dinsdag, februari 15, 2005

Mijn argumenten tegen de Europese Grondwet

Geachte Heer storme,
http://forum.politics.be/archive/index.php/t-29572.html

Ik lees overal dat jij tegen de zogenaamde "Europese Grondwet" bent, maar heb nog nergens mogen vernemen waarom. Kan je hier argumenteern waarom die Grondwet geen goede zaak is.

Llore

Antwoord van Matthias Storme
14-02-2005, 22:56
Een bericht op dit forum is natuurlijk niet de beste plaats voor een genuanceerd en uitgewerkt antwoord op deze vraag, maar een vereenvoudigd antwoord kan natuurlijk wel.
De belangrijkste gebreken zijn voor mij:

1. gebreken inzake de bevoegdheidsverdleing tussen Unie, lidstaten en regio's. De bepalingen die bevoegdheden toewijzen aan de Unie zijn veel te vaag en laten daardoor, naargelang de gevonden meerderheden, ongeveer alles toe op kosten van de kleine landen die niet zouden instemmen. De geschiedenis leert dat dit leidt tot een veel te groet centralisatie. Dit gebeurt sluipend omdat de meeste bevoeghedne zowel aan de Unie als de lidstaten toekomen. Maar je moet er wle bij zeggen dat de Unie voorrang heeft. Er is dus nauwelijks een voorbehouden domein voor de lidstaten en de regio's inzake wetgeving. Dit leitd automatisch tot verregaande centralisering, maar omdat het niet in 1 keer gebeurt, maar voortdurend, merkt men dat minder en kan men dat stoemelings doorduwen. Onder meer art.I-17, de zgn. flexibiliteistclausule, is een van de boosdoeners.
Deze constellatie ontneemt de volkeren in grote mate de mogelijkheid om hun eigen lot nog in handen te nemen, om soeverein eigen keuzes te maken op politiek, sociaal, cultureel vlak.

2. Er zijn veel te veel instellingen en er is veel te weinig duidelijke scheiding van machten en taken tussen die instellingen. Zo wordt vaak verteld dat het een grote stap voorwaarts is dat de Europese commissie politiek verantwoordelijk zou worden jegens het Europees Parlement. De ervaring leert dat juist daardoor parlementen veel minder te zeggen krijgen en slaaf wordne van de meerderheid. Het Parklement is veel onafhankelijker wanneer het de regering niet kan doen vallen, maar wel kan dwingen om zich bij een meerderheid in het parlement neer te leggen (zoals in de Verenigde Staten). De grondwet gaat op dit punt in de verkeerde richting.

3. Het charter van grondrechten is een ramp. Door de overvloed van allerlei nieuwe grondrechten worden de échte grondrechten, namelijk de fundamentele vrijehden, ernstig uitgehold. Het charter gaat uit van de totalitaire idee dat de overheid gelijkheid moet scheppen in de samenleving en alle ongelijkheden tussen mensen moet bestrijden. Dat is een communistische tendens, onder meer in art. III-8. op basis daarvan worden wij stilaan een politiestaat, althans een repressiestaat. De essentie van elke fundamentele vrijheid is juist dat men binnen de grenzen daarvan aan de overheid geen verantwoording verschuldigd is over zogenaamde ongelijke behandelingen.

Helemaal absurd is de zogenaamde misbruikclausule in art. II-54, die het verbiedt om de vrijheden te gebruiken om gelijk welk zogezegd fundamenteel recht af te schaffen of in te perken. Ik mag dus volgens die grondwet niet meer de mening uiten dat ik betaalde vakantie nonsens vind, want die uiting is zogezegd een misbruik van de vrijheid van meningsuiting (gezien art. II-31). Ik mag de interpretatie die de fundi's aan bepaalde zogenaamde mensenrechten geven, niet meer in twijfel trekken zonder ene outlaw en misdadiger te worden. Ik mag onder die grondwet niet meer vertellen dat volgens mij het wel aanvaardbaar is om menselijk bloed te verkopen (strijdig met II-3, 2 c), dat een hoog niveau van consumentenbescherming geen goede zaak is (strijdig met II-38), dat sociale zekerheid niet per definitie op dezelfde manier aan alle migranten moet wordne toegekend (strijdig met II-34, 2°), dat voor sommige regels een onderscheid moet worden gemaakt tussen EU-burgers en niet-EU-burgers, enzovoort.
Europa overtreedt verder flagrant de scheiding van kerk en staat, door een seculiere religie op te leggen aan iedereen en wie het met die nieuwe afgodendienst niet eens te degraderen tot tweederangsburger, zoals in de zaak-Buttiglione duidelijk gebleken is (zie mijn artikel op http://www.storme.be/buttiglione.html).

4. De wijze waariop de Grondwet wordt verkocht is schandelijk. Men doet also de lidstaten die het bij de bestaande Unie willen houden en de grondwet verwerpen contractbreuk zouden plegen, terwijl het precies omgekeerd is: die landen willen gewoon de bestaande akkoorden respecteren en niet gedwongen worden tot een nieuwe overeenkomst waarmee hun bevolking niet instemt. Het zijn de andere lidstaten die door hun chantage contractbreuk plegen.

Dit hangt samen met de typische eigenschap van de politiek correcten: er is maar een juist antwoord en al wie daartegen nee zegt is een idioot of kwade. Men zal dus de bevolkingen die nee zeggen blijven doen stemmen tot ze ja zeggen (zoals men bij het Verdrag van NIce reeds heeft gedaan). Maar eenmaal ze ja gezegd hebben, zullen ze nooit meer de kans krijgen om nog neen te zeggen. Alleen dat is al een reden om zeker geen ja te zeggen, want daarmee maakt men zichzelf monddood.

zondag, februari 06, 2005

De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren.

Molinarilezing bij ontvangst van de "Prijs voor de vrijheid" - Antwerpen 27 januari 2005.

Toespraak Hooggeachte vergadering,

Bij de uitreiking van de Prijs voor de Vrijheid past het zich te bezinnen over de staat van onze vrijheid en de voorwaarden voor de ontwikkeling ervan. Met name wens ik uit te leggen te waarom de vrijheid om te discrimineren een fundamentele vrijheid is, zelfs de fundamenteelste van de vrijheden omdat zonder die vrijheid de meeste andere fundamentele vrijheden gewoon niet bestaan. Daartoe moet ik eerst herinneren aan de grondslagen van de fundamentele vrijheden in het meervoud. Meervoud, inderdaad: mijn titel veronderstelt dat er niet één vrijheid is, maar meerdere vrijheden. Het is de uitdrukking van mijn overtuiging dat de vrijheid als goed niet berust op een abstract principe waaraan men het menselijk handelen kan toetsen of dat men kan opleggen, maar op een reeks concrete vrijheden, verworvenheden van een historische strijd of ontwikkeling, die nooit vanzelf spreken maar telkens opnieuw moeten verdedigd worden en verankerd. Sommige van die vrijheden noemen we fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van geweten, de vrijheid van de persoon, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering, de vrijheid van arbeid, de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van onderzoek.

Vrijheden, totalitarisme en twijfel

Deze vrijheden zijn dus nooit voor de toekomst verworven, en de verworven vrijheden kunnen telkens opnieuw bedreigd worden door andere maatschappelijke ontwikkelingen. Zij zijn in hun concrete vorm niet universeel, maar het product van een particuliere geschiedenis, onze Westerse beschavingsgeschiedenis.

Hoewel zij het resultaat zijn van eeuwenlange ontwikkelingen zijn er wel enkele sleutelmomenten in deze, onze geschiedenis. In zijn prachtig essay, waarvan mijn eerste kennisname overigens te danken is aan collega Boudewijn Bouckaert, Qu'est-ce que l'occident (1), onderscheidt Philippe Nemo vijf sleutelontwikkelingen die het meest tekenend zijn geweest voor de Westerse beschaving (de Griekse polis, het romeins recht, de bijbelse eschatologie, de gregoriaanse hervormingen, de moderne revoluties). De belangrijkste elementen daaruit voor mijn thema vandaag zijn:
- het instellen van de heerschappij van de wet in de Griekse polis: the rule of laws, not of men;
- de uitbouw van het privaatrecht waaronder de private eigendom door de Romeinen,
- de onderscheiding van de burgerlijke (territoriale) en de spirituele orde met elk hun eigen legitimiteit in het Westerse christendom,
- de ontwikkeling van de religieuze tolerantie en fundamentele vrijheden in de moderne tijden.

Deze ontwikkeling is niet rechtlijnig geweest, nooit definitief verworven, en regelmatig bedreigd door andere maatschappelijke ontwikkelingen. In de 20e eeuw geschiedde dat hoofdzakelijk in verschillende vormen van totalitarisme die aan de macht zijn gekomen: het bolsjevisme en het nationaal-socialisme. Vandaag gebeurt dat door een nieuwe variante van het totalitarisme, een nieuwe intolerante religie, de eureligie van de non-discriminatie.

Daarom is het van essentieel belang voor het behoud van onze vrijheden dat we de kenmerken van het totalitarisme bestuderen en juist inschatten. Onder meer Hannah Arendt, The origins of totalitarianism , Jean-François Revel, La tentation totalitaire, en Tzvetan Todorov, Mémoire du mal. Tentation du bien zijn daarbij cruciale werken.

En al is hét totalitarisme niet te vatten in een enkele definitie of vast stel kenmerken, toch zijn er wel enkele constanten: een eenduidige hiërarchie van de macht, de verwerping van meer dan één legitimiteit en van het onderscheid tussen recht en moraal, een overheid die de burger verplicht het door die overheid gedefinieerde goed na te streven, een overheid die zich niet alleen met de gedragingen maar ook met de motieven van de burger moeit, e.d.m. Bovenal wordt het totalitarisme gekenmerkt door een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad: het goede moet worden opgelegd en het kwade niet getolereerd meer bestreden.

Het tegendeel van totalitarisme - ongeacht of we dat nu democratie willen noemen of iets anders - kan dan ook nooit bestaan uit een andere vorm van simplisme. Het zal nooit dezelfde eenduidigheid en onbetwistbaarheid kunnen hebben als totalitaire denkbeelden. Meer nog: wanneer begrippen als democratie, rechten van de mens, tolerantie e.d.m. eenduidige begrippen zijn, die zich aan elke twijfel onttrekken, dan hebben we de duidelijkste aanduiding dat zij de vermomming zijn van een nieuwe vorm van totalitarisme. Want "als het fascisme ooit terugkomt, zal het dat doen onder de naam antifascisme".

Het tegendeel van het totalitarisme moet bovenal gezocht worden in een bereidheid om geleed te denken, om twijfel en dus debat voldoende ruimte te geven, om geen enkele ontwikkeling als onomkeerbaar te beschouwen of te propageren, om te aanvaarden dat er niet maar één richting is waarin goede mensen kunnen marcheren (2).

Dit verplicht ons natuurlijk niet tot absolute twijfel, zoals de Ezel van Buridaen, die op gelijke afstand stond van twee gelijke hooimijten, en omdat er geen enkel duidelijk argument reden was waarom het beter zou zijn naar de ene te gaan dan naar de anderen, van honger omkwam.

Een relatieve twijfel kan immers wel degelijk worden gedacht en zelfs geïnstitutionaliseerd. Meer nog: de twijfel moet zelfs in concrete, imperfecte vormen worden geïnstitutionaliseerd om niet zelf tot de absoluutheid van het relativisme te verworden.

Tolerantie als sleutelbegrip

Het sleutelbegrip van onze Westerse ervaring in deze manier van denken is het begrip tolerantie. Het is des te meer een sleutelbegrip omdat ook tolerantie door het verabsoluteren ervan in een absolute intolerantie kan verkeren (3°.

De sleutel is te vinden in de scholastieke definitie door Reimond van Peñaforte in zijn Summa de Iure canonico (ca. 1123) (4): Minus malum toleratur, ut maius tollatur: een kwaad wordt getolereerd omdat het bestrijden ervan een groter kwaad is dan het verdragen ervan.

Dit is geen eenvoudige gedachte, dames en heren: dat iets kwaad kan zijn en toch moet toegelaten worden omdat het bestrijden ervan nog een erger kwaad zou zijn dan het kwaad dat men ermee bestrijdt. Meer nog, de enorme betekenis van dit intellectueel inzicht kan m.i. niet onderschat worden. De kunst van de tolerantie bestaat er immers niet in om dingen te tolereren die men als goed beschouwt, maar wel om wat men kwaad acht niet op een dusdanige wijze te bestrijden dat de bestrijding erger is dan de kwaal. De tolerantie is, naar de uitdrukking van Todorov, "het smalle pad" (5) tussen twee ravijnen:
- Aan de ene kant vinden we de klassieke intolerantie, bestaande uit de overspanning van het eigene: vormen racisme en vreemdelingenhaat, vormen van ideologische haat, enzovoort.
- Aan de andere kant vinden we de perversie van de tolerantie in een antitolerantie: wanneer men anderen verbiedt om datgene wat ze moeten tolereren ook kwaad te vinden en de eigen waarden beter te vinden, en eenieder dus verplicht om andere opvattingen over het goede aan de zijne evenwaardig te vinden. Bij deze perversie van de tolerantie wordt de verdediging van eigen opvattingen gecriminaliseerd tot een belediging van andersdenkenden, en dit op steeds meer vlakken: de verdediging van de eigen cultuur wordt gebrandmerkt als xenofoob, die van morele opvattingen over het privéleven tegenover een absoluut moreel subjectivisme als homofoob, die van de eigen godsdienst als islamofoob. Dit leidt, in de woorden van Alain Finkielkraut, naar "une tolérance qui, finalement, ne tolère qu'elle-même" (6). Is het kwaad overigens niet altijd ergens de perversie van het goede ?

