijke loyauteiten niet te snel moet verbreken om partijpolitieke redenen.’ Storme zelf is lid van het partijbestuur van de N-VA.
Het christelijke geïnspireerde opinieblad Tertio omschreef hem als ‘fervente verdediger van de vrije meningsuiting’. Dat klinkt veeleer liberaal dan conservatief. De advocaat probeert de verwarring weg te werken met een anekdote. Hij vertelt hoe Filip Rogiers, toen journalist bij De Morgen, in januari 2004 een dubbelinterview afnam van hemzelf en professor rechtsgeleerdheid Boudewijn Bouckaert (UGent, toen VLD), die sedert 2009 in het Vlaams Parlement zetelt voor LDD. ‘Op het einde van het gesprek vroeg de journalist wat het verschil was tussen ons beide. Ik antwoordde met een ingeving van het moment: “Boudewijn Bouckaert is een conservatieve liberaal en ik ben een liberale conservatief.” Waarop de journalist opmerkte dat dat toch hetzelfde was. “Dat is helemáál niet hetzelfde”, antwoordden wij in koor’, lacht Storme uitbundig.
Ah neen? En waarom is dat niet hetzelfde? ‘Er zijn duidelijke accentverschillen. Een liberale conservatief weet meer dan sommige old school conservatives bepaalde fundamentele vrijheden te waarderen. Niet alle conservatieven hechten evenveel belang aan de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting. Er zijn ook conservatieven die godsdienstvrijheid maar niets vinden’, verklaart Storme. ‘Het verschil met een conservatieve liberaal is vrij groot omdat liberalisme heel sterk de nadruk legt op het individu. Een conservatief gaat er veel meer van uit dat mensen maar mensen worden als ze deel uitmaken van een gemeenschap. Dan pas kun je vertrouwen hebben in mensen die je eigenlijk niet persoonlijk kent. Dat is een belangrijke conservatieve gedachte. Een netwerk van tradities, betekenissen en instellingen maakt het mogelijk om een samenleving op te bouwen die niet louter gebaseerd is op individueel vertrouwen. Als je het enkel daarmee moet stellen, zul je niet ver geraken. Dan zit je in een variant op een tribale samenleving.’
Tertio bestempelde Storme eveneens als ‘public intellectual’. Journalist Gilbert Roox noemde hem in De Standaard zelfs ‘de laatste volksnabije Vlaamse intellectueel’. Moet een volksnabije intellectueel er zich voor hoeden populist te worden? ‘Er bestaan verschillende visies op intellectuelen. Sommigen zeggen dat de intellectueel moet provoceren en choqueren – zelf ben ik niet vies van provocatie, maar er is een verschil tussen provoceren en choqueren. Er is ook een visie die zegt dat je als intellectueel afstand moet nemen van het volk, dat je antipopulistisch moet zijn. Het andere extreem is de intellectueel als populist die geen eigen mening heeft, maar louter luidspreker speelt van de volksgevoelens’, somt de hoogleraar op.
Welk soort intellectueel is hij dan? ‘Zoals Edward Shils het schreef, moeten intellectuelen de ervaringen en de noden van hun volk representeren, wat tegelijk betekent dat je ze op een hoger niveau tilt in de manier waarop je je uitdrukt. Er is altijd een spanningsveld. Je koppelt je niet los, maar je probeert wel een meerwaarde te bieden ten opzichte van het zuivere, platte populisme’, benadrukt Storme.
Als flamingante intellectueel mag de advocaat dan vinnig uit de hoek komen, voor het etiket van de bekrompen Vlaming past hij. ‘Ik kan me voorstellen dat het voor sommigen paradoxaal is dat je als nationalist en Vlaams-radicaal toch enorm kosmopolitisch bent in je intellectuele leven. Ik lees veel meer buitenlandse dan binnenlandse kranten en literatuur’, benadrukt hij. ‘Ik vind het altijd leuk als mensen die zich tegen het nationalisme kanten zelf ternauwernood in staat zijn om twee, laat staan drie, vier of vijf talen te spreken. Ikzelf zou me niet kunnen opsluiten in één taal.’
Ooit pakte het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) uit met de slogan ‘Vlaanderen eentalig, Vlamingen meertalig’. Die kon hij wel smaken. ‘De eentaligheid van een persoon is een verschrikkelijke verarming, maar je hebt wel een gemeenschappelijke bestuurstaal nodig, één taal waaraan iedereen kan deelnemen en waarin het maatschappelijke leven zich afspeelt’, betoogt Storme. ‘Het is toch absurd om te denken dat je als voorstander van het opsplitsen van België geen vriendschappelijke verhoudingen zou kunnen hebben met Franstalige Belgen? Dat is totale nonsens. Ik hoef niet in één land te leven met Fransen, Duitsers en Italianen om daar vrienden te hebben.’
Opvallend aan Matthias Storme is dat hij rustig de meest complexe zinnen formuleert en ze netjes op hun pootjes doet belanden. Deze advocaat en professor brengt zijn ideeën zeer precies onder woorden. Als er toch eens een frase passeert die zichzelf vastrijdt in een overdaad aan kronkelende bijzinnen, excuseert Storme zich. ‘Je zult werk hebben om hier een deftige zin van te maken’, glimlacht hij dan. De advocaat kan zijn liefde voor het geschreven en het gesproken woord niet verbergen.
In 1998 schreef de Belgicistische auteur Geert Van Istendael in De Morgen over hem: ‘Hier spreekt een retoricaleerling die het welsprekendheidstoernooi van zijn college wil winnen. Matthias Storme is wel wat opgewonden, maar niet gek.’ Alweer kan mijn gastheer een beleefd gegniffel niet onderdrukken. Hij herinnert zich het citaat niet meer, maar begint meteen in zijn geheugen te graven op zoek naar de aanleiding voor Van Istendaels stukje. Het duurt amper enkele seconden voor hij zich de plaats en de datum van de bewuste toespraak voor de geest haalt. ‘Ook Josse de Pauw heeft daar een commentaar over geschreven in De Standaard der Letteren.’
In zijn artikel had Josse de Pauw het over de ‘man in het te grote maatpak’. ‘De man op het podium trekt zijn schoudervullingen recht, heft zijn kop en stoot, vol van zijn eigen naam, het vervolg van zijn zin uit’, schreef de auteur. ‘Ik moet toegeven die ik er toen niet mee gediend was, die pakte volledig de persoon aan. Nu kijk ik er veel milder tegenaan’, zegt Storme vergevingsgezind.
