zondag, juli 09, 2017

Laudatio Orde van de Vlaamse leeuw aan Jan Verroken


Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw
aan Jan Verroken
te Aalst op 1 juli 2017


Toespraak door prof. Matthias E. Storme
Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw


Hoogedelgestrenge heer schepen in wier stad en stadhuis wij te gast zijn,
Hooggeachte heer Verroken
en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

U zal onmiddellijk begrijpen dat onze gelauwerde van vandaag, de honderdjarige jan Verroken, daaraan duidelijk beantwoordt. Het is de 34e maal dat de orde wordt uitgereikt, en de eerste uitreiking was aan Ernest Soens, burgemeester van Strombeek-Bever die verhinderde dat zijn gemeente geen faciliteitengemeente werd; we zijn dus volop in de periode van de vastlegging van de taalgrens en dat is iets waarin de heer Verroken een grote rol heeft gespeeld. De heer Soens heeft daarbij ook de nodige portie burgerlijke ongehoorzaamheid aan de dag heeft gelegd; ik zal niet hetzelfde durven beweren van de heer Verroken, maar dat hij regelmatig een rebel is geweest zal niemand van ons ontkennen, en evenmin dat hij op de nodige strepen heeft gestaan om de Vlaamse belangen te verdedigen. Wij knopen vandaag dus in zekere zin terug aan bij die eerste Orde van de Vlaamse Leeuw.

Het nadeel van een gelauwerde die een hoge leeftijd heeft bereikt is dat we een hele lange zitting zouden nodig hebben om alles te vertellen wat hij verwezenlijkt heeft of waarin hij een belangrijke rol heeft gespeeld; dit geeft mij omgekeerd de mogelijkheid om daar enkel maar enkele rozijnen uit te pikken, enkele belangrijke passages in herinnering te brengen en onder onze aandacht te brengen.

Van de KSA tot de talentelling

Om te beginnen wil ik eraan herinneren dat het oudste spoor dat mij bekend is van de heer Verroken is dat hij gouwleider was van de KSA Jong-Vlaanderen, wat nog eens het belang benadrukt van de jeugdbeweging in onze geschiedenis. Vandaar ging het naar Leuven waar Jan Verroken Germaanse filologie studeerde en afstudeerde in volle Tweede wereldoorlog met een thesis over het leven van Edmund Burke. Nadien werd bij leraar te Ronse en journalist bij De Ronsenaar en is daardoor in contact gekomen met het proces in het voorjaar van 1945 van de katholieke volksvertegenwoordiger en oorlogsburgemeester Leo Vindevogel. Hij heeft dat proces van het begin tot het einde bijgewoond en maakte van een groot deel van het proces, dat stenografisch was genoteerd, een verslag op dat een eerste maal werd uitgegeven in 1945[1]. Daardoor heeft heel Vlaanderen kunnen vaststellen hoe in dat proces minstens op procedureel vlak een loopje is genomen met de justitie.

In de loop van 1945 stond Jan Verroken als arrondissementeel secretaris mee aan de wieg van de Christelijke Volkspartij, waarvan mijn grootvader de eerste voorzitter werd. Twee jaar later, in 1947 was hij een van de controleurs van de talentelling en stelde hij vast op welke wijze deze in de praktijk gebeurden, reden waarom hij later altijd tegen dat soort talentellingen heeft verzet, nu hij gezien had hoe dubieus, om niet te zeggen vervalst, maar in ieder geval zij toen waren, natuurlijk ook voor een stuk gegeven het naoorlogse klimaat waarin het politiek vaak niet geraden was om het Nederlands als taal op te geven. Het is voor een groot deel te danken aan mensen zoals Jan verroken dat er nadien geen dergelijke talentellingen meer hebben plaatsgevonden en zij dus ook geen politiek-geografische consequenties meer konden hebben.

