zondag, april 30, 2006

Niet-Roker van mei 2006

Uit: http://www.stoppenmetroken.be

Matthias STORME

Wat was uw ervaring met uw eerste sigaret?
Verder dan twee trekken ben ik nooit geraakt; ik vond dat al wansmakelijk genoeg.
× × ×
Hoe oud was u toen?
Ik denk 16.
× × ×
Waarom rookt u niet?
Ik vind het ongezond, onhygiënisch, asociaal, verslavend en daardoor een aanslag op de autonomie die ik voor mezelf wens waar te maken.
× × ×
Welke voordelen ervaart u door het niet-roken?
Betere gezondheid en meer uithoudingsvermogen. In bepaalde omstandigheden, bv. op de skipiste, haal ik de rokers en niet-rokers er zo uit. Meestal zien ze er ook lelijker en ongezonder uit. Om van de doordringende geur maar te zwijgen.
× × ×
Wat vindt u van rokende jeugd?
Een gebrek aan zelfrespect en verstand.
× × ×
Het maatschappelijk draagvlak voor rookpreventie wordt in het Westen alsmaar groter. Wat vindt u van deze evolutie?
Daar ben ik blij om. Ik wil er onmiddellijk aan toevoegen dat onder meer daardoor ik op dit ogenblik helemaal geen voorstander meer ben van verstrenging van de overheidsreglementering. De staat moeit zich met veel te veel, en als mensen zo dom willen zijn om te roken, zijn ze meestal daar zelf het eerste slachtoffer van. Op voorwaarde natuurlijk dat ik van mijn kant de vrijheid behoud om rokers te discrimineren... vind ik dat de staat zich hier best niet teveel mee moeit. Maar maatschappelijke actie tegen het roken steun ik graag.
× × ×
In welke mate hindert rookgedrag van anderen u?
Uitermate. Vanop 100 meter afstand zelfs.

× × ×
Wat vindt u ervan wanneer er in de publiciteit een relatie gelegd wordt tussen sporten en roken?
Bedrog en misleiding.
× × ×
Welke boodschap zou u willen geven aan (nog) niet-rokers?
Houden zo, die superieure gedraging.
× × ×
In welke mate wordt uw rookvrij gedrag ondersteund, privé of beroepsmatig?
In wisselende mate.
× × ×
Wat vindt u van de voorbeeldfunctie van de overheid inzake primaire preventie (voorkómen van rookgedrag) en gezondheidsbevorderend gedrag?
Een voorbeeldfunctie heeft niet zozeer de overheid, want die bestaat ook uit mensen en is van ons allemaal, maar een voorbeeldfunctie heeft natuurlijk iedereen in een leidende positie.
× × ×
Denkt u ooit te herbeginnen met roken?
God verhoede het, neen. Maar zoveel controle over mezelf heb ik nog wel.

vrijdag, maart 24, 2006

Laat onze democratie klinken: speel de symfonieën van Carl Nielsen

Tussen enkele Carlsbergs en een portie Danish Blue door kwam ik op een artikel van Lee Harris ( de auteur van Civilization and Its Enemies, besproken door Hans Jansen in HP/De Tijd van 9 aril 2004) op TCS : "The Most Important Nielsen Rating":

There are those who had urged us to buy Danish. But how many Danish plum hams and delectable Danish butter cookies can you eat before endangering your waistline, and possibly even your health? Certainly, there must be a low-calorie alternative.

In fact, there is a simple and less fattening way of standing firm with Denmark. Buy one of the marvelous symphonies of the Danish composer, Carl Nielsen (1865-1931). By doing this, you will not only be showing your support for the Danes, but you will be discovering the music of one of the most neglected of all the great composers.

En inderdaad - in de FNAC in Leuven vond ik gelukkig nog één exemplaar van de volledige symfonieën van Nielsen (we zullen maar zo optimist zijn te veronderstellen dat er honderd waren maar 99 mensen mij waren voor geweest) en ze zijn FANTASTISCH.

Zoals ook Harris uiteenzet drukken deze symfonieën de kracht uit van de steeds doorlevende, onstuitbare, onuitsterfelijke menselijke geest.

Overigens kan er eigenlijk geen mooier protest zijn tegen de éénzijdigheid van islamisme en andere vormen van religieuze paranoia dan symfonische muziek. De symfonie symboliseert meer dan vele andere zaken de Westerse cultuur: een bijzonder complex samenspel waarin zeer verschillende instrumenten elk hun eigen spel spelen, polyfoon en toch harmonisch. De symfonie is het verzet tegen een levensbeschouwing volgens dewelke het goede leven erin bestaat dat wij allemaal hetzelfde doen. Een aanrader zijn de bladzijden die de grote oriëntalist Bernard Lewis schrijft in What went wrong: Western Impact and Middle Eastern Response (in de Nederlandse vertaling: Wat is er misgegaan ?, p. 143 v. en 149 v.) over het gebrek aan polyfone muziek in de Arabische wereld. Over de betekenis van polyfonie schrijft hij:

" ... and in this we may perhaps discern an essential feature of Western civilization.

A distinguishing characteristic of Western music is polyphony, by harmony or counterpoint. This begins in its simplest form with the choir, in which matched voices sing different notes in a planned sequence to produce a combined effect; then comes the keyboard instrument, matching the ten fingers of the two hands, following different routs in a common purpose; and finally, the musical ensemble, from duets and trios to the full orchestra. Different performers play together, from different scores, producing a result that is greater than the sum of its parts.

With a little imagination one may discern the same feature in other aspects of Western culture-- in democratic politics and in team games, both of which require the cooperation, in harmony if not in unison, of different performers playing different parts in a common purpose." (pp. 128-29).

Aan het andere uiterste vinden we dan ook de Wahabieten, die alle muziekinstrumenten willen verbieden behalve trommels ....

Een bijkomende reden om Nielsen te kopen is dat de romantiek allicht de (tot nog toe) laatste stroming in de Westerse beschaving die er nog in geslaagd is een zekere synthese van alle kunsten en wetenschappen te brengen (de laatste echte synthese is wellicht de barok, omdat die natuurlijk veel meer een eenheid van wereldbeeld kende, maar goed). Lees overigens in dit verband de recente bijdrage van Marcel Zwitser op Open Orthodoxie, "De romantische synthese van letterkunde en muziek".Nielsen is weliswaar een laatromanticus - maar is dat niet het beste wat men vandaag kan zijn ?

Een discografie van de werken van Nielsen is onder meer te vinden bij Naxos.

woensdag, maart 22, 2006

interview over het nut van een vlaamse grondwet nu

Le Soir 4 maart 2006 ( édition 1E ) page 16

Matthias Storme Professeur de droit à la KUL, avocat

« L'exercice a-t-il un sens ? Je suis sceptique »

Après le SP.A et Spirit, le VLD et le Vlaams Belang, le CD&V et la NV-A viennent à leur tour d'accoucher d'un projet de « Constitution flamande ». Quelle peut être la portée d'un tel texte ?

Il y a deux éléments à prendre en considération. D'abord, la question du sens d'une constitution d'une Région ou d'une Communauté ; et d'autre part, le contenu du texte. En principe, c'est une bonne chose de doter les entités fédérées d'une constitution. Dans la grande majorité des États fédéraux, les entités fédérées ont une constitution.

Pourquoi est-ce une bonne chose de doter les entités fédérées d'une constitution ?

Une constitution définit les règles fondamentales qui sont soustraites à une modification à la majorité simple - c'est l'élément formel le plus simple qui définit un tel texte. Elle sert à protéger le citoyen contre l'arbitraire du pouvoir, de l'État, et à protéger la nation et les minorités contre une majorité momentanée. Le juge constitutionnel américain Scalia disait : « Une Constitution sert à nous protéger contre les idées momentanément dominantes et non à les imposer ». Vous serez peut-être étonné de l'entendre de la bouche d'un nationaliste flamand, mais je pense que la Constitution belge de 1831 est, de ce point de vue, une constitution modèle.

La Constitution belge ne suffit-elle pas ?

Dès lors qu'un niveau politique dispose d'un pouvoir d'intervenir dans la vie sociale - et on ne peut pas nier que ce soit le cas de la Région flamande : pensons à toute la législation en matière de propriété, d'urbanisme, d'environnement, d'éducation... -, il faut une constitution pour définir les règles de fonctionnement et les garanties des citoyens. Donc, on ne peut faire aucun reproche sur le plan des principes.

Cela n'aurait donc rien à voir avec le nationalisme flamand ?

Pas nécessairement. L'affirmation d'une nation flamande peut être une fonction additionnelle. Mais l'un n'est pas lié à l'autre. S'il y a pouvoirs, il faut une constitution. Quant à savoir à quel niveau on doit attribuer les pouvoirs, c'est la question du nationalisme.

Aucun reproche donc, à votre avis, sur le plan des principes. Et sur l'opportunité d'un tel texte ?

C'est l'autre question : cela a-t-il un sens dans le contexte actuel, sur base des compétences aujourd'hui dévolues aux Régions et Communautés ? Et là, je dois dire que je suis assez critique vis-à-vis du projet de constitution du CD&V et de la NV-A, comme je le suis vis-à-vis des projets du SPA et du VLD. Le projet CD&V - NV-A reste dans les limites de la Constitution fédérale. Il faut se demander si l'exercice a un sens.

Pourquoi ?

Sur base des compétences actuelles des Communautés et des Régions, l'autonomie constitutionnelle du législateur flamand est limitée : organisation du parlement, du gouvernement, certaines matières électorales... Cela ne représente qu'une toute petite partie de ce qui devrait se trouver dans une constitution. Il y a quelques années, suite à une pétition que j'avais initiée avec d'autres, le parlement flamand s'est penché sur l'opportunité de voter un « décret fondamental » (l'équivalent d'une constitution, appelée aussi « loi fondamentale ») dans les matières où, selon la Constitution belge ou la loi spéciale, il ne pouvait voter qu'avec une majorité spéciale. Or, on s'est rendu compte que c'était assez maigre. Alors certains se sont dit que ce serait quand même bien d'avoir un document qui n'a pas la qualité formelle d'une constitution mais qui serait une « charte ». Et là je suis sceptique. Pourquoi qualifier un texte de « constitution » lorsqu'on se réserve le droit de le modifier par majorité simple - ce qui est le cas de toutes les propositions de « constitution flamande » ?

C'est inutile...

Je suis assez sceptique. Je ne dis pas inutile, c'est un peu trop fort, mais d'une utilité limitée.

Si je vous comprends bien, la Flandre doit attendre de disposer de plus compétences avant de rédiger une constitution. En d'autres termes, attendre que les négociations communautaires annoncées pour 2007 aient accordé plus de compétences au législateur flamand.

Oui.

Propos recueillis par DOMINIQUE BERNS

zondag, februari 19, 2006

De Europese waarden: bescherm ze tegen de waarden van de Europese Grondwet

Rede bij de opname in de Europese Eresenaat van de BVSE-UEF, Antwerpen 5 februari 2006


Hooggeachte vergadering van eresenatoren, waarde kanselier, dames en heren,

Een bezinning over Europa kan vele vormen aannemen; soms kan het wel eens nuttig zijn die bezinning terug aan te zetten bij de grondslag van Europa, of liever bij de grondslag die de heersende regeringen aan Europa wensen te geven. Daarvoor moeten we kijken naar de grondslagen die men meer bepaald aan Europa wil geven in het ontwerp van Europese grondwet - God hebbe haar ziel -.

Welnu, art. 2 van dat ontwerp somt op als de waarden van de Europese Unie, de waarden waarop de Unie uitdrukkelijk wordt gegrond: eerbied voor de menselijke waardigheid; vrijheid; democratie; gelijkheid; rechtsstaat; eerbiediging van mensenrechten. Men zou dus kunnen verwachten dat hiermee een specifiek Europees erfgoed wordt bedoeld, waarmee de Grondwet de specificiteit van de Europese beschaving wil aangeven.

Een particuliere lotsgemeenschap gronden op universele waarden ?

Maar in de preambule van datzelfde ontwerp, waarvan het voornaamste kernmerk overigens de negatie van zowel het christendom als elke transcendentie is, vinden we dat dezelfde waarden worden gekwalificeerd als "universele" waarden.

De grondslag van Europa als een particuliere Schicksalsgemeinschaft wordt aldus uitsluitend gelegd in zogenaamde waarden waarvan men tegelijk zegt dat ze niet specifiek Europees maar universeel zijn. Mij lijkt dit bijzonder problematisch. Het is van tweeën één: ofwel gaat het om zaken waarover de hele wereld het eens kan zijn, en dan is de inhoud ervan noodzakelijkerwijze erg dun, en onvoldoende om een project op te bouwen met de ambities die de Europese grondwet pretendeert, ofwel gaat het om zaken die rijkelijk goed gevuld zijn vanuit onze particuliere traditie, - dik in de woorden van Michael Walzer (1) - en waarvan wij vinden dat de hele wereld ze zou moeten hebben, wat betekent dat we de hele wereld tot Europa willen maken.

Een Europa op een dergelijke grondslag kan slechts gedoemd zijn tot mislukken dan wel - minder waarschijnlijk, maar zeker niet aanlokkelijker - op te gaan in een wereldgemeenschap waarvan de Europese volkeren nog slechts enkele procenten zullen uitmaken en dus hun zelfbeschikking verliezen.


Of zijn die universele waarden enkel bedoeld als door particuliere gemeenschappen in vrijheid in te vullen framework ?