De democratische samenleving

De moderne Westerse samenleving kwam tot stand door de specifieke vormen waarin tolerantie werd geïnstitutionaliseerd. Dit geschiedde door enerzijds te aanvaarden dat er meerdere particuliere (nationale of regionale) rechtsorden op gelijke voet naast elkaar, elk op hun eigen territorium, gelden, en anderzijds fundamentele vrijheden in te stellen voor de individuele burgers van die territoria. Dit laatste vergde de ontwikkeling van een burgerlijke samenleving, die private zowel als publieke ruimte heeft bevochten op koning en kerk. Onze moderne op vrijheden gebaseerde democratie rust daarbij op een complex evenwicht met volgende kenmerken:
- een geweldmonopolie voor de overheid, die als enige manu militari gedragsregels kan opleggen;
- als keerzijde daarvan het legaliteitsbeginsel, dat het de overheid verbiedt anders te beslissen dan aan de hand van op voorhand bepaalde, voor iedereen gelijk geldende algemene regels (de overheid mag niet à la tête du client beslissen, geen Individualgesetze maken, niet discrimineren in de zin van ongelijk behandelen zonder dit objectief en redelijk te rechtvaardigen);
- en als corrolarium de beperking van de overheid door de instelling van fundamentele vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van geweten en meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van godsdienst (scheiding van kerk en staat) en van vergadering, de private eigendom.

Deze vrijheden zijn dan ook niet alleen of zelfs niet op de eerste plaats individuele subjectieve rechten, maar maatschappelijke instellingen van algemeen belang, zoals overigens nog duidelijk blijkt uit de verwoording ervan in de Belgische grondwet van 1831. Die zegt bv. niet dat iedereen persoonlijke vrijheid en vrijheid van meningsuiting en godsdienst heeft, maar "De vrijheid van de persoon is gewaarborgd" en "De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd". Door die vrijheden kunnen individuen juist op een andere manier dan door het recht tot hun recht kunnen komen. Mensen kregen de vrijheid om gezamenlijk, in maatschappelijke verbanden en instellingen, aan zingeving (w.o. cultuur), aan betekenisoverdracht (w.o. onderwijs), aan zorg en solidariteit te doen. In die verbanden groeiden die (culturele, pedagogische, humanitaire, ....) waarden en betekenis. Naast de verbanden waar men van nature deel van uitmaakt, meer bepaald door afstamming, spelen de vrijwillig gekozen verbanden aldus een belangrijke rol voor die waarden.

De enorme meerwaarde van deze vrijheden, zowel vergeleken met een louter op verwantschap gebaseerde samenleving als met een totalitaire samenleving, wordt nauwelijks betwist, maar de essentiële voorwaarden daartoe worden niet onderkend en komen vandaag in Europa steeds meer in gevaar. Zij betreffen de verhouding, en in het bijzonder het onderscheid tussen recht en ethiek (moraal, fatsoen) zowel als tussen overheid en burgerlijke samenleving (overheidssector en private sector).

Onderscheid tussen recht en fatsoen

Een op vrijheden gebouwde democratische samenleving vereist allereerst een onderscheid tussen recht en ethiek, moraal of fatsoen. Dit omvat zowel dat veel van wat door de meerderheid onfatsoenlijk wordt geacht, wordt getolereerd, als dat eenieder het door de meerderheid in rechtsregels toegelatene of zelfs bevorderde onfatsoenlijk mag vinden. Democratie berust op de overtuiging dat bij een zeer groot aantal menselijke gedragingen, het verbieden van zelfs door de meerderheid onfatsoenlijk of immoreel geachte gedragingen een groter kwaad is dan het tolereren ervan: in dubiis libertas. Die tolerantie ontbreekt echter niet alleen wanneer traditioneel onfatsoenlijk geachte gedragingen en meningen worden verboden, zij ontbreekt natuurlijk ook wanneer het verboden wordt om gedragingen die wettelijk toegestaan worden met geweldloze middelen als immoreel te bestrijden.

In het bijzonder de vrijheid van meningsuiting

Laat mij, vooraleer nader in te gaan op de perverse aspecten van het niét respecteren van genoemd onderscheid tussen recht en ethiek, tussendoor even wijzen op het specifieke belang van de vrijheden van geweten, meningsuiting en van vereniging. Waar aan de vrijheid op het vlak van de gedragingen in het algemeen redelijke beperkingen mogelijk en zelfs noodzakelijk zijn, meer bepaald ter bescherming van de rechten van anderen, geldt dit veel minder voor meningsuitingen, reden waarom vrijheid heel in het bijzonder geldt voor - in beginsel alle - onfatsoenlijk geachte meningsuitingen.

Nog radicaler is de vrijheid van geweten: waar een democratische overheid het recht heeft om binnen bepaalde grenzen ons gedrag te reguleren, heeft ze géén recht om onze gedachten te koloniseren. Die Gedanken sind frei; wat in het hoofd van de mensen omgaat, gaat de overheid niet aan, en de motieven van de burgers kunnen in een democratische samenleving dan ook geen grond zijn voor bestraffing (iets anders, en wel relevant, is natuurlijk of bepaalde gedragingen opzettelijk of door nalatigheid zijn begaan (7)).

Doch ook de vrijheid van meningsuiting dient vrij absoluut te zijn. Ik wil het onderscheid tussen deze vrijheid en de andere vrijheden, zoals de vrijheid van godsdienst, van vreedzame vergadering, van arbeid, handel of nijverheid, van rustig genot van privé-eigendom, en dergelijke, ook niet verabsoluteren. Maar er is toch een belangrijk verschil. daarvoor zijn er meerdere redenen.

* De vrijheid van meningsuiting en vereniging wordt door de nieuwe breidelwetten in ons huidig regime immers vooral ingeperkt in zoverre de uiting een "aanzetten" vormt tot iets, en niet meer alleen, zoals vroeger in zeer beperkende voorwaarden (laster), omwille van de inhoud van de mening. Maar behalve bij het gebruik van geweld of dwang ligt tussen het aanzetten tot iets en de aangezette daad ligt nog de vrije wil van de persoon die aangezet wordt. Dat is een essentieel verschil met handelingen die op zichzelf schade berokkenen, of iemand anders dwingen schade te berokkenen (in welk geval het niet meer om aanzetten maar om dwingen gaat, wat een heel ander register is, omdat daar de vrijheid van de gedwongene rechtstreeks in het geding is). Een samenleving die de mens als een wezen met vrije wil erkent, onmogelijk een uiting die zou aanzetten tot een onwettige gedraging zonder daartoe te dwingen, met die onwettige gedraging gelijkstellen - laat staan dat men nog van een democratische samenleving kan spreken wanneer het aanzetten tot onfatsoenlijke maar zelfs niet onwettige gedragingen kan worden gestraft (zoals vandaag in België).

Een democratische staat verbiedt dus omzeggens géén enkele meningsuiting als dusdanig. Behoudens wanneer het een individuele persoon in zijn persoonlijke, individuele waardigheid treft. Maar het is nonsens om de belediging van een groep strafbaar te stellen. Er is een fundamenteel verschil tussen een algemene beledigende of valselijk beschuldigende uitspraak en een uitspraak die uitdrukkelijk een bepaald persoon of mede een bepaald persoon individueel beledigt of valselijk beschuldigt. Het "recht op goede naam" dat een beperking van de uitingsvrijheid rechtvaardigt, is een individueel recht van personen en géén collectief recht, zeker niet wanneer blijkt dat dit collectief recht blijkbaar alleen voor bepaalde soorten groepen geldt. Het is strijdig met de gelijkheid van de burgers om die beperkingen van de uitingsvrijheid, die de rechten van individuen beschermen, uit te breiden om "groepen" te beschermen. Daarmee kent men aan die groepen - met name goed georganiseerde groepen die erin slagen zich te laten erkennen als een beledigde of gediscrimineerde groep - allerlei collectieve rechten toe die de groep van gewone burgers niet heeft. Het kan dus niet dat meningsuitingen verboden zijn omdat zij krenkend zouden zijn voor een groep en niet voor een bepaalde persoon. Overigens stel ik vast dat allerlei gekrenkte groepsgevoelens vandaag de dag duidelijk beter beschermd worden dan bv. het nationaal gevoel van de Vlamingen, dat door een hele reeks opiniemakers dagelijks verdacht wordt gemaakt - voor alle duidelijkheid: zonder dat ik hun juridische vrijheid dat te doen in twijfel trek.

* Wil dat zeggen dat we onfatsoenlijke meningen moeten tolereren ? Ja en neen. We mogen ze niet juridisch bestrijden, natuurlijk wel met woorden en geweldloze daden. Als iemand het recht heeft om onfatsoenlijke dingen te zeggen, heb ik van mijn kant immers het fundamentele recht om die persoon te discrimineren (vgl. verder). Wat ik het meest mis in het debat over de vrije meningsuiting (8) is dan ook dit onderscheid tussen wat ethisch verantwoord is en wat juridisch getolereerd wordt, alsmede het besef dat de vrijheid van meningsuiting als juridisch begrip in essentie de vrijheid is om ook de meest onfatsoenlijke meningen te uiten. Het via een wet of rechter verbieden van een onfatsoenlijke meningsuiting is in alle gevallen een groter kwaad dan die uiting zelf, voor zover het louter om een meningsuiting gaat: "De schade die het vrije woord ongetwijfeld berokkent is de prijs die betaald moet worden voor het grootste rechtsgoed dat een vrije samenleving kent" (J. GRIFFITHS, "Meer fatsoen en minder recht", NJB 2004). Natuurlijk geldt diezelfde vrijheid dan ook voor de tegenstanders die de eerste mening onfatsoenlijk vinden. Iedereen heeft het recht om Rocco Buttiglione homofoob te noemen, net zoals ik het recht heb om iemand die het woord homofobie gebruik een intolerante en gevaarlijke fobomaan te noemen; doch zodra homofobie in meningsuitingen een misdrijf is, leven we niet meer in een democratie maar in een totalitaire staat.

Overigens zijn meningsuitingen m.i. niet alleen als dusdanig nooit juridisch te verbieden, maar ook op het ethische niveau niet te snel immoreel te noemen. Zoals de reeds genoemde de Brits-Nederlandse rechtsanthropoloog John Griffiths (t.z.p.) schrijft kan het misbruik - dat dus ook voor hem door de staat niet mag worden beperkt, maar wel door de burgers als onfatsoenlijk mag worden bestreden - niet bestaan uit de gedachte die ten grondslag ligt aan de uiting, maar enkel "in de onnodig kwetsende wijze waarop een gedachte wordt geuit. En het "onnodige" zit niet in de pijn die de gedachte zelf doet, maar in het ontbreken van enige communicatieve meerwaarde in de woorden of beelden die nodeloze pijn toevoegen: schuttingtaal, beladen termen zoals "nazi", heilige teksten op blote lijven, enzovoorts" - einde citaat. Ongeacht of men het met dit laatste voorbeeld eens is of niet, de kern van de zaak is moeilijk beter te verwoorden.

Ik vraag niet liever dan dat alle meningsuitingen binnen de grenzen van het fatsoenlijke zouden blijven. Maar hoe kan men tegelijk zeggen dat het volkomen onfatsoenlijk was van Theo Van Gogh om over geitenneuker te spreken - dat was het ook, ook al was het een toespeling op een advies van ayatollah Khomeini - en tegelijkertijd overheidscampagnes in de scholen te brengen die schuttingtaal promoten en allerlei verstrengelde blote lijven brengen zonder communicatieve meerwaarde.

* De vrijheid van meningsuiting heeft ook een essentiële politieke functie. Het is meer bepaald van het grootste belang dat burgers de rechtsregels in vraag mogen stellen, mits ze ze ondertussen (in afwachting van hun wijziging) niet overtreden, ook wanneer die rechtsregels zouden zijn gesacraliseerd tot mensenrechten. Dus ook een pleidooi om het EVRM op te zeggen, zoals Geert Wilders in Staats-Nederland heeft gedaan, of een pleidooi voor de wijziging van de grondrechten in onze Grondwet. En met dat laatste bedoel ik natuurlijk een wijziging in niet-socialistische richting. Want waarom zouden de teksten inzake grondrechten wel altijd in één richting mogen gewijzigd worden - een meer socialistische - en nooit in een andere richting ?

Welnu, deze vrijheid bestaat in het Belgische en Europese regime niet meer. Daar zijn er meer en meer rechtsregels die zo absoluut zijn dat ze niet alleen moeten worden nageleefd, maar zelfs niet in vraag mogen worden gesteld, en dus tot theologische dogmata zijn verheven. Het Hof van beroep te Gent oordeelde in zijn berucht arrest van 21 april 2004 dat het loutere feit in het openbaar te pleiten voor een discriminerende wetswijziging (dit is een wetswijziging gebaseerd op een onderscheid dat niet redelijk en objectief wordt verantwoord, zoals ik verderop nog zal bespreken), reeds een misdrijf is (9). De teksten van het EVRM en het Handvest van grondrechten in de Europese grondwet zijn vandaag gesacraliseerd tot heilige teksten die misschien nog wel op blote lijven mogen worden geschreven, maar waarvan de invraagstelling verboden is en zelfs strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Een voorbeeld vinden we in de anti-misbruikbepaling van het Handvest van grondvesten in de Europese grondwet (art. II-54), die stelt dat geen van die rechten en vrijheden gebruikt mogen worden om ook maar één ervan af te schaffen of te beperken. Als men weet wat er intussen allemaal al tot mensenrecht gepromoveerd is, zoals bv. het recht op betaalde vakantie, dan betekent dit dat na goedkeuring van die grondwet er geen vrijheid van meningsuiting meer is om het recht op betaalde vakantie aan te vallen. Maar het is totale nonsens om alle mensenrechten te beschouwen als van gelijke aard en ze dus dezelfde status te geven. Die éne bepaling is voor mij al voldoende om die grondwet te verwerpen, omdat ze een nieuwe vorm van totalitarisme, een nieuw soort theocratie bekrachtigt. Die bepaling moet er ons ook toe brengen elk verhaal over "de" mensenrechten als een simplistische unitaire categorie af te wijzen.

Perverse identificatie van recht en moraal

Het onderscheid tussen recht en moraal is niet alleen een voorwaarde voor de grondvrijheden, het is ook een mogelijkheidsvoorwaarde voor het ethisch debat en voor het morele handelen zelf.

Het streven naar een samenvallen van recht en moraal is om twee slechts schijnbaar tegenstrijdige redenen zeer kwalijk:
- enerzijds leidt het ertoe dat te veel fatsoensregels tot dwingende rechtsregels worden verheven - hypertrofie van de moraal -, wat het morele debat verstikt door het opleggen van te veel uniformiteit.
- Het leidt er, omgekeerd, ook toe dat de niet afdwingbaar gestelde fatsoensregels elke morele aanspraak verliezen. Dat laatste is de hoger besproken pervertering van de tolerantie, die het burgers onmogelijk maakt om dingen die ze immoreel achten nog geweldloos te bestrijden door hen te verplichten om alles wat wettelijk is ook moreel te vinden.
Wie ermee begint alles wat fatsoenlijk is juridisch te verbieden eindigt ermee alles wat niet juridisch verboden is tot fatsoenlijk uit te roepen. Het onderscheid tussen recht en moraal of fatsoen is dus een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor elk ethisch debat.