De taalgrens

Vanaf die jaren publiceerde bij ook regelmatig over de taalgrens[2], met zijn taalkundige expertise en politieke feeling. Hij kreeg ook de kans om vrij snel na de oprichting mee te werken aan het in juni 1949 opgestarte Centrum-Harmel[3], waarvan de rest van de Christelijke Volkspartij eigenlijk te laat het belang heeft ingezien. In dat Centrum kwam men immers na rijp beraad tot de conclusie dat er een taalgrens nodig was, dat er grenzen moeten zijn die moeten worden gerespecteerd en niet elke tien jaar opnieuw in vraag kunnen worden gesteld. Jan Verroken zag in dat het beter was een definitieve grens te bepalen waarbij een aantal toegevingen werden gedaan - zo verdedigde hij de overdracht van Komen en Moeskroen naar Henegouwen om een verdere verfransing van West-Vlaanderen te stoppen, wat ook gelukt is; tegelijk bleef onder meer Voeren behouden.

In een recent interview stelde Jan Verroken dan ook "zuivere grenzen zijn rustgevend. Tegen ruziezoekers die grenzen in vraag stellen en kolonisten"[4].

Het doet me denken aan het wedervaren op het colloquium dat in oktober 1993 aan de VUB werd georganiseerd onder de titel "van wereldburger tot bange blanke man", en waarop Alain Finkielkraut als spreker was uitgenodigd omwille van zijn kritische geschriften over het nationalisme, waaronder La défaite de la pensée. Finkielkraut kwam, maar deed niet echt wat van hem werd verwacht en hield een lezing onder de titel "Eloge des frontières", Lof der grenzen[5]. Daarin herinnerde hij eraan dat het niet het respect voor naties en grenzen oorlogen heeft veroorzaakt, maar juist het gebrek aan respect ervoor. De Tweede Wereldoorlog is begonnen toen de Duitsers de grens met Tsjecho-Slowakije niet meer erkenden en niet veel later in 1939 met veel poeha de grens met Polen door tanks lieten stukrijden. Het is dus het respect voor grenzen dat de basis vormt voor vrede.

En Jan Verroken heeft er ons ook altijd aan herinnerd dat het territorialiteitsbeginsel een eis en een principe was van de Walen, dat de definitieve keuze voor dit beginsel en voor een taalgrens werd gemaakt op het socialistische taalcongres van 1929 in Charleroi, met de verwerping van het "compromis des belges" van Huysmans en Destrée, een systeem gegrond op een personaliteitsbeginsel waarbij men overal in België in elk van beide twee talen zou kunnen bediend worden, school lopen e.d.m. Het is duidelijk dat door de grote inwijking van Vlamingen in Wallonië, bijgestaan door de eigen kapelanen, de Walen schrik hadden gekregen voor een vervlaamsing van Wallonië en resoluut hebben gekozen voor het territorialiteitsbeginsel, waarmee de Vlamingen konden instemmen. Maar dat beginsel is nooit aanvaard geworden door bepaalde Brusselse kringen en door hun invloed hebben ook de Franstalige partijen dat altijd opnieuw werd in vraag gesteld en dus vals gespeeld.

De keuze voor een taalgrens maakt dat Jan Verroken in die jaren ook grote inspanningen heeft gedaan om die grens zo zuiver mogelijk te houden, dat wil zeggen met zo weinig mogelijk faciliteiten, die altijd een bron van moeilijkheden zouden blijven. Voor een stuk is hij daarin geslaagd, voor een stuk ook niet, reden waarom het compromis van Hertoginnedal van 1963 nooit op zijn goedkeuring heeft kunnen rekenen.