Of zou men bedoelen dat de genoemde universele waarden slechts een uitwendig kader zijn waarbinnen eerst de echte, particuliere waarden van Europa kunnen bloeien en tot hun recht komen. Die particuliere waarden zouden dan kunnen gelezen worden in de typering die art. 2 vervolgens geeft van de Europese samenleving als een "samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen". En sommige van de genoemde waarden lenen zich inderdaad tot een interpretatie waarin ze veeleer een universeel instrument zijn waarbinnen precies particulariteit tot ontwikkeling kan komen - zeker de begrippen vrijheid en democratie lenen zich tot die interpretatie, het begrip rechtsstaat is er niet mee in strijd, en de begrippen mensenrechten, gelijkheid en menselijke waardigheid kunnen een interpretatie krijgen die daar niet mee in strijd is. Daarmee bedoel ik een interpretatie waarin elke particuliere gemeenschap precies eigen opvattingen en gebruiken kan ontwikkelen over alles wat van waarde is of zij van waarde acht, dus een particuliere niet-universele visie kan ontwikkelen op de mens en de wereld, over het goede leven en de bestemming van de mensen.

Deze welwillende interpretatie van mij is echter in tegenspraak met de tekst en de ideologie van de meeste auteurs. Ten eerste zijn deze tweede reeks kenmerken kenmerken die dezelfde mensen natuurlijk ook als "universeel" beschouwen en niet als particulier voor de Europese waardengemeenschap. Ten tweede stellen we vast dat de eerstgenoemde reeks waarden zeker niet uitsluitend bedoeld is als een kader, een uitwendig framework waardoor precies een ruimte wordt geschapen waarbinnen de Europese volkeren en burgers gemeenschappelijke en minder gemeenschappelijke particuliere waarden kunnen uitdragen. Zij worden helemaal niet beschouwd als een louter institutioneel kader of platform, maar als de substantie zelf van de Europese waarden, die dus blijkbaar geen andere substantie mag hebben dan een universele en dus niet specifiek Europese. Trouwens, indien het zou gaan om een institutioneel kader, dan heeft men daarvoor geen ronkende abstracte begrippen nodig, maar concrete maatregelen over de organisatie van instellingen, de checks and balances van de macht, de rechtsbescherming van de burgers, de concrete vrijheden in het meervoud veeleer dan de abstracte vrijheid in het enkelvoud, de garanties voor het blijven bestaan van de democratie tegen de steeds sluipende machtsconcentratie en dergelijke meer. Niet dat dergelijke maatregelen niet ook te vinden zijn in de ontwerp-grondwet; maar blijkbaar behoren zij niet tot de grondslag zelf van Europa, want die grondslag wordt alleen gezocht in universele waarden.


Een optimistische interpretatie


Het zou nochtans mooi zijn en een getuigenis van de bescheidenheid die staatslieden past mocht men in die tekst kunnen lezen dat de politieke structuur van Europa zich beperkt tot het organiseren van een kader, een ruimte van vrijheid, waarbinnen juist volkeren en burgers eerst de mogelijkheid hebben om particuliere - dus niet-universele - waarden en levenswijzen als erfgoed te bewaren en al dan niet met veranderingen door te geven, en aldus in vrijheid moreel te handelen. Een kader dat juist de mogelijkheid moet garanderen om op verschillende niveaus een collectieve identiteit uit te dragen, een Europese identiteit waar die bestaat, een nationale of regionale, en zelfs een lokale of zeer particuliere identiteit voor andere zaken. Een dergelijk kader zou inhouden dat niet enkel het universele, maar juist ook het particuliere legitiem is, voor zover het juist niet op andermans territorium en dus zeker niet universeel wordt opgelegd. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat de integratie die van nieuwkomers mag worden geëist, niet beperkt blijft tot de aanvaarding van universele waarden, maar juist een integratie in de particuliere regels van de particuliere gemeenschap inhoudt. Waarbij ik natuurlijk niet gezegd wil hebben dat het particuliere van die gemeenschap niet juist wezenlijk kan gekenmerkt zijn door pluralisme en tolerantie, of juister nog door de precieze vorm, die die gemeenschap geeft aan de concrete vrijheden die de Europese beschaving in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld.

Van die concrete vorm, die jammer genoeg vandaag in meerdere opzichten aftakelt, heb ik de grondtrekken aangegeven in een andere lezing, onder de titel "De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren" (2).

Zij komt er kort gezegd op neer dat de "europese" samenleving gebaseerd is op de institutionalisering van een aantal concrete grondvrijheden, ruim afgebakend door middel van rechtsregels, waarbinnen burgers samen met anderen aan zingeving, zorg, identiteit en waardenbeleving te doen (3). Die vrijheden zijn niet geïnstitutionaliseerd om die waarden en levenswijzen te verbannen uit het openbare leven maar juist om ze daar tot hun recht te laten komen en tegelijk te vrijwaren tegen verstikkende uniformisering door de overheid.

Naast die concrete vrijheden zijn er wel degelijk ook andere particuliere levensvormen die de Westerse beschaving fundamenteel getekend hebben. Denken we bijvoorbeeld aan de cruciale betekenis van het echtpaar van één man en één vrouw in de sociale structuren. En herinneren we er aan dat de Westerse samenleving gegrondvest is op de loyauteit van burgers aan een gemeenschap die georganiseerd is door middel van een territoriale wet, de loyauteit van burgers die een ingebeelde gemeenschap vormen met anderen die zij persoonlijk niet kennen, met een burgerlijke overheid die gescheiden is van de kerkelijke overheid. Dit concept van burgerschap komt vandaag sterk in botsing met diegenen wiens loyauteit "elders" ligt - de "Muhajirun" -, en die slechts een elders door God gedicteerde wet aanvaarden in plaats van the law of the land waarvan de legitimiteit niet wordt erkend (4).

Het optimisme gesmoord: de waarden van de Unie als areligieuze staatsreligie van de Unie

Het zou dus mooi zijn indien de Europese grondwet inderdaad beoogt het kader te scheppen waarin de particuliere samenlevenswijzen en levensvisies van de Europese volkeren, die de rijkdom van de Europese beschaving uitmaken, verder kunnen bloeien en ontwikkelen.

Jammer genoeg zijn er vele tekenen die erop wijzen dat niets minder waar is (5). Sommige Europese instellingen hebben zich namelijk ontwikkeld tot liberticide instanties, die de particuliere waarden en levenswijzen van de Europeanen uit het openbare leven en liefst zelfs uit het zuiver private leven willen verbannen en ze vervangen door een morele leegte.

De nieuwe europese staatsreligie heeft belangrijke europese waarden geperverteerd:
- de gelijkwaardigheid van man en vrouw, inderdaad een fundament van onze beschaving, is geperverteerd tot absolute gelijkheid en daarmee de negatie van het bestaan van mannen en vrouwen;
- het feit dat de europese naties al eeuwenlang geen tribale, raciale of strikt etnische grondslag hebben is geperverteerd tot het fanatieke antiracisme;
- de verworvenheid van religieuze tolerantie is geperverteerd tot het verplicht gelijkwaardig achten van alle godsdiensten, zij het vooral van één bepaalde despotische godsdienst jegens dewelke we ons blijkbaar véél minder mogen permitteren dan jegens alle andere;
- en meer algemeen is de tolerantie jegens afwijkende opvattingen geperverteerd tot "une tolérance qui ne tolère qu'elle-même" (6);
- de gelijkheid van de burgers voor de wet (zoals in art. 10 Belgische grondwet) is geperverteerd tot een verbod voor burgers tot elke ongelijke behandeling die men niet objectief en redelijk kan rechtvaardigen en een volmacht aan de overheid om zich met alle private verhoudingen te moeien onder het om van discriminatiebestrijding (7).
De gehechtheid aan traditionele europese waarden en de uitoefening van de godsdienstvrijheid wordt gecriminaliseerd tot homofobie (8), xenofobie of islamofobie.
De traditionele instelling van het huwelijk wordt verketterd wegens zogezegde discriminatie.
Het traditionele respect voor het leven wordt vervangen door een "recht op abortus" dat men aan de lidstaten wil opleggen (9).

Nu kan men erover van mening verschillen of die traditionele Europese waarden en levenswijzen, die met name sterk door het christendom zijn getekend, maar niet alleen - Philippe Nemo schetst in zijn schitterend essay Qu'est-ce que l'occident vijf cruciale sleutels van de Europese identiteit, van het Griekse politieke burgerschap onder de wet, over het romeins recht, de bijbelse eschatologische geschiedenisopvatting, de gregoriaanse inrichting van de kerk voor een verbetering van de wereld tot de in de moderne tijden rijp geworden opvattingen over pluralisme en fundamentele vrijheden - men kan dus van mening verschillen over de inhoud van de traditionele Europese waarden. De fundamentele vrijheden van geweten, meningsuiting, godsdienst en vereniging maken het mensen precies mogelijk voor uiteenlopende morele opvattingen te ijveren !

Althans, ik dacht dat men daarover van mening kon verschillen. En dat is het juist: men mag daarover niet meer van mening verschillen. Europa is gekaapt door mensen die beslissen dat er voor al die vragen maar één universele waarheid meer bestaat, namelijk die van "dé" Rechten van "de" Mens, en dat alle Europese volkeren en burgers dus aan die ene waarheid onderworpen zijn. In naam van die universele waarheid van "De Mensenrechten" worden de concrete vrijheden die de ruimte geven om van mening te verschillen ingeperkt en steeds meer meningen gecriminaliseerd als gevaarlijke fobieën. De Europese samenleving waarover de Unie het heeft is van een ruimte van vrijheid voor meerdere morele opvattingen tot een ruimte van vrijheid van moraal gemaakt, tot een verplichte morele leegte.

Why the rest hates the West

Men moet dan ook niet verbaasd zijn over de heftigheid van de antiwesterse haat in grote delen van de wereld (10). Begrijp me niet verkeerd: het Westen wordt ook gehaat omwille van de vrijheid van godsdienst, meningsuiting en dergelijke die hier werd ingesteld; maar het wordt nog meer gehaat omdat die vrijheid, die ertoe diende het morele handelen juist eerst ruimte te geven, daarvoor steeds minder gebruikt wordt en kan worden gebruikt, ja zelfs vervangen wordt door opgelegde amoraliteit, of althans door een verplicht belijden van morele opvattingen die juist ingaan tegen de meest fundamentele overtuigingen van een deel van de Europese burgers maar vooral van het grootste deel van de niet-Westerse wereld. Symptomatisch hiervoor was het door de regering-Verhofstadt op 8 juli 2005 goedgekeurde zogenaamd "Handvest voor het Staatsburgerschap" (11) dat de waarden wilde opsommen die nieuwkomers moeten aanvaarden om als burger te integreren in onze samenleving, en inhoudelijk nauwelijks verder kwam dan het opleggen van een akte van geloof in absolute gelijkheid van man en vrouw, abortus, euthanasie en homohuwelijk. Met andere woorden: andersluidende opvattingen daarover moeten uit onze samenleving worden geweerd, zoals zij eerder reeds door het Europees parlement uit de Europese instellingen werden geweerd met het Berufsverbot voor Rocco Buttiglione (12).

Nous sommes tous des danois.

Hooggeachte vergadering,

het ontwerp van Europese grondwet - requiescat in pace - bevat een reeks liberticide bepalingen waarbij in naam van universele mensenrechten de vrijheid van Europese burgers en volkeren om hun mening te uiten, zich te organiseren en aan zingeving te doen wordt ingeperkt (13). Deze liberticide bepalingen staan in dienst van een anti-identitaire religie. Daartegen moeten wij strijden voor wat de Duitse Verfassungsrichter Udo di Fabio die "Kultur der Freiheit" (14) noemt.

Het is weliswaar niet de taak van de overheid, noch de nationale noch de Europese, om de culturele identiteiten van Europa en zijn volkeren van bovenaf te bepalen; de plaats daarvoor is de burgerlijke samenleving, die daarvoor dan ook de vrijheidsruimte moet krijgen, in de hoop dat ze met die ruimte iets zinvol doet.

De overheid, en al zeker de Europese overheid, heeft niet het recht die vrijheid af te schaffen door elk discriminerend gebruik ervan te verbieden. Ja, het moet mogelijk blijven om ironische afbeeldingen te maken van welke profeet ook, om kritiek te uiten op zowel religieuze als seculiere opvattingen, om het private zowel als het publieke gedrag van een meerderheid zowel als een minderheid te bekritiseren, om andersluidende opvattingen te hebben over de rol van mannen of vrouwen, om etniciteit ter sprake te brengen. En het moet omgekeerd voor anderen evenzeer mogelijk blijven om tegen dergelijke opvattingen in te gaan, geweldloos welteverstaan.

De civil society van de Europese volkeren als ruimte van vrijheid is er niet gekomen om zingeving, moraliteit en fatsoen naar de loutere privésfeer te verbannen, maar juist om ze in de samenleving te laten bloeien, om ze kansen te geven in pluralisme en verdraagzaamheid. Het gebruik dat van die vrijheid gemaakt wordt is niet altijd fatsoenlijk en getuigt niet steeds van goede smaak. Zo mag er gerust wat meer fatsoen en goede smaak komen in onze media, in onze wijze van samenleven, in ons handelen en spreken. Maar het moet al even duidelijk zijn dat wij niet mogen zwichten voor diegenen die ons fatsoensnormen of wetten willen opleggen die van elders komen, dat het aan de burgers en volkeren van Europa is om die te bepalen en wij daarvoor niet elders verantwoording verschuldigd zijn. In dit opzicht kan ik vandaag enkel zeggen: We are all Danes now.