Het is trouwens ook voor de samenleving van groot belang dat de legitimiteit van de burgerlijke overheid niet gereduceerd wordt tot haar conformiteit met de moraal. Roger Scruton heeft in The West and the Rest schitterend beschreven hoe één van de meest fundamentele problemen van de arabische wereld er precies in bestaat dat de burgerlijke overheid nooit een autonome legitimiteit heeft gehad, nooit een andere heeft gehad dan de mate waarin zij de heilige wet (sharia) naleefde en deed naleven. Mijns inziens zijn onze mensenrechtenfundamentalisten zijn niet veel beter dan de wahhabieten en hebben ze hun eigen takfir doctrine: een staat die hun opvatting van de mensenrechten niet respecteert, wordt tot illegitieme staat bestempeld. Al moet ik toegeven dat ik moeite moet doen om zelf niet aan die doctrine toe te geven en onze staat ook als een illegitieme te beschouwen ....

Natuurlijk kan het geen streefdoel zijn om een rechtsorde te hebben die in strijd is met de moraal, maar juist omdat tolerantie een morele deugd is, is het allesbehalve immoreel maar juist essentieel ethisch om de heersende moraliteit (d.i. die van de politieke machthebbers) in vele gevallen niet met rechtelijke geboden en verboden (en dus geweld) op te leggen. Een rechtsorde die onfatsoenlijke en zelfs immorele meningen en zelfs gedragingen tolereert, is een morele orde, want zij beoefent de deugd van de tolerantie; zij realiseert een complexere moraal dan de simplistische moraal die van oordeel is dat alles wat onfatsoenlijk is ook door rechters en inquisiteurs, juridisch dus, moet worden bestreden.

Een belangrijk bijkomend argument voor die tolerantie is, in de woorden van Koen Raes, dat een afgedwongen ethische overtuiging iedere waarde verliest (10). Moraliteit vereist vrijheid.

Dit alles is op schitterende wijze vertolkt door een der grootste juristen aller tijden, Friedrich Carl von Savigny. Wanneer hij het heeft over het wezen van het recht benadrukt hij dat de ontplooiing van de mens een vrijheid in juridische zin vereist, een vrijheidsruimte. "Das Recht dient der Sittlichkeit, aber nicht indem es ihr Gebot vollzieht, sondern indem es die freye Entfaltung ihrer, jedem einzelnen Willen innewohnenden Kraft sichert" (11). Geparafraseerd: het recht dient de moraliteit niet door haar gebod op te leggen maar door de mens een ruimte van vrijheid te geven, ruimte zonder dewelke hij niet moreel kán handelen’. Deze grondslag van onze rechtsorde is in de loop van de twintigste eeuw steeds verder onder druk komen te staan.” En voor alle duidelijkheid, Savigny voegde er onmiddellijk aan toe dat ook een onethische uitoefening van die vrijheid nog altijd binnen die vrijheid valt.

Perverse gelijkschakeling van burgerplicht met overheidsplicht

Al even fundamenteel voor het weren van het totalitarisme is het onderscheid tussen het handelen van de overheid en dat van de burger in de civil society.

De overheid mag niet discrimineren en het handelen van de overheid moet gelegitimeerd worden: de overheid moet voor elk onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording geven. Dit zowel als de erkenning van vrijheidsruimten door de overheid heeft essentieel te maken met het feit dat de wet ook wordt opgelegd aan wie er niet mee instemt. Zonder die terughoudendheid is een democratie niets meer dan een dictatuur van de meerderheid.

De burger echter heeft niét die monopoliepositie van de overheid. In een niet-totalitaire staat is er dan ook een fundamenteel verschil tussen de verplichtingen en vrijheden van de burger en die van de overheid. Voor de overheid gelden het legaliteitsbeginsel en het discriminatieverbod, voor burgers zonder monopoliepositie niét. Natuurlijk zal een burger zich moeten rechtvaardigen als hij de wet overtreedt, maar in een niet-totalitaire staat houdt de wet juist in dat er voor de burger géén algemene verplichting bestaat om zijn keuzes in de samenleving te rechtvaardigen, maar vrijheden die hem daarvan ontslaan: persoonlijke vrijheid, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging enzovoort. Wezenlijk is daarbij dat er wel externe grenzen kunnen zijn aan die vrijheden, maar dat men binnen die grenzen voor het gebruik van die vrijheid géén rechtvaardiging moet geven: de vrijheid zelf is immers precies de rechtvaardiging voor elke binnen die externe grenzen gemaakte keuze. Daarom is een discriminatieverbod voor burgers een totalitaire aanslag op de democratie. Of anders gezegd: de vrijheid om te discrimineren is de essentie van elke fundamentele vrijheid en dus de meest fundamentele vrijheid.

Laat mij dit in 7 punten toelichten.

Een vrijheid sluit elke noodzaak tot rechtvaardiging uit; discriminatie verbieden is dus de negatie van die vrijheid

Volgens art. 2 van de antidiscriminatiewet (hierna afgekort ADW) is discriminatie "elk verschil in behandeling - ook indien ogenschijnlijk neutraal - dat niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd". Het verbod daarop in elke handelwijze in het sociale leven (dus buiten de privé-kring in de zeer strikte zin van het woord) houdt dus per definitie de verplichting in voor eenieder om elke handeling die personen verschillend behandelt - in welk opzicht ook ! - (de limitatieve lijst van verboden discriminatiegronden werd door het Arbitragehof immers uit de wet geschrapt als zelf discriminerend (12)) objectief en redelijkerwijze te rechtvaardigen. Dit is gewoon de letter van de wet die door alle zogenaamd democratische partijen werd goedgekeurd, de zogenaamd liberale voorop. Het gaat hier niet om een morele of ethische plicht maar om een rechtsplicht, die in een groot aantal gevallen ook nog strafrechtelijk wordt gesanctioneerd met onder meer gevangenisstraffen tot één jaar en in bijzondere gevallen nog meer.

Dit verbod impliceert een veel te verregaande Einlassungszwang, d.w.z. verplichting om zich in rechte te verdedigen. De overheid schept hier tal van chantagemogelijkheden. Natuurlijk kan iedereen voor gelijk wat gedagvaard worden in ons rechtsstelsel (zij het dat hij schadevergoeding kan vorderen als dat tergend en roekeloos gebeurt) maar de wetgever moet er zorg voor dragen dat een groot deel van het private leven niet gejuridiseerd wordt. Het is panjuridisme om te oordelen dat elke handeling van het leven in juridische termen moet worden beoordeeld als goed of fout: een heleboel zaken moeten juist noch goed noch fout beoordeeld worden (de genoemde verwarring tussen recht en moraal). Het creëren van een rechtsgrondslag om medeburgers niet alleen verbaal, maar ook met burgerlijke en strafprocessen aan te vallen is vergelijkbaar met het vrijlaten van het bezit van vuurwapens: ook dat bezit rechtvaardigt natuurlijk niet elk gebruik van het vuurwapen, maar verhoogt wel de kansen op onrechtmatig gebruik en maakt hoe dan ook de samenleving gewelddadiger.

Maar los hiervan is het eerste bezwaar zoals gezegd dat de kern van de vrijheden juist daarin bestaat dat men binnen bepaalde grenzen vrij is en dus zijn handelen niét objectief en redelijk moet verantwoorden jegens de overheid. De vrijheid rechtvaardigt zelf de keuze en ontslaat dus van elke ander rechtvaardiging. Wanneer die vrijheid enkel mag worden gebruikt om door de overheid objectief en redelijk geachte keuzes te maken wordt de burger gereduceerd tot een orgaan van de totale staat. Het genoemde discriminatieverbod dus niets minder is dan gewoon de afschaffing van de persoonlijke vrijheid.

Voor wie discriminatie onchristelijk zou noemen, herinner ik aan de ondubbelzinnige repliek van Christus in het Mattheüsevangelie, hoofdstuk 20, vers 13: de landeigenaar die arbeiders had gehuurd voor zijn wijngaard betaalde aan de "arbeiders van het elfde uur" evenveel als wat hij had toegezegd en betaalde aan de arbeiders die de hele dag gewerkt hadden. Deze laatste kloegen over discriminatie, en het Bijbelse antwoord luidt: "Ik doe je geen onrecht. We waren het toch eens geworden voor een denarie ? Ik wil die laatste evenveel geven als jou. Of mag ik niet met het mijne doen wat ik wil ? Of ben jij jaloers omdat ik goed ben ?". Christus heeft toen reeds de vinger op de wonde gelegd: het eisen van gelijke behandeling is zelf ingegeven door onethisch gedrag, namelijk afgunst. Vandaag zou hij in dit land in de gevangenis belanden wegens aanzetten tot discriminatie.

Mocht iemand van jullie menen daartegenover vers 7:12 van het Mattheüsevangelie te moeten plaatsen - "Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo", - dan antwoord ik daarop: ik wil inderdaad dat de mensen mij de vrijheid geven om te discrimineren en ik zal hen diezelfde vrijheid geven.

Laat U dus niet misleiden door de bezweringsformules die te goeder of te kwader trouw gebruikt worden om te stellen dat een anti-discriminatiewet de vrijheid niet afschaft. De vraag is vanzelfsprekend niet of deze wetten en hun toepassingen beweren dat ze de fundamentele vrijheden aantasten, maar of ze het doen. Ik zal U een voorbeeld geven van goede trouw, doch naïviteit, en één van kwade trouw.

- Het voorbeeld van naïviteit is de bepaling van art. 3 ADW, die stelt "Deze wet doet geen afbreuk aan de bescherming en de uitoefening van de in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenconventies opgenomen fundamentele rechten en vrijheden". Dit artikel berust op een goed bedoeld amendement van senator Hugo Vandenberghe, een van de weinige christendemocraten die de moed heeft gehad op de rem te gaan staan in het parlement. De andere partijen hebben het goedgekeurd, wellicht omdat zij toen reeds wisten dat ze het konden gebruiken als schaamlapje. Het is immers gebleken dat dit artikel gewoon weggeïnterpreteerd wordt door de liberticide doctrine en rechtspraak - de wet was nog niet verschenen in het Belgisch Staatsblad of zelfs doorgaans gematigde juristen schreven reeds dat art. 3 vanzelfsprekend niet betekent dat die wet géén beperkingen aanbrengt aan de fundamentele vrijheden, maar alleen dat die vrijheden nu moeten worden afgewogen met een zogezegd recht op gelijke behandeling (zie meerdere auteurs in het boek Vrijheid en gelijkheid, bv. J. VELAERS, "De antidiscriminatiewet en de botsing van grondrechten"). Nochtans zegt de wet "doet geen afbreuk" en niet "moet worden afgewogen tegen". De rechtspraak legt die bepaling naast zich neer. In het arrest van het Arbitragehof over de ADW (157/2004) wordt art. 3 ADW zelfs niet eens vermeld, hoewel er in mijn verzoekschrift uitdrukkelijk een argument van werd gemaakt. Het is alsof die bepaling gewoon niet bestaat. Kortom, het is alsof men een massamoordenaar vrijlaat op voorwaarde dat hij van zichzelf zegt dat hij geen moordenaar is, en de vrijlating rechtvaardigt door uit te leggen dat er een evenwicht moet worden gezocht tussen het recht om te moorden van de moordenaar en het recht op leven van zijn potentiële slachtoffers en dat de rechters wel zo verstandig zullen zijn om dat evenwicht te vinden.

- Een voorbeeld van kwade trouw, waaruit blijkt wat men blijkbaar met dat evenwicht bedoelt, is te vinden in het arrest van het Hof van beroep te Gent van 21 april 2004 tegen de Vlaamse concentratie c.s. Het arrest stelt onder punt 2.2.2. dat "artikel 3 van de Wet van 30 juli 1981 geenszins de dwingelandij van “het correct denken” op en kritiek, zelfs hevige kritiek door eender welke groep of vereniging en nog meer door een politieke partij is en blijft mogelijk", maar spreekt zichzelf reeds in dezelfde alinea tegen door te eisen dat voorstellen om te verhelpen aan de problemen van de multiculturele samenleving enkel mogen worden geformuleerd als ze objectief en redelijk te verantwoorden zijn ! Zoals ook verder uit het arrest blijkt is een pleidooi voor een volgens de rechter niet redelijk verantwoorde wetswijziging in dit land dus een misdrijf. Het is dan wel merkwaardig, als pleiten voor een niet objectief en redelijke verantwoorde wetgeving in dit land een misdrijf is, dat er al niet een massa van onze parlementsleden in de gevangenis zit. Maar in ieder geval: stellen dat men daarmee geen dwingelandij oplegt, zoals het arrest doet, doet me onweerstaanbaar denken aan het schilderij van Magritte dat als titel draagt "Ceci n'est pas une pipe".

Strijdig met legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel

Een algemeen discriminatieverbod is een aanslag op het legaliteits- en zekerheidsbeginsel en een onverantwoorde verschuiving van macht van het volk en zijn vertegenwoordigers naar de rechter. Het is in strijd met het genoemde basisbeginsel van de rechtsstaat dat de Grieken reeds 25 eeuwen geleden ontwikkelden: the rule of laws, not of men. Het discriminatieverbod is zo vaag en voor zoveel subjectieve interpretaties vatbaar, dat het de individuele rechter tot wetgever maakt, en dat dan nog in een domein waar men werkt met strafrechtelijke sancties en het legaliteitsbeginsel dus des te zwaarder moet doorwegen.

