zaterdag, juli 26, 2014

Een West-Lothian conundrum* in Vlaanderen: de provincievrije steden

Bedenkingen bij de Vlaamse regeringsverklaring

Als Antwerpen en Gent straks 'provincievrij' worden, krijgen we dan 'provincie-arme' provincieraadsleden voor die beide steden? Matthias Storme staat stil bij een nieuw staatkundig curiosum.
In het Vlaams regeerakkoord staat te lezen dat de provincies afgeslankt worden: zij oefenen niet langer persoonsgebonden bevoegdheden uit en wat betreft de steden met meer dan 200 000 inwoners (dus Gent en Antwerpen) ’oefenen ze niet langer bovenlokale taken uit en nemen geen gebiedsgerichte initiatieven meer’. De tekst gaat verder: ‘de provincies zullen de opbrengsten die hun eigen belastingen genereren in steden met meer dan 200.000 inwoners, doorstorten aan die steden’. 
Antwerpen en Gent worden dus ‘provincievrij’ zoals sommigen reeds schreven. Dat is op zichzelf niet zo nieuw. In Duitsland zijn de grotere steden ook 'kreisfreie Städte’ die niet onder een Landkreis vallen, maar rechtstreeks onder het Land (deelstaat). Of, als we het perspectief wat veranderen: de grote steden Bremen en Hamburg zijn zelf deelstaten die rechtstreeks onder de Bund vallen (een statuut waarmee het Brussels Gewest een zekere gelijkenis zou vertonen, ware het niet dat er daar nog steeds 19 gemeenten zijn; alhoewel: de deelstaat Bremen bestaat ook uit twee gemeenten). Historische voorlopers van die 'kreisfreie’ steden waren de 'rijkssteden’, die niet aan een landsvorst onderworpen waren maar rechtstreeks deel uitmaakten van het Duitse Rijk.
Evenwel doet dit een interessante vraag rijzen, namelijk of de inwoners van Antwerpen en Gent dan nog kiesrecht kunnen hebben bij de provincieraadsverkiezingen. Weliswaar zegt het akkoord niet uitdrukkelijk dat deze twee steden geen deel meer uitmaken van de provincie, wellicht omdat dit krachtens art. 5 II en 6 van de grondwet een federale bevoegdheid is, maar de facto komt het daar op neer. Toch lijkt het grondwettig niet te kunnen om de inwoners van Gent en Antwerpen geen provincieraadsleden meer te laten verkiezen. Maar die leden zetelen dan wel in een raad waarvan de beslissingen niet gelden voor de gemeenten waaruit ze verkozen zijn. Dit lijkt te botsen met het basisbeginsel 'No representation without taxation’ (waarvan de keerzijde iets bekender is). De vraag die hier rijst is in het Verenigd Koninkrijk bekend geworden onder de naam 'West-Lothian conundrum’ (of West-Lothian question): de in het Britse Parlement (Westminster) gekozen volksvertegenwoordigers uit West-Lothian - een willekeurige kieskring uit Schotland - mogen in Westminster immers beraadslagen en stemmen over heel wat materies waarvoor in Schotland het Schotse Parlement bevoegd is, en beslissen dus mee over zaken die énkel voor Engeland en Wales gelden.
In België kenden we dit vraagstuk tot nu toe enkel door de fusie van Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, waarbij het Vlaams Parlement in het Brussels Gewest enkel persoonsgebonden bevoegdheden heeft en geen gewestbevoegdheden. Om die reden mogen de leden van het Vlaams Parlement die in Brussel verkozen zijn, niet meestemmen in gewestzaken. Als we dit doortrekken naar de provincievrije steden, zouden de provincieraadsleden uit die steden enkel nog mogen stemmen voor de heffing van de provinciebelasting, die immers ook in die steden zou worden geheven maar wel doorgestort. In alle andere materies zouden zij niet mogen deelnemen aan beraadslaging en stemming. Dat wordt voorwaar nog een kleinere opdracht dan die van onze nieuwe senatoren. We krijgen er in ieder geval weer een staatkundig curiosum bij.

* Een 'conundrum' is een haast onoplosbaar dilemma of raadseltje.

Deze bijdrage verscheen eerst in Doorbraak 25 juli 2014.