Dames en heren, Europa is een fantastisch avontuur. Europa heeft zijn specifieke samenlevingswijze, niet vanuit universele axioma's gedicteerd, maar doorheen zijn geschiedenis met vallen en opstaan ontwikkeld. Ik heb geprobeerd U aan enkele wezenlijke elementen ervan te herinneren. Sta niet toe dat Europa gekaapt wordt door de pensée unique van la tolérance qui ne tolère qu'elle-même. Sta niet toe dat de vrijheid vervangen worden door de ideologie van de non-discriminatie. Europa is ons te dierbaar, en we hebben er maar één.

Ik heb gezegd.

Voetnoten:
1. M. WALZER, Thick and Thin. Moral argument at Home and abroad, University of Notre Dame Press, Chicago 1994.
2. Onder meer verschenen in Vivat Academia 2005, nr. 126, p. 3-27 en in Teksten Kommentaren en Studies (TeKoS) 2005 nr. 118, p. 3-14, en te vinden via http://www.storme.be/vrijheidsprijs.html.
3. Zie over die nadere invulling ook mijn "Cultuur: consumptie-artikel of zingeving in gemeenschap?, in Financieel-economische Tijd 5 juni 2002, ook op http://www.storme.be/FETcultuur.html.
4. Zie over het ene zowel als het andere pregnant R. SCRUTON, The West and the rest, 2003 (Nederlandse vertaling: Het Wetsen en de islam).
5. Symptomatisch is dat de eerbiediging van "de gebruiken van de lidstaten, met name met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed" in de Grondwet enkel ter sprake komt in .... de bepaling die het welzijn van dieren vooropstelt in het Europees beleid (art. III-121 GW).
6. Met de uitdrukking van A. FINKIELKRAUT, "Tolerantie: de laatste tiran?", De groene Amsterdammer 2 december 1998; A. FINKIELKRAUT, L'ingratitude, Conversation sur notre temps, Gallimard, Parijs 1999, p. 196 v. en 204 v., in het Nederlands als Ondankbaarheid, Contact, Amsterdam 2000. Zie ook Édouard FILLIAS, "Le fanatisme de la tolérance".
7. De ontwerp-grondwet onderscheidt duidelijk de gelijkheid voor de wet (art. II-80) van het veel verderreikende verbod op elke discriminatie (art. II-81). Art. I-3, 3 lid 2 stelt als één van de eerste doelstellingen van de Unie zelfs de bestrijding van discriminatie voorop. Art. III-118 stelt de bestrijding van discriminatie voorop bij ieder beleid en ieder optreden. Het klassieke evenwicht tussen gelijkheid voor de wet en vrijheid in private verhoudingen is dus opzijgezet ten gunste van een gelijkheidstotalitarisme.
8. Resolutie van het Europees Parlement over homofobie in Europa, goedgekeurd 18 januari 2006,ook besproken op Brussels Journal.
9. Opinion of the EU network of independent experts in fundamental rights on the right to conscientious objection and the conclusion by EU Member States of Concordats with the Holy See, december 2005 ("CFR-CDF Opinion 4.2005", in pdf). Dit netwerk is door de EU opgezet. Zie verder Brussels journal.
10. Lees in dit verband M. PEARSE, Why the rest hates the West, Understanding the roots of global rage, Intervarsity press Illinois 2004.
11. http://www.belgium.be/eportal/application?pageid=contentPage&docId=39144,voorbereid door de "commissie interculturele dialoog" (waarvan het verslag te vinden is in pdf).
12. "Ontslag Buttiglione illustreert machtsgreep europese tegenreligie"
13. Naast de reeds geciteerde bepalingen betreffende de bestrijding van alle discriminaties gaat het bv. ook om de zgn. anti-misbruikclausule van art. II-54, krachtens dewelke de fundamentele vrijheden zoals meningsuiting en vereniging niet mogen gebruikt worden om enig ander door de grondwet erkend grondrecht te bestrijden. Daarmee worden die vrijheden eigenlijk ontkend.
14. U. di FABIO, Die Kultur der Freiheit, Beck München 2005.

woensdag, januari 25, 2006

Gebrek aan burgerlijke deugden: Wegglijden in morele armoede

De groeiende kloof tussen autochtonen en allochtonen belemmert ons teveel het zicht op andere kloven in onze maatschappij, die minstens evenzeer bijdragen tot de vernieling van onze samenleving. Zoals die tussen armen en rijken. Neen, ik ben geen socialist geworden, want het gaat om een kloof die de hedendaagse socialisten al evenmin willen zien: tussen morele rijkdom en morele armoede. Dat de gevaarlijkste cocktail ontstaat wanneer de morele armoede nog eens gepaard gaat met economische armoede, hebben we de voorbije maanden - eigenlijk jaren - maar al te duidelijk kunnen aanschouwen of ervaren. Dat betekent niet dat de morele armoede van grote delen van de bevolking die het economisch relatief goed stellen, niet evenzeer bijdraagt tot de vernieling van onze beschaving, al lijkt de ziekte daarbij wat minder acuut. De morele armoede gaat hand in hand met het verlies aan "burgerlijke" waarden, of beter nog deugden. Het is overigens niet de partij van de burger die deze deugden het meest uitdraagt, niet in haar programma, en al zeker niet in de levenswandel van haar leiders. Er is overigens geen enkele partij die de moed heeft ze echt uit te dragen. Een toenemend deel van de bevolking deugt dan ook niet meer.

Veel daarbij heeft te maken met een verkeerd begrip van de vrijheid van de burger. Het burgerlijke vrijheidsideaal betreft het in staat zijn om zelfstandig een zinvol leven te leiden en daarbij keuzes te maken en daarvoor verantwoordelijkheid te dragen. Echte emancipatiebewegingen hebben steeds daarnaar gestreefd. Zij streefden naar materiële en morele verheffing van het volk, niet naar het wegglijden van de hele samenleving in de morele armoede van de onderklasse. Vandaag zijn het vaak de houdingen en gebruiken van die onderklasse die de boventoon voeren, zeker in sommige media. En dat heeft met veel meer zaken van het dagelijks leven te maken dan de karikatuur die de amorele goegemeente voortdurend van het morele conservatisme probeert te maken: het gaat inderdaad niet alleen over sexualiteit en dergelijke, maar over veel meer: over voedings- en drankgewoonten, over de overgave aan de Tv-cultuur, over taalverruwing, allerlei vormen van exhibitionisme t.a.v. lichaam of privéleven e.d.m. Armoede heeft met vele factoren te maken, maar een van de belangrijkste is duidelijk de onkunde om met de vrijheid om te gaan, het inefficiënt gebruik van schaarse middelen, het niet in staat zijn om prioritaire keuzes te maken. De economisch rijken maar moreel armen die openlijk het slechte voorbeeld geven (dat ik openlijk zeg zal me allicht het verwijt van hypocrisie opleveren - maar wat is er mis met hypocrisie (iets voor een volgende column) ?) hebben een des te grotere verantwoordelijkheid voor wat er fout loopt met wie het bovendien ook materieel minder goed heeft. En neen, het is niét de taak van de overheid om het dagelijks leven in al zijn details nog meer te reglementeren, maar het is wel de taak van eenieder als lid van de gemeenschap, als deelnemer aan de "burgerlijke samenleving", de "civil society". Die overheid moet wel ruimte geven aan die civil society om morele inhoud en vrijheid te ontwikkelen. Zoals ik elders uitvoeriger heb ontwikkeld, houdt dit onder meer in dat burgers de vrijheid moeten hebben om te discrimineren, en heel in het bijzonder om anderen te discrimineren op grond van morele criteria waarmee zij zich identificeren. Het discriminatieverbod is dodelijk voor de instandhouding van enige moraliteit in de samenleving, en past inderdaad perfect bij de amoraliteit van de heersende klasse vandaag, die enkel economisch eigenbelang als criterium in het maatschappelijk leven aanvaardt. Natuurlijk zijn de grote vrijheden (meningsuiting, vereniging, en als kern van alle die van discriminatie) geen voldoende voorwaarde voor de opbouw van een fatsoenlijke samenleving, maar ze zijn wel een noodzakelijke voorwaarde. Inderdaad is het nodig dat die vrijheden zinvol worden gebruikt, en met name om terug morele verantwoordelijkheid te nemen en medeburgers terug op hun moraliteit aan te spreken. Maar daartoe moet op de eerste plaats komaf worden gemaakt met de idee dat wij niet meer de vrijheid hebben om andermans levenswandel te bekritiseren en immoreel te vinden.

De morele opvattingen van bepaalde groepen nieuwkomers in ons land mogen misschien betwistbaar zijn en ingaan tegen onze opvattingen van beschaving; maar de risico's ervan zullen niet beheerst worden door elke moraliteit dan maar uit het openbare leven te bannen. De amoraliteit van vele leden uit verdere generaties moge al een feit zijn - ze is vaak slechts een verhevigde vorm van de autochtone amoraliteit.
Politieke correctheid verhindert ons nog steeds om de levenswandel van de amorele klassen openlijk te bekritiseren; bij de onderklasse wordt ze gerechtvaardigd door ze als gevolg veeleer dan mede-oorzaak van armoede te zien; bij de bovenklasse wordt ze door het discours van gelijke rechten boven alle kritiek geplaatst. Maar de weigering problemen te benoemen is nooit het juiste startpunt geweest voor de oplossing ervan, ook niet op dit gebied. Wat de zwakken in de verschillende betekenissen van het woord nodig hebben, is geen maatschappij die alleen nog individue kent tegenover een staat die hen kwistig met gelijke rechten bedeelt, maar betrokkenheid van de medeburger, opvoeding en sociale en morele begeleiding.

dinsdag, januari 24, 2006

Die hypocrieten die het onzin vinden het gebruik van het Nederlands op te leggen in het openbare leven ....

De stad Rotterdam heeft een gedragscode opgesteld voor de omgang tussen burgers in het sociale leven, met als één van zeven regels de verplichting om in het openbare leven Nederlands te spreken (http://www.nrc.nl/binnenland/article132676.ece). De Nederlandse minister van inburgering, Mw. Rita Verdonk, wil een dergelijke regel in heel (Staats)Nederland invoeren (zie http://www.volkskrant.nl/denhaag/1137995840769.html en http://www.nrc.nl/binnenland/article134047.ece).

Zoals te verwachten was, komt hiertegen natuurlijk protest. Chokri Mahassine bijvoorbeeld: "Chokri Mahassine (SP.A) moet hardop lachen als we hem bellen voor een reactie. ,,Dit is te idioot voor woorden. Je reinste onzin. Nederland is geëvolueerd van een dictatuur van de verdraagzaamheid naar een dictatuur van de onverdraagzaamheid. Dergelijk voorstel is een democratie onwaardig. Wie heeft er nu zaken mee welke taal ik spreek op straat? "

Wel, een dergelijke verplichting reglementair opleggen is inderdaad nonsens. Maar de meeste tegenstanders zijn grote hypocrieten. De regel is namelijk een consequente toepassing van het discriminatieverbod dat de hele politiek correcte goegemeente bij wet heeft opgelegd in omzeggens alle aspecten van het openbare leven.

De grote meerderheid van gelijkheidsfundi's die ons parlement beheerst heeft in art. 2 § 4 van de Wet van 25 februari 2003 laten inschrijven dat "Elke vorm van directe of indirecte discriminatie is verboden bij het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van discriminerende uitlatingen;
de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek. " Ook Mahassine is een grote voorstander van dat soort idiote, dictatoriale en een democratie onwaardige wetgeving. Want wie heeft er nu zaken mee met wie ik een verneiging wil vormen, aan wie ik mijn eigendom wil verhuren of verkopen, wie ik als werknmer in dienst wil nemen, wie ik binnenlaat en wie niet ?

Wanneer men in het nederlands taalgebied buiten de strikte privé-kring, in het openbare leven dus, een andere taal gebruikt dan het Nederlands, aankondigingen en informatie verspreidt die niet tegelijkertijd ook in het Nederlands wordt verspreid, dan sluit men het grootste deel van de bevolking van deze communicatie uit. Het gebruik van vreemde talen is een discriminatie van autochtonen wegens hun nationale of etnische afstamming. Met andere woorden, volgens de voorgewende ethiek van de linkerzijde is het een vorm van racisme.

Maar het gaat natuurlijk om een voorgewende ethiek, want het typische aan alle zogezegde antidiscriminatiewetgeving is dat ze altijd discrimineert, en meestal - niet altijd - in één welbepaalde richting. Positieve discriminatie noemen ze dat dan .

Verlos ons aub van politici die het gebruik van het Nederlands in het openbare leven willen opleggen of enig andere discriminatieverbod in het openbare leven. Laat dat maar aan de samenleving zelf over. En dat laatste wil zeggen: laat idereen de vrijheid om anderen juist wel te discrimineren indien ze niet het Nederlands gebruiken. Of omgekeerd. Dat is nu eenmaal het wezen van de fundamentele vrijheden. En dus iets waar de overheid zijn handen moet van afhouden.

Voor alle duidelijkheid: het gebruik van talen in de openbare dienst is wettelijk geregeld en moet dat voor mij in de gegeven omstandigheden in Vlaanderen en Brussel ook blijven. Gehaaide linksen maken hiervan misbruik om door middel van een perverse vesgcuiving in het woord openbaar het "openbare leven" tussen privé-personen, in de privé-sector of op straat, gelijk te stellen met de openbare sector of openbare dienst. Een gelijkstelling die echter neerkomt op een afschaffing van de civil society - dé eigenschap van het "reëel existerende socialisme".

dinsdag, januari 10, 2006

Iskander-artikelen van 11-11-2005

La révolte des banlieues et le perdant radical
10-11-2005-Alexandre Adler-le figaro
Ook Adler beschouwt het nihilisme als een belangrijke oorzaak van wat er misloopt

Liever een krottenwijk dan een woonkazerne
10-11-2005-Johan Sanctorum-de standaard
Een mooi pleidooi voor een meer organische stedebouw, tegen de overdreven planning van de modernistische stadsvernielers.