Recent stelde Karl Drabbe in een interview bij de honderdste verjaardag van Jan Verroken hem de vraag of de Vlamingen dan niet hun meerderheid konden uitspelen, stelling die geassocieerd wordt met Frans van Cauwelaert en Lode Claes en ook vandaag nog verdedigers vindt. Het antwoord vond ik verbazend helder:
"De macht van het getal ? Dat is maar een losse bende. Als daar geen politieke wil achter steekt, zit ge met een Vlaamse kermis"[6].
En dat is natuurlijk juist: als die numerieke meerderheid niet gepaard gaat met een collectieve wil en collectieve actie, dan heb je daar niets aan. In dat licht hebben we dan toch niet de verkeerde keuze gemaakt door voor autonomie te kiezen, ook om andere redenen trouwens.

Rol in de splitsing van Leuven

Jan Verroken is natuurlijk vooral bekend voor zijn rol in de splitsing van de universiteit van Leuven in 1968. Ik herinner even aan de achtergrond, op de eerste plaats het "mandement" van de bisschoppen uit 1966 dat de splitsing van de Universiteit onbespreekbaar stelde. De weerstand daartegen groeide naarmate de Franstaligen in Leuven steeds meer Franstalige instellingen proberen uit te bouwen, Franstalige scholen eisten voor de kinderen van het universitair personeel en dergelijke. Op 2 februari 1968 was de bisschop van Brugge, Mgr. De Smedt, de eerste die zich van de andere bisschoppen desolidariseerde en verklaarde dat het "mandement" van 1966 een vergissing was; het expansieplan van de Franstaligen in Leuven was voor hem een zware provocatie tegen de Vlamingen was. Op 6 februari werd er overal betoogd tegen de gang van zaken in Leuven. Jan Verroken, die ervan overtuigd was dat een stemming in het Parlement een meerderheid voor de splitsing en overheveling zou opleveren, ook omdat een deel van de Franstaligen daarvoor gewonnen waren, niet noodzakelijk om dezelfde redenen natuurlijk, probeerde het tot eens temming in het parlement te laten komen als democratische oplossing. Om die reden interpelleerde hij op diezelfde 6 februari de regering, niet met de bedoeling de regering te doen vallen, maar om de stemming te bekomen. Binnen de regering wilden de Franstalige ministers echter niet zo ver gaan als nodig was voor de CVP-fractie, de regering was niet in staat tot een gezamenlijk standpunt te komen. Het Belgisch politiek systeem zat toen al zo in elkaar dat een stemming zonder akkoord van de regering niet werd geduld. En dus heeft eerste minister Van den Boeynants het ontslag van zin regering aangeboden zonder dat dit de bedoeling van Verroken was geweest. Enkele dagen later, op 10 februari 1968, gaven de bisschoppen toe en stemden ze in met de overheveling van de UCL uit Leuven.


Particratie en Egmontpact

Naar aanleiding van deze geschiedenis ben ik gaan lezen in de memoires van Leo Tindemans[7], die het heeft over Jan Verroken, en daarbij schrijft, ook terugblikkend naar de jaren vijftig: "Jan was toen al een opvallend onafhankelijke geest". En Tindemans voegt eraan toe dat het de overtuiging van de heer Verroken was dat "moeilijke problemen moesten in het parlement worden opgelost, niet door geheime onderhandelingen", door dialoog tussen de volksvertegenwoordigers. Bij de val van de regering in 1968 was het voor hem duidelijk dat het iets was dat in het parlement had kunnen opgelost worden en had moeten opgelost worden, en dat door de particratie, die toen reeds gevorderd was, dit niet beslecht werd waar het had moeten beslecht worden, namelijk in het parlement.

Dit verhaal werd natuurlijk nog een stuk duidelijker met het beroemde en beruchte Egmontpact. De heer Verroken was één van de rebellen binnen de CVP die mee het Egmontpact heeft bestreden omdat dit in strijd was met basisbeginselen van onze Grondwet en niet kon zonder een behoorlijke grondwetswijziging, en het hele grondwettelijk evenwicht op de helling zette. De val van het Egmontpact is er natuurlijk gekomen door de individuele beslissing van eerste minister Leo Tindemans om - wegens de weigering van de partijvoorzitters om de grondwettigheidsbezwaren ernstig te nemen - ter plaatse in het parlement aan te kondigen dat hij zijn ontslag aanbood aan de koning, maar dit gebeurde mede ten gevolge van de rebellie in het Parlement.