woensdag, mei 21, 2014

Neem Europa zijn open debat niet af

Minder macht voor de lidstaten, meer macht voor het Europees Parlement: dat is het heersend discours in het aanschijn van de Europese verkiezingen. Matthias Storme is het daar niet mee eens. ‘Meer Europa’ over precies die thema’s waarover grote onenigheid bestaat, dreigt tot een polarisering op zijn Amerikaans te leiden.
-------
De voorbije weken werd er uitvoerig voor gepleit om de voorzitter van de Europese Commissie door de fracties van het Europees Parlement te laten bepalen. Die fracties hebben elk hun kandidaat naar voor geschoven en het zou, zo zegt men, een kaakslag voor de democratie zijn als niet een van de Spitzenkandidaten de opvolger van José Manuel Barroso wordt.
Ook wordt ervoor gepleit om de Europese besluitvorming meer te politiseren. Die besluitvorming wordt nu door velen als te technocratisch beschouwd en/of te veel bepaald door de nationale politieke opinies. Die politisering zou dan moeten leiden naar een meer Europees politiek debat, een Europese publieke opinie. En zo zou het argument worden gecounterd dat het zwaartepunt van de democratie best bij de naties blijft liggen, omdat daar ook het democratisch debat plaatsvindt.
Om meerdere redenen vind ik dat niet zulke goede ideeën. Tot vandaag is er in het Europees Parlement niet echt een meerderheid en een oppositie zoals we die in Vlaanderen, België en vele andere parlementaire democratieën kennen. In dat parlement wordt er daardoor veel meer met een open geest gedebatteerd en zien we bij de stemmingen steeds wisselende meerderheden.
En zo hoort het eigenlijk in een democratie. In landen waar er duidelijk een meerderheid en een oppositie zijn, verliest het parlement een groot deel van zijn macht, zoals de nationale politiek duidelijk bewijst. Merkwaardig genoeg is de enige periode in de laatste vijftig jaar waarin het Belgische parlement ‘normaal’ functioneerde, die van de grote regeringscrisis van 2010-12. Zolang er nog geen meerderheid en oppositie waren, kon het parlement echt zijn rol spelen, en toen zijn er belangrijke wetten door het parlement zelf gemaakt (zoals een nieuwe nationaliteitswet). Sinds er een ‘normale’ regering is, is het parlement weer grotendeels gedegradeerd tot stemmachine van kabinetsontwerpen.
Maar weinig democratieën hebben geen last van dat fenomeen: Zwitserland, waar de regering wel door het parlement wordt verkozen maar uit omzeggens alle partijen bestaat (de zogenaamdeKonkordanzdemokratie) en de VS, waar de regering geen meerderheid in het parlement (Congress) moet hebben (omdat zij door een rechtstreeks verkozen president wordt samengesteld) en gedurende vele decennia over de partijgrenzen van Democraten en Republikeinen heen wetten werden gemaakt. En ook het huidige Europese Parlement dus. Het zou dan ook zeer jammer zijn om dat te zien verloren gaan.
Technische regeltjes
De politisering waarvoor men pleit, houdt vaak ook in dat men de rol van de lidstaten wil terugdringen. ‘Zuiver’ Europese instellingen als Commissie en vooral Parlement zouden meer te zeggen moeten hebben over de grote politieke en sociale vragen, klinkt het. Europa zou zich daarop moeten profileren, in plaats van als economische regulator massa’s technische regeltjes over ons uit te storten (waarvan Hendrik Vos haarfijn het nut al verdedigde, DS 14 mei ).
Maar dan zouden Commissie en Parlement meer macht krijgen over net die vragen waarover onze samenlevingen verdeeld zijn en waarover vooral de Europese samenleving als geheel sterk verdeeld is.
Hier dreigt een tweede gevaar, een waarvan de jongste jaren in de VS al duidelijk werd wat de gevolgen kunnen zijn. Als we de rol van de lidstaten terugschroeven in die zaken waarover de Europese samenleving verdeeld is, riskeren we een Europa te scheppen dat zoals de VS diep politiek verdeeld is. Precies door de grote maatschappelijke en politieke thema’s naar Washington te verschuiven, is dat land meer verdeeld dan ooit tevoren: er zijn ‘rode staten’ (Republikeinen) en ‘blauwe staten’ (Democraten) en die praten niet meer met elkaar. In het Congres wordt er ook niet meer over de partijgrenzen heen gepraat, want omzeggens elk thema wordt een federaal campagnethema.
Europeanisering
Dit is geen pleidooi voor Europese ‘achterkamertjespolitiek’, integendeel. We moeten juist het open debat in het Europees Parlement veiligstellen. Waar anderzijds wél nood aan is, is een ‘europeanisering’ van de nationale parlementen, zoals onder meer Mark Elchardus (DS 17 mei) bepleit: de nationale parlementen (en bij ons zijn dat ook de deelstaatparlementen) moeten meer betrokken worden bij de besluitvorming van de lidstaten over en in de Europese Unie en moeten er meer tijd en middelen voor inzetten. Dat is veel en veel belangrijker dan een overtrokken aandacht voor Spitzenkandidaten voor de Europese Commissie.

Matthias Storme. Gewoon hoogleraar (KU Leuven) en medestichter van het European Law Institute. Doceerde jarenlang Europees recht. Kandidaat voor het Europees Parlement voor N-VA.

Deze bijdrage verscheen in De Standaard van 21 mei 2014: http://www.standaard.be/cnt/dmf20140520_01112849

donderdag, mei 01, 2014

Zelfbeschikkingsrecht is moeilijk in te vullen

Professor Matthias Storme, hoogleraar in de rechten aan de KU Leuven is advocaat, oud-voorzitter van het OVV en kandidaat bij de Europese verkiezingen. Storme is bekend in de Vlaamse beweging en heeft tijdens het internationaal symposium in Gent een uitstekende beeld opgehangen over zelfbeschikkingsrecht voor volkeren.Wij spraken met hem op zijn kantoor aan de Coupure in Gent.
Grondvest: Is zelfbeschikkingsrecht een mensenrecht?
Storme: ‘Het internationaal zelfbeschikkingsrecht voor volkeren is een algemeen beginsel, maar er is discussie over de draagwijdte ervan. Iedereen is het eens over het principe, maar niet over de invulling. Er zijn verdragen en uitspraken van internationale rechtscolleges. De enge interpretatie roept tegen ons dat het zelfbeschikkingsrecht enkel diende voor de dekolonisatie.Vele instanties interpreteren het ruimer; als het recht op secessie of separatisme. Er is geen “wereldautoriteit” om zich daarover uit te spreken. We zien echter toch dat veel documenten – die gezag hebben in internationaal recht – het zelfbeschikkingsrecht toch uitwerken en erkennen. Het bekendste voorbeeld uit de geschiedenis is Amerika, en dichter bij ons het “Plakkaat van Verlatinghe” waarbij in 1581 Filips II werd afgezet.’
Hoe kan Vlaanderen zich beroepen op het zelfbeschikkingsrecht?
‘Zelfbeschikkingsrecht is moeilijk in te vullen omdat we moeten definiëren wat een volk is, welke kritische massa je moet hebben om recht op secessie te hebben.Wat speelt er mee? Of er een regering, een parlement, een grondgebied is. Dan is het niet zo moeilijk om te zien dat Vlaanderen, Catalonië, Baskenland en Schotland daaraan voldoen. Anderen zeggen dat er sprake moet zijn van verdrukking, bijvoorbeeld de Kosovaren die door de Serven werden verdrukt. De Vlamingen worden niet verdrukt, maar we slagen er niet in om de politiek te voeren die we nodig hebben.’
Hoe ontstaan nieuwe staten?
‘Veelal ontstaat een staat en wordt ze achteraf erkend, zoals België en Kosovo. Ook de Baltische Staten hebben zich zo onafhankelijk van Rusland verklaard. Er is geen kant-en-klaar scenario. Er zijn wel enkele criteria die een rol spelen en die bepalen of een secessie lukt of niet. Met een louter moreel principe kom je er niet, maar de kans dat het slaagt, hangt toch ook af van het feit of men het kan legitimeren. Het is niet alleen een machtsspel. Een meer voor de hand liggend scenario is enerzijds dat je kan aantonen dat je een meerderheid van de bevolking mee hebt. Anderzijds zijn er ook geslaagde afscheidingen waar men daarvan nooit zeker is ge- weest, maar van het geschikte moment gebruik maakte. De Grieken noemden dat “kairos”. Een momentum kan zich ook aandienen als niet iedereen voor is, maar als er minder tegen zijn.’
Kan een referendum hierover in Vlaanderen?
‘Een referendum is niet verboden maar kan alleen maar raadgevend zijn.Voor een bindend referendum moet je eerst de grondwet wijzigen. Voor Franstalig België heeft men het consultief referendum ingevoerd, maar de Vlaamse par tijen zijn tegen, ook de N-VA. Het is meestal de overtuiging dat politici hun verantwoordelijkheid moeten nemen en niet moeten laten afhangen van populaire stem- mingen. Anderzijds kan je ook zeggen dat het Vlaams Parlement voldoende representatief is.’
Hoe staat Europa tegenover zelfbeschikkingsrecht?
‘Dat gaan we pas weten als er een eerste onafhankelijkheidsverklaring is. Het zou wel interessant zijn als de Schotten op 18 september ‘yes’ zeggen; dan moet de EU er wel een antwoord op bieden. In het Verenigd Koninkrijk hebben ze al aangekondigd bereid te zijn de uitslag van het referendum te aanvaarden. In Vlaanderen ligt een afscheiding – zonder de Belgische staat volledig op te doeken – nu nog niet op tafel. De verhouding met Europa zou volledig moeten worden uitgeklaard. De EU is één van de grote redenen om te streven naar zelfbeschikking, het is belangrijk om inspraak te hebben in Europa. De deelstaten hebben nu omzeggens geen inspraak. Europa is eigenlijk de push- en pullfactor; het is dé reden waarom de staatshervorming noodzakelijk is. Een Europa van deelstaten maakt geen einde aan het vrij verkeer. De EU maakt een secessie enerzijds onschadelijk en anderzijds bijna noodzakelijk. Er is een duidelijke band tussen de ontwikkelingen in de EU en de radicalisering in Vlaanderen. De huidige lidstaten hebben geen enkele interesse om dat debat te openen. Voor bijvoorbeeld Spanje is het zelfs problematisch. Voor anderen heeft gelukkig voor hen de afscheiding plaatsgevonden voor de aansluiting bij de EU, dit is het geval met 7 van de 28 lidstaten: Letland, Estland, Litouwen,Tsjechië, Slovakije, Slovenië en Kroatië. Als je verder teruggaat in de tijd dan is de meerderheid van de Europese lidstaten ontstaan uit een secessie.’ 
(gepubliceerd in Grondvest mei 2014, http://vvb.org/file?fle=1191)