Hoe voelde het om opeens over zichzelf te lezen in de pers? ‘Het is evident dat bepaalde beschrijvingen helemaal niet klopten, maar daar heb ik me niet zoveel zorgen over gemaakt. Nu en dan heb ik de moeite genomen om te reageren, maar eigenlijk enkel in het geval van feitelijke onjuistheden’, vertelt Storme.
Heeft hij de indruk dat mensen zich een beeld vormen van hem op basis van zijn mening? ‘Men gaat heel snel over tot het diaboliseren van mensen die een andere visie hebben. Ik zal niet zeggen dat elk debat het summum van beschaving moet zijn. Je mag al eens een retorische truc gebruiken. Maar er is een verschil tussen een retorische truc en venijnig, onder de gordel uithalen. Er zijn een aantal mensen die ik bepaalde aanvallen nog altijd kwalijk neem, hoewel ik erken dat ze daarnaast wel verdiensten hebben. Sommige reacties waren compleet onzinnig.’ Kan hij een voorbeeld geven? ‘Het is misschien niet eerlijk om er eentje uit te halen, maar ik herinner mij een reactie van Johan Leman (voormalig voorzitter van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, TVDM). Nadat ik mijn kritiek had gegeven op het arrest in het proces tegen het Vlaams Blok zei Leman dat ik de scheiding der machten overtrad. Dat was complete nonsens, want ik ben geen parlementslid en was dat toen evenmin. Als professor in de rechten behoort het tot mijn taak om kritische commentaar te geven op rechtspraak. Die reactie van Leman was nonsensicaal.’
Draagt hij zulke aanvallen lang mee? ‘Ik zal niet zeggen dat ik alles snel vergeet, maar het moet al heel erg zijn voor ik haatdragend word’, repliceert Storme minzaam. Hij laat wel van zich horen als hij zich onheus behandeld voelt in een artikel. ‘Toen ik de Prijs voor de Vrijheid 2004 kreeg van Nova Civitas heb ik een toespraak gehouden. De dag nadien stond er in De Standaard een niet erg vriendelijk arikel van Tom Naegels’, herinnert Storme zich. In een opiniestuk verbaasde de schrijver-journalist er zich over dat een intellectueel als Storme had gezegd dat het bijna een morele plicht was om voor het Vlaams Blok te stemmen nadat de partij veroordeeld was wegens racisme. ‘Ik begrijp niet dat uitgerekend conservatieven het recht verdedigen om zo'n ranzige propaganda te verspreiden’, schreef Naegels ontgoocheld in zijn opiniestuk. ‘Zeg mij, Matthias Storme, wat minaretten-op-de-kathedraal te maken hebben met intellectueel fatsoen? Of geldt fatsoen alleen wanneer het de fatsoensridder past?’
Storme kon niet met die aantijgingen lachen. ‘Tom Naegels heeft toen de moeite genomen om naar mijn voordracht te komen luisteren, maar maakte er een karikatuur van. Ik ben op hem afgestapt: “Wat gij hier schrijft, klopt voor de helft niet. Ik wil dat met u bespreken.” Wij hebben toen een supergezellige lunch gehad. Onze verhouding is sindsdien perfect hoffelijk. Hij zal nooit meer op die manier over mij schrijven. We hebben elkaar als mens een stuk genuanceerder leren kennen. Ik hoef het niet eens te zijn met Tom Naegels om te erkennen dat hij genuanceerd is. Je kunt natuurlijk ook zeggen dat hij té genuanceerd is, een eeuwige twijfelaar. Ik heb vrienden die Tom Naegels helemaal niet appreciëren omdat hij altijd schippert. Toch is dit een voorbeeld van een goed gesprek dat tot een betere verstandhouding heeft geleid’, zegt de advocaat. Zo’n verzoening lukt niet altijd. ‘Er zijn personen waarbij de nadere kennismaking mijn overtuiging versterkt dat ze helemaal niet genuanceerd zijn. Maar bij mensen die te goeder trouw zijn, is dat dus corrigeerbaar.’
Ten tijde van paars-groen kreeg Matthias Storme het etiket van cryptofascist opgeplakt. ‘Ik herinner mij een vrij onaangename ontmoeting met Karel De Gucht (toenmalig VLD-voorzitter, TVDM) toen ik voorzitter was van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. Achteraf weigerde hij mij de hand te schudden. Ik heb ’m toen voorgesteld de linkerhand te geven, maar daar kon hij niet mee lachen’, grinnikt Storme. ‘Ik ga niet zeggen dat die verhouding sindsdien nooit beter is geworden, maar echt goed zal ze nooit zijn. Ik heb nu ook niet beweerd dat De Gucht mij ooit een cryptofascist heeft genoemd, maar hij zal het misschien wel gedacht hebben. Anderen zullen het ongetwijfeld gezegd hebben.’
Vond hij dat vervelend? ‘Ach, ik maak mij daarvan af met een boutade van Jacques Presser, de Nederlandse historicus van Joodse afkomst die zeer belangrijk onderzoek heeft verricht naar het lot van de Joden in Nederland. “Als het fascisme ooit terugkomt, zal het dat doen onder de naam antifascisme”, zei Presser. Dat is een fenomeen dat we ondertussen al een paar keer in werkelijkheid hebben gezien. Wat dat betreft, maak ik mij dus niet te veel zorgen. Als men het woord ‘fascisme’ moet gebruiken, is het meestal omdat men over geen enkel ander argument meer beschikt. Dat is het zwakste scheldwoord dat je kunt bedenken.’
Toen presentator Jean-Pierre Rondas begin 2011 afscheid nam van radio Klara klopte hij zich in De Morgen op de borst dat hij de eerste was om ‘horresco referens Matthias Storme te interviewen op de radio’. Wekte de naam Matthias Storme dan werkelijk zoveel gehuiver op? ‘Bij sommige mensen wel, ja. “Het is schandalig dat u die man interviewt!”, reageerden enkele luisteraars na de bewuste uitzending. Ach, ik probeer mensen te overtuigen, maar sommigen zijn niet te bekeren.’
Eveneens in De Morgen dichtte mijn collega Bart Eeckhout Storme nogal wat invloed toe binnen de Vlaamse Beweging. Is hij werkelijk zo invloedrijk? ‘Dat is een waardering waar ik zelf weinig commentaar op kan geven’, pareert hij bescheiden. Maar hij is toch niet de aanvoerder van een eenmanskruistocht, zoals Luc Van der Kelen, editorialist bij Het Laatste Nieuws, in 1999 schreef? ‘Toen heb ik gesproken voor een enthousiaste zaal van een aantal duizend mensen. Sindsdien zijn de troepen alleen maar aangedikt. Ik zeg niet dat dat mijn verdienste is. Wat ik wel vaststel, is dat er vandaag heel vaak ideeën of uitdrukkingen opduiken die ik het eerst heb gelanceerd, of geïmporteerd zonder ze daarom zelf te hebben uitgevonden. Er is sprake van een intellectuele invloed. Bij geschriften van de N-VA heb ik regelmatig een gevoel van herkenning: “Tiens, die uitdrukking is mij niet geheel onbekend en ik weet nog heel goed wanneer ik die voor het eerst heb gebruikt.” Ik weet heel zeker dat Bart De Wever, die meer dan superintelligent is, een heel pak teksten van mij heeft.’