Voor Jan Verroken was het daarnaast ook een strijd tegen geheimdoenerij en particratie, voor transparantie en tegen de groeiende almacht van de partijvoorzitters en ontmachting van het Parlement. Hij heeft in detail uitgelegd hoe van de fractieleden werd geëist dat zij het akkoord goedkeurden zonder dat zij kennis kregen van de teksten die zij zouden moeten stemmen[8].

Je zou kunnen zeggen dat de heer Verroken ongeveer de laatste echt onafhankelijke volksvertegenwoordiger was. Hij is dat ook gebleven na zijn vertrek uit de Kamer, eerst in het Europees Parlement, waar hij volgens sommigen weggepromoveerd was om minder in de weg te lopen in het Belgisch Parlement, nadien als burgemeester van Oudenaarde; hij is er zelfs in geslaagd om na 1988, toen hij met verwijzing naar zijn leeftijd niet meer op de lijst mocht, nog 12 jaar als onafhankelijke herverkozen te worden en te zetelen in de gemeenteraad van Oudenaarde, iets wat zeer weinigen gelukt is.

Graag wil ik eindigen met een ander citaat van Leo Tindemans, dat mij bijzonder heeft getroffen, waar hij schrijft dat de heer Verroken niet alleen een opvallend onafhankelijke geest was, maar ook dat hij "had een verbazende kennis van het volksleven, mensen, planten en dieren. De geschiedenis van de Vlaamse Beweging kende voor hem geen geheimen. Bij iedere uiteenzetting kon je van hem nog iets leren dat in geen boek was te vinden"[9].


Om alle redenen die hier vandaag zijn genoemd is het dan ook met groot genoegen dat wij U de Orde van de Vlaamse Leeuw uitreiken en dat ik U nu het hieraan verbonden zilveren plaket graag overhandig.




[1] Het werd heruitgegeven in 1949 door Valère Depauw onder de schuilnaam Bernhard van goor, Het proces en de terechtstelling van Leo Vindevogel, uitg. Luctor en een derde maal als Het proces Vindevogel, Davidsfonds 1974, met inleiding door Guido Moons en Juridische kanttekeningen door Koen Baert.
[2] O.a. Hoe zijn wij de oplossing van het taalgrensconflict, 1950; "Historische kijk op het taalgrensprobleem", De Gids op maatschappelijk gebied 1960, 419-442.
[3] Zie het verslag op http://www.dekamer.be/digidoc/OCR/K3162/K31621865/K31621865.PDF.
[4]  Interview met Wouter Woussen, de Standaard 15 oktober 2011, http://www.standaard.be/cnt/q43h40cf.
[5] Gepubliceerd in H. Corijn (ed.), Vanw ereldburger tot bange, blanke man, Brussel: VUB press 1994, 67 v.
[6] Interview 29 januari 2017, http://www.doorbraak.be/nl/jan-verroken-honderd-ik-volgde-altijd-mijn-eigen-lijn
[7] Leo Tindemans, De memoires. Gedreven door een overtuiging, Tielt: Lannoo 2002, 27.
[8]  Zie het interview met Pieter Bauwens op 13 februari 2013, http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/'egmont-een-serieuze-staatsgreep-geweest'.
[9] Leo Tindemans, De memoires, 27.

dinsdag, mei 02, 2017

Geen dubbele nationaliteit ? Een tweede stem.