zondag, december 15, 2013

Diepgang - interview met Matthias Storme in De Wijzer

Overgenomen uit De Wijzer, tijdschrift van de Nieuwe Filosofische Kring (Leuven), 201-14 nr. 2 -  http://nfk.be/wijzer/2013-2014/deWijzer%202.pdf.

Matthias Storme is professor aan de faculteit rechten, lid van de N-VA en zetelt sinds begin dit jaar in de Gentse gemeenteraad. Zijn bachelor in de rechten combineerde hij met een bachelor wijsbegeerte en voor zijn master in de wijsbegeerte trok Storme naar de prestigieuze Yale University. Als professor aan de faculteit rechten lijkt zijn filosofische carrière niet meer te primeren. Storme merkt op dat het gewoon niet mogelijk meer zou zijn om bij te blijven met de ontwikkelingen nu, en de advocatenmop die hij vertelt bevestigt het vermoeden dat rechten sterk op de voorgrond is komen treden.
Waarom koos u voor twee opleidingen?
Vanaf mijn eerste jaar in Antwerpen heb ik geprobeerd beide opleidingen wat te combineren. In het eerste jaar ging dat nog vlot, maar vanaf het tweede jaar legde ik de vakken filosofie af in tweede zit. Toch haalde ik zon der problemen gelijktijdig mijn kandidaturen in de rechten en de wijsbegeerte. Vervolgens ben ik naar Leuven getrokken om daar
de licentie Rechten te volgen. Ook in Leuven
probeerde ik om naast de rechten nog wat
ruimte vrij te maken voor de licentie wijsbegeerte. Echter, nog voor ik de tijd had gevonden om mijn thesis wijsbegeerte te schrijven kreeg ik de kans om in de VS te studeren. Zo ben ik in Yale beland, waar ik dat jaar mijn master filosofie heb behaald.
Filosofie studeren in Amerika leek toen een nogal gekke keuze. Wat mij aantrok aan de VS was
haar universitaire cultuur. Wie destijds verder ging studeren in Duitsland of Frankrijk
liep immers vaak verloren. Je kon daar toen
allerlei vakken volgen, maar hoe je uiteindelijke diploma er zou uitzien was vaak een
raadsel. De structuur die opleidingen op het
continent vaak ontbeerden was daarentegen
één van de troeven van Amerikaanse opleidingen. Bovendien hoefde ik het (toen al
hoge) inschrijvingsgeld niet te betalen.
Was u toen al veel bezig met het politieke luik van de filosofie?
Het klinkt misschien merkwaardig, maar op dat moment was ik niet zo bezig met de praktisch toepasbare filosofie. Het grootste doel van mijn studie was om een soort filosofische Bildung op te bouwen. Ik las daarom vooral grote namen uit de geschiedenis van de filosofie. Daarnaast was ik ook gebeten door de hermeneutiek, en vooral het werk van Gadamer. Het dieper lezen van allerlei soorten teksten en het blootleggen van allerlei interpretatiemethodes kan verschillende deeldomeinen van ons kennen met elkaar verbinden. Yale was trouwens een goede plaats om je in zo’n zaken te verdiepen. De universiteit van Yale is immers een baken van continentale filosofie in een land waar analytische filosofie domineert.
Directe democratie
U bent vandaag politiek erg actief. Zo schrijft u meermaals opiniestukken, zetelt u in de gemeenteraad voor N-VA, en zit u als ideoloog zelfs in de partijtop. Horen professoren wel thuis in de politiek, en zo ja, hoe weten ze beide functies te combineren?
Dat is een lastige vraag. Ik denk dat professoren die politiek actief zijn zeker een meerwaarde kunnen bieden. In Vlaanderen heerst er echter een grote koudwatervrees als het over politiek engagement gaat. Neutraliteit wordt in Vlaanderen fout voorgesteld. Zo kraait er geen haan naar wanneer mensen politieke - zelfs extreme - ideeën verkondigen. Zodra ze echter een partijkaart bezitten zouden ze niet meer in aanmerking mogen komen voor allerlei functies. Dat vind ik echt absurd. Waarom gaan we niet meer voor transparantie? Zo weten we ten minste waar iemand met zo’n functie daadwerkelijk voor staat.
Natuurlijk moet het combineren van beide functies ook praktisch haalbaar zijn. Tegenwoordig eisen vrijwel alle functies veel tijd en energie op. Daarom impliceert politiek activisme ook altijd een evenwichtsoefening. Je job werpt ook altijd een paar politieke beperkingen op. Toch is politiek engagement nutteloos als men niet een minimum aan loyaliteit weet op te brengen. Zelf vind ik dat ik die balans wel goed weet te leggen.
U zegt dat professoren zich niet mogen verschuilen achter een valse neutraliteit. Van professoren in het politieke metier, en van technocraten in het algemeen, wordt ook gezegd dat ze zich verschuilen achter hun ‘expertise’. Zo stelt de technocraat niet alleen zijn kennis, maar ook de politieke keuzes die hieruit zouden moeten volgen voor als absoluut. Een juiste analyse?
We moeten hier eerst even het onderscheid maken tussen verschillende vakgebieden. Bij sommige problemen zijn de keuzes die moeten gemaakt worden in veel grotere mate politieke keuzes dan in andere. Geen enkel domein waar de overheid optreedt, is vrij van politieke keuzes en te reduceren tot expertise en technocratie, maar er zijn gradatieverschillen. Om die keuzemogelijkheden duidelijk vorm te geven is voorafgaand een hele hoop expertise nuttig. Politiek is kiezen, maar vooral ook weten wat we kiezen. Politiek actieve experts kunnen dan net de brug vormen tussen kennis en politiek!
Anderzijds mag men politieke keuzes niet verstoppen achter die expertise. In een democratie moet politiek juist de mogelijkheid geven om ook alternatieve keuzes te maken. Daarom heb ik het helemaal niet voor
de consensusdemocratie die bij ons vaak gepredikt wordt. Nu zijn er ook wel goede voorbeelden van consensusdemocratie. Neem
Zwitserland: een regering waarin al jaren elke
partij zetelt, en die consensus bereikt, met
daarnaast een onafhankelijk democratisch
samengesteld parlement dat haar functie van controle met vuur uitoefent. In België dient de parlementaire meerderheid enkel om het tussen de regeringspartijen bereikte compromis te bekrachtigen. Daarom zou een directere vorm van democratie ook niet misstaan. Daarmee ga ik wel in tegen de standpunten van mijn eigen partij.
Directe democratie: denkt u dan aan referenda of vooral aan sterke lokale besturen?
Beiden. De gemeentelijke autonomie mag veel groter worden in België, al vergt dat wel tijd. Referenda moeten trouwens ook wat herdacht worden. Zo mag de vraag van een referendum niet worden opgelegd van bovenaf. Dat kleurt de discussie meteen in het voordeel van de politici. Laten we flexibele referenda houden. Ook hier kunnen we ons baseren op het Zwitsers model. Daar kunnen in het referendum meerdere oplossingen tegelijk ter stemming worden voorgelegd, die door verschillende groepen (burgers, middenveld, politici) worden gesteld.
Daarnet zei u nog dat mensen wat vaker de partijkaart mogen trekken. Hoe verzoent u dit idee met directe democratie?