In de man met wie ik zo rustig zit te keuvelen herken je niet meteen een gevreesde debater, een verbale krachtpatser die z’n tegenstanders zo’n pak onder de broek kan geven dat het hen nog lang heugt. Nochtans schreef Mark Deweerdt, toen nog journalist, thans raadgever van Vlaams minister Geert Bourgeois (N-VA), anno 1998 in De Tijd dat Matthias Storme zijn Sturm-und-Drang-periode nog niet ontgroeid was. Ik betwijfel of dat ondertussen wel al het geval is. Vorig jaar was ik in een klein zaaltje in het Brusselse Justititiepaleis getuige van een pittig debat tussen Storme en Hendrik Vuye, professor staatsrecht aan de universiteit van Namen. Vuye is beslist niet op zijn mondje gevallen en een voorbeeldige Belgicistische knaap is hij evenmin. Toch werd de brave man bijna wanhopig toen Matthias Storme maar bleef doorbomen over de absolute prioriteit van een cleane splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Het ging ’m om details, want Vuye krijgt zélf koude rillingen van alle bijna-niet-splitsingen die de afgelopen jaren op de onderhandelingstafel beland zijn. Maar een ontketende Matthias Storme leg je niet zomaar aan banden. Als hij voor een publiek spreekt, kan hij behoorlijk assertief uit de hoek komen.
‘Dat hangt ervan af’, nuanceert de advocaat. ‘Als het moet, kan ik wel een echte meetingtoespraak houden, met retorische wendingen enzovoort. Ik doe dat niet vaak meer, al was het maar omdat ik het gevoel heb dat de zaken zo traag evolueren dat ik tien jaar later nog altijd exact hetzelfde moet vertellen. Je moet dat met mate doen. Ik wil in mijn toespraken ook niet te blunt zijn. Tussen de regels door moeten er toespelingen, dubbele bodems en citaten zitten. Dat hoort erbij, anders is het geen goede toespraak.’
Kan hij ervan genieten om zo’n toespraak te geven? ‘Ja, toch wel. Ik geniet van het woord’, knikt Storme. ‘Ik denk niet dat ik gemaakt ben om echt literair te schrijven. Ik zal het mij niet riskeren om dichtbundels of romans uit te brengen. Ook past niet elk soort toespraak mij even goed. Het kost mij altijd enige moeite. Altijd is het vloeken tot op het laatste moment. Zelden is zo’n toespraak echt helemaal klaar, maar ik doe het wel graag.’
Rik Van Cauwelaert, ‘chef politiek’ van Knack, merkte op dat Stormes vijanden – en dat zijn er volgens de journalist nogal wat – hem arrogant vinden. Komt dat doordat hij altijd zo zeker van zijn stuk lijkt? ‘Als men mij arrogant noemt, heeft dat allicht weinig te maken met de inhoud van wat ik zeg, maar hoogstens met de stijl. Ik heb nooit intellectuele twijfel uitgesloten. Ik zeg altijd dat men mij kan proberen te overtuigen met tegenargumenten. Bij sommige onderwerpen zal dat moeilijker zijn dan bij andere’, zegt Storme droogjes. ‘Maar ik heb mezelf altijd verplicht om op vele vlakken te proberen het tegenovergestelde te bedenken en zo te onderzoeken welke nuances dat met zich meebrengt. Zelfs in communautaire zaken doe ik dat.’
Hij vindt zichzelf geen gehaaid debater. ‘Maar ik ga het debat niet uit de weg, zelfs niet met mensen die vrij gevaarlijk zijn. Sommige tegenstanders zijn iets meer te duchten dan andere. Op televisie heb ik nog met Karel De Gucht gedebatteerd, wat niet evident is. Vrij veel mensen zouden daarvoor passen’, geeft Storme toe.
Heeft hij ooit al spijt gehad dat hij zijn mond niet gehouden heeft, zoals bijvoorbeeld na zijn fameuze uitspraken over het Blok-proces? ‘Uiteindelijk leidt dat tot niets. Je moet de kans krijgen om de zaken volledig weer te geven. Misschien bedenk je achteraf wel dat je de nuances al van in het begin duidelijker had moeten maken’, erkent de advocaat. ‘Wat vaker gebeurt, is dat je na een debat zegt: “Verdorie, ik ben dat argument vergeten! Hoe kon ik die insteek nu gemist hebben? Daar had ik zó mee gewonnen!” Wat ook gebeurt, is dat ik jaloers ben op een oneliner van een ander lid in het panel.’
In 2003 kreeg de advocaat de Holebifederatie over zich heen vanwege de ‘ongenuanceerde en kwetsende manier’ waarop hij zijn ongenoegen uitte over de antidiscriminatiewet. ‘Dat was heel merkwaardig. Ik had toen een vrij scherp opiniestuk geschreven over de antidiscriminatiewet. Ik betoogde dat die niet in het voordeel was van de zwakkeren in de samenleving die men beoogde te beschermen, maar dat de wet enkel in het voordeel speelde van goed georganiseerde, sterke minderheidsgroepen. Dat was een algemene beschouwing. Toen heeft de Holebifederatie daar blijkbaar een regelrechte aanval op zichzelf in gezien. Waarschijnlijk schreven ze mij allerlei ideeën toe – ten dele terecht, ten dele onterecht – waar ze geen enkel bewijs voor vonden. Daarom hebben ze één zinnetje, een abstract-filosofische beschouwing, als aanleiding gebruikt. Ik heb ze toen geschreven dat ik met groot plezier naar de uitreiking van de Homofobieprijs zou komen op voorwaarde dat ze mijn fysieke veiligheid konden garanderen. (grijnst) Nooit antwoord op gekregen. Met die ironie konden ze blijkbaar niet lachen.’
Heeft men toen zijn imago gekoppeld aan een algemene uitspraak om hem met vinger te wijzen? ‘Vermoedelijk zullen ze uit een aantal punctuele standpunten een heel spookbeeld gemaakt hebben. Maar ze hebben bitter weinig concrete aanknopingspunten gevonden om me compleet zwart af te schilderen. Ik denk dat dat allemaal nogal overroepen was.’ Hij laat zich niet opjagen door de spookbeelden die van hem bestaan? ‘Karikaturen blijven meestal slechts hangen in de kringen die erin willen geloven. Ik beschouw me dus niet als een slachtoffer van bepaalde spookbeelden’, besluit Storme met een vriendelijke glimlach.