GroenLinks: meten met twee maten
10-11-2005-Sylvain Ephimenco-Trouw
De twee maten en twee geawichten van links als het over meningsuitingen gaat - een typisch voorbeeld van partisan tolerance.

Violences urbaines et architecture
10-11-2005-Henri Gaudin-le figaro
Nog een artikel over rellen en stedebouw


Providence de l'État

10-11-2005-Nicolas Barré-le figaro
Hoe de welvaartsstaat op kosten van de middenklasse de onderklasse in uitkeringen nestelt.

Le Vatican veut garantir les droits des chrétiens d'Irak

10-11-2005-Hervé Yannou-le figaro

Franse rellen gedeeltelijk ook tegen integratie gericht
10-11-2005-Mia Doornaert-de standaard
Een raak antwoord op de politiek correcte praat van Bas Kurstjens in de Tijd twee dagen eerder.

Burn, Social Model, Burn

09-11-2005- Johnny Munkhammar-tech central station

Proche-Orient, lieu de tous les fantasmes
09-11-2005-Jean-Jacques Delfour-le monde

Dutch watchdog to patrol EU law
08-11-2005-Mark Beunderman-EU Observer
The Dutch are planning to hire a new "watchdog" official on EU subsidiarity, or who does what in the union, in the aftermath of the resounding "no" to the EU constitution.

Radicale ‘brains’ zoeken ‘losers’
07-11-2005- Janny Groen en Annieke Kranenberg-De Volkskrant

woensdag, november 09, 2005

Intifada

In tientallen wijken in Frankrijk woedt een intifada van bendes die niet meer aanvaarden dat het staatsgezag daar geldt en er alleen nog zelf de wet willen stellen. Die de republiek als een bezetter beschouwen en navenant handelen. En wat ziet de commentator van de Tijd ? Als een volleerd marxist ziet Kurstjens alleen maar een kloof tussen arm en rijk. Dat het ook iets met migratie, met cultuurverschillen, met etnisch-religieus fundamentalisme, met het onderwijs, met een cultuur van onverantwoordelijkheid en andere zegeningen van de welvaartsstaat, en met andere factoren die de buitenlandse kranten wel zien, zou kunnen te maken hebben, komt bij hem niet eens op. Dat er massa's arme mensen zijn die niet tot dergelijke intifada overgaan, wat bewijst dat er andere factoren spelen dan armoede, ziet de Tijd niet. Uitspraken van Sarkozy worden netjes uit hun context gehaald in een simplistisch verhaal van een boze republiek en toch zo arme jochies. Gelukkig bestaat er buiten België nog een pers en bestaat er nog een internet.

M.E.S.


Voor alle duidelijkheid hieronder:
1° de gewraakte commentaar van de Tijd van 8 november
2° ter vergelijking een genuanceerde commentaar uit Trouw van 8 november
3° en een column uit Trouw van 8 november

1° Kloof
Bas Kurstjens
De Tijd

Frankrijk is niet het eenduidig ondeelbare en verenigde land zoals het zichzelf graag ziet, maar is steeds meer verdeeld. De almaar dieper wordende kloof tussen arm en rijk loopt niet langer alleen langs sociale, maar ook langs geografische grenzen.
In amper een half uur rijden van de duurste kledingwinkels en restaurants ter wereld wonen honderdduizenden Fransen in erbarmelijke omstandigheden en vooral zonder vooruitzicht op beterschap. En dat is niet alleen zo rond de metropool Parijs. In het hele land bestaan meer dan 900 wijken die zijn geoormerkt als 'gevoelig'.
De aanhoudende rellen in de arme buitenwijken van Parijs die zich inmiddels over het hele land hebben verspreid, confronteren Frankrijk brutaal met die kloof. Elke nacht gaan meer auto's in vlammen op dan de vorige. Ook na tien onrustige nachten zoeken president Jacques Chirac en zijn premier, Dominique de Villepin, nog steeds naar manieren om de rust te laten terugkeren. De twee roepen om herstel van de orde en schrijven de onrust toe aan georganiseerde criminele bendes.
Het is een beetje flauw de zaak daarmee af te doen. De onrust in de troosteloze buitenwijken is eerst en vooral een uiting van frustratie en wantrouwen in de politiek.
Het gaat om Fransen die zich niet aangesproken voelen door de beloftes van Chirac over belastingverlagingen die maar gelden voor de rijkste helft van Frankrijk. Het gaat om Fransen die zich niet aangesproken voelen door het medelijden van premier De Villepin met de rijken die klagen over de hoogte van de vermogensbelasting. Maar het gaat ook om Fransen die overlopen van frustratie over het ontbreken van een toekomstperspectief, werkgelegenheid, veiligheid en integratie. Het gaat om Fransen die het meer dan beu zijn te worden gestigmatiseerd door de superminister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Die beloofde 'met de hogedrukreiniger' de banlieues te reinigen van 'het gespuis'.
Sarkozy mikte met zijn nultolerantiebeleid op de kracht van de rechtsstaat, maar hij heeft er het tegendeel mee bereikt. Ondanks de inzet van duizenden extra politieagenten breidt het geweld in de Franse voorsteden zich uit in plaats van af te nemen.
De aanhoudende onrust en het ontbreken van een antwoord van het gezag daarop zijn een aanslag op de onaantastbaar geachte positie van die rechtsstaat. Daarmee wordt de Franse regering eens te meer geconfronteerd met de almaar dieper wordende kloof tussen arm en rijk in het land.
De problematiek is niet nieuw. Al meer dan 25 jaar lanceren opeenvolgende presidenten en premiers het ene plan na het andere om de sociale samenhang, de werkgelegenheid, de veiligheid en het toekomstperspectief te verbeteren. Al die republikeinse pacten konden de verdieping van de sociale kloof niet verhinderen.
Premier De Villepin en zijn regering staan voor de opdracht die kloof te dichten, al was het maar om het land bijeen te houden.

2° Rellen in Frankrijk / Het lastige debat over de oorzaak
door Paul-Kleis Jager
Trouw

De Franse rellen komen niet alleen voort uit werkloosheid, slechte huisvesting en discriminatie. De houding van de ’woedende jongeren’ en de omvang van de immigratie spelen ook een rol.

De socioloog Laurent Mucchielli is momenteel een van de meest geciteerde kenners van de rellende jongens in de Franse banlieue. De voornaamste oorzaak van de onlusten, zegt Mucchielli, is de economische situatie. Die is slecht: sommige wijken klimmen in de statistieken naar een werkloosheid van 50, 60 procent of meer.

Discriminatie naar huidskleur en postcode voeden volgens Mucchielli ’permanent de gevoelens van onvrede, onrechtvaardigheid en uitsluiting’.

In ’Het Buitenhof’ zondag vertelde Mucchiellis in Amsterdam werkende collega Laurent Chambon hetzelfde verhaal: de brandende scholen en winkels zijn een schreeuw om hulp van vernederde tweederangsburgers. Van minister Nicolas Sarkozy krijgen ze ook nog eens een trap na, constateerde Chambon. „Die noemt hen gespuis, omdat hij zo president hoopt te worden. Dat voelen deze jongeren en dat pikken ze niet”. De ook aangeschoven Belg van Libanese origine Abou Jahjah, die popelt om „het feit dat Europese moslims sociaal-economisch buitenspel worden gezet politiek te vertalen”, gaf hem groot gelijk.

Ook gespreksleider Peter van Ingen was een en al begrip. Van Ingen stelde niet de vraag of het feit dat de werkloze jongeren massaal de school hebben verlaten zonder een diploma te halen wellicht een oorzaak van hun werkloosheid is. Hij stelde evenmin de vraag of die schooluitval ligt aan discriminatie of dat de jongens gewoon beter hun best moeten doen.

Door die vragen niet te stellen, liet Van Ingen het debat winnen door Karl Marx, volgens wie het maatschappelijk zijn het bewustzijn bepaalt. De oorzaak van de problemen is het ’systeem’ dat mensen een fatsoenlijk bestaan onthoudt. Bij op zich weldenkende Fransen is de vrije wil bezweken onder het gewicht van de onrechtvaardige structuren en zo zijn op zichzelf aardige jongens veranderd in wilde horden, zou luidt deze sociaal-economische, in wezen marxistische verklaring.

Die fixatie op sociaal onrecht als enige verklaring van de Franse rellen is waarschijnlijk ook de oorzaak van de merkwaardige stilte over de moord die plaatsvond op donderdag 27 oktober. Die dag, waarop tevens in Clichy-sous-Bois de rellen uitbraken, werd de 56-jarige Jean-Claude Irvoas gedood. Irvoas werkte voor een fabrikant van straatmeubilair. In een quartier sensible in de Parijse voorstad Epinay fotografeerde hij voor de catalogus van zijn werkgever een lantaarnpaal. Voor de ogen van vrouw en kinderen, die in de auto op hem wachtten, werd Irvoas in 90 seconden doodgeslagen omdat hij zich verzette tegen jongens die op zijn camera waren afgekomen.

De MRAP, een vereniging voor mensenrechten, sprak niet over dit slachtoffer. Wel veroordeelde de MRAP de ’uitzonderlijk ernstige miskleun van de politie’ nadat er een afgedwaalde traangasgranaat een moskee van Clichy-sous-Bois instuiterde. En ook moet er van deze organisatie snel duidelijkheid komen over de geëlektrocuteerde tieners Zyed en Bouna, wier dood in een elektriciteitshuisje de rellen uitlokte. Volgens onderzoek van justitie werden beide tieners overigens niet achterna gezeten door de politie.

De neiging van de MRAP om de rellende jongeren als slachtoffers te zien, is niet besteed aan Aziz Senni, een 29-jarige succesvolle ondernemer van Marokkaanse origine uit Mantes-la-Jolie. Van Senni, die een vervoersbedrijf heeft met 45 werknemers, verscheen twee weken voor de rellen een boek dat jonge banlieuesards aanmoedigt er de schouders onder te zetten. De titel: ’De sociale lift is stuk, ik nam de trap’ (L’ascenseur sociale est en panne...j’ai pris l’escalier). ,,Natuurlijk is het leven in de banlieue moeilijk’’, stelt Senni vast.

,,Maar de grootste barrières voor deze jongeren om iets van hun leven te maken zitten in hun hoofd”. Zijn ouders stimuleerden hem altijd hard te werken. Le goût du travail, de werklust, kregen hij en zijn vijf broertjes en zusjes met de paplepel ingegoten van een vader die bij de spoorwegen werkte.

Hij heeft nu de Jonge Ondernemers van de Mantois opgericht, een vereniging die starters helpt met het beginnen van een eigen bedrijf. ,,Er zijn hier genoeg slimme jongens. Maar ze zijn ervan overtuigd dat eigen baas zijn niet iets voor hen is.”

Maar Senni, met zijn aangepaste kleding waarmee hij in de maatschappij kan meedoen, is in de voorsteden niet het rolmodel. Integendeel, daar zijn de caïds, de bendeleiders, de rolmodellen, met hun getto-kleding en -uitspraak. Senni bezoekt ze soms in de gevangenis en houdt ze daar voor dat je met ondernemen ook geld kunt verdienen en ondertussen wel veel beter slaapt.

De weg van de energieke Senni is echter moeilijk, een succesgarantie bestaat niet en de bling bling van het dealersbestaan lokt onophoudelijk.

De theorieën van Mucchielli en Chambon, al vele jaren gemeengoed in media en politiek, helpen ondertussen het geweten van de ontspoorde jongeren te ontlasten. Want wat voor keuze heeft iemand die, in de woorden van de Britse schrijver-arts Theodore Dalrymple, ’opgroeit in een legbatterij voor criminelen’?

De klacht over de enorme flatgebouwen, die in sommige gevallen door zevenduizend mensen of meer worden bewoond, klinkt alom. Onbedoeld schiepen architecten die de opdracht kregen snel en goedkoop te bouwen de voorwaarden voor het ontstaan van een anti-maatschappij.

Hier en daar worden de grootste blokkendozen (onder meer in La Courneuve en Nancy) opgeblazen om plaats te maken voor woningen op een menselijker schaal, maar er staan er nog genoeg overeind.

Toch gelooft niet iedereen dat het alleen aan de flats ligt, aan de omstandigheden. Lucienne Bui Trong, voormalig chef ’steden en voorsteden’ van de inlichtingendienst DCRG, formuleert het zo: ,,Het idee dat sociale problemen een excuus zijn voor crimineel gedrag domineert. Wie begint over normverval verdwijnt in de politiek incorrecte hoek. En de politie speelt de rol van nationale pispaal.”

Er is nog een ander aspect dat nauwelijks aandacht krijgt in beschouwingen over de rellen: het tempo en de omvang van de immigratie in Frankrijk. Dit terrein wordt nu in het Franse debat geheel overgelaten aan het Front National van Jean-Marie Le Pen. Aangezien die man de holocaust een detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog heeft genoemd, wordt hij gemeden.

De omvang van de immigratie, nu zijn exclusieve stokpaard, speelt echter wel degelijk een rol in het ontstaan van de problemen. De capaciteit van Frankrijk om nieuwkomers op te nemen wordt flink op de proef gesteld sinds in 1974 groen licht werd gegeven voor gezinshereniging.