Dat is een lastige vraag. Wat België eigenlijk mist is een degelijk publiek debat. Enkel in Angelsaksische en Scandinavische landen bestaat er zo’n debatcultuur. In Yale heb ik gezien hoe dat wel kan. Er waren daar allerlei debatingclubs onder studenten waarin men met evenveel vuur pro en contra kon verdedigen. Zo krijgt iedereen een duidelijk beeld van de problematiek. Ik ben overigens hier in Leuven ook zo’n debatclub gestart voor studenten met ongeveer hetzelfde ritueel als in de VS. Schrijf maar dat elke student die daarin interesse heeft, zich mag aanmelden (lacht)!
Overdreven formalisering
Ligt het gebrek aan debat niet in de Belgische cultuur van bescheidenheid?
Ik denk dat die Belgische cultuur vooral lijdt onder het trauma van jarenlange overheersing. Eeuwenlang hadden andere landen het in onze gebieden voor het zeggen. Daarom schuwen wij ideeën zelf duidelijk te verkondigen. Bovendien is onze communautaire situatie hiervoor ook allerminst geschikt. In een federale staat met maar twee grote partijen zal nooit een volwaardig debat ontstaan. Zo’n staat is gedoemd disfunctioneel te blijven.
Geldt er in België dan misschien een te grote cultuur van ‘betutteling’? Ervaart u dit zelf als prof.?
Zeker. Zo stoor ik me enorm aan alle formele vereisten i.v.m. ‘ICTS – fiches’. Dat is zo’n overgeformaliseerde bedoening. Zo mag ik geen punten aftrekken voor schrijffouten, als ik niet eerst in die fiche schrijf dat mijn studenten in behoorlijk Nederlands moeten kunnen schrijven. Waar zijn we mee bezig! Dat formalisme is ontstaan doordat steeds meer studenten procedures aangaan tegen hun professoren. Dat probleem los je echter niet op door jezelf als universiteit te betonneren in regels. Wij moeten net een duidelijke stem vormen tegen die overdreven formalisering. Dat is een onderdeel van onze maatschappelijke opdracht.
Als we verder gaan op het thema van betutteling: komen mensen, en met name studenten, te weinig op voor hun rechten?
Ja, maar dat is niet steeds aan henzelf te wijten. Allereerst zijn de studies die de studenten volgen duidelijk zwaarder geworden dan vroeger. Dat is zeker zo op de rechtenfaculteit. Anderzijds missen studenten parate kennis die ze vroeger wel hadden, waarmee ik niet wil zeggen dat ze minder getalenteerd zijn dan vroeger. Bovendien heeft er ook een sociologische verandering plaatsgevonden; de hedendaagse student zoekt meer afleiding op kot. De verstrooiing van computer, tv, e.d. heeft de student zeker veranderd.
Toch zal een student zich vandaag zeker nog engageren. Maar hij verschilt van de oude student doordat die laatste zich langer voor iets kon inzetten, terwijl de hedendaagse student ‘s anderendaags al aan wat anders denkt. Ook bestaat er een zekere angst om zich te binden, en vooral als daar niets duidelijks tegenover staat. En vanuit de premisse dat men zich niet wilt binden ontstaat er
ook een zekere desinteresse. Waarom zou
een student zich verdiepen in de programma’s van politieke partijen, als hij tegelijkertijd tot geen enkele van die partijen wil
behoren?
Zouden studenten zich niet eerder gewoon moeilijker kunnen vinden in bestaande ideologieën? Denkt de hedendaagse student niet veel verdeelder en over partijgrenzen
heen?
Als ze zich niet kunnen vinden in bestaande ideeën of groepen bestaat er nog altijd de mogelijkheid om zelf een groep te vormen. De oude student zou proberen zo’n ‘politiek gat in de markt’ te vullen. De hedendaagse student doet dat klaarblijkelijk niet. Ik blijf dus bij mijn standpunt.
Progressief conservatisme
Uzelf identificeert zich met het Conservatisme. Wat is Conservatisme, en zijn conservatief en progressief twee elkaar uitsluitende termen?
Allereerst bestaat er natuurlijk niet één vorm van conservatisme; er zijn zoveel soorten conservatisme als er conservatieven zijn. Het is ook zeker geen ideologie met vaststaande geloven, regels, of toekomstbeelden. Het is veeleer een soort levensbeschouwing. Conservatisme vertrekt daarom vanuit een scepsis voor het vooruitgangsgeloof, en vooral vanuit een scepsis voor absolute ideeën.
Dat klinkt misschien wat vreemd, want conservatisme heeft zelf ook een soort absolute waarheid. Voor conservatisme ontbreekt er geen absolute waarheid, maar ze is nooit volledig uit te drukken. De conservatief gelooft in een natuurlijke orde, maar denkt niet dat de mens deze orde ooit volledig zal kennen. Daarom hecht een conservatief net zoveel waarde aan het verleden. Immers, wat in het verleden ligt kunnen we wel trachten te plaatsen in een grotere orde. Door die ervaring aan te leren, kunnen we hoger geraken, als dwergen op schouders van reuzen. Enkel dankzij het werk van vorige generaties zijn we vandaag in staat vooruitgang te boeken. De conservatief erkent dat hij met zijn eigen verstand onmogelijk alles zelf had kunnen bereiken. Vanuit onze dankbaarheid voor het geschenk van de traditie volgt het respect.
Maar als de absolute waarheid onbekend is, en we ons enkel kunnen baseren op traditie, waarin ligt dan de toekomst? Hoe kan een conservatief actief werken aan de toekomst?
Tja, voor mij is de wereld een kosmos. Die kan vervolgens op verschillende manieren gepercipieerd worden. Zo heeft elke cultuur een uniek perspectief op de absolute waarheid. Vandaar ook dat de conservatief de verscheidenheid van culturen zo graag wilt behouden. Wij zijn dus niet gekant tegen andere culturen, maar willen ze net, samen met de onze, beschermen. Het gevaar van de multiculturele maatschappij is dat ze een soort eenheidsworst wordt.
Om terug te komen op die toekomst; het religieuze element van het conservatisme gaat natuurlijk net hier over. Wat is de bestemming van de mens? In een religieuze traditie is dat gemakkelijker te formuleren. In een seculier conservatisme gaat dat wat moeilijker.
Toch heeft de N-VA net voor een slogan gekozen waarin verandering centraal staat. Wat is die kracht van verandering?
Wat hier wordt bedoeld is dat er ook verandering nodig is om net het essentiële te bewaren. Het gaat om een herdenken. Dat betekent respect betonen voor wat was, maar ook opnieuw denken over wat kan komen. Een prachtige metafoor voor wat ik hiermee wil zeggen is het boek ‘Le bateau de thésée’ van S. Ferret. In de mythe van de Griek Theseus legt een schip een lange tocht af. In de loop van de tocht moet elk onderdeel echter worden gerepareerd of vervangen. Op het einde van de tocht is geen enkel onderdeel nog origineel, maar toch is het nog hetzelfde schip. Dat is de kracht van verandering. En zo’n verandering is ook nodig in Vlaanderen, want anders dreigt het Vlaamse schip stilletjes onder te gaan.