Dit interview verscheen in Tim F. van der mensbrugghe, Imago. 13 bekende koppen oog in oog met hun reputatie, uitg. Luster 2011.

zondag, oktober 30, 2011

Zwarte blom op ‘t geluw veld

Zo noemde Guido Gezelle de leeuw van sabel op een veld van goud, symbool van het graafschap Vlaanderen en sinds de 19e eeuw van de Zuid-Nederlandse gewesten die wij vandaag Vlaanderen noemen. Met de aaibaarheid of het gebrek eraan van de koning der dieren had Gezelle zo te merken niet zoveel moeite. Naarmate Vlaanderen zijn autonomie versterkt steken in onze tijd echter allerlei leofobe strekkingen de kop op. Soms uit eerlijke bezorgdheid, vaker uit anti-Vlaamse dan wel meer algemeen anti-identitaire rancune. Dat kan zich uiten in een tirade tegen de het klauwende karakter van het Vlaamse symbool, dan wel in een poging het te onteigenen door er een niet-autochtone en bij voorkeur Arabische oorsprong aan toe te kennen (1).

Laat me met het laatste beginnen: de leeuw was in gebruik in de grafelijke familie van Vlaanderen sedert minstens 1158 (2) en kan dus onmogelijk eerst meegekomen zijn met de kruistocht die Filips van den Elzas eerst in 1177 ondernam. De leeuw was reeds vrij ruim in zwang in de heraldiek in onze contreien, aangezien hij reeds figureert op het tapijt van Bayeux uit 1068 dat de slag bij Hastings afbeeldt (3), en waar dieren werden afgebeeld op de wapenschilden en op de pennoenen aan de lansen.



Die laatste is wel geen klimmende leeuw en dus allicht een luipaard (4) – misschien een iets geschikter symbool voor vadsige Vlamingen vandaag.

In de literatuur in de middeleeuwen was de leeuw prominent aanwezig, ook al was dat grotendeels door erfenis uit de klassieke oudheid – denk aan de fabels van Aesopus, de dierenriem, en het Christendom – de leeuw van Juda en de leeuw van de evangelist Marcus -. Als de leeuw al uit het Oosten zou zijn gekomen, dan in ieder geval uit het christelijke Oosten (Byzantium) aangezien de islam het afbeelden van levende wezens verbiedt, en lang voor de kruistochten (de leeuw van Sint-Marcus is in Venetië aanwezig sinds minstens 828) (6); maar veel waarschijnlijker is dat de leeuw sedert de Romeinen symbolisch altijd onder ons heeft gewoond (5); in de 11e eeuw waren we overigens al aan de negende paus van die naam (Leo IX) (7).

De reden waarom de Vlaamse graven zoals vele andere landsvorsten voor een leeuw kozen, is voor een beetje kenner van de geschiedenis ook niet moeilijk te vatten. De adelaar was het symbool van de keizer, dus van het Heilige Roomse rijk, en zeer vele landen die hun autonomie tegenover de keizer wilden beklemtonen kozen de leeuw als een minstens even machtig dier. Dat gebeurde vooral in de randgebieden van het Rijk, waaronder Brabant en Vlaanderen, maar onder meer ook in Engeland en Schotland en Scandinavië.



(bron: Neubecker, Heraldry, p. 104 in de Nederlandse vertaling)

In een tijd waarin Vlaanderen erover moet waken zijn mannetje te staan in de Europese Unie van vandaag en de Belgische moeder, anders dan de leeuwin uit de Physiologus, liever heeft dat haar welpjes sterven en geen leven wordt ingeblazen, blijft de leeuw duidelijk voor Vlaanderen een passende vaan.











Deze column verscheen licht anders (zonder annotaties) in Doorbreek november 2011

(1) Zie in het bijzonder Lucas CATHERINE, in Vuile Arabieren, bedlectuur voor Vlaams-Blokkers, uitg. Hadewijch, Antwerpen-Baarn 1993
(2) Wapen van Willem van Ieper in 1158, afgebeeld in K. VAN OVERMEIRE, De Guldensporenslag - het verhaal van een onmogelijke gebeurtenis, uitg. Egmont 2001, p. 285. Van Filips van den Elzas zelf is een zegel met een leeuw bekend uit 1162. De Frans-Engelse Plantagenets voerden de leeuw als wapen minstens sedert 1127. Het is in dezelfde periode dat de Duitse keizers arenden begonnen te voeren als wapen.
(3) Niet toevallig wordt traditioneel koninging Mathilde, dochter van de Vlaamse graaf, als opdrachtgever van het tapijt beschouwd, al is het wellicht in werkelijkheid bisschop Odo geweest. Zie http://en.wikipedia.org/wiki/Bayeux_Tapestry
(4) Ik gebruik dit als woordspeling. Leeuwen en luipaarden zijn heraldische varianten op hetzelfde symbool. Een luipaard is een "aanziende" leeuw, een leeuw wordt in profiel afgebeeld. Van beiden bestaat er echter een klimmende en een "kruipende "versie. Zie de afbeeldingen op bv. http://fr.wikipedia.org/wiki/Lion_(h%C3%A9raldique). In de 12 en 13e eeuw werden deze varianten nog door elkaar gebruikt.
(5) De Leeuw neemt een prominente plaats in in de Physiologus (zie http://www.archive.org/stream/animalsymbolism00evangoog#page/n98/mode/2up); deze was bij het begin van de vroege Middeleeuwen al vertaald in het Latijn en in de 11e eeuw reeds in het Duits en verschaft de allegoriëen die afgebeeld werden in vele middeleeuwse bestiaria. Zo bv. de eerste folio van het Bestiarium MMW 10 B 25:












(6) Zie http://it.wikipedia.org/wiki/Leone_di_san_Marco
(7) Leo I de grote 440-461, Leo II 682-683; Leo III 795-816 die Karel de Grote tot keizer kroonde, Leo IV 847-855, Leo V in 903, Leo VI 928-929, Leo VII van 936 tot 939, Leo VIII 963-965, Leo IX 1049-1054.

zaterdag, oktober 29, 2011

Laudatio Rik van Cauwelaert

bij de uitreiking van de erepenning van de Marnixring 2011, Provinciehuis Gent 29 oktober 2011, door Matthias E. Storme.

De erepenning kan door de Marnixring hoogstens éénmaal per jaar worden uitgereikt aan een niet-lid dat zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt in het licht van de doelstellingen van de Marnixring. Deze bestaan er vooral in te dienen in trouw aan de Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap, buiten en boven politieke of staatsgrenzen. Ik zal niet veel moeite hebben om U ervan te overtuigen dat Rik van Cauwelaert perfect aan dit profiel beantwoordt.

Wij kennen Rik van Cauwelaert natuurlijk het meest door zijn directie van de het weekblad Knack en de kritische stukken die hij daarin ook zelf schrijft, en daarnaast als veelgevraagd en gevierd spreker of moderator in het socio-culturele leven in Vlaanderen, in Marnixringen en andere kringen. Aldus is hij een van onze al bij al zeldzame Vlaamse public intellectuals.

Als directeur van Knack draagt hij er mee zorg voor dat in zijn weekblad naast de feiten en analyses ook zeer uiteenlopende levensbeschouwelijke en politieke ideeën en overtuigingen aan bod kunnen komen, wellicht meer dan in welk ander medium in ons land ook.

Zijn woorden en geschriften getuigen van een bijzondere onafhankelijkheid van geest, waarbij hij tegelijkertijd echter ook steeds weer de toekomst van onze Vlaamse en Nederlandse gemeenschap voor ogen houdt. Hij voert, in de woorden van Anton van Wilderode, geen ander wapen dan het woord, maar in zijn hand is het woord een heel bijzonder wapen. Het gewapend woord kan messcherp zijn. Velen van U zullen de voorbije jaren wel vaker gelikkebaard hebben bij het lezen van de eerste pagina van Knack waar de politieke actualiteit telkens opnieuw wordt gefileerd. Dat likkebaarden kunnen we echter vooral ook omdat Rik van Cauwelaert zich nooit beperkt tot het herkauwen van de actualiteit met een sausje erover, zoals te vaak door andere politieke commentatoren gebeurt, maar een historische feitenkennis en perspectief heeft waarvoor we telkens weer de hoed afdoen.