Het klassieke argument om deze afschaffing van de vrijheid te rechtvaardigen is natuurlijk altijd dat in de conventies staat dat de vrijheden kunnen worden beperkt ter bescherming van de rechten van anderen. Maar de beperking die een discriminatieverbod oplegt aan de vrijheden is ook in dit opzicht van een totaal andere aard dan de beperking van vrijheden door de rechten van andere. Op de eerste plaats wordt die bescherming niet alleen aan andere mensen toegekend, maar ook aan zogezegde groepen; mijn kritiek daarop heb ik hoger reeds grotendeels gegeven. Verder strekt het discriminatieverbod er namelijk helemaal niet toe om rechten te beschermen die een derde al heeft jegens zijn medeburger, zoals het recht op eigen leven, de integriteit van zijn lichaam, persoonlijke vrijheid, zijn eigendom en het rustig genot ervan (bescherming tegen overmatige hinder, tegen beschadiging, tegen ontneming e.d.), zijn familiale intimiteit, zijn persoonlijke eer, enz. Die individuele rechten heeft men ongeacht de handelwijze van de zogenaamd discriminerende medeburger.

Maar onder de beperkingsmogelijkheden ook een recht op gelijke behandeling plaatsen is een pervertering van het legaliteitsbeginsel bij de inperking van grondvrijheden, een pervertering die de heersende theologie van de gelijkheid een vrijbrief moet geven om die vrijheden volledig uit te hollen. Die beperking beschermt namelijk helemaal niet de op zichzelf reeds bestaande rechten van derden, maar creëert een onbepaald aantal rechten op "hetzelfde" van alle burgers jegens alle andere. Maar een fundamentele vrijheid is juist de vrijheid om onderscheidingen te maken die ingaan tegen de heersende opvattingen of moraal; wanneer de heersende mening geslacht, afkomst, godsdienst e.d.m. voor een bepaalde handelwijze niet relevant acht, is de fundamentele vrijheid dus in wezen het recht om dat wél relevant te vinden.

Er zijn natuurlijk massa's gevallen waar discriminerende handelingen een onrechtmatige daad vormen, maar niet omdat ze discriminerend zijn, maar omdat ze onrechtmatig zijn, ongeacht of men daarbij een onderscheid maakt tussen burgers of niet. De antidiscriminatie-ideologie perverteert aldus ons denken over te beschermen rechtsgoederen en onrechtmatige daden. De verkeerde redenering is zelfs al binnengeslopen in de arresten van het Arbitragehof, dat elke aantasting van een grondrecht door de wetgever een discriminatie noemt en om die reden ongrondwettig. Dit is een misgroeiing te wijten aan feit dat tot voor kort Arbitragehof wetten enkel aan het discriminatieverbod kon toetsen en niet aan de grondrechten. Jammer genoeg heeft het Hof ook nadien die formule nog gebruikt. Als men de redenering van het Arbitragehof en tutti quanti doortrekt is moord niet strafbaar is omdat het moord is, maar omdat het een discriminerende aantasting van het recht op leven is. Het resultaat van deze Newspeak is dat de genoemde fundamentele rechten en rechtsgoederen (leven, lichaam, vrijheid, eigendom, eer) omgekeerd ook minder sterk worden beschermd dan dat zogezegde recht op gelijke behandeling - zoals uit het hiernavolgende punt ook moge blijken.

De wetgever straft motieven in plaats van gedragingen.

Een discriminatieverbod is ook totalitair omdat het zich niet alleen met de gedragingen, maar ook met de motieven van de burgers moeit. Als een burger een misdrijf begaat, zijn opzet of nalatigheid wel relevant, maat niet de precieze motieven of de afwezigheid ervan.

Voor mij is diefstal strafbaar omdat het een inbreuk is op de eigendom, en niet omdat je daarmee de bestolene discrimineert tegenover andere mensen. Maar volgens sommigen vandaag is discriminatie veel erger dan een ander misdrijf (het rechtvaardigt immers cordons die tegenover andere misdadigers en hun partijen geenszins gelegd worden). De wetgever heeft die idiote redenering zelfs opgenomen in het Strafwetboek in de vorm van strafverzwaringsgronden bij een reeks misdrijven. Ik vind het echter walgelijk dat in ons strafwetboek de straf voor een moord, verwonding, diefstal e.d. verschilt, naargelang de motieven voor die moord e.d.. Als het motief "discriminerend" is, wordt je strenger gestraft, dan iemand die uit willekeur het misdrijf begaat. Dat betekent dat iemand die zonder reden slachtoffer wordt, minder beschermd wordt dan iemand die slachtoffer wordt om zijn godsdienst, huidskleur of politieke overtuiging, en deze laatste dan weer minder als voor die moord een "objectieve en redelijke verantwoording" wordt gegeven. Kan het absurder ?

Deze absurditeit is door de regering gerechtvaardigd met allerhande theorieën over de gevoelens van slachtoffers van haatmisdrijven. Volgens die redenering zouden personen die aangerand, bestolen, beledigd, e.d.m. worden zonder enig aantoonbaar motief van de dader het dus minder erg vinden dan diegenen die een verwerpelijke beweegreden ontwaren bij de dader? Zij zouden minder gevoelens hebben van angst, hulpeloosheid en isolement ? Er zijn minstens even sterke argumenten voor het tegendeel. Iemand die zonder motief wordt aangevallen heeft immers juist nog veel meer redenen voor angst en hulpeloosheid dan iemand die tenminste nog de beweegreden van de dader kent.

Rationalistisch reductionisme

Een vierde bezwaar betreft het feit dat burgers niet alleen verplicht worden hun handelingen in het sociale leven tout court voor de rechter te verantwoorden, maar zelfs "objectief en redelijk" te verantwoorden. Nog afgezien van het bezwaar dat de regels inzake "objectieve en redelijke verantwoording" eigenlijk eerst door de rechter worden opgesteld, is er het bezwaar dat vele zaken perfect verantwoord kunnen zijn, ook al komt de rechter als resultaat van een juridisch proces met zijn formele argumentatie tot het besluit dat ze door de beschuldigde niet objectief en redelijk werd verantwoord.

Neem de genoemde parabel van de arbeiders van het elfde uur uit het Mattheüs-evangelie. Zij krijgen evenveel lopon voor minder werk, wat dus betekent dat de anderen voor hetzelfde werk veel minder kregen. In uurloon gerekend hebben ze maar één elfde gekregen van de arbeiders van het elfde uur. Ongelijk loon voor gelijk werk is een onderscheid dat zonder enige twijfel onder de europese en belgische regels als discriminerend geldt en dus verboden. Maar is dat zo evident? Is het wel onaanvaardbaar dat een werkgever een deeltijdse werknemer, die deeltijds werkloos is, evenveel zou betalen als een voltijdse? Beiden hebben toch min of meer dezelfde behoeften en noden? Waarom zou betalen volgens behoeften onredelijker zijn dan betalen volgens prestatie? Het is alleen onaanvaardbaar indien de overheid dit zou opleggen, door de invoering van het communisme, maar het is even onaanvaardbaar om het te verbieden. Onder de anti-discriminatiewet echter moet alles wat men redelijk vindt ook kunnen geformaliseerd worden in een juridische redenering van een zekere algemeenheid; elke billijkheid, elke vrijgevigheid die geen regel is maar zich beperkt tot het specifieke geval, is daarmee in strijd. Er zijn zeer verschillende opvattingen over wat rechtvaardig is: de overheid beschikt over de bevoegdheid om door belastingen en sociale bijdragen een zekere herverdeling te organiseren en door de regels van vermogensrecht en het organiseren van markten de ruilrechtvaardigheid te bevorderen. Maar daar houdt de overheidsbevoegdheid op dit vlak in een niet-totalitaire staat dan ook mee op.

De antidiscriminatiewetgeving aanvaard in grote mate nog slechts één model voor rechtvaardigheid in dit soort gevallen: de meritocratie. Maar als je steeds de meest geschikte persoon een functie moet geven, is het diegene die al het meest heeft die nog méér krijgt (13). Dan kun je wel weer zeggen dat je positief kunt discrimineren, maar ten eerste is aangetoond dat positieve discriminatie opleggen achtergestelde groepen uiteindelijk niet helpt. Bovendien geraak je moreel volledig in interne contradicties verstrikt: je kan niet de non-discriminatie opleggen en tegelijk aan zogezegde positieve discriminatie doen. Positieve discriminatie houdt in dat iemand bevoordeeld wordt, niet omwille van zijn persoonlijke noden, maar omdat hij tot een achtergestelde groep behoort (eufemistisch wordt dit ook doelgroepenbeleid genoemd). De rechtvaardiging daarvan - anders dan van een normaal sociaal beleid ten gunste van de zwakkeren als personen - wordt dan vaak gevonden in een historische Wiedergutmachung voor fouten uit het verleden. Zwarten in de VS zouden moeten worden bevoordeeld, niet omdat ze individueel sociale noden hebben, maar omdat hun voorouders gediscrimineerd werden en dit dus nu door omgekeerde discriminatie dient te worden rechtgezet, zelfs al gaat het om afstammelingen in de vijfde of verdere generatie. Zoals een Amerikaanse kennis aantoonde, is dit absurd. Immers, ook vrouwen vormden een achtergestelde groep; en dus moeten we iedereen die van een vrouw afstamt positief discrimineren vergeleken met wie daar niet van afstamt.

Om terug te keren naar de kern van mijn vierde argument: er bestaat niet één mogelijke soort rechtvaardigheid en niet één enkele vorm van deugd. En vele menselijke deugden zijn niet te reduceren tot een objectieve en redelijke verantwoording. Medemenselijkheid, vriendschap, vrijgevigheid, loyauteit en trouw. Moed, medelijden, dankbaarheid, humor. In ons op anti-discriminatie gebaseerde regime worden deze deugden uit het sociale leven verbannen naar de strikte privésfeer en verdacht gemaakt. In het sociale leven is enkel nog plaats voor redelijke verantwoording, dus koele berekening. Zouden de zwakkeren nood hebben aan koele, objectieve en rationele non-discriminatie of aan medemenselijkheid, betrokkenheid en gevoelens die juist discriminerend zijn zoals sympathie, vriendschap, vrijgevigheid ?

Meer nog, de zwakkeren worden het slachtoffer van non-discriminatie wetgeving omdat het hun leefwereld is die kapotgemaakt wordt en omdat zij diegenen zijn die afhankelijk zijn van een concrete inzet van de medemens die maar standhoudt wanneer er een voldoende verbondenheid tussen mensen bestaat, die haar uitdrukking vindt in sociale verhoudingen en instituties die een groepsidentiteit uitdragen (14). Het zijn immers juiste de traditionele structuren van de solidariteit die verdwijnen in een maatschappij die enkel nog op individuele rechten (mensenrechten of andere) is gebaseerd, en waarin uiteindelijk verbanden die op economische belangen gebaseerd zijn het sterkst standhouden. Of zoals M. GAUCHET schreef in “Quand les droits de l’homme deviennent une politique” (15): de rechten van de mens organiseren een liquidatie van “l’ensemble des facteurs structurants qui continuaient de figurer une transcendance des collectifs par rapport aux individus” Een ware democratie vereist dan ook een burgerlijke maatschappij waarin de gemeenschappelijke zingeving en de tekens die betekenis geven aan ons leven in gemeenschap worden uitgebeeld en uitgedragen (16).

Maar laat me nog een stap verder gaan bij de analyse van de vereiste van een "redelijke" verantwoording. Uit de uitleg en toepassing van de antidiscriminatiewet en de argumentaties van de verdedigers ervan, blijkt namelijk dat die redelijkheid voorbehouden wordt aan één enkel, "politiek correct" mensbeeld. Een conservatief mensbeeld, dat zeer terughoudend is jegens de idee van de maakbaarheid van de mens, wordt als onredelijk beschouwd. De antidiscriminatiewet berust juist op de weigering "to see reason in the given world", de weigering om de onvergelijkbaarheid van de mens en onmaakbaarheid van de samenleving te aanvaarden, de weigering om de menselijke beperkingen te aanvaarden, en de daarop gebaseerde rancune. Laat me citeren uit Hannah ARENDT “The burden of our time” (17) - boek dat later werd herwerkt tot het bekende “The origins of totalitarianism”. Ze spreekt over het nihilisme van de moderne mens en zijn rancune, rancune omdat hij zijn grenzen niet kan aanvaarden, omdat hij eigenlijk zijn eigen schepper zou willen zijn : "Modern man has come to resent everything, even his own existence - to resent the very fact that he is not the creator of the universe and himself. in this fundamental resentment, he refuses to see rhyme or reason in the given world. (....) The alternative for this resentment; which is the psychological basis of contemporary nihilism, would be a fundamental gratitude for the few elementary things that are invariably given us, such as life itself, the existence of man and the world. (...) insight into the tremendous bliss that man was created with the power of recreation, that not a single man but Men inhabit the earth".

De mens die discrimineert is de mens die zich verzet tegen het gelijkheidsnihilisme dat ons verplicht alles gelijkwaardig en dus waardeloos te achten.

De antidiscriminatiewet strekt dan ook helemaal niet tot bescherming van de zwakkeren, maar is "een instrument om binnen de sociale sfeer een verregaande uniformisering door te drukken tegen allerlei traditionele onderscheidingen in (...) Vanuit abstracte, rationalistische ideeën zoals de mensenrechten, de kinderrechten, ... moeten allerlei zaken onvermijdelijk verschijnen als onaanvaardbare discriminaties" (H. DE DIJN, Tertio 11 december 2002).

Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel moet de oude banden breken en de tradities klein krijgen. Gezin, afkomst, nationaliteit, religieuze aanhorigheid en culturele identiteit moeten wegwerpproducten worden - behalve dan allicht voor minderheidsgroepen.

Vele sociale deugden vereisen geen objectiviteit, maar subjectiviteit

Niet alleen zijn in de maatschappij vaak juist die deugden het belangrijkst, die geen redelijke, objectieve verantwoording geven aan voorkeuren en verschillende behandelingen, maar meer nog: vele handelingen, vele activiteiten, vele dingen zijn juist waardeloos wanneer ze alleen maar berusten op een redelijke verantwoording. Wat is de liefde of de vriendschap waard indien zij uitsluitend berust op een objectieve en redelijke verantwoording? Wat is de vrijgevigheid waard indien zij uitsluitend berust op een objectieve en redelijke verantwoording? Wat is de dankbaarheid waard indien zij daartoe gereduceerd wordt? Wat is de trouw en loyauteit, wat zijn al die belangrijke deugden in onze samenleving waard, indien zij alleen maar redelijk verantwoord zijn? Liefde, vriendschap, trouw, kortom alles wat zin en waarde geeft in het leven, is immers in essentie gegrond op discriminatie; wanneer ze enkel op een redelijke en objectieve verantwoording berust is ze waardeloos.