Frankrijk telt op een bevolking van ruim zestig miljoen inwoners nu zo’n acht à negen miljoen immigranten uit Noord- en West-Afrika, twee keer zoveel als dertig jaar geleden. Tussen 1994 en 2002 is het aantal nieuwkomers dat zich jaarlijks in Frankrijk vestigt, bijna verdubbeld: van 119000 tot 205000.

,,Gebeurt er niets om de illegale en de reguliere stroom in te dammen’’, zo waarschuwt de commentator van Le Figaro, ,,dan steken over vijftien jaar de kinderen van de immigranten die vandaag arriveren ’de wijken’ in brand.”

Wat zei Nicolas Sarkozy precies en wat was de context?

Zijn sterke teksten keren zich momenteel tegen minister van binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy. Sommige relschoppers beweren dat de jeugd in de voorsteden door Sarkozy is beledigd en daarom nu reageert. De woorden waarmee zij hem citeren, sprak Sarkozy echter altijd als het ging om ’de minderheid van criminelen’. Die context wordt in de huidige opwinding niet meer gezien, de harde woorden leiden inmiddels een eigen leven, los van de context waarin ze ooit zijn gezegd.

„We gaan deze buurt schoonmaken met de hogedrukspuit.” (20 juni 2005)

Sidi Achmed stond op vaderdag de auto van zijn ouders te wassen op de stoep voor zijn flat in La Courneuve. Hij werd in de borst getroffen door een kogel waarmee een dealer een concurrent had willen treffen. Sarkozy bezocht de buurt en beloofde een vrouw die hem aanschoot over de onveiligheid dat hij de buurt zou schoonmaken. Als het moet met de hogedrukspuit.

„Dit wordt een oorlog zonder genade” (19 oktober 2005)

Sarkozy spreekt politiechefs toe en zegt dat hij genoeg heeft van de brandende auto’s, het rondhangen in flatportieken en de ondergrondse economie in de probleemwijken. ,,Ik hoop dat u trek heeft”, zegt hij tegen hen. „Zo niet, dan kunt u beter iets anders gaan doen... Dit wordt een oorlog zonder genade.”

„Wij zullen u van dat gespuis afhelpen.” (25 oktober 2005)

Sarkozy bezoekt Grande Dalle, een wijk in Argenteuil bij Parijs, twee dagen voor het begin van de rellen. Hij wordt uitgejouwd en bedreigd. Wederom kondigt hij aan de voorsteden te verlossen van ,,de georganiseerde misdaad, omdat de bewoners van deze buurten net zo goed recht hebben op veiligheid als andere Fransen”. Op deze avond gebruikt hij voor het eerst het woord ’racaille’, gespuis. „Wij zullen u ervan afhelpen”, zegt hij tegen een vrouw op een balkon.

3° Motieven van de Franse intifada
Sylvain Ephimenco
Trouw

Er komt natuurlijk een moment waarop agressie en bruutheid buiten hun sociaal- economische referentiekader gaan treden. Er komt een moment waarop je de eigen aard van het geweld en zijn meest weerzinwekkende expressie niet meer kunt begrijpen door te verwijzen naar de voedingsbodem van verpaupering, uitsluiting, discriminatie en werkloosheid. Frankrijk is nog niet zo ver.
Het land dat op de rand van een burgeroorlog lijkt te balanceren, is nu bezig met een inhaalslag die aan een vorm van publieke zelfkastijding grenst. Het erkent nu volmondig zijn fouten uit het verleden, en zijn onachtzaamheid en onverschilligheid uit de laatste decennia als het gaat om het voeren van een echte sociale en integratiepolitiek in zijn migrantenbuurten. Nu pas wordt de nadruk gelegd op de 30 miljard euro die de regering vorig jaar besloot vrij te maken voor de voorsteden. Dit besef dat er een verkeerd beleid is gevoerd is broodnodig.

Maar kan hiermee alles worden verklaard? Is de terugkeer van de barbarij dan aanvaardbaar? Niet als ik naar de wanhoopskreet van de burgemeester van Noisy-le-Grand moet luisteren. Deze socialist vertelde zondag hoe vrouwen door relschoppers uit hun auto’s werden gesleept, aan hun haar werden getrokken en hoe ze gemolesteerd werden terwijl hun voertuig in brand werd gestoken. Voor deze linkse bestuurder hebben zulke daden van barbarij de noodzaak aangetoond om tot zelfverdediging over te gaan.

Er zijn meer vragen. Waarom toch zijn jonge migranten bezig om alle sociale en culturele structuren in hun eigen buurten te vernietigen? Waarom worden pas gebouwde of bestaande nuttige gebouwen als sporthallen, scholen, bibliotheken, winkels, buurtcentra in brand gestoken? Hoe kun je om werk en voorzieningen schreeuwen en tegelijk bedrijven die arbeid aan tientallen en soms wel honderd werknemers verschaffen in lichterlaaie zetten? Op enkele schaarse beelden – de Franse tv-stations doen aan zelfcensuur om relschoppers niet in de kaart te spelen – is te zien hoe heethoofden om djihad en intifada roepen. Sommigen springen voor de camera’s en roepen Allah Akbar. Anderen zeggen dat hun voorstadje ’net zoiets als Jeruzalem’ moet worden. De haat van sommigen jegens alles wat Frans of blank is, overschrijdt het traditionele conflict van jongeren versus politie en autoriteit.

Waarom in dit kader moesten in Sète en Lens twee kerken met molotovcocktails worden aangevallen? Een paar dagen daarvoor was een synagoge al doelwit geweest. Dat criminele bendes en religieus geïnspireerde extremisten misbruik maken van de onvrede wordt steeds duidelijker. Je kunt tot in lengte van dagen op de fouten van de opeenvolgende Franse regeringen blijven hameren, maar ook al is dit voor relschoppers een soort legitimatie om hun wandaden verder op te voeren, de aard van het geweld verraadt ook een nietsontziende neiging om met de rechtsstaat af te rekenen.

Frankrijk is een land van heftige omwentelingen en met een traditie van straatgeweld. Als straks, na dagen en nachten van provocaties, een contraoffensief van woedende burgers of rechts-extremisten wordt ingezet dan zal het drama ongekende dimensies krijgen.

dinsdag, november 01, 2005

Holocaust - Nadenken over het kwaad

Vijf augustus: De Nederlandse politie arresteert Siegfried Verbeke en levert hem uit aan Duitsland waar hij vervolgd wordt wegens ontkenning van de Shoah (de joodse Holocaust gekwalificeerd als genocide). Zes oktober: Hrant Dink, uitgever van een Turks-Armeens weekblad wordt door de rechtbank in Istanbul veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf omdat hij de officiële Turkse stelling aanvecht dat er géén Armeense Holocaust heeft plaatsgevonden, of erger nog, dat die gerechtvaardigd was.

Is het niet onvoorstelbaar dat een Gemeenschap van landen die het minimaliseren van de Shoah zo vreselijk vinden dat ze er zelfs de vrijheid van meningsuiting pur sang voor afschaffen (het verbod geldt immers de pure meningsuiting, zonder dat aanzetten tot haat, laat staan geweld als voorwaarde geldt) tegelijk met groot vertoon onderhandelingen aanknoopt met een officieel holocaustnegerende staat? Onderhandelingen die geen ander doel beogen dan volledige toetreding van Turkije ? Is dat alleen geen voldoende argument om de onderhandelingen onmiddellijk stop te zetten ?

Nee, ik wil geen misbruik maken van de Holocaust, er zijn er al zovelen die dat doen. Ik wil de vrijheid van meningsuiting van Turken die de holocaust ontkennen, niet aan banden leggen. Maar mogen we tenminste eisen dat die vrijheid in Turkije ook geldt voor wie die Holocaust wel erkent ?

Ik doe dat met des te meer nadruk omdat sommige zogenaamde antifascisten bij ons (U weet wel, de nieuwe vorm waarin het fascisme vandaag terugkomt heet antifascisme) ons willen verbieden om het woord Holocaust te gebruiken voor iets anders dan de genocide op de joden in 1940-45. En dat doen ze niet uit filosemitische overwegingen. Vele orthodoxe joden wensen dat woord helemaal niet te gebruiken voor de Shoah van 1940-45; het is immers een Grieks woord voor brandoffer, en de idee van offer is er voor hen teveel aan.

Bovendien doelde het moderne gebruik van dit woord eerst, en voor 1940 zelfs exclusief, op de Armeense genocide (Zie hierover Hans-Lukas Kieser, "Die Armenierverfolgungen in der spätosmanischen Türkei.
Neue Quellen und Literatur zu einem unbewältigten Thema", Schweizerische Zeitschrift für Geschichte/ Revue Suisse d'histoire, Nr. 1, 2001
, i.h.b. voetnoot 1; zie ook Christian Schmidt-Häuer, »Wer am Leben blieb, wurde nackt gelassen«, Die Zeit 23 maart 2005). Dit sinds 1895, omdat de Armeense stad Urfa toen omsingeld werd en met duizenden inwoners en al volledig uitgebrand. De Armeense Holocaust begon immers niet in 1915, tijdens de oorlog, zoals het Turkse excuus gewoonlijk luidt, maar in 1895 en 1909, en werd totaal in 1915. Kort nadien werden de Grieken vakkundig etnisch gezuiverd uit Klein-Azië (behalve Istanbul, waar dit gebeurde in de Kristallnacht van 1955 waar de Griekse winkels kort en klein werden geslagen).

De capitulatie jegens Turkije was ook toen al erg groot, zo groot zelfs dat Hitler bij het plannen van de judeocide tegenargumenten afwees met de vaststelling dat er toch niemand nog misbaar maakte over de Armeense genocide. Ook na 1945 hebben "strategische" overwegingen van het Westen er altijd toe geleid tegenover Turkije op dit punt te capituleren.

Maar kan men zich voorstellen dat er met Duitsland over samenwerking in Europa zelfs maar zou gepraat, zijn indien dat land de Shoah zou hebben ontkend en wie deze aanklaagde zou hebben vervolgd wegens besmeuring van het Duitse imago?

Over misbruik van de Holocaust gesproken: ik kan de lectuur aanbevelen van het rapport van een "wetenschappelijk comité" aan de Vlaamse regering over de herinrichting van het Holocaustmuseum in Mechelen. De wetenschappers willen de aandacht niet enkel op de slachtoffers richten, maar ook op de daders. Geen bezwaar. Voorts willen ze het niet enkel over de Shoah hebben, maar deze in het perspectief van andere genocides plaatsen. Ook dat klinkt niet onredelijk.

Men zou dan verwachten dat er aandacht wordt besteed aan de vele vormen en motieven van het kwaad in de mens. Ik zou zeggen, met de uitdrukking van Hannah Arendt, "de banaliteit van het kwaad". Of nog: de universaliteit van het kwaad, dat in elk van ons zit, en waarbij de beschaving vaak een relatief dun laagje vernis is dat snel kan verdwijnen.

Maar wat stellen onze wetenschappers? Dé oorzaak van alle kwaad is de natievorming en het nationalisme. De boosdoener kan dus duidelijk aangewezen worden. Dat moet wel enorm opluchten, want het volstaat dan misschien om antinationalist te zijn om immuun te zijn tegen het kwaad?

De conclusie verbaast niet als men de samenstelling van het wetenschappelijk comité ziet (een erfenis van Patrick Dewael ...). Gie Vandenberghe is een zeer knap en doorgaans genuanceerd historicus, maar daarnaast zitten er enkele duidelijke Vlaanderenhaters in. De éénzijdigheid van de basisgedachte druipt er langs alle kanten vanaf.

Even vicieus kan ik zeggen dat dé oorzaak van alle kwaad het socialisme is, want de twee massamoordsystemen van de 20e eeuw beriepen er zich allebei op: het nationaal socialisme en het internationaal socialisme.

Of misschien kan ik erop wijzen dat de Joden en de Armeniërs juist twee volkeren zijn die bij uitstek eeuwenlang stand hebben willen houden als eigenzinnige homogene volksgemeenschappen. Mag ik dan zo vicieus zijn te stellen dat het juist de haat tegen naties is die de dubbele holocaust van de 20e eeuw heeft veroorzaakt?

Neen, het kwaad zal niet verdwijnen door ideologische zondebokken te benoemen, door één of meer ideeënstromingen verantwoordelijk te maken: die zijn maar telkens wisselende dekmantels waarin het zich vertoont. Maar misschien is het socialisme wel grotendeels verantwoordelijk voor de enorme machtsconcentratie in handen van de staat, die niet alle, maar wel de meeste genocides heeft mogelijk gemaakt.

Of is het de radicale verlichting, die religie en moraal tot een loutere privézaak wilden maken, en daarmee de pacificerende werking van het beschavingsvernis ondermijnde, dat vervolgens in de recente decennia door de mei-68'ers vakkundig werd vernield?

(deze bijdrage verscheen eerder licht ingekort in Doorbraak oktober 2005)

dinsdag, oktober 25, 2005

Is het ABVV een criminele organisatie ?

Sinds het schabouwelijke arrest van het Hof van Beroep te Gent in de zaak ingespannen door de Belgische inquisitie tegen het Vlaams Blok, is het bon ton om het cordon sanitaire rond het Vlaams Belang te verdedigen met het argument dat het een racistische organisatie is. Mocht men iets zorgvuldiger zijn, zou men zeggen dat het gaat om een organisatie die aanzet tot niet gerechtvaardigd onderscheiden op basis van nationaliteit, want dat is wat het arrest heeft beslist. De organisatie werd zelfs niet eens schuldig bevonden aan het aanzetten tot geweld op basis van nationaliteit of enige andere grond.