Ik heb zo’n vermoeden dat het iets te maken heeft met zijn verleden als persfotograaf, of misschien nog correcter, dat zijn bekwaamheid als fotograaf en als politiek analist beiden het gevolg zijn van dezelfde karaktereigenschappen.

Om een goede fotograaf te zijn zowel als een goede analist moet men niet enkel kijken, maar ook zien – om even de titel van het recente boek van Gie van den Berghe, “Kijken zonder zien” te parafraseren. De scherpe blik is veelal een geoefende blik, een blik die geoefend is in het uitsnijden uit de werkelijkheid en inkaderen op een wijze die dingen ook aan het licht brengt en laat zien. Die selectie toont zaken die ontsnappen aan de velen die niet die scherpe blik hebben van Rik van Cauwelaert. Zijn doorzicht bestaat er ook sterk in om zowel het detail te zien als het algemeen kader, waar vele journalisten ofwel in algemeenheden blijven steken of zich op de onbelangrijke anekdoten blindstaren en die met veel emojournalistiek opblazen. Zijn inzicht is zo scherp dat hij met de breedhoeklens dingen ziet waar anderen een telelens voor nodig hebben, met als gevolg dat zij het kader niet meer zien. Dit doorzicht is natuurlijk mede het gevolg van het verslinden van lectuur en informatie door de jaren heen en wellicht ook van een fenomenaal geheugen.

Waar aan het oog van de arend geen beweging ontsnapt, ontsnapt aan het oog van Rik van Cauwelaert zelfs geen schijnbeweging. En zeker geen “Invisible Gorilla”. Hij moet ook een bijzondere neus hebben voor de geur van schijnheiligheid, net zoals zijn bijzondere blik de ontelbare vormen van trucage in het politieke bedrijf en vaak ook daarbuiten herkent.

Rik van Cauwelaert is als een Photoshop à rebours. Hij herstelt het beeld dat vervalst of minstens geretoucheerd werd om onkunde en machtsmisbruik weg te moffelen. Of hij gebruikt een ander perspectief op feiten die we meenden te kennen, waardoor een keerzijde aan het licht komt, een achterkant die natuurlijk niet altijd even fraai is. Of een andere belichting, die wat verdonkeremaand wordt bloot legt. Lux, maar wel niet verbonden met “de luxe” maar met veritas – lux et veritas is het motto van mijn alma mater de Yale University.

Langs het pad van de politieke journalist bevinden zich vele valkuilen; er is zou ik zeggen aan weerszijden een ravijn, en Rik van Cauwelaeert waakt erover in geen van beiden te vallen. Aan de ene zijde ligt het ravijn van het entertainment; te vaak verschuift informatie naar infotainment, wordt informatieverschaffing verward met amusement. Amusement mag er zijn, maar wel netjes gescheiden.

Aan de andere zijde kan men vervallen in cynisme, de houding van de schrijver die niets meer wenst te verdedigen, zich niet meer wil engageren voor ideeën die hij fundamenteel acht. Rik van Cauwelaert blijft zich engageren voor onder meer de rechtsstaat, voor de democratie, voor de welvaart van ons volk ook in zijn toekomstige generaties. Enkel al daarvoor verdient hij de erepenning van onze Marnixring.

woensdag, augustus 31, 2011

Gij zult wel oordelen

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Wie het zich permitteert een moreel oordeel uit te spreken over andermans levenswandel krijgt algauw deze uitroep uit Mattheus 7:1 voorgeschoteld.

Vaker nog allicht een "Bemoei U met uw eigen zaken" of zo – de meesten zullen immers in nauwelijks nog een zin uit de Bijbel kunnen citeren. Varianten zijn ook “de straat is van iedereen” (wat juist is, maar niet inhoudt dat iedereen daar gelijk wat mag doen) of “wat mensen in de slaapkamer doen gaat niemand anders aan”. Of het afdoen van kritiek op vulgariteit als een inbreuk op de vrijheid van mengsuiting. De idee dat esthetische smaken verschillen wordt misbruikt om elke morele beschouwing bij bepaalde soorten muziek of andere expressievormen de kop in te drukken, zoals Theodore Dalrymple mocht ervaren na zijn kritiek op sommige vormen van populaire muziek (1). Kritiek op religie verwordt dan tot een verboden fobie, kritiek op zogenaamde lifestyle een aanslag op iemands “identiteit”. Britse auteurs hebben deze houding de naam non-judgmentalism gegeven. Ze wordt vaak ideologisch onderbouwd met de stelling dat iedereen zijn eigen opvatting van het goede leven mag hebben en nastreven. De multiculturele ideologie gaat er ook vaak mee gepaard: zij verbiedt immers elke opvatting die op een bepaald gebied de normen of praktijken van de ene cultuur “beter” vindt dan die van de andere.

Bij nader toezien bestaat er zowel een liberale als een socialistische variant van dit non-judgmentalism. In de liberale variant wordt zowat alles aan het morele oordeel van anderen onttrokken zolang er maar geen belastinggeld voor wordt gebruikt. In de socialistische variant moet elke lifestyle bovendien ook nog eens met belastinggeld worden ondersteund. Wanneer iemand vaststelt dat vele aspecten van die levenswandel het maatschappelijk weefsel vernietigen, de kansen van de kinderen zwaar hypothekeren en meer algemeen de zwakkeren in alle opzichten ongezond houden, wordt op de boodschapper geschoten. Wijst men erop dat in veel van die populaire cultuur geweld en immoraliteit worden verheerlijkt, duurt het geen dag of men wordt voor verzuurd uitgescholden. Anders dan die liberale of socialistische nonjudgmentalisten vinden gemeenschapsdenkers het wezenlijk dat mensen moreel worden opgevoed en op hun moraliteit worden aangesproken en in het sociale leven ter verantwoording worden geroepen. Recent analyseerde de Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi in een lezing te Leuven nog de perverse verwarring tussen tolerantie of ‘een open geest hebben’ en gebrek aan moreel oordeel (2). Er is voorts ook niets neoliberaals aan om die morele verantwoordelijkheid ook van de zogenaamde onderklasse te eisen, zolang men hetzelfde oordeel ook aanwendt jegens de “rijken”. Wie hoofdstuk 7 van het Mattheüsevangelie voortleest, zal trouwens dadelijk merken dat de passage gericht is tegen diegene die met twee maten en gewichten meten: “want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden (7.2)”. Om die reden dan maar niet willen oordelen is dan vaker een vorm van lafheid dan van openheid van geest.