Gelijk stemrecht voor elke volwassen burger wordt beschouwd als een van de grondbeginselen van onze democratie. Nog vindt men in Leuven op een gevel een gedenkplaat "Aan hen die vielen voor het algemeen stemrecht" dat de doden van 18 april 1902 bij een algemene staking herdenkt. Nochtans was het algemeen stemrecht voor volwassen mannen (althans vanaf 25 jaar) reeds ingevoerd in 1893 (de vrouwen dienden in België te wachten tot 1949). Maar het was geen gelijk stemrecht voor eenieder. Een bijkomende stem had onder meer wie veel belastingen betaalde (een wat bijzondere interpretatie van representation gebaseerd op taxation) of een diploma van hoger middelbaar onderwijs had. Wanneer men vandaag leest hoe vaak commentatoren na verkiezingen waarvan het resultaat hen niet bevalt, uithalen naar het feit dat dat het gevolg is van domme kiezers, lijken deze wel heimwee te hebben naar het laatste. Dat mensen met name bij referenda wel eens om andere redenen voor of tegen stemmen dan waar het in de stemming om gaat, lost men overigens niet op door hen over meer inspraak te geven en niet over nog minder.

Maar ook ons huidig systeem van algemeen enkelvoudig stemrecht geeft in werkelijkheid niet elke stemgerechtigde evenveel. Ondanks ons stelsel van evenredige verdeling van de te begeven zetels, kost een zetel in bepaalde delen van het land meer dan andere. Dat is voornamelijk een communautaire scheeftrekking, die wel te verklaren is (omdat zetels verdeeld worden volgens inwoners en niet volgens kiezers en noch minder volgens kiezers die effectief gestemd hebben) maar daarom niet goed te praten. Om die reden heb ik eerder verdedigd dat er gewoon een parlementszetel zou moeten worden toegekend voor een vast aantal stemmen (bv. 1 zetel voor elke 35.000 stemmen); voor inwoners die niet of blanco stemmen zouden de zetels dan 'leeg' blijven, wat me erg zinvol lijkt.

Maar er is nog een andere vorm van ongelijkheid, doordat sommigen op meerdere plaatsen kunnen kiezen voor vertegenwoordigingen van hetzelfde niveau en andere niet. Minstens sommige burgers van een EU-lidstaat die in een andere lidstaat wonen kunnen bij de verkiezingen voor het Europees parlement zowel voor lijsten van hun woonstaat als van hun staat van nationaliteit kiezen. En zoals pas nog is gebleken kunnen burgers met een dubbele nationaliteit deelnemen in vele gevallen aan nationale verkiezingen deelnemen in beide landen.

Dubbele nationaliteit heb ik nooit een gezonde zaak gevonden, al hangt de vraag hoe problematisch dit echt is mede af van de rechtsgevolgen die je al dan niet aan nationaliteit koppelt. Het Belgische recht heeft lang de dubbele nationaliteit zoveel mogelijk beperkt (zodat men tot 2007 zijn Belgische nationaliteit verloor zodra men een andere vrijwillig aannam), maar is de jongste decennia meegegaan in de mode van multinationalisme. Dit terugdraaien is minstens ten dele mogelijk, maar niet eenvoudig. In gevallen waar het andere land de afstand van nationaliteit weigert (probeer maar eens van de Marokkaanse of Turkse nationaliteit af te geraken), zou je met een verbod op dubbele nationaliteit ook straffen wie je voor zijn integratiebereidheid juist wil belonen. En omgekeerd zijn we niet totaal ongevoelig voor de wens van Vlamingen in het buitenland om een dubbele nationaliteit te kunnen behouden. Maar er is een andere maatregel die wel wellicht wél eenzijdig kunnen nemen, en die een onterecht voordeel van de dubbele nationaliteit compenseert. Geef eenieder die in België woont en enkel de Belgische nationaliteit hebben een tweede stem bij de parlementsverkiezingen. Daarmee worden ongelijke situaties ongelijk behandeld en dus fundamenteel de gelijkheid hersteld.


-->
Matthias Storme

( deze column verscheen in Grondvest mei 2017 p. 6)
 
Locations of visitors to this page