woensdag, november 27, 2013

Interpellatie over het beleid inzake gemeenschapswonen in Gent

(Rede van gemeenteraadslid Matthias Storme op de gemeenteraad van 26 november 2013, ook te herbeluisteren ohttp://gent.raadsinformatie.be/vergadering/118605/Gemeenteraad+26-11-2013)

Voorzitter, dames en heren schepenen, en op de eerste plaats schepen Balthazar, ik zou graag willen beginnen om het probleem te schetsen met een citaat uit een nota van enkele jaren geleden, die wijst op de demografische en sociologische veranderingen in onze samenleving.

“Sinds de jaren 60 afgenomen huwelijksfrequentie, toegenomen echtscheidingen, kleiner geboortecijfer, toegenomen leeftijdsverwachting, enzovoort, hebben voor een grotere verscheidenheid aan gezinssamenstellingen gezorgd. De gezinsverdunning leidt ertoe dat er momenteel meer huishoudens zijn van alleenstaanden dan familiekernen met een ouderpaar.”

“In Gent denk ik zijn de cijfers 45 % alleenstaanden. Als u dat omrekent naar het aantal woongelegenheden betekent dat: ongeveer 60 % van de woongelegenheden zijn eigenlijk geen gezinswoningen meer, maar woningen van alleenstaanden. Het verminderen”, ik citeer verder, “van de openbare ontmoetingsruimte, daardoor is het sociale weefsel van buurten erg verzwakt.”

“Het huizenbestand is niet afgestemd op de vraag naar kleinere woningen, met als gevolg stijgende huur- en koopprijzen.”

“Samenhuizen is één van de nieuwe woonvormen die aan populariteit wint. Friends-wonen komen meer en meer voor in de studentensteden. Jonge mensen voelen zich ertoe aangetrokken om sociale en financiële redenen. Ook veel alleenstaande ouders voelen zich om dezelfde redenen aangetrokken tot een woongroep, die hen mogelijk ook wat meer structuur en opvangmogelijkheden biedt.”

“Groepswonen geeft ouderen de mogelijkheid om langer zelfstandig te blijven wonen zonder externe hulp. Ook de belangstelling voor kangoeroewonen en duplexwonen neemt toe. Er zijn ook initiatieven, niet alleen in de huur- maar ook in de koopsector.”

“Mensen kiezen voor een langdurige combinatie van privacy en collectiviteit. Dus niet twee woningen, niet één woning maar de combinatie van beide. Voor veel groepen spelen naast sociale en economische redenen ook ecologische motieven een rol. Ik wil het dan nog niet hebben over de situatie van eventueel personen met een handicap of andere bijzondere zorgbehoeften.”

“Dan stellen wij vast dat onze regelgeving daar eigenlijk totaal minder en minder voor geschikt is, dat in de wetgeving en in de wijze waarop die wordt toegepast, er allerlei knelpunten zijn om deze nieuwe woonvormen mogelijk te maken. Nochtans”, ik citeer verder, “kan dit bijdragen tot een heel aantal doelstellingen die onze overheden zich stellen: betaalbaar wonen, participatie van bewoners, meer duurzame woningen, wooninbreiding, levenslang wonen, het realiseren van een sociale mix.”