(1) Zie Th. Dalrymple, "Geen rock, maar barok", http://standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=LE3A4NQL en de reacties in de Standaard de dag nadien, waaronder van de Standaard-redacteur Peter Vantyghem "Klereherrie", http://standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=HO3A98UN&s=1
(2) Multatulilezing Leuven 30 maart 2011 door Frank Furedi, "De ambivalente implicaties van tolerantie", voorstelling op http://www.multatuli-lezing.be/page.php?LAN=N&ID=518&CID=18&FILE=congres_subject&PAGE=1. Het thema wordt ook uitgewerkt in zijn boek "On Tolerance: The Life Style Wars: A Defence of Moral Independence", http://www.continuumbooks.com/books/detail.aspx?BookId=159026
Deze column verscheen (zonder voetnoten) in Doorbraak september 2011.


woensdag, augustus 10, 2011

Moet CGKR ontbonden worden?

In Knack van 10 augustus vindt U in de rubriek pro/contra een soort interview met me, eigenlijk een niet geautoriseerde samenvatting van een telefoongesprek met mij door de journalist. ik zou het wat anders geschreven hebben, met enkele nuances, maar algemeen gesproken is het niet onbehoorlijk samengevat. Ik geef correctheidshalve tegelijk eerst ook het standpunt van Jozef de Witte weer dat tegelijk werd gepubliceerd (origineel: http://knack.rnews.be/nl/actualiteit/weekblad/articles/printarticle-2762844.htm)

Moet CGKR ontbonden worden?

NEEN - Jozef De Witte


Men verwijt u dat u twee maten en twee gewichten hanteert.

Ik nodig iedereen uit om dat te bewijzen. Men komt dan aanzetten met het proces tegen het Vlaams Blok uit 2004 dat wij hadden aangespannen, maar daar heeft het hof geoordeeld dat alle uitlatingen apart niet strafbaar waren. Wel de herhaling: het geheel van campagnes, toespraken, interviews enzovoort. Voor aanzetten tot racisme moet men altijd kunnen bewijzen dat dit met bijzonder opzet is gebeurd. Pas dan is het strafbaar. En dit was een eenmalig stuk in een lokale krant, waarvan de auteur meteen zijn excuses heeft aangeboden. Onze analyse was dat een klacht juridisch geen kans zou maken, omdat hier het bijzondere opzet niet te bewijzen is. Moet ik er dan toch één indienen uit schrik voor Jan Jambon (N-VA) of Luckas Vander Taelen (Groen!)? Trouwens, elke Jood kan zelf nog een klacht indienen. Ik zal de eerste zijn om hen te feliciteren bij winst.

Waar komt die perceptie dan vandaan?

Omdat het enkele mensen goed uitkomt om dat te roepen. Wat kan ik meer doen dan rationeel aantonen dat het niet klopt? Er is niets waar wij meer aandacht aan besteden dan aan antisemitisme. We zitten er maandelijks over samen met de Joodse gemeenschap en met de overheid. Sommigen willen aantonen dat het antisemitisme oprukt. Maar waarop is dat gebaseerd? Bij ons stijgen de meldingen daarover niet.

Politici van links en rechts beloven parlementaire initiatieven. Bent u bang?

Als er wetswijzigingen komen, zullen wij daarmee werken. Ik ben benieuwd. En verder zijn alle politici welkom met vragen over onze werking. Een verstrenging van de antiracismewet zou ik wel een slechte zaak vinden, daarvoor is de vrijheid mij te lief. Als men elke belediging wil bestraffen, dan weet ik niet waar we eindigen. Leve het hevige maatschappelijke debat!

JA - Matthias Storme

Directeur Jozef De Witte verdedigt zijn CGKR met vuur, en wil geen verstrenging van de antiracismewet. 'Een klacht tegen die antisemitische tekst maakt juridisch geen kans. Moet ik er dan toch één indienen uit schrik voor de politiek?'

Wat vond u van de argumenten van het CGKR?

Die column is totaal onfatsoenlijk, maar in een vrije democratie is het niet aan de overheid om daar bestraffend tegen op te treden. Ik vind het daarom een juridisch correcte beslissing van het CGKR om geen klacht in te dienen. Het is evident dat dit niet strafbaar is. Alleen stel ik vast dat zij de wetgeving in andere dossiers wel al veel strenger geïnterpreteerd hebben, en dus twee maten en twee gewichten hanteren. Daarom vind ik het tijd dat de politiek zich bezint over de opdracht van het CGKR.

Welke richting moet het volgens u uit met het CGKR?

Ik zie het Centrum het liefst helemaal verdwijnen. Voor strafrecht hebben wij andere bevoegde instellingen, maar er is met het Centrum een uitzondering gecreëerd voor enkele speciale materies. Dat is volkomen fout. In onze rechtsstaat kan elk individu een strafzaak opstarten, en we hebben magistraten genoeg die gespecialiseerd zijn in discriminatie en racisme. Het enige wat nog verdedigbaar zou zijn, is dat het CGKR blijft bestaan als een soort adviesbureau voor slachtoffers van racisme en discriminatie - maar eigenlijk is het ook niet gezond dat dit door een overheidsdienst gebeurt. Hetzelfde geldt voor het onderzoek dat het CGKR verricht. Eigenlijk zou dat onpartijdig moeten zijn.

Er kwam striemende kritiek op het CGKR, zowel van links als van rechts. Wordt dit het einde van het Centrum?

Ik vrees van niet, want we zijn door de Europese Unie verplicht om zoiets te hebben. Alleen interpreteren wij in België die Europese richtlijn wel erg ruim, dus het zou al heel wat zijn als de taken van het CGKR ingeperkt worden. Maar men mag niet vergeten dat een deel van het probleem ook bij de veel te vage racismewetgeving ligt, waardoor alles strafbaar dreigt te zijn. Dat schrikt mensen af om hun mening te uiten. Van die wet moeten we ook af, en ideaal zou zijn dat we de Europese richtlijn kunnen amenderen.

dinsdag, juli 05, 2011

Wetenschappelijk begeleide antipolitiek

In het nummer van Doorbraak van mei 2009, net voor de Vlaamse verkiezingen, stelde ik voor om aan de kandidaten 7 vragen te stellen, gekozen op grond van de hoofdtaken van een volksvertegenwoordiger. De eerste luidde: Welke maatregelen gaat U nemen opdat het Parlement zelf voor goede wetgeving kan zorgen en de voorstellen van decreet ook effectief te behandelen in plaats van een quasi-monopolie te laten aan de regering? (1) In mei 2010 heb ik die vraag hier niet herhaald, maar ik stel met enige blijdschap vast dat toch een groot deel van de verkozenen in het federale parlement daartoe wel degelijk een drastische maatregel heeft genomen. Met name de regering in lopende zaken laten, zodat haar bevoegdheid in grote mate overeenstemt met diegene die de Grondwet bepaalt, nl. “uitvoerende macht” te zijn en geen wetgevende. Daardoor kan de representatieve democratie eindelijk terug een beetje functioneren: over wetsvoorstellen wordt gedelibereerd en er wordt gedebatteerd tot er een tekst is waarvoor men een meerderheid vindt; die meerderheid ligt niet op voorhand vast en wisselt naargelang het onderwerp.