Als zovelen al uit zo'n zwakke veroordelingsbasis het recht menen te putten om de leden van genoemde organisatie als lepra- of pestlijders en ongedierte te behandelen, hoeveel meer moet dan niet rond het ABVV en zijn leden een cordon sanitaire leggen, hen uit het maatschappelijk debat uitsluiten en de financiering van deze organisatie droogleggen.

Het ABVV is immers manifest een organisatie die aanzet tot geweld en tot discriminatie in de toegang tot economische activiteiten. Ze zet ertoe aan werkwilligen uit te sluiten, bedrijfsterreinen te blokkeren, personen die wensen te werken de uitoefening van hun vrijheid van arbeid onmogelijk te maken.

Art. 2 § 4 van de fameuze antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 dat "Elke vorm van directe of indirecte discriminatie is verboden bij (...) de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek." Stakingspiketten die werkwilligen hinderen, vormen duidelijk een dergelijke discriminatie. De vakbond zet daartoe aan en zet zelfs aan tot het gebruik van fysiek geweld bij dergelijke acties.

Dit is natuurlijk een verwerpelijke wet, maar nog verwerpelijker is dat er met twee maten en twee gewichten wordt gemeten.

Met andere woorden, als men uitgaat van de antidiscriminatie-ideologie, die ik verwerp, is het ABVV een criminele organisatie.

Maar er is meer. In de nooit aflatende ijver om te proberen het Vlaams Blok uit te schakelen, werd de strafwet meermaals op buitensporige wijze aangescherpt. In een normaal strafrecht kan men wel gestraft worden voor medeplichtigheid aan een misdrijf, maar niet voor medewerking aan een organisatie, wanneer die medewerking geen medewerking aan een misdrijf is. In de racismewet heeft men dat veranderd, en de medewerking aan een discriminerende organisatie strafbaar gesteld, ook zonder medeplichtigheid aan enig misdrijf. Het is die venijnige truc waarmee men de vzw's van het Vlaams Blok uiteindelijk heeft gepakt (nadat twee eerdere rechtbanken geweigerd hadden het spelletje mee te spelen).

Willen we ook hierbij eens ophouden om met twee maten en twee gewichten te meten ? Dan is elke ABVV-vakbondsmilitant een crimineel, vermits hij medewerking verleent aan een discriminerende organisatie, zelfs als hij persoonlijk niet discrimineert.

Bijkomend "detail": die buitensporige strafwet is er gekomen omdat de meeste politieke partijen, behalve de N-VA, zich tegenover mogelijke aansprakelijkheid afschermen door geen rechtspersoonlijkheid ana te nemen. Als het erom gaat geld van de overheid binnen te rijven, hebben ze echter wel rechtspersoonlijkheid (een neven-vzw). Hetzelfde geldt voor vakbonden. Zij weigeren hun rechtspersoonlijkheid op te nemen om aldus nooit te kunnen worden aangesproken of gedagvaard (de rechters doorprikken dit gelukkig soms wel),niet aan de normale boekhoudverplichtingen te moeten voldoen e.d.m. - maar krijgen wel overheidsgeld én het recht om zelf als eiser naar de rehctbank te stappen.Een ongrondwettige regeling met twee maten en twee gewichten die allicht binnenkort wel eens zal sneuvelen bij toetsing aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Want het is duidelijk dat alle andere verenigingen hier gediscrimineerd worden in vergelijking met de vakbond.

En wie zei er ook weer dat discriminatie toch het ergste kwaad is in een samenleving? Ik niet hoor, maar wie het woord spreekt leve er ook naar.

zondag, oktober 16, 2005

Het vrije woord en de ideologie van de multiculturele samenleving

Bij wijze van inleiding, een wekroep.

1. Na de bezorgde lezing door onze Noord-Nederlandse collega Cliteur (The Nature and Limits of Academic Freedom in a multicultural society) wil ik op mijn beurt graag een antwoord proberen te geven op de vraag naar de staat van de vrijheid van meningsuiting in dit land met betrekking tot de zogenaamde problematiek van de multiculturele samenleving.

Laat mij maar dadelijk zeggen dat het antwoord op de vraag of die vrijheid van meningsuiting rechtens nog bestaat in dit land m.i. duidelijk neen is. Die vrijheid wordt in ons land weliswaar nog niet vermoord met kogels. Doch in andere opzichten is het in ons land nog slechter gesteld: het is niet één of andere doorgeslagen terrorist die de vrijheid hier inperkt, maar de overheid zelf, de staat, de regering, het gerechtelijk apparaat dat precies tot taak zou moeten hebben die vrijheid te beschermen. Een steeds groeiend deel van de Vlaamse bevolking heeft dan ook terecht het gevoel dat de vrijheid van meningstuiting inzake de multiculturele samenleving sinds enige tijd niet meer geldt.

2. Die vrijheid is in het bijzonder afgeschaft in de volgende omstandigheden:
"in openbare bijeenkomsten of plaatsen; in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; in om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen; in geschriften, al dan niet gedrukt, prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden; en zelfs in geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden."

Dat is immers de ruime definitie van "openbaar" in het Belgisch Strafwetboek. En in al die omstandigheden is het volgens de Belgische wet verboden om aan te zetten tot discriminatie of haat jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan wegens een zogenaamd ras, zijn huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, en zelfs verboden om nog maar openbaar het voornemen tot discriminatie of haat te uiten, waarbij reeds als discriminatie geldt "elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge heeft of kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan, aangetast of beperkt".

3. Die bepaling criminaliseert dus wel degelijk loutere meningsuitingen. Zoals ze door de Belgische onrechtspraak wordt uitgelegd, verbiedt zij openbaar verkondigde meningen waarin getwijfeld wordt aan alvast één aspect van de nieuwe staatsgodsdienst. Die nieuwe godsdienst is de godsdienst van het multiculturalisme (1). Een van de belangrijkste dogmata van die nieuwe godsdienst is precies de zogenaamd multiculturele samenleving - niet als een feitelijk begrip, maar als iets wat normatief wordt opgelegd als een te belijden ideaal. Dat ideaal is een dogma geworden dat niet meer in vraag wordt gesteld. Vandaar dat precies in het openbaar geuite afwijkende meningen over het onderscheid tussen mensen naargelang hun afkomst of gemeenschap waartoe ze behoren meer nog dan elke andere afwijkende mening moet worden bestreden. En dat bestrijden gebeurt niet met woorden - want daartoe heeft eenieder voor mij natuurlijk wel het recht - maar met georganiseerd geweld, namelijk gevangenisstraf en andere penale sancties.

Dat die bepaling, zoals ze wordt geïnterpreteerd, niet alleen hatelijk gedag criminaliseert maar ook loutere meningsuitingen, blijkt duidelijk uit het beruchte arrest van het Hof van beroep te Gent van 21 april 2004 - bevestigd door het Hof van cassatie op 9 november 2004 -: er is reeds een misdrijf door het loutere feit in het openbaar te pleiten voor een discriminerende wetswijziging, dit is een wetswijziging die in bepaalde opzichten een onderscheid maakt tussen categorieën van mensen naargelang hun afkomst of zelfs hun nationaliteit, wanneer dat onderscheid volgens de rechter niet redelijk en objectief is verantwoord (2). Ook wie stelt dat de bestaande wetten moeten worden geëerbiedigd, maar wel tegelijk pleit voor een wijziging van de wet in die zin, is dus strafbaar. De teksten van het EVRM en het Handvest van grondrechten in de Europese grondwet zijn vandaag gesacraliseerd tot heilige teksten die misschien nog wel op blote lijven mogen worden geschreven, maar waarvan de invraagstelling verboden is en zelfs strafrechtelijk wordt gesanctioneerd (3). Nog juister is misschien te zeggen dat het niet de grondrechten zijn die gesacraliseerd zijn, maar het gelijkheidsbeginsel. In naam van dat gelijkheidsbeginsel worden echte grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting afgeschaft.

4. Door de genoemde wet wordt aan alle burgers de plicht opgelegd om voortdurend mee te bouwen aan het "op voet van gelijkheid" garanderen van hetzelfde genot van rechten aan iedereen. Welnu, zoals ik elders heb uitgewerkt is het juist een van de basiskenmerken van een totalitaire staat dat er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de plichten van de overheid en die van de burger, dat de burger geen enkele andere vrijheid meer heeft dan de overheid. Kort gezegd: dat de burger niet meer de vrijheid heeft om te discrimineren, de fundamenteelste van alle vrijheden (4).

Dat deze nefaste tendens niet alleen in de Belgische wetgeving aanwezig is, blijkt uit een ander voorbeeld, namelijk de anti-misbruikbepaling van het Handvest van grondvesten in het ontwerp van Europese grondwet (art. II-114 (5)). Die bepaling stelt dat geen van die rechten en vrijheden gebruikt mogen worden om ook maar één ervan af te schaffen of te beperken. Als men weet wat er intussen allemaal al tot mensenrecht gepromoveerd is, zoals bv. het recht op betaalde vakantie, dan betekent dit dat na goedkeuring van die grondwet er geen vrijheid van meningsuiting meer is om het recht op betaalde vakantie aan te vallen. Zo zou men ook niet meer mogen bepleiten dat menselijk bloed een verkoopbaar goed moet zijn. Een van de bepalingen uit het Handvest is immers dat het verboden is om bloed te verkopen. In dezelfde zin zal men niet langer de stelling mogen verdedigen dat het nastreven van een hoog niveau van consumentenbescherming in sommige aangelegenheden nonsensicaal is. Uit deze voorbeelden ziet men dat het een kwalijke gewoonte is om over "de mensenrechten" te spreken, terwijl zich binnen die categorie rechten van zeer uiteenlopend gehalte en belang bevinden. De term "mensenrechten" komt er eigenlijk op neer dat men de echte fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van geweten, meningsuiting, godsdienst en vereniging verdrinkt en inperkt door ze te verlagen tot het niveau van allerlei andere zogenaamde rechten. In ieder geval is die ene zogenaamde misbruikbepaling van de ontwerp-grondwet al voldoende abject om dat Charter en daarmee ook die hele grondwet te verwerpen, omdat ze een nieuwe vorm van totalitarisme, een nieuw soort secularistische theocratie bekrachtigt.

5. Deze afschaffing van de vrijheid van meningsuiting wordt onder druk van de overheid ook doorgevoerd in de academische wereld. De zogenaamde antidiscriminatieverklaring van de Universiteit Gent bevat een verregaande beperking van de meningsvrijheid, tot en met bepalingen die gelijk luiden met wetsbepalingen die door het grondwettelijk Hof ongrondwettig zijn verklaard. En vanzelfsprekend zijn er altijd wel academici te vinden die in plaats van er een punt van eer van te maken de vrijheid van denken te verdedigen, collaboreren aan die repressie, ze legitimeren, en ertoe aanzetten.

Behalve de meningsbreidel door de regering en het gerechtelijk apparaat, is er ook de vaak nog verregaander publieke intimidatie van "afwijkende meningen" door de weldenkenden van onze maatschappij.

Ik ben hoogleraar in de rechten. Het is dus mijn professionele taak om rechtsontwikkelingen, inbegrepen rechterlijke beslissingen, kritisch te becommentariëren. Ik moet toegeven dat ik het niet meer durf te zeggen en te schrijven wat ik denk van sommige rechterlijke beslissingen, zoals in het bijzonder het cassatie-arrest van 9 november 2004 in de zaak van het Centrum voor Gelijke Kansen en racismebestrijding - een overheidinstelling die is opgericht om de fundamentele vrijheden met overheidsgeld te lijf te gaan - tegen de Vlaamse concentratie. Niet alleen zou ik woorden te kort komen, ik durf ze ook niet te publiceren, omdat ik het me als advocaat in dit land niet kan permitteren (6).

De kern van de zaak: een dubbel onderscheid

6. Nadat ik U hopelijk wakker heb gemaakt, probeer ik de kern van de zaak even samen te vatten. En die kern van de zaak vertrekt bij een dubbel onderscheid: enerzijds het onderscheid tussen recht en moraal en anderzijds het onderscheid tussen de vrijheid van de burger en die van de overheid. Die twee onderscheidingen vormen de essentie van het verschilt tussen een totalitaire maatschappij en een vrije democratische samenleving: de eerste maakt die twee onderscheidingen niet of nauwelijks, van de tweede vormen ze het belangrijkste fundament.

7. Het totalitarisme wordt bovenal gekenmerkt door een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad; datgene wat als goed geldt moet dan ook worden opgelegd - desnoods met geweld - en wat als kwaad geldt bestreden in plaats van getolereerd (7). In een democratie is er weinig zwart of wit en veel grijs, veel ruimte voor twijfel. In dubiis libertas. Die ruimte is het domein van de burgerlijke samenleving, niet van de staat. Het is de ruimte voor het morele debat, opengehouden door de juridische vrijheden.

Dit onderscheid tussen recht en moraal, en tussen staat en civil society, en de daarmee samenhangende fundamentele vrijheden, zijn belangrijke evolutionaire verworvenheden van het Westen. Ze zijn niet vanzelfsprekend, en dienen dan ook steeds opnieuw tegen totalitaire tendensen te worden verdedigd. Deze totalitaire tendensen vermommen zich daarbij maar al te vaak als verdedigers van het goede, als intolerante verdedigers van het goede. Want zoals de Joods-Nederlandse historicus Jacques Presser het al enkele decennia geleden zei "als het fascisme ooit terugkomt, zal het dat doen onder de naam antifascisme" (7bis).