Eerste document van de vzw Samenhuizen, 2007.

Tweede document. Resolutie van het Vlaams parlement 2009.

Ik heb het niet gecheckt, maar aan de indieners te zien, moeten ongeveer alle partijen dat goedgekeurd hebben. Die resolutie vraagt, gelet op de meerwaarde van gemeenschappelijk wonen, zowel voor individuele deelnemers als voor de maatschappij en het feit dat er tal van hindernissen op financieel, juridisch, administratief vlak dit in de weg staan, de Vlaamse regering om een volwaardige plaats te geven aan het concept gemeenschappelijk wonen in het Vlaamse woonbeleid, om een onderzoek te verrichten naar de knelpunten voor gemeenschappelijk wonen, om maatregelen te nemen om deze knelpunten op te lossen en projecten van gemeenschappelijk wonen te bevorderen en te ondersteunen.

Derde document. Het charter, ondertekend, voor zover ik weet, namens de Stad Gent door schepen Balthazar. Charter, ondertekend, Samenhuizen 2 mei 2012, met de belofte het gemeenschappelijk wonen te ondersteunen en het gemeenschappelijk wonen te promoten.

Dat is de context, dat zijn de documenten en dat zijn de beloften.

Wat is de realiteit in deze stad en in het beleid van deze stad? De realiteit is dat minstens ten aanzien van studenten - ik dacht dat dat ook mensen waren, die dezelfde rechten en plichten hebben als andere mensen die verblijven in deze stad Gent - er een beleid gevoerd wordt dat door de studenten zelf omschreven wordt als een “heksenjacht op samenwonende studenten”. Ik citeer uit het studentenblad Schamper.

Dat beleid is de voortzetting en de verergering van een totaal verkeerd beleid inzake studentenhuisvesting, dat al jaren eerder is ingezet, met name sinds 2004, misschien reeds eerder, en waarvan ik dadelijk ook enkele gevolgen zal schetsen. Waaruit blijkt het beleid dat de Stad op dit ogenblik voert, en waar wij het helemaal niet mee eens zijn?

Het blijkt op de eerste plaats uit het gedetailleerde en zeer gedegen geschreven antwoord van schepen Balthazar op de schriftelijke vraag van onze fractieleider mevrouw De Clercq, schriftelijke vraag 296 over het samenwonen van studenten. Het blijkt uit de persmededelingen die de Stad in dit verband heeft uitgestuurd de voorbije maanden, en het blijkt vooral uit de houding op het terrein waarvan ik nog wat voorbeelden zal geven.

Vooraleer even te herinneren aan het juridisch kader en aan te tonen waar dit beleid fout is, wil ik eerst even duidelijk stellen waar ik het niet over heb. Wat ik hier niet ter discussie stel, hoewel een aantal elementen daarvan misschien ook ter discussie zouden mogen gesteld worden in een ander kader, maar – “il ne faut pas mélanger les genres” – we moeten de vragen niet te veel door elkaar gooien.

Wat ik niet ter discussie stel is natuurlijk het beleid dat wij voeren, of dat moet gevoerd worden tegen leegstand en verkrotting, het beleid inzake de brandveiligheid, de normen van brandveiligheid, kwaliteitseisen die gesteld worden voor huurwoningen, of dat nu aan gezinnen of studenten is, de regels tegen de overlast, ik wil het niet hebben over de GAS-boetes, alstublieft, maar in ieder geval de regels inzake burenhinder, die gelden voor iedereen, daarover gaat het niet.

Studenten en niet-studenten moeten zich aan de regels houden, die natuurlijk naargelang de omstandigheden moeten geïnterpreteerd en toegepast worden. Het is evident dat de regels inzake lawaaihinder in een groot studentencomplex met veel studentenwoningen misschien op een andere manier kunnen geïnterpreteerd worden dan in een rustige woonwijk. Dan moet men daarnaar handelen, en moet men zich daarnaar gedragen. Daar heb ik geen enkel probleem mee.

Wat mij stoort en wat voor ons niet aanvaardbaar is, is de apartheidspolitiek die Gent voert ten aanzien van studenten, zowel in de feiten als in de regels. Wat de regels betreft, ik wil even citeren.

Algemeen Bouwreglement, Artikel 38, is een fundamentele keuze om het gemengd wonen onmogelijk te maken. Verblijfsaccommodatie voor studenten mag niet gemengd worden met niet-studenten. Dat is blijkbaar een ander ras, een andere diersoort, waarvoor andere kooien nodig zijn. Men bevordert hier de gettovorming. Die moeten apart gaan wonen, de studenten, u hebt normale mensen en u hebt studenten. Dat is het beleid dat deze Stad voert, en waar wij het niet mee eens kunnen zijn.

Wat is specifiek het juridisch kader waarop de heksenjacht steunt tegen studenten die samenwonen?

Dat is op de eerste plaats Artikel 4.2.1 7° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die een vergunning vereist voor het opsplitsen van een woning in meerdere wooneenheden. Daar is een vergunning voor nodig. Die wordt door de Stad ook systematisch geweigerd. Het is een beleid om dit te weigeren.

De eerste vraag is natuurlijk of wat men op het terrein bestrijdt, wel onder die vergunningsplicht valt. Het is evident dat het hier gaat om het opsplitsen van een woning, dat wil zeggen, een objectief gegeven, en niet het subjectieve gebruik dat men van die woning maakt.

Bovendien is het evident dat deze Codex, zoals alle wetten, moet gelezen worden in het licht van de Grondwet, van de grondrechten, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat wil zeggen, de onschendbaarheid van de woning, het verbod op huiszoekingen zonder machtiging van de rechter – de sociale inspectie houdt zich daar niet aan, de woninginspectie houdt zich daar niet aan – en de eerbied voor het privéleven, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling – Artikelen 15 en 22 van de Grondwet, Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Ik stel vast dat deze principes in het beleid zoals het op het terrein wordt gevoerd, niet gerespecteerd worden. Waarom? Omdat men stelt dat er een vergunning nodig is wegens het opsplitsen van een woning, ook wanneer er aan die woning niets gewijzigd wordt.