En de antidiscriminatie-ideologie heeft dus als effect, wellicht ook als doel, maar in ieder geval tot resultaat, om het nihilisme op te leggen aan de civil society.


Want alleen door het scheppen van een vrijheidsruimte waarbinnen mensen het recht hebben om te discrimineren – namelijk de burgerlijke maatschappij –, kunnen menselijke deugden tot hun recht komen, kunnen mensen aan zingeving, aan betekenisoverdracht, aan identiteitsbeleving, aan zorg en solidariteit doen. Dat binnen de vrijheidsruimte ook minder waardevolle zaken gebeuren en bepaalde gedragingen alles behalve deugdzaam zijn, mag daaraan geen afbreuk doen.

De antidiscriminatie-ideologie daarentegen, als uitdrukking van het hedendaagse nihilisme, is een aanval op alles wat te maken heeft met zingeving. Ze bant de menselijke subjectiviteit uit het maatschappelijk leven. Zoals hoger reeds gesteld houdt het doen samenvallen van recht en moraliteit eigenlijk de opheffing van de moraliteit, van de ethiek in. Wel, onder het mom van een promoten van de moraliteit promoot de antidiscriminatie-ideologie het amorele handelen en bant ze betekenisoverdracht en identiteitsbeleving uit het publieke leven. Ze verdringt al die aspecten van ons menszijn uit de sociale sfeer naar de strikte privésfeer - voorlopig althans, want de totalitaire opmars stopt daar natuurlijk niet en heeft de bedoeling die op termijn ook uit de enge huiskring te verdrijven - zie maar wat er gebeurt met de kinderrechten bv., de inmenging van de staat in de opvoeding, in het thuisonderwijs, enzovoort.

Zingeving, identiteitsbeleving, medemenselijkheid echter vereisen juist dat we soms het verschil maken waar er geen objectieve verantwoording voor is. De strijd tegen de verkilling van de maatschappij vereist dus dat we de mensen aanzetten tot discriminatie, weliswaar "positieve discriminatie", door aan hun medemensen méér te geven dan waar ze recht op hebben, maar dat is vanzelfsprekend nog altijd discriminatie, omdat de anderen daarbij minder krijgen (alleen waar ze an sich recht op hebben). "Discriminatie is aldus de stap vooruit uit de onverschilligheid die onze samenleving verkilt" (18).

Ondermijning van de open society

Een discriminatieverbod institutionaliseert het wantrouwen in openbare intermenselijke relaties. Het is m.a.w. een bron van verzuring, mijnheer Stevaert. Aan eenieder de mogelijkheid te geven om elke handeling van een medeburger in het maatschappelijk leven in vraag te stellen als onrechtmatig ondermijnt de bereidheid van mensen om nog openbaar te ageren. Het maakt een "open" omgang met vreemden onleefbaar. Het bevordert contactvermijdend gedrag, niet-openbare circuits voor meningsuitingen, goederen en diensten. Het bedreigt de open society en versterkt de Vier-Augen-Gesellschaft (19).

De grootste verliezers zijn de zwakken, die immers het meest nood hebben aan een publieke sfeer waarin zij aan hun trekken kunnen komen, en die gebaseerd is op een hele reeks menselijke waarden die in essentie gebaseerd zijn op andere motieven dan “redelijke en objectieve verantwoording”: vertrouwen, vriendschap, trouw, loyaliteit, solidariteit, intellectuele eerlijkheid, moed zorg, waardering, zingeving (om de civiele waarden te citeren waaraan onze maatschappij volgens prins Filip zoveel nood heeft (20)). Zij hebben er ook het meest nood aan dat sociaal handelen niet alleen geschiedt met mensen die men reeds kent.

Dat bevordert de anti-discriminatiewet nu net niet. Als ik mijn appartement wil verhuren, en ik laat dit publiek weten, dan riskeer ik om door iedere gefrustreerde kandidaat-huurder voor de rechter te worden gesleept. Als ik zeg dat ik het aan iemand anders heb verhuurd omdat ik die aardiger vond of omdat die het harder nodig heeft, dan zal ik wellicht veroordeeld worden. Slechts als ik een zuivere winstlogica hanteer zal de rechter mij gelijk geven. Ik ga dus vanzelfsprekend proberen te vermijden om mijn appartement publiek te huur te stellen, en het alleen nog aanbieden aan vrienden en kennissen en hun vrienden en kennissen, binnen hun netwerk. En daardoor verliezen de zwaksten, want zij hebben dat netwerk niet. Zonder discriminatieverbod zullen ze misschien gediscrimineerd worden, maar zullen ze hoe dan ook meer kansen krijgen; zij hebben het meest nood aan een open society.

Ook "de winnaars bij invoering van dit gedrocht zijn duidelijk aan te wijzen: enkele goed georganiseerde minderheidsgroepen die vandaag de politieke agenda bepalen en de hele samenleving deconstrueren en koloniseren vanuit hun partijdig belang". Ik herhaal dus het zinnetje waarvoor ik een nominatie voor de homofobieprijs 2003 heb gekregen (jammer genoeg voor mij had het Vaticaan blijkbaar een nog meer homofobe uitspraak gedaan dan deze - hoe dat mogelijk is begrijp ik echt niet - , en is het met de prijs gaan lopen. Overigens is niemand van de Holebifederatie bereid gevonden om publiekelijk hun nominatie te verantwoorden).

De partisan tolerance

Nu zullen de antidiscriminatie-ideologen wellicht proberen te antwoorden dat het allemaal zo'n vaart niet zal lopen, dat die wet toch alleen maar gemaakt is om de ranzige randgevallen te bestrijden en dat fatsoenlijke burgers daar geen schrik van mogen hebben. Wel, eigenlijk maakt dit het nog erger maakt. Een slechte wet vergoelijken omdat ze toch alleen maar op slechterikken wordt toegepast is van dezelfde aard als stellen dat zware misdadigers geen eerlijk proces moeten krijgen, vermits het toch zware misdadigers zijn.

Deze en andere argumenten pro verraden mede dat een discriminatieverbod in private verhoudingen een schoolvoorbeeld is van partisan tolerance, naar de uitdrukking van Marcuse. Volgens die ideologie mag tolerantie altijd maar in één richting bestaand, de "goede" natuurlijk. Ook het discriminatieverbod is een maatregel die door een bepaalde ideologie is uitgedacht om slechts in één bepaalde ideologische richting te worden gebruikt en natuurlijk nooit in de andere. Het is niet toevallig dat het verbod op discriminatie wegens politieke overtuiging in de wet niét werd opgenomen en er slechts in is gekomen doordat het Arbitragehof die inperking zelf discriminerend vond. Dit maakt duidelijk dat we in een regime zitten waar bepaalde partijen daadwerkelijk discrimineren tegen andersdenkenden onder het mom dat deze laatsten zouden aanzetten tot discriminatie. Indien de regels onpartijdig zouden worden toegepast, zouden ze dus eerst op de auteurs zelf moeten worden toegepast. Of anders gezegd: wanneer gaat men de subsidies afnemen van al die partijen die al die wetten gestemd hebben - en het zijn er heel wat - die door het Arbitragehof werden vernietigd wegens strijdigheid met het discriminatieverbod? Wanneer gaat men de partijen die bewezen hebben dat ze liberticide zijn straffen in plaats van diegene aan wie alleen maar die intentie wordt toegeschreven door hun tegenstanders?

De antidiscriminatiewet strekt er dus helemaal niet toe om de verhoudingen tussen burgers fatsoenlijker, ethischer te laten verlopen. Door deze perverse toepassing van het gelijkheidsbeginsel - namelijk als een wapen tussen burgers onderling en niet als een eis die alleen jegens de overheid geldt -, dreigt de bevolking meer dan ooit te worden ingedeeld in categorieën als man en vrouw, autochtoon en allochtoon, heteroseksueel en homoseksueel, enzovoort. Dit leidt tot een nieuwe balkanisering van de samenleving waarin deze groepen tegen elkaar worden opgezet. Het leidt meer dan eens tot quotaregelingen waardoor personen juist iets toebedeeld krijgen omdat ze aan een bepaald “illegitiem” criterium voldoen.

Eigenlijk zijn dit allemaal slechts symptomen van iets wat tot de essentie zelf van de antidiscriminatie-ideologie behoort, nl. dat ze zelf discriminerend is en dit uit haar aard. Ze discrimineert omdat ze vertrekt van een onderscheid tussen de goeden en de slechten, diegene die discrimineren en diegenen die niet discrimineren, en daarmee de discriminatie van de discriminerenden rechtvaardigt. Het is een ideologie om de eigen discriminatie te rechtvaardigen en die van de andere te verbieden.

Om al deze redenen meen ik dat het hoog tijd is om naast, of beter nog boven die 45 of meer mensenrechten die men nu al bedacht heeft in de Europese grondwet en andere ronkende verklaringen, het meest fundamentele van alle mensenrechten in te schrijven, de meest fundamentele vrijheid: de vrijheid om te discrimineren.

(1) PUF, Parijs 2004
(2) Die laatste idee noemden Milan KUNDERA en Michael WALZER "linkse kitsch": “There is nothing to gain from the merger, for the chief value of all this marching lies in the particular experience of the marchers. There is no reason to think that they are all heading in the same direction. The claim that they must be heading in the same direction, that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example – so writes the Czech novelist Milan Kundera in The Unbearable Lightness of Being (Part VI: “The Grand March”) – of leftist kitsch.” (M. WALZER, Thick and thin, pp. 8-9).
(3) Ik heb dit verder uitgewerkt in mijn lezing "Tolerantie", lezing Nationaal Congres Davidsfonds, Antwerpen 20 april 2002, in "De Vlaamse Beweging.Welke toekomst ?", Davidsfonds Leuven 2002, p. 164-179. Licht gecorrigeerde versie op het web: http://www.storme.be/tolerantie.html; licht ingekort als "Tolerantie: een complexe deugd", in Nieuwsbrief Orde van den Prince 2003 nr. 4, p. 6-10; licht gewijzigde versie in Nova et Vetera, Tijdschrift voor Onderwijs en Opvoeding, jg. LXXX, 2002-2003, nr. 6, p. 435-449.
(4) Voor deze gegevens, zie B. BOUCKAERT, 'Tolerantie en permissiviteit : een decadente verwarring ?", in Tolerantia, een cahier van de Orde van den Prince, Orde van de Prince, 2000, p. 47 v.
(5) TODOROV, bij de ontvangst van de Spinozalens in 2004.
(6) FINKIELKRAUT, "Tolerantie: de laatste tiran?", De groene Amsterdammer 2 december 1998, http://www.groene.nl/1998/49/af_tolerantie.html; A. FINKIELKRAUT, L'ingratitude, Conversation sur notre temps, Gallimard, Parijs 1999, p. 196 v. en 204 v., in het Nederlands als Ondankbaarheid, Contact, Amsterdam 2000.
(7) Het is het onderscheid tussen moord en doodslag; iets heel anders is de vraag naar het motief van de moord.
(8) Bij wijze van voorbeeld een bijdrage waarin dit onderscheid totaal ontbreekt: Jan BLOMMAERT, "De crisis van de vrije meningsuiting", Samenleving en politiek december 2004, ook op http://cas1.elis.rug.ac.be/avrug/crisis.htm.
(9) Onder punt 2.2.1.: "Wat het “aanzetten” betreft, is het zo dat een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld reeds volstaat. Een ten aanzien van medeburgers in de openbaarheidvereisten van het artikel 444 van het Strafwetboek gehouden pleidooi voor een discriminerende wetswijziging kan derhalve, ook al kan dergelijke wetswijziging slechts tot stand komen op de door de Grondwet voorziene wijze, ongetwijfeld als een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie worden aangezien."
(10) K. RAES, "Tolerantie onder druk: wederzijds respect of wederzijdse onverschilligheid", 42. Ons erfdeel 1999, overgenomen in Tolerantia, een cahier van de Orde van den Prince, 2000, p. 47 v., p. (133 v.) 134.
(11) F.C. Savigny, Das System des heutigen Römischen Rechts, I, p. 331.
(12) Arrest nr. 157/2004 oktober 2004 inzake de beroepen van Vanhecke c.s. en van Storme tegen de ADW.
(13) Deze kritiek werd reeds meermaals geuit door prof. Philippe VAN PARIJS (UCL).
(14) Vgl. H. de DIJN, Voorbij de ontzuiling, lezing Triest-leerstoel 2001.
(15) in Le débat 2000 nr. 110.
(16) Vgl. H. DE DIJN, “Nieuwe politieke cultuur heeft levensbeschouwing nodig”, Ons erfdeel 2000, (347) 352, met verwijzing naar naar A. MARGALIT, The decent society.
(17) H. ARENDT, The burden of our time, Secker & Warburg London 1951, p. 438.
(18) Vgl. Alfons Vansteenwegen, in Tertio - "we moeten opnieuw leren discrimineren".
(19) Voor de betekenis van die uitdrukking, zie mijn bijdrage in Doorbraak, september 2001, http://www.vvb.org/doorbraak/pdf/0109.pdf
(20) In zijn toespraak bij de ontvangst van een doctoraat honoris causa aan de KU Leuven.

zondag, januari 02, 2005

Matthias Storme bij Jean-Pierre Rondas

radio Klara 2 januari 2005

(J.P. Rondas in cursief, M.E. Storme romeins)

Met vandaag de Vlaamse jurist Matthias Storme in het vierde en laatste deel van mijn eindejaarsreeks, eigenlijk mijn nieuwjaarsbrief over de balans van de maatschappen, waarin u trouwens gisteren kon meegenieten van de standpunten van Philippe Van Parijs wat betreft de taalregimes in deze Belgische staat en in het Vlaamse en Waalse land. Philippe van Parijs verklaarde zich volmondig voorstander van de territorialisering van de gewesten die door taal zijn gedefinieerd. Dat wil zeggen dat in de ogen van deze Franstalige intellectueel, filosoof en ethicus, de taalgrens ook het best grens moet zijn - zonder faciliteitengemeenten en andere dergelijke verzinsels.

Vandaag besluit Matthias Storme de “Balansenreeks” en het lijkt alsof het expres zo was gedaan. Het volgende uur lijkt wel een vervolg op de gedachtenwisseling met Philippe Van Parijs.