8. Het onderscheid tussen recht en moraal is in twee richtingen essentieel: op de eerste plaats betekent het dat de juridische vrijheid ook - ja zelfs vooral - de vrijheid omvat om door anderen immoreel geachte meningen te uiten. Zij mogen niet met geweld worden bestreden Maar even belangrijk is natuurlijk dat dit onderscheid ook betekent dat het morele debat niet door het recht wordt gesmoord: de juridische vrijheid om iets te doen of te zeggen is nog geen morele legitimatie. Zij verhindert anderen niet om die mening of gedraging immoreel te vinden en op geweldloze manier te bestrijden.

Vandaag de dag zien we echter meer en meer een perverse identificatie van recht en moraal:
- enerzijds leidt dit ertoe dat te veel fatsoensregels - bv. niet aanzetten tot haat - tot dwingende rechtsregels worden verheven - hypertrofie van de moraal -, wat het morele debat verstikt door het opleggen van te veel uniformiteit.
- maar omgekeerd leidt het er ook toe dat de niet afdwingbaar gestelde fatsoensregels elke morele aanspraak verliezen. Dit fenomeen zien we de laatste jaren sterk in de pervertering van het begrip "tolerantie", waarmee het burgers onmogelijk wordt gemaakt om dingen die ze immoreel achten nog geweldloos te bestrijden. Het meest uitgesproken voorbeeld daarvan is de criminalisering van de zogenaamde "homofobie"- begrip dat als knots gebruikt wordt om elk moreel debat te fnuiken.

Het is deze perversiteit die geleid heeft tot het wegsturen van de Italiaanse christendemocraat Rocco Buttiglione als eurocommissaris. De nieuwe europese staatsgodsdienst, de Eu-religie, aanvaardde namelijk niet meer het door hem gehanteerde onderscheid tussen misdrijf (recht) en zonde (moraal). Buttiglione aanvaarde als perfecte democraat dat wat zondig was nog niet moet verboden worden, de secularisten konden echter niet aanvaarden dat iemand iets wat niet wettelijk verboden was nog zonde mag vinden (8).

9. Het is dus dringend tijd om meer ruimte te scheppen voor moreel zowel als politiek debat - ook inzake de zogenaamde multiculturele samenleving. Deze ruimte vereist het herstel van de vrijheid van meningsuiting, dus de afschaffing van alle wetgeving die zogenaamd racistische of discriminerende meningsuitingen verbiedt. Onfatsoenlijke meningen dient men niet te verbieden, maar door tegenmeningen te bestrijden. Iedereen heeft het recht om Rocco Buttiglione homofoob te noemen, net zoals ik het recht heb om iemand die het woord homofobie gebruik een intolerante en gevaarlijke fobomaan te noemen (9); doch zodra homofobie in meningsuitingen een misdrijf is, leven we niet meer in een democratie maar in een totalitaire staat.

Het is juist alleen maar door juridische vrijheid en morele verantwoording te onderscheiden, dus door onfatsoenlijke meningen niét te verbieden dat de vrijheidsruimte wordt gecreëerd om gedragingen of opvattingen van anderen die wij onethisch vinden ook als onethisch te bestrijden. Want een regime dat ermee begint alles wat onfatsoenlijk is juridisch te verbieden eindigt ermee alles wat niet juridisch verboden is tot fatsoenlijk uit te roepen en van anderen te eisen dat zij dit ook fatsoenlijk vinden. Het onderscheid tussen recht en moraal of fatsoen is dus een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor elk ethisch debat.

10. Het hedendaagse dogma van de multiculturele samenleving daarentegen, het dogma van het antiracisme, van de bestrijding van allerlei beweerde fobiëen zoals homofobie of islamofobie, heeft met multicultuur niets te maken, maar creëert een moreel nihilistische monocultuur, die ik elders ironisch het multinihilisme heb genoemd (10). Dit dogma houdt helemaal géén openheid in voor andere culturen of religies, want geen enkele van die andere culturen of religies aanvaardt het verregaande discriminatieverbod dat onder de vlag van multiculturalisme in het Westen is ingevoerd. Een multiculturele ingesteldheid zou immers precies het recht moeten inhouden om er andere morele opvattingen op na te houden dan de heersende, en om de al dan niet heersende opvattingen die men immoreel vindt op geweldloze manier te bestrijden. Het officiële multiculturalisme daarentegen komt er vandaag op neer dat culturele overtuigingen van onder meer etnische of religieuze minderheden waaraan deze vaak erg gehecht zijn, in het bijzonder in bio-ethische of sexuele materies, evenzeer gecriminaliseerd worden.

11. Het hier geschetste onderscheid tussen recht en moraal is ook een uiterst morele opvatting. Het is namelijk een zeer belangrijk aspect van de deugd der tolerantie. De ethiek vereist namelijk helemaal niet dat alles wat men kwaad acht ook moet verboden worden; het met geweld bestrijden van wat men kwaad acht is in de meeste gevallen een groter kwaad dan het tolereren ervan. Het via een wet of rechter verbieden van een onfatsoenlijke meningsuiting is in alle gevallen een groter kwaad dan die uiting zelf, voor zover het louter om een meningsuiting gaat: "De schade die het vrije woord ongetwijfeld berokkent is de prijs die betaald moet worden voor het grootste rechtsgoed dat een vrije samenleving kent" (11). Het morele antwoord op onfatsoenlijke meningen kan enkel "more speech, not less speech" zijn.

Het gaat dus niet om een tegenstelling tussen recht en moraal, in die zin dat de rechtsorde in strijd mag zijn met de ethiek. Zij is enkel in strijd met de simplistische opvatting van ethiek die eigen is aan het totalitaire denken. Maar het is allesbehalve immoreel maar juist essentieel ethisch om de heersende moraliteit (d.i. die van de politieke machthebbers) in vele gevallen niet met rechtelijke geboden en verboden (en dus geweld) op te leggen. Een rechtsorde die onfatsoenlijke en zelfs immorele meningen en zelfs gedragingen tolereert, is een morele orde, want zij beoefent de deugd van de tolerantie; zij realiseert een complexere moraal dan de simplistische moraal die van oordeel is dat alles wat onfatsoenlijk is ook door rechters en inquisiteurs, juridisch dus, moet worden bestreden.

Juridische grenzen aan de meningsuiting ?

12. De in antiracisme- en antidiscriminatiewetten ingevoerde beperkingen aan de - aldus niet meer vrije - meningsuiting zijn m.i. dus ethisch zowel als democratisch onaanvaardbaar. Ik heb het hier dus wel over juridische beperkingen die het mogelijk maken meningsuitingen met geweld te onderdrukken.

De vrije meningsuiting wordt door die breidelwetten in ons huidig regime vooral ingeperkt in zoverre de uiting een "aanzetten" vormt tot iets, en niet meer alleen, zoals vroeger in zeer beperkende voorwaarden (laster), omwille van de inhoud van de mening. Maar behalve bij het gebruik van geweld of dwang ligt tussen het aanzetten tot iets en de aangezette daad ligt nog de vrije wil van de persoon die aangezet wordt. Dat is een essentieel verschil met handelingen die op zichzelf schade berokkenen, of iemand anders dwingen schade te berokkenen (in welk geval het niet meer om aanzetten maar om dwingen gaat, wat een heel ander register is, omdat daar de vrijheid van de gedwongene rechtstreeks in het geding is; hier is er dus minstens sprake van misbruik van een machtspositie die men heeft over de persoon die aangezet wordt). Een samenleving die de mens als een wezen met vrije wil erkent, kan onmogelijk een uiting die zou aanzetten tot een onwettige gedraging zonder daartoe te dwingen, met die onwettige gedraging gelijkstellen - laat staan dat men nog van een democratische samenleving kan spreken wanneer het aanzetten tot onfatsoenlijke maar zelfs niet onwettige gedragingen kan worden gestraft (zoals vandaag in België).

13. Nog erger is het omdat de huidige wetgeving niet alleen het aanzetten tot geweld verbiedt - daar heb ik nog enig begrip voor, met name wanneer er een rechtstreekse bedreiging is voor de fysieke integriteit van personen. Maar ook het aanzetten tot haat wordt verboden, terwijl haat geen misdrijf is, maar een gevoel, dat overigens in bepaalde omstandigheden moreel volstrekt begrijpelijk kan zijn. Natuurlijk is haat in de meeste gevallen niet het meest fatsoenlijke gevoel. Het zal meestal een ondeugd zijn te haten en een deugd om geen haat te voelen. Maar het opleggen van die deugd en verbieden van die ondeugd is een veel grotere ondeugd dan het tolereren ervan. Iets hatelijk vinden en dat zeggen is overigens vanzelfsprekend een mening. "Haat is geen mening" (12) is dan ook één van de belachelijkste argumenten die ik ooit gehoord heb in het debat over de vrije meningsuiting, een typisch voorbeeld van Newspeak. Het recht om te haten en het recht om lief te hebben zijn fundamentele rechten van elke persoon. Overigens is het vaak zo dat bij de verdedigers van het verbod op bepaalde meningen de haat jegens andersdenkenden ervan afdruipt. Van bepaalde rechterlijke uitspraken zoals het arrest van 21 april 2004 druipt de haat jegens andersdenkenden af. En als er één plaats is waar haat in een democratische samenleving juist niet kan worden toegestaan, dan is het precies in rechterlijke uitspraken. Voor het overige erken ik graag eenieders recht om ook bepaalde meningen te haten, maar willen ze dan misschien een beetje consequent zijn en het verbod op aanzetten tot haat uit de wet schrappen ?

14. Een al even schabouwelijke inperking van de meningsuiting betreft het verbod op het aanzetten tot discriminatie of het uiten van een voornemen tot discriminatie. Omdat ik specifiek dit aspect elders uitvoeriger heb besproken, ga ik er hier niet nader op in (13).

15. Een inperking van de vrijheid van meningsuiting eis democratisch en ethisch enkel verantwoord wanneer de uiting een individuele persoon in zijn persoonlijke waardigheid treft. Maar het is nonsens om de belediging van een groep strafbaar te stellen. Er is een fundamenteel verschil tussen een algemene beledigende of valselijk beschuldigende uitspraak en een uitspraak die uitdrukkelijk een of meer bepaalde individuele personen beledigt of valselijk beschuldigt. Het "recht op goede naam" dat een beperking van de uitingsvrijheid rechtvaardigt, is een individueel recht van personen en géén collectief recht, zeker niet wanneer blijkt dat dit collectief recht blijkbaar alleen voor bepaalde soorten groepen geldt. Het is strijdig met de gelijkheid van de burgers om die beperkingen van de uitingsvrijheid, die de rechten van individuen beschermen, uit te breiden om "groepen" te beschermen. Daarmee kent men aan die groepen - met name goed georganiseerde groepen die erin slagen zich te laten erkennen als een beledigde of gediscrimineerde groep - allerlei collectieve rechten toe die de groep van gewone burgers niet heeft. Het kan dus niet dat meningsuitingen verboden zijn omdat zij krenkend zouden zijn voor een groep en niet voor een bepaalde persoon.

16. De verantwoordingen voor die inperking van de meningsuiting rammelen dus aan alle kanten, ook het argument van de bescherming van de rechten van anderen. Als het om de bescherming van anderen gaat zou men overigens de uiting van onfatsoenlijke meningen in het openbaar moeten verplichten in plaats van te verbieden. Onfatsoenlijke meningen zijn namelijk juist des te gevaarlijker naarmate ze niet meer in het openbaar geuit worden. De mogelijkheid gevoelens van haat of discriminerende opinies te uiten bespaart een samenleving veel gevaarlijker uitingen van opgekropte frustratie.

Dat onfatsoenlijke meningen juist met meer in plaats van minder meningsuiting moeten worden bestreden, maakt dan wel dat het perfect verantwoord is de rechten van personen te beschermen door hen een recht op antwoord toe te kennen en media een verplichting tot rechtzetting op te leggen. Daarmee wordt de vrijheid van meningsuiting immers niet aangetast.

Morele grenzen

17. Overigens zijn meningsuitingen m.i. niet alleen als dusdanig nooit juridisch te verbieden, maar ook op het ethische niveau niet te snel immoreel te noemen. Zoals de reeds genoemde de Brits-Nederlandse rechtsanthropoloog John Griffiths (14) schrijft kan het misbruik - dat dus ook voor hem door de staat niet mag worden beperkt, maar wel door de burgers als onfatsoenlijk mag worden bestreden - niet bestaan uit de gedachte die ten grondslag ligt aan de uiting, maar enkel "in de onnodig kwetsende wijze waarop een gedachte wordt geuit. En het "onnodige" zit niet in de pijn die de gedachte zelf doet, maar in het ontbreken van enige communicatieve meerwaarde in de woorden of beelden die nodeloze pijn toevoegen: schuttingtaal, beladen termen zoals "nazi", heilige teksten op blote lijven, enzovoorts" - einde citaat. Ongeacht of men het met dit laatste voorbeeld eens is of niet, de kern van de zaak is moeilijk beter te verwoorden.

Ik vraag niet liever dan dat alle meningsuitingen binnen de grenzen van het fatsoenlijke zouden blijven. Maar hoe kan men tegelijk zeggen dat het volkomen onfatsoenlijk was van Theo Van Gogh om over geitenneukers te spreken - dat was het ook, ook al was het een toespeling op een advies van ayatollah Khomeini - en tegelijkertijd overheidscampagnes in de scholen te brengen die schuttingtaal promoten en allerlei verstrengelde blote lijven brengen zonder communicatieve meerwaarde. Hoe kan men tegelijk meningen verbieden omdat ze immoreel zouden zijn, maar tegelijk het choqueren van gelovigen tot officiële politiek maken, door een bewuste aanval op precies die zaken waaraan alle grote godsdiensten een bijzondere sacraliteit toekennen, zoals bv. het huwelijk ?