Ik ben het ermee eens, er is een duidelijk verschil tussen een situatie waar een gezinswoning verbouwd wordt op een wijze dat ze niet meer als gezinswoning kan gebruikt worden. Dat men daar een bepaald beleid voert, dat wil ik hier nog niet fundamenteel ter discussie stellen, op voorwaarde dat men dat in een globale context op een juiste manier doet.

Waar het om gaat is dat men de concrete bewoning, zonder dat aan die woning iets gewijzigd wordt, gaat controleren en aanvechten, dat men gaat kijken hoeveel mensen daar wonen, of zij gedomicilieerd zijn, wat de gezinsrelatie is, of moet ik misschien zeggen de seksuele relatie tussen beiden, dus vragen die met de privacy betrekking hebben.

Dit is een kwaadwillige manier om Artikel 4.2.1 van de Codex te interpreteren. U kan wetten op verschillende manieren interpreteren. Om het niet altijd bij Churchill te houden, ik herinner aan de fameuze quote die aan Bismarck wordt toegeschreven, dat “het respect voor wetten vermindert, hoe meer men weet hoe ze gemaakt worden”. Welnu, hier stel ik vast dat het respect voor wetten vermindert, hoe meer wij te weten komen over hoe ze worden toegepast.

In dit geval Artikel 4.2.1 7° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, toegepast op een interpretatie die strijdig is met de privacy, met de tekst van de wet en met de ratio legis, namelijk dat er geen structurele veranderingen mogen zijn, die maken dat een gezinswoning geen gezinswoning meer kan zijn.

Ik steun mij trouwens voor de interpretatie onder meer op het gezaghebbend werk van ingenieur De Jonghe, die gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar was, en die een standaardwerk heeft geschreven over ruimtelijke ordening en stedenbouw dat aan verschillende edities toe is, en waar hij onder meer schrijft, exact over deze bepaling:

“Dat het feit dat ouders komen inwonen bij de kinderen, of dat kinderen komen inwonen bij de ouders, het aantal woongelegenheden niet vermeerdert en dus niet vergunningsplichtig is. Er is geen sprake van vermeerdering van woongelegenheden of splitsing van een woning indien de ouders een aparte brievenbus of een apart huisnummer krijgen.” Ik haal de tekst hier aan omdat de brievenbus een van de criteria is die misbruikt worden.

“Het is maar wanneer er fysische ingrepen zijn, het bijmaken van een afzonderlijke inkomdeur, of het dichtmetselen van inwendige verbindingen dat er sprake is van aparte entiteiten binnen de woning die zelfstandig als woning kunnen benut worden. Dat is niet het geval wanneer studenten samen een woning huren en daarin geen verbouwingen uitvoeren. Dat is een totaal verkeerde interpretatie die gegeven wordt aan 4.2.1.”

Derde opmerking, of derde punt als ik mag zeggen. Dit beleid kadert bovendien blijkbaar in een geheel verkeerd studentenhuisvestingsbeleid, te zien aan de resultaten. We hebben in 2004 een regularisatiestop ingevoerd. Het is sindsdien niet meer mogelijk om samen te wonen en daarvoor een vergunning te krijgen. Bovendien eist men vergunningen voor dingen waarvoor men geen vergunning mag eisen. Men voert nu een beleid, u mag daarvan denken wat u wil, dat ertoe geleid heeft dat het aanbod op de markt totaal niet beantwoordt aan de vraag vanwege de studenten.

Volgens de cijfers die de Stad geeft zouden er 2800 gezinswoningen zogenaamd ingenomen zijn door studenten. Dat gaat over 7000 studenten. Die willen wij blijkbaar allemaal uit die gezinswoningen krijgen. Waar u die gaat heensturen, dat vraag ik mij wel duidelijk af. Blijkbaar is het de bedoeling dat die alleen nog in studentengetto’s terechtkomen, in studententehuizen die uitsluitend voor studenten zijn, en waar er geen sociale mix meer mogelijk is, en waar men niet meer met andere mensen kan samenwonen.

De resultaten van dat beleid zijn ook zichtbaar. De prijzen voor een gemiddeld studentenkot in Gent, dat zijn gemiddelden, zijn gestegen sinds men dat beleid heeft ingezet op negen jaar tijd van gemiddeld 205 naar gemiddeld 320 euro per kot, waarmee Gent de duurste studentenstad is van het land, op hetzelfde niveau als Brussel.

Ik vergelijk even de gemiddelde kotprijs in Hasselt, 220, in Leuven, 252, in Antwerpen, 280 euro. Het feit dat die prijzen in Gent hoger liggen is duidelijk het gevolg van een verkeerd beleid en niet enkel van de toename van studenten, want die is er evenzeer in Leuven en evenzeer in Hasselt en waarschijnlijk ook in Brussel, maar daar heb ik geen cijfers van. Dat heeft te maken met, zoals ik zei, een verkeerd beleid.

Langs de andere kant zijn er bij het begin van het academiejaar nog 800 koten leeg, maar dat zijn blijkbaar de verkeerde koten, dat zijn de koten die de studenten niet willen of die te duur zijn. Er is dus een totale mismatch tussen de vraag vanuit de samenleving, vanuit de huidige opvattingen hoe mensen – ook studenten, want het zijn ook mensen, wil ik even benadrukken – willen leven.

Ja, blijkbaar vindt u dat er een apartheidspolitiek moet zijn, maar goed, dat is dan zo. Er is blijkbaar een totale mismatch tussen de vraag en het aanbod dat men doet, aan woonkazernes, excuseer, dat zijn Oostblokoplossingen. Misschien dat sommige mensen hier heimwee hebben naar het Oostblok, maar ik in ieder geval niet.

Het beleid gooit bovendien zoals het blijkt uit het terrein, alles door elkaar. Heel verschillende situaties vallen op dezelfde manier onder die heksenjacht.

Langs de ene kant echte huisjesmelkers. Geen probleem dat men dat aanpakt. Mensen die woningen verbouwen om zo klein mogelijk in te delen en een zo hoog mogelijke prijs te vragen voor woningen die niet aan de kwaliteitsnormen beantwoorden. Dat de strijd daartegen voortgaat, daar hebben wij geen enkel probleem mee.

Maar het gaat over zowel gezinnen die studenten op kamer nemen om op die manier een stukje hun lening te kunnen afbetalen, oudere mensen die graag ook studenten hebben die daar redelijk goedkoop kunnen wonen, die misschien ook eens de boodschappen doen, ook uit veiligheid dat er iemand in huis is, mensen die graag met meerderen in een huis wonen omdat dat de veiligheid of het veiligheidsgevoel verhoogt, om financiële redenen, of gewoon omdat men graag samenwoont omdat men op die manier leert samenwonen – ik denk dat het voor jongere generaties belangrijk is, dat is ook een belangrijke fase in de vorming van het burgerschap en uiteindelijk in een verbetering van democratie.