Samen, Van Parijs en Storme, geloven ze dat België gerust nog wat meer bevoegdheden aan de deelstaten mag afstaan. Samen denken ze na over de verhouding tussen taal en democratie.

Met deze gemeenschappelijkheden heb ik nog maar een halve inhoudsopgave van deze uitzending gemaakt, want ze leggen natuurlijk ook andere accenten.

Storme heeft het bijvoorbeeld ook nog over het Belgische contrafederalisme zoals het de laatste vijf, zes jaar is versterkt; hij heeft het ook over de Franstalige chantage op Vlaanderen in deze staat, en verbindt zijn Vlaamse opstelling met zijn diep filosofisch conservatisme.

We besluiten deze uitzending dan met Storme’s hartenkreet over referendum en democratie.

Trouwens, ik praat hier met Matthias Storme met achter mijn kiezen en achter de zijne natuurlijk ook, zijn opstel over Culturele identiteit, welvaart, solidariteit, zingeving en democratie. Een mondvol. En dat stuk staat broederlijk naast een artikel van Philippe Van Parijs, “Natievorming tegen Solidariteit?” in de bundel “De Vlaamse en Europese Uitdaging”, onder redactie van Jan de Groof verschenen bij Lannoo Campus .

Ergens schrijft Storme dat hij ongerust is over Vlaanderen, maar er tegelijkertijd toch gerust in is, dat het tot meer confederalisme komt.

Ja natuurlijk, vanzelfsprekend, omdat je merkt dat je geen Flamingant moet zijn in de klassieke betekenis, niet ideologisch overtuigd moet zijn van natievorming of dergelijke dingen, om, als je moet handelen in een politieke sfeer, de noodzaak te voelen van het verder uitkleden van de Belgische staat. Iedereen die in die positie terechtkomt, waar hij iets wil doen, komt tot die conclusie. Paradoxaal genoeg vind ik daarbij mijn bondgenoten soms juist vind bij mensen waar ik het waarschijnlijk politiek niet mee eens ben: hoe meer je met de staat wil doen, hoe meer je tot de noodzaak komt om Vlaanderen meer bevoegdheden te geven. Ik ben daarentegen toch ook een beetje liberaal en heb dus ook wat schrik van teveel Vlaanderen.

Tegelijkertijd kom je in conflict met mensen die je in een Vlaamse staat of een Vlaamse regio politiek zou bestrijden.

Ja, maar ik heb schrik van teveel Vlaanderen. Niet van teveel Vlaanderen maar van teveel Vlaamse staat. Als liberale conservatief kan het niet de bedoeling zijn om België uit te kleden om een des te machtiger en krachtiger en invloedrijker en meer bemoeiende Vlaamse staat te krijgen.

Afgezien van dit voorbehoud wordt, zo begrijp ik het toch, de Belgische staat verder ontkleed.

Onvermijdelijk, denk ik.

Zie je dat in een evolutionaire lijn ? Zie je echt, “daar” gaat dit naar toe ?

(...). Er is natuurlijk het gevaar dat het resultaat van het uitgekleed zijn van België erop neerkomt dat je een Vlaanderen hebt dat in Europa niks meer te zeggen heeft. Of een Vlaanderen dat voor mij niet meer als Vlaanderen herkenbaar is, omdat het een maatschappij zou zijn die bijvoorbeeld volledig overspoeld is door migratiegolven. Ik overdrijf misschien een beetje, maar het is niet uitgesloten, dat je uiteindelijk vecht om autonomie te geven aan een Vlaams volk, terwijl dat volk tegen dan niet meer bestaat.

Met andere woorden het moet snel gaan, het moet relatief snel gaan, het moet bijna onverwijld gebeuren.

Ik zou willen dat het snel gaat, ja natuurlijk. En dat, ja, onze leiders - als ik dat woord nog mag gebruiken - een gevoel van urgentie krijgen, dat wel. Maar anderzijds voel ik niet de behoefte om dat elke dag te gaan uitschreeuwen. Er zijn namelijk andere ontwikkelingen die me meer zorgen baren. Maar tegelijkertijd, hoewel ik er in zekere zin gerust ben, ben ik ook ongerust, ook over de traagheid, over het voortdurend voor zich uit schuiven van stappen die mijns inziens noodzakelijk zijn.

Geef eens zo een stap die we nu kunnen uitvoeren, of die we nu kunnen onderhandelen met de andere kant van het land, telkens met daarbij de wetenschap dat er in dit land geen federale publieke opinie meer bestaat en al lang niet meer bestaat. Dit zijn totaal twee aparte opiniesferen, die moeten proberen met elkaar in contact te komen en het moet meteen onderhandeld worden. Dat is zeer lastig maar dit gezegd zijnde: ”Wat zullen we eerst onderhandelen ?”

Het klinkt misschien merkwaardig, maar het meest dringende is wellicht het buitenlands beleid. Gek genoeg dringender dan de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Dringender dan dingen die ook echt belangrijk zijn - Brussel-Halle-Vilvoorde is niet zozeer een belangrijk als een prioritair dossier. Een zeer belangrijk dossier is wel de communautarisering van de gezondheidszorg en van grote delen van de sociale zekerheid; een belangrijk dossier is een hervorming van justitie, die ten minste ook ten dele de overheveling van justitie naar de gemeenschappen zal moeten inhouden. Dat zijn belangrijke dossiers. Maar het meest prioritaire dossier is, denk ik, een stem in Europa om ervoor te zorgen dat de Vlaamse belangen in Europa kunnen standhouden, kunnen gevrijwaard blijven. Om ervoor te zorgen dat Europa op dat punt niet de verkeerde weg opgaat.

Het grote probleem is dat onze politici daar inhoudelijk niet van overtuigd zijn. Het grootste deel van de Vlaamse politici is overtuigd van de noodzaak van een Vlaams gezondheidsbeleid; daar is geen grote verdeeldheid meer.

Bijna alle partijen, ten minste op Vlaams niveau. Eenmaal in het federale parlement slikken zij dat in.

Goed, daar hebben we onze bedenkingen bij, maar op zijn minst is er de overtuiging dat dit een goede zaak zou zijn. OK, men heeft vanzelfsprekend verschillende visies over hoe die gezondheidszorg zou kunnen worden gereorganiseerd, tussen - laat mij maar zeggen - socialisten en liberalen. Maar er is de overtuiging dat de gezondheidszorg een Vlaamse bevoegdheid moet zijn. En hetzelfde geldt voor justitie: de overtuiging is er, dat er iets moet gebeuren in justitie, en dat dit ook ten dele een defederalisering inhoudt .

Inge Vervotte is nu bezig. Zij strijden allemaal kleine gevechtjes, ad hoc gevechtjes in feite, die telkens weer wijzen op het grotere diepere probleem.

Maar dat is typisch voor politici, zij zijn elk bezig met hun winkel. Maar het is wel zo dat al die mensen die op een bepaald gebied met beleid bezig zijn, op hun domein separatist worden. Ze zijn daarom nog geen separatist voor de rest. Maar als iedereen het op zijn domein is, en je dat allemaal samentelt, dan zijn we er.

Maar om terug te keren naar de urgentie. Waar het gevoel van urgentie ontbreekt is, denk ik, bij de Europese ontwikkelingen. Zo is zonder enig debat in de Vlaamse regering, het ontwerp voor een Europese grondwet goedgekeurd. Dit gaat zonder ernstig debat door het Vlaamse parlement worden goedgekeurd, terwijl dat verdrag nefast is voor Vlaanderen.

(...)

Het wordt wel vaker gezegd door voorstanders van alle nuances in de Vlaamse regering, door minimalisten en door maximalisten: de beweging naar autonomie is toch nog niet af. Men zei wel van wel, maar iedereen merkt dat het niet zo is. De Vlaamse beweging is verre van voltooid, en de drang naar voltooiing is des te urgenter omdat men zolang heeft geprobeerd om de problematiek niet meer te zien of te willen zien.

Inderdaad, de beweging is nog niet af, is nog te voltooien. Nu ja, ook na die voltooing zijn naties en grenzen zijn niet voor eeuwig verzekerd. De vraag is dan of je als gemeenschap bereid bent om dat land te verdedigen. De vraag is ook of we daartoe de kans krijgen. Kortzichtigheid inzake internationale verhoudingen maakt immers dat de Vlamingen hun wapens voor een deel uit handen hebben gegeven. En de Franstaligen hebben dit zeer goed gezien in België. Er is de fameuze uitspraak van Anne-Marie Lizin, die dat zeer goed heeft gezien: “Alles wat de Vlamingen ons in België ontfutseld hebben, zullen wij dankzij Europa terug in handen krijgen.“

Wat hebben de Vlamingen aan hen ontfutseld ?

De eentaligheid van Vlaanderen.

Namelijk de Franse eentaligheid hebben ze ontfutseld aan de Franstaligen.

Wij hebben inderdaad de eentaligheid van Vlaanderen "ontfutseld" aan de Franstaligen, die dit nooit aanvaard hebben, en die Europa zien als een weg om die geschiedenis terug te draaien. Om een einde te maken aan dat territorialiteitsbeginsel.

Omdat hier bij ons de taal eigenlijk de grens maakt. De taal is het criterium. En die proberen wij te territorialiseren ook daar waar het problematisch is, bijvoorbeeld in de Brusselse rand.

Het Vlaamse gemeenschapsbewustzijn is zeer sterk met de taal verbonden. Dat is ook normaal, het is niet exclusief Vlaams. De concrete gevoeligheden en de concrete wrijvingspunten zullen wel verschillen van land tot land, omdat die te maken hebben met de buren die je hebt, met de historische ontwikkeling, met het kader waarin en de wetgeving waarmee je zit. Maar als je de Europese geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar bekijkt, is de taal wel manifest de belangrijkste factor van identiteit. En dat is ook gemakkelijk te begrijpen: de taal is een politieke factor geworden door de democratisering. Beiden zijn essentieel met elkaar verbonden. Men vergeet te vaak dat het nationalisme een product is van de democratisering.

Europa wordt voor de Franstaligen in dit land, Walen en franstalige Brusselaars, de kans, de hefboom om ongedaan te maken wat de Vlaamse beweging heeft gerealiseerd.

Dat is duidelijk de bedoeling, en de manier waarop ....

U heeft al vermeld de taal ? Via alle liberale Europese vrijheden, waar u zo voor bent, kunnen wij de taalwetgeving, die een dwingend carcan is, weer ongedaan maken.

De Franstaligen hebben ingezien wat de Vlamingen in vorige generaties hebben ingezien, namelijk dat juridische instrumenten machtige wapens kunnen zijn. Alleen kunnen zij iets meer genieten van wat vandaag modieus en correct is, en van sommige éénzijdige tendensen in het internationaal recht .

Mensenrechten ?

Ze zijn erin geslaagd de interpretatie van zogenaamde mensenrechten meer in hun voordeel om te draaien. Behalve de mensenrechten gebruiken ze ook andere juridische instrumenten in hun voordeel. In de Belgische context is dit duidelijk gebeurd door de wijziging van de nationaliteitswetgeving en het kiesrecht. Ze beoefenen de boutade van Bertold Brecht: ”Als het volk je niet aanstaat, maak dan een ander volk. ” Men wijzigt de samenstelling van de Belgische bevolking en van de kiezers om de Vlamingen te kunnen minoriseren.

Een bepaald establishment - ook in Vlaanderen, maar vooral Franstalig natuurlijk - is gebiologeerd door de idee om de Vlaamse meerderheid te breken. Men voelt zich geminoriseerd sinds de normale regels van de democratie spelen. Een deel van de aanlokkelijkheid van het federalisme voor de Walen is natuurlijk altijd geweest dat het een einde maakt aan de Vlaamse meerderheid. Dat ze minstens op bepaalde domeinen kunnen ontsnappen aan die Vlaamse meerderheid. Maar nu proberen ze via andere instrumenten die Vlaamse meerderheid te breken. De paritaire senaat is daar een typisch voorbeeld van.

Maar die was toch al lang gebroken; de Vlamingen hebben wat dat betreft het meerderheidsprincipe toch al lang weggegeven.

Maar niet volledig.

Nu gaat het nog vollediger worden ?

Vandaag kan je nog altijd Brussel-Halle-Vilvoorde splitsen met een gewone meerderheid in het parlement. Je hebt een alarmbelprocedure, maar die is op termijn niet onoverkomelijk; je moet erdoor alleen iets meer geduld hebben. De dag dat Verhofstadt zijn plan doorzet, om de Franstaligen ter wille te zijn, om de Vlaamse meerderheid op federaal vlak, in de Senaat, volledig te breken, dan is het gedaan, dan sluit je die mogelijkheid af.

(...)

Als je nog een klein beetje geloof hecht aan de noodzaak van een polis, een welvaartsstaat, een sociale zekerheid en een draagvlak voor fiscaliteit, een territoriale gemeenschap in de moderne betekenis van het woord, dan moet je die gemeenschap structureren op basis van niveaus en grenzen die beantwoorden aan een voldoende socio-culturele homogeniteit. Die homogeniteit is natuurlijk gelaagd. Ik heb mezelf ooit een lasagna-nationalist genoemd, want ik weet dat mijn identiteit zich niet op één niveau bevindt. Ik besef dat mijn identiteit zowel Europees, als Vlaams, als Gents en zelfs ook een beetje Belgisch is - ik ga dat natuurlijk niet ontkennen. De vraag is dan wel welke politieke conclusie je daaruit moet trekken. Het subsidiariteitsbeginsel beantwoordt aan die lasagna: het houdt in dat je bevoegdheden en macht spreidt over verschillende niveaus leggen, waarbij het hogere niveau slechts bevoegd is als het lagere die bevoegdheid niet aankan en het hogere wel. En vanuit dat oogpunt heeft België nauwelijks nog een meerwaarde.

Dus met andere woorden: België is er niet in geslaagd om die gemeenschap van waaruit dat allemaal kan gebeuren, die redistributie, die solidariteit, die subsidiariteit - de staat België is er niet in geslaagd om die gemeenschap te vormen. Ze heeft het geprobeerd, door de eentaligheid op te leggen; ze heeft het geprobeer,d door de Vlaamse verzuchtingen telkens weer te fnuiken; ze hebben na de twee wereldoorlogen telkens daartoe de kans weer gehad; het is niet gelukt.