Dat is duidelijk niet naar de zin van diegenen die alles bij het oude willen laten, en daarom onder het mom van meer democratie de democratie opzij willen schuiven. Verkiezingen noemen ze een dictatuur (2) en de directe democratie waarin de burgers rechtstreeks beslissen lusten ze al helemaal niet. De oplossing zou moeten komen van een ‘wetenschappelijk begeleide’ deliberatie van 1000 door het lot aangewezen burgers. Daarvoor het woord deliberatieve democratie gebruiken kan als Newspeak wel tellen en past gerust in het rijtje van eufemismen in Orwell’s 1984. Ik herinner me overigens nog goed hoe in de nadagen van mei 1969 extreem-links aan de universiteiten ook de representatieve studentendemocratie opzij probeerde te schuiven door zgn. volksvergaderingen waarin zij de gespreksleiders leverden, geschoold in de ‘wetenschap’ van het marxisme. Nu zou het gaan om politologen van het soort dat ons komt uitleggen dat de mensen helemaal niet gekozen hebben voor wat ze gekozen hebben.

Wat zou het gekozen parlement overigens niet kunnen? Een regering op de been brengen met de nodige parlementaire meerderheid, wellicht. Alsof 1000 door het lot aangewezen burgers dat wel kunnen, anders dan door het parlement volledig buitenspel te schaffen. De grondwet wijzigen ? Dat is inderdaad een probleem, maar wel omdat er zoveel grendels op de Grondwet zijn gezet die precies door dezelfde demosceptici worden verdedigd. Of zijn wisselmeerderheden het probleem ? Merkwaardig voor mensen die voortdurend beweren dat de communautaire tegenstelling overroepen wordt en noch de Vlaamse noch de Francobelgische gemeenschap homogeen is in haar preferenties. Die zouden zo’n situatie juist moeten toejuichen. Maar wellicht staat gewoon de verkiezingsuitslag hen niet aan.

Een beslissingsorgaan dat door lottrekking wordt aangewezen kennen we enkel voor de berechting van misdrijven (Hof van Assisen). Daar is voor en tegen. Maar die burgers zijn enkel bevoegd voor een concrete vraag over de toepassing van rechtsregels op een casus, en zeker niet om die regels op te stellen (goede regels opstellen kunnen zelfs professionelen nauwelijks). Daartoe moeten zij onpartijdig zijn en kunnen zij onder meer bij vermoeden van partijdigheid kunnen gewraakt worden. Het wezen van de politiek is precies het tegenovergestelde: eerst kiezers proberen te vinden voor, en dan meerderheden met, mensen die partij kiezen. Fundamentele politieke beslissingen laten nemen door zogenaamde onpartijdigen die door het lot aangewezen burgers in de juiste richting gaan leiden, is daarentegen een uitdrukking van antipolitiek zoals we al heel lang niet in die mate hebben gezien.

(1) "Zeven vragen aan de kandidaten", Doorbraak juni 2009, http://www.doorbraak.org/115/29532
(deze tekst verscheen licht verkort in Doorbraak juli 2011)
(2) http://www.g1000.org/nl/manifest/: "Democratie is verworden tot de dictatuur van de verkiezingen"

(Deze tekst verscheen verkort in Doorbraak juli 2011)

Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Jean-Pierre Rondas

Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Jean-Pierre Rondas
te Ieper op 1 juli 2011

Toespraak door prof. Matthias E. Storme
Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw

Hoogedelgestrenge Heer burgemeester in wiens stad wij te gast zijn,
Hooggeachte Heer en Mevrouw Rondas
en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Hoogedelgestrenge dames en heren vertegenwoordigers van het volk op de verscheidende niveau's
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !

De Orde van de Vlaamse leeuw wordt vandaag voor de 28e maal uitgereikt. Zij wordt sinds 1971 regelmatig toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

Met Jean-Pierre Rondas eren wij vandaag een veelzijdig man die al meer dan 35 jaar zijn licht niet onder de korenmaat heeft laten schijnen, maar ten dienste heeft gesteld van de culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap.

Op de uitreiking van de Leeuw vorig jaar zie oud-Minister-president Van den Brande in zijn dankwoord (1) het volgende:
“Ik heb last met de gesloten benadering die inhoudt dat we onze mening niet klaar zouden mogen vooruit zetten omdat er, gelukkig maar, andere meningen zijn. Deze benadering ver-armt het debat in een samenleving.
Een volwassen pluralisme gaat uit van een klare opvattingen die je confronteert met andere opvattingen, waaruit een beschaafd vergelijk kan ontstaan. Dat geldt ook voor de lopende discussie over de hervormingen die dit land nodig heeft.
De rol van de media is hierin cruciaal. Objectieve informatie is een basisrecht in een demo-cratie. Dit geldt voor alle mediadragers. Maar in het bijzonder voor een publieke omroep die informatie en duiding tot zijn kernopdracht moet blijven rekenen”.

Jean-Pierre Rondas heeft die opdracht glansrijk vervuld door inderdaad informatie en duiding te brengen over een rijke veelheid aan opvattingen inzake voornamelijk cultuur en maatschappij. Hij vervulde daarmee bijna op zijn eentje een openbare dienst, een dienst die openstond voor eenieder die bereid was te luisteren.

Want inderdaad, Jean-Pierre Rondas kennen we natuurlijk op de eerste plaats als radiomaker. Voor sommigen rijmt dat op praatjesmaker, gezien de wijze waarop anderen soms het métier invullen, maar Rondas was veelmeer een beeldenmaker, meer bepaald een wereldbeelden-maker. Inderdaad zag hij “zijn” programma, het programma waar hij zich gedurende meer dan 10 jaar op heeft toegelegd, als een culturele ingreep in het wereldbeeld van de luisteraar (2). Overal ter wereld spoorde hij denkers op wiens denkbeelden rijk en complex genoeg waren om dat te doen en paste hij zijn kunst van de maieutiek op hen toe, als een socratische vroedvrouw die de medespeler vaak meer deed zeggen dan deze voorheen ooit had gedacht. In die wekelijkse herbronning, of mag ik misschien nog zeggen volksverheffing, kwam natuurlijk ook de ongemeen brede literaire, culturele en historische kennis van Jean-Pierre Rondas tot uiting, zijn bijwijlen duizelingwekkende spel met de taal die uit zijn mond tegelijk kan verwonden en de wonde zalven. Kleurloos was het nooit, maar al wie dacht Jean-Pierre Rondas na een wat meer loslippige commentaar eindelijk in een hokje te hebben gekregen, diende als hij eerlijk was bij de volgende thematiek zijn mening alweer te herzien. Toegegeven, Jean-Pierre Rondas vond de jongste jaren dat er inzake opinies bij de openbare omroep helemaal geen immanente gerechtigheid was en heeft dan ook bijwijlen het overwicht aan Vlaanderen-negationistische opinies wat gecompenseerd door zowel uit binnen- als buitenland wat meer daarvan afwijkende stemmen aan bod te laten komen.