18. In ieder geval hebben we de vrijheid van meningsuiting precies nodig om onfatsoenlijke, onethische opvattingen (zowel als gedragingen) te bestrijden - te bestrijden met woorden, niet met geweld. Meer nog, in tegenstelling tot de overheid moet iedere burger precies de vrijheid hebben om anderen te discrimineren, onder meer omdat ze die ander onfatsoenlijk vinden. Die discriminatievrijheid is met andere woorden een noodzakelijke voorwaarde voor morele weerbaarheid.

Beperking van de meningsuiting door private personen en organisaties.

19. Consequent doorgedacht houdt het voorgaande ook in dat private organisaties personen mogen discrimineren wegens hun mening en op die wijze de vrije meningsuiting mogen inperken. Ik heb het recht in mijn huis iemand de deur te wijzen omdat wat hij zegt me niet aanstaat. Eenieder heeft de vrijheid te zeggen wat hij wil, maar elke private organisatie heeft de vrijheid hem om die reden niet in dienst te nemen, aan hem niet te leveren of bij hem niet aan te kopen, hem niet als lid te aanvaarden, e.d.m. Het kan uitermate onfatsoenlijk zijn om dat te doen, zoals ook het uiten ven bepaalde meningen onfatsoenlijk is. Maar het is ethisch volkomen gerechtvaardigd dat die vrijheid bestaat, omdat het inperken van die vrijheid moreel een groter kwaad is. Dit betekent niet dat we private personen en organisaties niet moreel ter verantwoording kunnen roepen, maar wel dat zij niet verplicht kunnen worden zich daarvoor in rechte te verantwoorden.

20. Diezelfde vrijheid geldt vanzelfsprekend niet voor de overheid, om de eenvoudige reden dat de overheid een monopoliepositie heeft, met name een geweldmonopolie. Keerzijde van dat monopolie zijn het legaliteitsbeginsel, dat het de overheid verbiedt anders te beslissen dan aan de hand van op voorhand bepaalde, voor iedereen gelijk geldende algemene regels en het verbod voor de overheid om te discrimineren (d.i. de eigen burgers ongelijk te behandelen zonder dit objectief en redelijk te rechtvaardigen). Dit zowel als de erkenning van vrijheidsruimten door de overheid heeft essentieel te maken met het feit dat de wet ook wordt opgelegd aan wie er niet mee instemt. Zonder die terughoudendheid is een democratie niets meer dan een dictatuur van de meerderheid.

Op de grens tussen beiden liggen private organisaties die weliswaar geen wettelijk, maar toch een feitelijk monopolie bezitten, alleen of met andere organisaties waarmee ze hun beleid afstemmen. Zolang een dergelijke situatie aanhoudt, is het verantwoord aan die organisaties vergelijkbare plichten op te leggen als aan de overheid.

Toegepast op de universiteiten

21. Laten we dit even toepassen op organisaties die voor academici natuurlijk van bijzonder belang zijn: onze Universiteiten. In beginsel moeten we dus een onderscheid maken tussen publieke en private universiteiten. De laatste kunnen bv. ideologische of religieuze eisen stellen bij de aanwerving van hun personeel. Zij kunnen ook eisen stellen aan de meningsuitingen van hun personeel. Zij moeten zich natuurlijk wel houden aan de regels die contractueel zijn afgesproken, maar kunnen in beginsel meningsuitingsbeperkende regels hanteren, althans wanneer die uitdrukkelijk zijn bedongen bij de aanwerving.

22. De vraag rijst evenwel of er in ons land nog sprake is van private universiteiten in de echte zin des woords, en of er in bepaalde opzichten geen feitelijk op vele vlakken elk alternatief uitsluit. Anders dan in de Verenigde Staten is het in ons land onmogelijk om zomaar een nieuwe private universiteit op te richten. De vraag is dus hoe groot de keuzevrijheid nog is. Indien met name alle Universiteiten zich "bekennen" tot de ideologie van het multiculturalisme heeft die ideologie daarmee een feitelijk monopolie op de markt van de universiteiten, en is het dus niet aanvaardbaar dat een universiteit iemand zou discrimineren omdat hij de officiële opvatting over het multiculturalisme niet deelt. Op andere vlakken geldt dat monopolie nog niet: het is dus nog steeds perfect aanvaardbaar dat een zich katholiek noemende universiteit religieuze eisen stelt aan haar personeel, precies omdat er op dat vlak voldoende alternatieven zijn. Jammer genoeg moeten we vaststellen dat de zich katholiek noemende universiteit in recente tijden weinig graten ziet in uitgesproken niet-katholieke opvattingen onder haar personeel, en veel meer problemen schijnt te hebben met opvattingen die afwijken van de staatsgodsdienst van multiculturalisme en non-discriminatie.

De opdracht van de universiteit ter verdediging van de vrije meningsuiting

23. Ik beschouw het daarentegen precies als een belangrijke taak voor onze universiteiten om meer dan welke instelling ook de vrijheid van meningsuiting te bevorderen en te vrijwaren. Ik vind het bedroevend om vast te stellen dat personen die zich lenen tot het verdrukken van de vrije meningsuiting een plaats hebben aan onze Universiteiten. en daarvoor nooit verontrust worden, wat niet kan gezegd worden van diegenen die juist hun nek uitsteken voor die vrijheid. De Universiteiten zouden juist weerstand moeten bieden aan de repressie door de overheid in plaats van er zich toe te lenen een dergelijke politiek mee uit te voeren. De Universiteiten moeten een vrijhaven zijn van het denken (15). De daarmee strijdige bepalingen van allerhande antidiscriminatieverklaringen zijn een onaanvaardbare aanslag op die vrijheid van denken en spreken (16).

De Universiteiten zouden zich integendeel moeten opwerpen als beschermheren van hun kritische professoren, wanneer die bv. door de media of door andere lobby's worden aangevallen. Natuurlijk moeten de Universiteiten niet de inhoud verdedigen van wat alle professoren vertellen - bespaar ons dat in Godsnaam - maar wel het feit dat zij de vrijheid hebben dat te zeggen. Zij zouden luidop moeten protesteren telkens wanneer de buitenwereld de inperking vraagt van de vrije meningsuiting van professoren of sancties vraagt tegen professoren die onwelgevallige meningen uiten. Naarmate de Universiteiten versagen in deze plicht, zullen de groepen die het luidst roepen of het meest intimideren door vrijdenkers van allerlei fobieën te beschuldigen, er steeds meer in slagen hun partijdige kijk op te dringen aan het publieke debat en worden de gedachten steeds minder vrij. Ik ben er al evenmin als Paul Cliteur gerust in.

Deze bijdrage verscheen in Ethische perspectieven


* Nader uitgewerkte versie van een lezing op het 3rd Ethical Forum van de Universiatire Stichting, Brussel 25 november 2004 "Free to speak out ? On the rights and responsibilities of academics in the public debate". Het onderdeel over de specifieke verantwoordelijkheden van academici werd niet uitgewerkt, daar het in andere bijdragen uitvoeriger aan bod komt (zie http://www.fondationuniversitaire.be/fr/forum3.php#prog).
Voetnoten:
1. Een ander aspect van deze nieuwe godsdienst kwam maanden na deze lezing aan de oppervlakte. In een zomer 2005 bekendgemaakt zogenaamd charter van de democratie wil het paars bewind aan alle burgers een akte van geloof in abortus, euthanasie en homohuwelijk opleggen.
2. Arrest 21 april 2004 inzake CGKR t. Vlaamse concentratie, punt 2.2.1.: "Wat het “aanzetten” betreft, is het zo dat een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld reeds volstaat. Een ten aanzien van medeburgers in de openbaarheidvereisten van het artikel 444 van het Strafwetboek gehouden pleidooi voor een discriminerende wetswijziging kan derhalve, ook al kan dergelijke wetswijziging slechts tot stand komen op de door de Grondwet voorziene wijze, ongetwijfeld als een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie worden aangezien."
3. Althans wanneer die invraagstelling in een richting gaat van een onderscheid dat door het regime als niet redelijk verantwoord wordt beschouwd. Discriminatie van mensen wegens hun politieke overtuiging bv. is zelfs een officiële politiek.
4. "De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren", Molinarilezing bij de ontvangst van de Prijs voor de vrijheid, Vivat Academia 2005, nr. 126, p. 3-27 en in Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) 2005 nr. 118, p. 3-14, ook op .
5. “Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten met als doel de in dit Handvest erkende rechten of vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.”
6. Het volstond overigens dat ik nog maar in algemene bewoordingen kritiek had geuit op die rechtspraak of ik werd de volgende dag publiekelijk aangevallen door de voormalige directeur van datzelfde Centrum met het argument dat ik de scheiding der machten niet eerbiedigde. Nota Bene door de directeur van een centrum dat juist is opgericht in strijd met de grondwettelijke scheiding der machten en bevoegdheden heeft gekregen die normaal enkel aan de magistratuur toekomen. Die ging dus beweren dat een hoogleraar in de rechten, die betaald wordt om de rechtspraak kritisch te ontleden, precies dat niet meer zou mogen doen. De uitval toont trouwens opnieuw aan hoezeer het onderscheid tussen de positie van de staat en de burger is geperverteerd: men past hier opnieuw tegen de burger regels toe die bedoeld zijn om de burger tegen de staat te beschermen (nl. de scheiding tussen uitvoerende en rechterlijke macht).
7. Over tolerantie, zie uitvoeriger mijn bijdrage "Tolerantie, lezing Nationaal Congres Davidsfonds, Antwerpen 20 april 2002, in "De Vlaamse Beweging.Welke toekomst ?", Davidsfonds Leuven 2002, p. 164-179; licht gewijzigde versie in Nova et Vetera, Tijdschrift voor Onderwijs en Opvoeding, jg. LXXX, 2002-2003, nr. 6, p. 435-449; licht gewijzigd op http://www.storme.be/tolerantie.html.
7bis. Onder meer aangehaald door Michaël Zeeman in "Dood aan de column", Knack 2003 nr. 8
8. Zie hierover nader mijn bijdrage "Ontslag Buttiglione illustreert machtsgreep Europese tegenreligie", volledig op http://www.storme.be/Buttiglione.html, licht ingekort in 't Pallieterke 9 november 2004, sterk ingekort in de TIJD 8 november 2004.
9. Zie voor het begrip fobomanie mijn hoger geciteerde bijdrage "Tolerantie".
10. In "Opmars van het multinihilisme - Waarden om voor te vechten ?", Doorbraak december 2001, p. 3, en in "(Inter)nationalist zijn vandaag - tussen individualisme en totalitarisme, universalisme en particularisme, cultuurimperialisme en multiculturalisme, schizofrenie en paranoia", emeritaatsviering prof. Ponette, 6 oktober 2001, in Vivat Academia 2002, licht verkort in Civis Mundi 2002 nr. 1, p. 51-56, ook op http://www.storme.be/inter-nationalisme.pdfr-nationalisme.pdf.
11. J. GRIFFITHS, "Meer fatsoen en minder recht", NJB 2004
12. Titel van een artikel van D. VOORHOOF, in De Standaard 7 mei 2004, ook op (ook te vinden op http://www.mensenrechten.be/main.php?item_content=106). De argumenten van de auteur zijn autoriteitsargumenten: het verbod op aanzetten tot haat of discriminatie volgt uit internationale zogenaamde mensenrechtenverdragen en wie zich daartegenover op de vrijheid van meningsuiting beroept maakt bij de rechters in Straatsburg toch geen kans. Ook hier vinden we de afdreiging in de trant van "durf het niet om de dogma's van de mensenrechten" en de interpretatie ervan door politieke benoemde rechter sin vraag te stellen.
13. "De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren", hoger aangehaald.
14. J. GRIFFITHS, "Geef mij meer fatsoen en minder recht", NJB 2004, 2336.
15. Natuurlijk hebben Universiteiten het recht en zelfs de plicht na te gaan of hun professoren hun taak vervullen, of ze naar behoren hun onderwijsopdrachten vervullen, onderzoek verrichten, of aan dienstverlening doen, of ze geen fraude plegen of tolereren, zich niet aan plagiaat bezondigen e.d.m. En natuurlijk houdt de vrijheid van meningsuiting van professoren niet in dat zij tijdens het onderwijs gelijk wat mogen zeggen, en hun colleges zouden mogen misbruiken om ideologische meningen te uiten die voor de opleiding van de studenten niet relevant zijn. En natuurlijk hebben de professoren ook een vorm van beroepsgeheim. De lezer zal ook wel beseffen dat het er hier niet daarom te doen is. Deze vragen komen in andere bijdragen aan dit Forum aan bod.
16. Zo heeft de universiteit Gent de dictatuur van de politieke correctheid en de fobomanie al ingevoerd door het verbieden van "discriminerende stereotiepen en vooroordelen" in colleges en syllabusmateriaal en te eisen dat bij het formuleren van uitspraken en het aangaan van discussies "de mensenrechten" (welke ??) als leidraad dienen (zie art. 4 antidiscriminatieverklaring van 16 januari 2004). Op deze wijze wordt dus duidelijk één bepaalde ideologie als enige toegelaten in het onderwijs.
 
Locations of visitors to this page