Het lot van België is voor mij getekend op het moment dat de Franstaligen er niet in geslaagd zijn om het Nederlands in Vlaanderen uit te roeien, en omgekeerd ook niet aanvaard hebben dat heel België tweetalig zou zijn.

Dat Wallonië tweetalig zou zijn, alles maar dat niet. Zij moeten dit eigen huisje hebben , gevrijwaard van vreemde smet.

Er waren maar twee mogelijkheden om België te redden: ofwel geheel België Franstalig maken, ofwel geheel België tweetalig maken. Zodra je niet een van die twee hebt, zit de kiem voor de splitsing erin, omdat taal nu eenmaal de meest essentiële factor is van de socio-culturele identiteit vandaag. En dat ook al is taal niet de enige factor , ik spreek hier niet sub specie aeternitatis.

Er is niet alleen taal, er is ook cultuur in een heel ruime betekenis, van omgang met elkaar, de verzwegen dingen, “le non dit” …

Vanzelfsprekend, maar tot op vandaag is taal de meest integrerende en belangrijkste factor voor die cultuur. Dat is misschien ooit anders geweest, voor de opkomst van de democratie.

Taal als het grote verwijzingssysteem ….

Ja, betekenissysteem, maar ook gewoon communicatiemiddel. We mogen niet vergeten dat de taal politiek veel belangrijker is dan vroeger, om verschillende redenen. Je hebt in een industriële en postindustriële samenleving veel meer nood aan een gemeenschappelijke taal om elkaar te begrijpen dan in de landbouwmaatsshcappij voordien, dat is de economische factor. De tweede factor is natuurlijk de politieke factor. Er wordt vaak gesteld dat taal blijkbaar geen politieke factor was voor de Franse revolutie, …

Niet waar

Niet waar, zeg ik ook. Alleen het viel minder op, en het perspectief was anders. Het is natuurlijk zo dat de meeste grote politieke gehelen veeltalig waren. Maar juist op het ogenblik dat die zijn gaan democratiseren, zijn ze uit elkaar gevallen. België is een van de laatste resten van het ancien régime omdat het nog niet uit elkaar gevallen is. We hebben dat gezien met Oostenrijk-Hongarije, met de Sovjet-Unie, met Joegoslavië, met Tsjecho-Slowakije. We zijn het laatste restantje

van de Spaanse, Oostenrijkse Nederlanden

... van een dynastiek conglomeraat, gegroeid in de vijftiende eeuw, dat nog niet uit elkaar is gevallen, en dat ook maar stand houdt omdat het onvoldoende democratisch functioneert. Op het moment dat je de normale spelregels van de democratie zijn werk laat doen, is het gedaan met België. En het is dus ook volstrekt logisch dat het land steeds verder uit elkaar valt, naarmate je ook gaat democratiseren.

(...)

Let wel, als het over taal en democratie gaat, of over taal en nationalisme, dan zie je dat de uitgangspunten van zo verschillend denkende mensen, als Matthias Storme, Philippe Van Parijs, de betreurde Antoon Roosens, niet zover uit elkaar hoeven te liggen. Philippe Van Parijs opende zijn opstel over taal in België en Europa met het citaat van John Stuart Mill, over de afwezigheid van een federale publieke opinie in bijvoorbeeld een tweetalige staat als België , en over Antoon Roosens is nu een speciaal in memoriam nummer verschenen van het VMT, het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 38-ste jaargang, nummer vier, december 2004, met bijdrage van veel Masereel-Fondsers zoals Ludo Abicht en Bernard Desmet, en daarin vind je zeker ‘overlap’ tussen ideeën van de marxist Roosens en die van de conservatief Storme. Ook interessant voor plaatsbepaling vandaag.

Maar nu praat ik verder met Storme over de drie ‘C’-s. Contrafederalisme, Chantage en Containment.

(...) Toch wel, op een bepaald ogenblik zal er een soort big-bang zijn, en dan is de vraag of we op dat ogenblik zo rationeel zijn van te kijken : zijn er nog dingen die we beter samen doen ? En dan zal ik waarschijnlijk één van de eersten zijn om te verdedigen dat er hier en daar dingen zijn die we beter samen doen. Maar vanuit een totaal andere positie. Ik heb ook nooit beweerd dat het niet nuttig kan zijn dat we bepaalde zaken samen doen met Wallonië. Maar vanuit een niet-chantagepositie. En dat is het essentiële verschil tussen confederalisme en federalisme. Wanneer politici vandaag het confederalisme verdedigen, heb ik daar geen enkele moeite mee, op voorwaarde dat ze serieus nemen wat ze zeggen. Ik ga hen nooit bekritiseren omdat ze zeggen "wij willen maar confederalisme" - al voegen ze er meestal aan toe "we zijn geen separatisten", wat een contradictie is, want een confederalist is een separatist, per definitie, het kan niet anders.

Het grote verschil met het federalisme - dat zogezegd in België heerst maar niet heerst, reden waarom ik het contra-federalisme noem - is het volgende. Federalisme betekent dat bepaalde bevoegdheden op federaal niveau worden uitgeoefend en bepaalde bevoegdheden op deelstaatniveau, en dat die bevoegdheden op federaal niveau worden uitgeoefend volgens de normale regels van de democratie. Dat betekent dat een normaal federaal systeem er in België op zou neerkomen dat de Vlaamse meerderheid het op federaal vlak in België voor het zeggen heeft. Maar er wordt op het Belgische niveau een blokkeringminderheid, een veto, gegeven aan de Franstaligen. Dat maakt dat het geen normaal federaal systeem is. Het is ook geen confederaal systeem: in een confederaal systeem is de centrale overheid maar bevoegd indien beiden partijen dat willen. Een confederaal systeem zou impliceren dat de Vlamingen op elk ogenblik kunnen zeggen :”Oh, jullie gebruiken een veto, OK, dan doen we het zelf”.

Daarom heb ik de uitdrukking “contra-federalisme” gemaakt: daarin ben je verplicht om dingen samen te doen, zonder het recht het zelf te doen (dus geen confederalisme), maar tegelijkertijd worden op het niveau waarop je het samen moet doen, de normale regels van het federalisme en van de democratie niet gerespecteerd, en krijgt iedereen eigenlijk een vetorecht om de andere te blokkeren. Vandaar de uitdrukking, die daarna natuurlijk is overgenomen door een aantal andere mensen. Het is geen klassieke juridische uitdrukking

Maar ze is wel beeldend

Maar misschien zal ze overleven, uiteindelijk is het woord federalisme en het woord confederalisme ook op een bepaalde ogenblik in de geschiedenis ontstaan.

Maar onlangs - ook al weer naar aanleiding van zo een ad hoc probleempje - was het Onkelinkx die zelfs betwijfelde of er wel deelstaten bestonden. "Dit is één land" zei ze, terwijl iedereen met alle antennes aanvoelt dat het twee landen zijn die het verdomd moeilijk met elkaar hebben. En waar, zoals u zelf zei, u heeft het woord laten vallen, chantage heerst.

Wat geeft aan die kleine Franstalige, maar großschnauzige minderheid de mogelijkheid, de kracht en de macht om die chantage te blijven uitoefenen - zoals toch veel Vlamingen dat aanvoelen.

Ja, op de eerste plaats natuurlijk de collaboratie van veel Vlamingen. Op het moment dat Vlamingen eensgezind zeggen “Neen”, dan is het neen ! Of “Ja” dan is het ja ! Maar die eensgezindheid is er nooit en men vindt altijd excuses of redenen om dat niet te doen.

En op het moment dat zo een punt naderbij komt, is er toch wel iemand die oproept tot het afschaffen van alle confrontatie zeker, met Kerstmis.

Ja, ik stel voor dat de premier begint met een einde te maken aan de confrontatie tussen hem en de andere partijen in Vlaanderen. Dat zal al een flinke stap vooruit zijn.

Dus de chantage is gedeeltelijk door de collaboratie van de tegenpartij - in casu Vlaanderen -, ten tweede door de wetten die voor een soort ‘Containment’ gezorgd hebben. Wat ik zie, is een permanente vorm van ‘Containment’ van een soort Vlaamse vanzelfsprekende, evidente energie, die moet ‘contained’ worden. Ik kan het niet anders uitdrukken voor het moment dan met dit Engelse woord; het is een respectabele term in de geschiedschrijving.

O, ja, mar het is zo een beetje als de periode van de Restauratie natuurlijk, van Metternich en de Karlsbadconferentie, waar onder gelijkgezinden een akkoord werd gesloten om de nationaalliberale beweging te bestrijden . Toen was het openlijk. Ik denk dat die akkoorden nu ook wel bestaan, hoewel ze een meer verborgen leven leiden. Pas op, ik hou niet van samenzweringstheorieën.

Zeg altijd: ik geloof niet in een samenzweringstheorie maar …, en dan komt er één.

Dit is geen samenzweringstheorie. Maar er zijn natuurlijk wel afspraken en consensus. Er is ook een informele manier van werken, die niet noodzakelijk op expliciete afspraken berust.

Men hoeft met andere woorden het Führerbefehl niet te vinden.

Neen, en ook niet de Protocollen van de wijzen van Zion, of welk fictief akkoord ook. Ik spreek niet van geheime akkoorden die op papier staan, ik spreek van een, inderdaad, bepaalde ‘understanding’

Een connivence ?

... dat men zich op een bepaalde manier gedraagt of men hoort er niet bij, dat men zich moet plooien naar de gewoonten. En natuurlijk is het zo dat er hier en daar nog een aantal specifieke instrumenten zijn, die een aantal mensen kunnen bekoren, het lijstje van de adellijke titels in het staatsblad van 21 juli bijvoorbeeld. Dat verklaart niet alles, natuurlijk. Het zijn al die kleine beetjes. Het is nooit één van die instrumenten die het maakt, maar het zijn een heleboel factoren samen, die maken dat er nog een netwerk aan structuren, symbolen en vormen van machtsuitoefening zijn die het land bij elkaar houden.

Het viel op bij de start van het eerste paarse regering - na dus eigenlijk de periode Van Den Brande, want dat was het flikkerlicht dat men wou doven - dat de normale symbolen zoals feesten in 2002, et cetera waar de Franstaligen zo bang voor waren - want dan ging de splitsing gebeuren -, dat men dat gat onmiddellijk heeft teruggeschroefd en banketten heeft georganiseerd. Dat viel op.

Men zegt dat symbolen uit de tijd zijn, vanzelfsprekend, maar de mensen die dat zeggen zijn vooral diegene die ze proberen af te schaffen, omdat ze merken dat het nog belangrijke wapens zijn. Onder het excuus dat symbolen uit de tijd zijn, voeren ze natuurlijk zelf een symbolenstrijd. Vanzelfsprekend willen ze gewoon andere symbolen in de plaats stellen. Dat zie je op alle vlakken en niet alleen met betrekking tot nationale symbolen. In recente maatschappelijke debatten en ontwikkelingen merk je dat het er om te doen is om oude symbolen zoveel mogelijk uit te schakelen om op die manier natuurlijk plaats te maken voor de eigen nieuwe symbolen, van een nieuwe priesterkaste, een nieuwe post-nationale elite.

(...)

Ook Philippe Van Parijs had het er de vorige keer over, in de vorige “Balans van de Maatschappen”: het Minderhedenverdrag in België, een verdrag tot nog toe niet geratificeerd, een verdrag dat zou dwingen tot erkenning dat er Franstalige minderheden kunnen bestaan in Vlaanderen, en Vlaamse minderheden in Wallonië. Alhoewel het eigenlijk samen België is. De vraag is wie dat verdrag niet wil. Goed, meestal wordt er de nadruk op gelegd dat Vlaanderen het niet wil. Ik zeg het er maar bij omdat Storme het straks vermeldt in een deel van ons onderhoud dat gaat over zijn pessimisme.

Mijn pessimisme is er om andere redenen. Het heeft er, zoals ik zei, niet mee te maken dat België niet uit elkaar gaat vallen, maar dat we er uiteindelijk misschien niet beter bij zullen zijn, omdat de voorwaarden waaronder België uit elkaar valt, dusdanig kunnen zijn, dat er uiteindelijk voor Vlaanderen niks meer over blijft. Dat zou het gevolg kunnen zijn van de huidige politiek.

Een vertragingspolitiek

Dat is ten eerste een vertragingspolitiek om ervoor te zorgen dat men Vlaanderen maar los laat wanneer Vlaanderen al aan het verarmen is, ten gevolge van de vergrijzing. Verder natuurlijk ook een naturalisatiepolitiek en een immigratiepolitiek die maakt dat Vlaanderen minder Vlaams wordt ...

Waarvan het de bedoeling is die identiteit te ondergraven …

… te ondergraven, niet door migratie als dusdanig, maar door een migratie die niet geflankeerd wordt door een integratie- of assimilatiebeleid (en ik wil op dit ogenblik niet over het onderscheid tussen de twee, dat er natuurlijk is, gaan praten), waarbij je in feite een grote niet-Nederlandstalige minderheid in Vlaanderen creëert. In een normaal land kan men daarmee overweg, omdat men zijn eigen land in handen heeft. En hier is dat niet het geval. In een onafhankelijk Vlaanderen heb ik geen moeite met een minderhedenverdrag, omdat je daar de instrumenten hebt om dit in de juiste banen te leiden. Maar in een land waarin een groot deel van de wetgeving gedicteerd wordt door een andere partij, die er juist op uit is om verloren terrein terug te winnen, en om het territorialiteitsbeginsel te ondergraven, kan je daar niet op toegeven. Daar zit dus het probleem.

Bovendien heb ikvooral schrik van de ondemocratische ontwikkelingen die bezig zijn op Europees vlak. Europa is stilaan geworden tot het grootste gevaar voor de democratie.

Juist wegens het afbouwen van de subsidiariteitsbeginsel ?

Centralisering van de macht. Het proberen te creëren van een post-nationale elite, die zich afzet tegen de volkeren van Europa.

Tegen de "lokalen"

Het ontkennen van de Europese identiteit, zoals het hele Turkije dossier illustreert. Of ze reduceren tot

Een vrijhandelszone

Het is erger: een religie van de mensenrechten bovenop een vrijhandelszone. Een Europa dat zich afkeert van zijn eigen geschiedenis en van zijn eigen identiteit, daarmee zoveel mogelijk probeert te breken, en dit ook gaat opleggen aan de lidstaten.