Het is boeiend te zien dat precies in een programma dat als geen ander over de grenzen keek en waarin nog in het Frans, Engels en Duits werd geïnterviewd, ook het nut van grenzen, territoriale en andere, aan bod mocht komen. Want zij die het meest ageren tegen het nut van grenzen zijn vaak diegenen die er niet in slagen hun eigen mentale en ideologische grenzen te overschrijden.

Behalve als programmamaker was Jean-Pierre Rondas actief als literair criticus, of mag ik zeggen literatuurwetenschapper, in geschriften en lezingen. Een bijzondere vermelding verdient zijn werk (3) over de invloed van de Vlaamse wijsgeer en mediëvist Edgar de Bruyne op onder meer de semiotiek van Umberto Eco, een schot in de roos.

Sinds enkele jaren is Jean-Pierre Rondas ook een van de stuwende krachten in de zgn. Gravensteengroep (4). Daarbij hield hij mee de pen vast om belangrijke woorden die door politieke tegenstanders gereduceerd worden – niet in onze naam – tot een zin die enkel ruimte laat voor hun eigen gelijk, terug hun volle en complexe betekenis te geven. Woorden als democratie, compromis, openheid, solidariteit, pluralisme, gelijkheid voor de wet. Met een duivels genoegen illustreert hij hoe zij minstens evenzeer en wellicht nog meer het tegendeel betekenen van het uitsluitingsmechanisme waarvoor ze gebruikt worden. Denken we met name aan de wijze waarop het begrip interpersoonlijke solidariteit misbruikt wordt om het totale gebrek aan politieke solidariteit, aan respect, aan reciprociteit en aan transparantie te verdoezelen (5).

Want Nomina si pereunt, perit et cognitio rerum. Het weze me gegund nog een woordje Latijn te spreken vooraleer de onderwijsvernielers erin geslaagd zullen zijn eindelijk alle kinderen tot hun cultureel analfabetisme te herleiden. Als de woorden verloren gaan, gaat ook de kennis der dingen verloren.

Tegenover die genoemde kromspraak stelde Rondas in zijn elfjulitoespraak één jaar geleden dat we in plaats van geruststellende signalen uit te zenden er juist voor moeten zorgen dat de Franstaligen verontrust worden (6). Enkel dan kunnen zij enig besef krijgen van de Vlaamse grondstroom. En ik verdicht die graag met enkele verzen van de ook door de oud-poësisleraar Rondas gerecenseerde (7) Miriam Van hee:

“het is een soort onbruikbare
maar toch geboortegrond
het is geen vrede, het is
een oud verloren land
uit de diepste zeeën
naar boven gehaald” (8).

Hoewel wij nauwelijks ooit samen een strijd hebben gevoerd is Rondas voor mij in zekere zin toch een wapenbroeder, een brother in arms zoals hij mijn exemplaar van het Wereld-beeldenbeok dedicaceerde. En inderdaad heb ik grasduinend in het curriculum vitae van Jean-Pierre Rondas een hele reeks oude liefdes teruggevonden, gaande van Tolkien en de daarop door Rondas in zijn licentiaatsthesis toegepaste structures anthropologiques de l’imaginaire van Gilbert Durand (9), een boek dat prof. Antoon Vergote op mijn examen wijsbegeerte waar ik het meehad een gevaarlijk boek noemde, over Novalis (1à) en het Duitse idealisme tot Finkielkraut, Sebald (11) en Sloterdijk.

Want, inderdaad Jean-Pierre Rondas is A man for all seasons, al heeft de gelauwerde die uitdrukking eerder zelf gebruikt voor een van zijn voorgangers in onze Orde, Ludo Abicht (12).

A man for all seasons is natuurlijk het toneelstuk van Robert Bolt over sir Thomas More, waarvan de titel teruggaat op de beschrijving van More door Robert Whittington een tijdge-noot die in 1520 over Thomas More schreef:

"(He) is a man of an angel's wit and singular learning. I know not his fellow. For where is the man of that gentleness, lowliness and affability? And, as time requireth, a man of marvelous mirth and pastimes, and sometime of a sad gravity. A man for all seasons".

Om al de genoemde redenen is het dan ook met groot genoegen dat wij U de Orde van de Vlaamse Leeuw uitreiken en dat ik U nu het hieraan verbonden zilveren plaket overhandig.

(1) Te vinden op http://www.ordevandevlaamseleeuw.org/Vandenbrande2010.pdf.

(2) Zie de inleiding van de auteur in J.P. RONDAS, Rondas’ Wereldbeeldenboek. Gesprekken op Klara, Pelckmans Kapellen / Klement Kampen 2006, 7 v.

(3) “Steeled in the School of Old Aquinas: Umberto Eco on the Shoulders of Edgar de Bruyne” in Franco Musarra e.a. (red.), Eco in fabula. Umberto Eco in the Humanities. Proceedings of the International Conference Leuven 24-27 februari 1999, Leuven University Press 2002.

(4) http://www.gravensteengroep.org/; het eerste manifest van de groep dateert van 22 februari 2008.

(5) Vgl. voor deze sleutelwoorden J.P. RONDAS, Suïcidale dialoog en rotte compromissen, Een politiek pamflet, 2010, te vinden op http://www.vvb.org/extra//34133/politiek_pamflet_jp_rondas.pdf, p. 21 v.

(6) J.P. RONDAS, Suïcidale dialoog en rotte compromissen, Een politiek pamflet, p. 24.

(7) J.P. RONDAS, “Gevaarlijke gedichten. De bramenpluk van Miriam Van hee”, 45. Ons Erfdeel 2002 nr. 3, p. 413 v.

(8) La vallée française (1), in Miriam VAN HEE, Het verband tussen de dagen.

(9) J.P. RONDAS, Dualism and History in a Romance. Some Thematological Problems in Tolkien’s The Lord of the Rings, licentiaatsthesis germaanse filologie Gent 1975, waarin de morfologie van Vladimir Propp en de structures anthropologiques de l’imaginaire van Gilbert Durand worden toegepast op de mythopoeic romances van Tolkien.

(10) “Novalis en de romantisering van de wereld”, lezing in de reeks Literatuur op de Middag van Bozar Literature, 30 januari 2007.

(11) J.P. RONDAS, “Zoals een hond een lepel vergeet” in: Jean-Pierre Rondas e.a. (red.), Cultureel Jaarboek Klara 2001-2002, Globe Roeselare 2002, p. 8-20, ook in 150. Dietsche Warande en Belfort 2005 nr. 1, p. 77-89; ook als “So wie ein Hund, der den Löffel vergisst: Ein Gespräch mit W.G. Sebald über Austerlitz” in Arne de Winde & Anke Gilleir (red.), Literatur im Krebsgang. Totenbeschwörung und memoria in der deutschsprachigen Literatur nach 1989, Rodopi Amsterdam/New York 2008, p. 351-363. Zie ook “Met Sebald als gids in Antwerpen en Breendonk”, 27. Muziek en Woord 2001 nr. 324, p. 19-20.

(12) “A Book for the Road, by a Man For All Seasons”, in Lukas DE VOS (red.), Ludo Abicht. 51ste Arkprijs van het Vrije Woord, Antwerpen 2001.
 
Locations of visitors to this page