Men is natuurlijk bang om daar samen met het Vlaams Belang over na te denken, vergetende dat de beste manier om het Belang te bestrijden zal zijn in Vlaamse context natuurlijk.

Vanzelfsprekend. Dan kan je over inhoudelijke dossiers gaan praten, maar het is natuurlijk nog altijd zo dat één van de twee redenen voor de hetze tegen het Vlaams Belang het Belgicisme is.

Men heeft het altijd verstopt achter dat racisme, …

De Franstalige kranten zijn daar iets duidelijker in, en tegelijk ambigu, omdat zij gewoon separatisme en racisme als hetzelfde beschouwen, voor hen is het niet moeilijk.

Iets zeggen tegen Wallonië wordt een racistisch vergrijp, als ik het goed begrijp, binnenkort.

Wel, dat is een perversie van de taal. Alles is racisme tegenwoordig natuurlijk. Alles is racisme en alles is fobie.

Islamofobie, wallofobie

Islamofobie, xenofobie, homofobie. Dat is de manier waarop men op dit ogenblik de inquisitie voert. Als men ideeën niet meer rationeel kan bestrijden, maakt men er een misdaad van. We zijn dus volop bezig met opinies te criminaliseren. Dat is al een tien, vijftien jaar bezig. Ik heb de indruk dat het een klein beetje aan het keren is, maar het is nog niet weg, het neemt nog toe. Dat is natuurlijk vooreerst een perversie van de taal. Als iemand een mening heeft, waarbij hij vindt dat bepaalde ontwikkelingen verkeerd zijn, wordt hij gereduceerd tot een psychiatrisch geval,

een foob

die bovendien nog crimineel is. Tot een criminele psychoot. Dat is dus wat men doet door het woord fobie te gebruiken. Wat dus betekent dat mensen die dergelijke woorden gebruiken, eigenlijk zelf de eerste overtreders zijn van hun eigen logica.

(...)

Vandaag stellen we vast dat een bepaalde atheïstische religie, niet de historische, maar een nieuwe atheïstische religie, de staat veroverd heeft en vanuit die staat probeert haar moraal op te leggen aan de rest van de samenleving, zoals de kerk ook ooit heeft geprobeerd, in haar zwartere dagen.

Maar dan wel als instituut, terwijl nu uw atheïstische religie die u veronderstelt, geen instituut is. Die is niet geïnstitutionaliseerd.

Die is niet hiërarchisch gestructureerd, zoals de roomse kerk.

Ze is bijna gestructureerd als de islam, als ik het goed heb.

Inderdaad, en er zijn overigens nog gelijkenissen met de islam, bijvoorbeeld het concept van jahiliyya, de onwetendheid van het verleden. De houding van de nieuwe priesterkaste ten opzichte van ons verleden, is zeer goed vergelijkbaar met de houding van de islam tegenover het pre-islamitisch verleden. Alles van voor Muhammad is voor hen jahiliyya. Dat was een tijdperk van onwetendheid, van afgoderij, waarvan de geschiedenis oninteressant is, en de ideeën niet meer mogen verkondigd worden.

Wel, we kunnen vaststellen dat talloze traditionele opvattingen, die gedurende vele eeuwen normaal gemeengoed waren in onze samenleving, vandaag gecriminaliseerd worden. Opvattingen over de verhouding tussen man en vrouw, opvattingen over homoseksualiteit, opvattingen over vele zaken, die altijd vanzelfsprekend zijn geweest, of althans in overgrote meerderheid vanzelfsprekend zijn geweest, worden nu beschouwd als jahiliyya. Dat zijn zogezegd opvattingen uit een verleden waartegen wij ons moeten afzetten, uit het tijdperk van voor de mensenrechten, uit het tijdperk toen men nog niet het grote licht van de mensenrechten had gezien. Dat is wat mij het meest stoort, de hybris van die hogepriesters van vandaag. "Wij hebben de waarheid in pacht, en al die opvattingen uit ons verleden zijn achterlijke opvattingen"; ze zijn zelfs zo achterlijk dat wij ze mogen verbieden, dat wij mensen omwille van die opvattingen mogen discrimineren, dat mensen die dergelijke opvattingen hebben geen politieke functies meer mogen uitoefenen, enzovoort.

Geef eens een voorbeeld van zo een …

De zaak-Buttiglione. Voor mij is dat een essentieel symbooldossier, omdat Buttiglione perfect de democratische opvattingen, zoals die horen, zoals over de scheiding van kerk en staat, heeft verwoord . De mensen die tegen hem stemden, zijn dus mensen die de scheiding van kerk en staat niet meer aanvaarden, die vinden dat hun morele opvattingen de héle samenleving moeten beheersen en dat afwijkende morele opvattingen alleen nog in de strikte privé-kring - in de huiskring - mogen worden geuit, maar niet meer in het publieke leven, in de civil society. Ik vind dat een zeer symptomatisch dossier.

(...)

Met Matthias Storme heb ik het eventjes over Brussel nu. Ik had jammer genoeg niet de kans om hem Van Parijs zijn voorstel over Brussel voor te leggen. We moeten daarover met die twee mannen maar eens een echt debat organiseren. In elk geval, U weet dat de Franstaligen bij monde van Piqué en Van Cauwenberghe toch ernstig aan een serieuze gebiedsuitbreiding van Franstalig Brussel denken. De allerlaatste natuurlijk, dan zijn ze weg, misschien naar Groot- Luxemburg ?

Voor Vlaanderen is er maar één ‘issue” op dat punt, de rest is zo evident dat dat men zich daar misschien te weinig vragen over stelt, en dat enige ‘issue’ is natuurlijk Brussel.

Verdient Brussel Vlaanderen nog wel ?

Dat is een cruciale vraag. Het is wel zo dat de symbolische zowel als reële waarde van Brussel, de reden is waarom België nog bestaat.

Dat zouden de Franstaligen beter beseffen ? Want door dat niet te beseffen en contra dit inzicht te handelen ondergraven zij zelf deze staat.

Maar ik ben ervan overtuigd dat de Franstaligen niet in die staat geloven, dat het er voor hen op aan komt om zoveel mogelijk in de wacht te slepen.

En zo lang mogelijk ?

Niet noodzakelijk zo lang mogelijk, maar zoveel mogelijk. En als dat jaren vergt, dan zullen ze nog jaren geduld hebben, als ze natuurlijk op één jaar tijd het volledige geldbedrag zouden krijgen waar ze anders twintig jaar moeten op wachten, zullen ze geen twintig jaar wachten. Ik heb echt de indruk dat het er voor hen op aan komt om zoveel mogelijk uit de brand te slepen.

Je denkt, ze hebben het eigenlijk opgegeven ? En de Belgische praat die je eigenlijk van ze hoort, een omslag tegenover vijftien jaar geleden, is voor de show ?

Ja maar dan nog: die verbondenheid met België is voor hen een verbondenheid met België maar zonder Vlaanderen. Een België waarin ze dat Vlaanderen perfect zouden willen weggommen, of minstens toch die Vlamingen - het grondgebied zouden ze misschien nog wel graag hebben - willen weggommen. Het is vanuit dat perspectief dat men van België houdt. Ik ben er ook van overtuigd dat de kans groot is dat bij het uiteenvallen van het land de Walen als naam voor hun land België zouden behouden om daar munt nog uit te kunnen slaan.

Dus het wordt werkelijk “rest-Belgien” ?

Ik denk dat dat de bedoeling is.

Want eigenlijk heeft de Belgische staat ook verzuimd Franstalig België in die ware Belgische richting van tweeledigheid op te voeden. Ze zijn daar niet in opgevoed. Ze hebben hun weerbarstige egelstelling altijd mooi mogen behouden.

Het blijft natuurlijk nog altijd zo dat er een asymmetrie is. De uitdrukking komt van Ludo Abicht, en ze is heel mooi : ”Ik ben het beu een vertaalde medeburger te zijn !” . Ik vind het prachtig gezegd maar de realiteit voor Vlamingen is tot op vandaag nog altijd vertaalde medeburger te zijn. Je ziet dat als je de kwaliteit bekijkt van Franstalige en Nederlandstalige teksten van wetsontwerpen. Het Nederlands is schabouwelijk vertaald Frans. Het is een schande, dat jargon dat de Vlaamse federale ministers gebruiken. Wanneer Verhofstadt spreekt over teksten en beleidsmaatregelen, dan spreekt hij geen Nederlands, maar vertaald Frans.

Dus eigenlijk wordt het land nog altijd niet in het Nederlands geregeerd ?

Het land wordt nog altijd grotendeels in het Frans geregeerd, uitgedacht, geschreven, en vertaald in het Nederlands. Je ziet dat aan de kwaliteit van de wetgevingsteksten.

Dat is niet zoals het ideële België zou moeten zijn ? Eigenlijk hebben ze een grote kans verprutst tot een echte tweeledigheid, die multi-talige staat waar Ludo Dierickx van droomt. Ze hebben de grote kans verprutst om dat te doen. Ze stellen elke dag meer beschotten op om dat ideaal eigenlijk, zo het al een ideaal is, niet te bewerkstelligen.

Sowieso is een tweeledig land al bijzonder moeilijk, en op termijn niet houdbaar. En het wordt des te problematischer wanneer je met twee culturen zit die misschien niet intrinsiek zo sterk van elkaar verschillen,

Sociologisch valt dat mee

... maar waarvan het cultureel zelfbewustzijn en de politieke machtspositie heel verschillend is. Indien Wallonië Waals was en niet Frans bij manier van spreken, maar dus Waals in de zin van niet-Frans, dan zou de situatie al heel anders zijn, denk ik. En zou het iets gemakkelijker geweest zijn omdat men dan niet dat imperiale zou hebben, dat superioriteitsgevoel dat natuurlijk de verhoudingen in België ….

Dat is het onderliggende, het vergiftigt ….

… zo sterk getekend heeft en die verhoudingen ook vergiftigd heeft.

In de vorige “Balans der maatschappen” werd er gesproken : “ Onder het licht van, onder de lamp van Europa.” Maar Matthias Storme lijkt ook over deze Unie, welke en wat voor unie, van Europese landen, welke Europese landen, hij lijkt daarover nogal pessimistisch. Er ontbreekt iets fundamenteels aan dit Europa.

Lidstaat worden van Europa betekent nu eigenlijk de democratie grotendeels afschaffen, want het betekent dat je een wet niet meer kan onderwerpen aan een referendum. Dat is de essentiële reden waarom Zwitserland geen lidstaat kan worden van Europa. Het betekent het afschaffen van de democratie, het feit dat je een enorm domein van beslissingsgehelen onttrekt aan de volkssoevereiniteit, aan zowel de representatieve democratie als de directe democratie, die voor mij in het verlengde van elkaar liggen.

Wanneer ik vandaag de dag hoor pleiten tegen referenda bij ons, wel dan ken ik alle argumenten tegen referenda, want het zijn exact dezelfde argumenten als de argumenten tegen democratie. Er is geen enkel argument tegen het referendum, dat niet ook een argument tegen de democratie is.

Natuurlijk moet je referenda op een zinvolle manier houden. Een directe democratie die alleen bestaat uit het feit dat men om de zoveel jaar ooit eens referendum houdt wanneer de regering dat wil en niks anders, is geen zinvolle directe democratie. Een zinvolle directe democratie veronderstelt minstens dat je door middel van een volksinitiatief, door middel van handtekeningen verzamelen, een wet kan afschaffen. Dat is het minimum. Een directe democratie kan veel verfijnd worden, genuanceerd worden, met technieken die maken dat een directe democratie evenwaardig is aan een representatieve democratie. Niet om de representatieve democratie over te nemen, maar als een volwaardig complement.

Dat is wat in Zwitserland gebeurd is. Zo kan men in Zwitserland een voorstel aan de kiezer voorleggen door middel van een volksinitiatief, door handtekeningen te verzamelen; wanneer de experten in het parlement, die het inderdaad op sommige vlakken beter weten dan de man in de straat, bij het schrijven van wetten bijvoorbeeld, we gaan dat niet ontkennen, vinden dat er wel iets in zit maar het voorstel slecht is geschrevenof uitgewerkt, dan kunnen zij een tegenvoorstel formuleren. Men kan zo verschillende voorstellen over hetzelfde onderwerp tegelijk aan een referendum onderwerpen, waarbij de burgers niet verplicht zijn om te kiezen tussen het ene en het andere, maar ook voor beide mogen stemmen. Ze kunnen zeggen :”Ze zijn alle twee goed !” En het voorstel met het grootste aantal ja-stemmen wordt dan wet .

Dat is inderdaad verfijning.

Je kan dus de directe democratie gaan verfijnen en nuanceren tot een zinvol instrument. Maar in België heeft men daar schrik van natuurlijk.

Terwijl we nu in België in de regering mensen hebben, die voorstanders waren van een referendum, en er tegenstanders van zijn geworden. Zeker als het gaat over de Europese grondwet, Turkije zit daar achter. Elio di Rupo: we gaan dat “fantastique débat” niet laten vergiftigen door de mogelijkheid dat daar racistische antwoorden op komen ...

Met dat argument moet Di Rupo ook de verkiezingen afschaffen. Alle argumenten tegen referenda zijn argumenten tegen verkiezingen tout court. Als u ziet op basis van welke overwegingen mensen voor die of die kandidaat stemmen, zijn die overwegingen volgens mij nog dommer, dan diegene op basis waarvan men voor of tegen de Europese grondwet zou stemmen. Dus op basis van diezelfde redenering stel ik voor dat we de verkiezingen afschaffen en referenda behouden ...

En een nieuw volk verkiezen

Men heeft blijkbaar niet het volk dat men wil, dat is het grote probleem van die Europolitici.

En Matthias Storme besloot hier deze minireeks van vier afrekeningen “Balansen van de Maatschappen” met in deze volgorde Jef van Langendonck, over de zogenaamde onbetaalbaarheid van de welvaartstaat, Walter Weyns over het aflopende tijdperk van de maatschappij, Philippe van Parijs over de taal in België en Europa, en tenslotte Matthias Storme, inderdaad over Vlaamse autonomie, ook in Europese context.

En dat was het dan. Volgende week beginnen we met een nieuwe reeks en wel over het kwaad. Hoe ik dat aanpak moet ik nog zien, maar we hebben alvast een mooi dossier met artikelen over het boze en het kwade in het januarinummer van “Muziek en Woord”.
 
Locations of visitors to this page