Studentenverenigingen die graag als vereniging ook samen een huis hebben. Ouders die voor hun kinderen een appartement kopen om daar hun kinderen op kot te laten gaan, en als het aantal kinderen dat op dat ogenblik studeert niet exact het aantal slaapkamers is, is het evident dat die kinderen een vriend of een vriendin meenemen, jonge koppeltjes die niet getrouwd zijn of nog niet getrouwd zijn of nooit gaan trouwen of wat dan ook, allerlei situaties vinden daar een plaats, en die worden voor een groot deel door elkaar gegooid.

Wat zien we? Dat andere steden dit beleid niet voeren. Ik wil het niet alleen over Antwerpen hebben, ik weet heel duidelijk dat Antwerpen niet dit beleid voert ten aanzien van studentenhuisvesting.

Leuven heeft gedurende een aantal jaren inderdaad een beleid gevoerd dat in dezelfde richting ging. Leuven is daarvan teruggekomen. Op dit ogenblik heeft Leuven terug een beleid waarbij het inderdaad mogelijk is zowel voor oudere als voor jongere gezinnen als hospita’s om terug studentenkamers in de eigen woning in te richten, weliswaar beperkt van omvang, maar die mogelijkheid is er, met name dus dat Charter Samenhuizen dat wij zo mooi ondertekend hebben, die resolutie van het Vlaams parlement die we allemaal zo mooi, die onze partijen allemaal zo mooi goedgekeurd hebben, die worden in elk geval in een aantal andere steden toch minder gedwarsboomd en misschien zelfs effectief gepromoot of gestimuleerd.

Misschien ook, we hadden het niet exact daarover daarnet, de leegstand in winkelstraten, het ging over de leegstand van de winkels zelf, maar er is ook het fenomeen van de leegstand boven de winkels. Dat zijn ideale situaties om die te laten bewonen door mensen, ook door studenten die, zoals ik zei, ook mensen zijn.

Daarentegen voert de Stad Gent een beleid, zowel wat betreft de vergunningen als wat betreft de inspectie op het terrein, dat daar tegenin gaat. Wat betreft het officieel beleid en de regels die wij uitvaardigen, die uitgaan van de concepten eengezinswoning en meergezinswoning, dat is totaal achterhaald in onze samenleving. Dat is weer werken met vakjes, er zijn studentenhuizen, er zijn eengezinswoningen, er zijn meergezinswoningen. In vakjes, in hokjes denken.

Minder en minder beantwoordt dat aan de maatschappelijke behoeften vandaag van co-housing, van kangoeroewoningen, van mantelzorg, van mensen met bijzondere zorgbehoeften, van LAT-relaties, van pogingen tot samenwonen, van jongeren die dat proberen aan te leren.

Wij hebben de mond vol, op allerlei vlakken, over diversiteit, maar als het gaat over woonvormen, dan kan die diversiteit er blijkbaar niet af. Wij hebben de allochtoon plechtig begraven, misschien moeten we ook de student als aparte categorie eens plechtig gaan begraven en die mensen met dezelfde normen en behoeften erkennen als normale mensen.

Dit systeem van aparte vakjes doet mij eerlijk gezegd denken aan de wetboeken zoals die bestonden voor de Franse Revolutie. Schepen Balthazar, u bent een goed jurist, u kent dat waarschijnlijk nog wel, u hebt waarschijnlijk nog gehoord van het Allgemeines Landrecht in Pruisen, waar de rechten en de plichten verschillend waren. Ik dacht dat de Franse Revolutie daaraan precies een einde had gemaakt.

Ik zie dat in andere steden men dat stimuleert. Er zijn in de kranten berichten verschenen. Ik heb hier bijvoorbeeld een mooi bericht. “Samen onder een dak”, dat gaat natuurlijk over Brussel en niet over Gent, gedeeltelijk studenten, gedeeltelijk mensen die werken, die huren samen een huis, en die vormen deze nieuwe soort samenwonen.

Wij als N-VA, wij zijn op de eerste plaats, volgens onze eigen definitie, een gemeenschapspartij. Een gemeenschapspartij betekent, geen louter individualistische partij en geen staatspartij, dat zou ons in principe kunnen onderscheiden van sommige andere partijen hier in deze gemeenteraad, en het is iets waarbij wij eigenlijk zouden moeten in de buurt komen, zowel van Groen als CD&V, maar of dat in de praktijk ook altijd zo is, dat schijnt niet altijd te lukken.

De heer Matthias Storme.   Als ik de studie met geld van het Koning Boudewijnfonds en het Luchtkasteelfonds, dat het beleid inzake samenwonen, een studie van een aantal jaren geleden, wil promoten, somt de voordelen op van een ander soort beleid ten aanzien van woonvormen: “herstel van het sociaal weefsel, intergenerationele cohesie,” – voor wie dat een te moeilijk woord vindt, tussen de generaties, tussen ouderen en jongeren – “meer betrokkenheid met de buitenwereld, in plaats van zich op te sluiten op zijn kamer, meer burgerzin en persoonlijke groei, aanleren van het respect voor gemeenschappelijke voorzieningen door samen te wonen met een gemeenschappelijke badkamer, een gemeenschappelijke keuken, enzovoort, krijgt men respect voor mede-eigendom. Not the tragedy of the commons but the tragedy of the anticommons, een verhogen van de veiligheid en het veiligheidsgevoel, minder druk op de partnerrelatie en een meerwaarde voor bepaalde doelgroepen” – ik citeer uit die studie.

Het is de stelling van N-VA, en ik citeer even de voorzitter van Jong N-VA, die mij een zeer bezorgde brief gestuurd heeft over dit beleid. “In veel gevallen”, zegt hij, “wonen studenten samen met alleenstaande afgestudeerde twintigers en dertigers met een job. Door de dure woonmarkt worden zij gedwongen woningen te delen. Het alternatief is meestal een vuil, goedkoop flatje in een onveilige buurt.”

“Ik maak mij zorgen over de impact op ons samenlevingsmodel. Wie een woning niet kan delen met vrienden of studenten zal misschien geen langdurige relatie opbouwen of aan kinderen beginnen en dit langetermijneffect wordt onderbelicht. Dus het vergunningenbeleid ten aanzien van waar een vergunning nodig is, is verkeerd, maar veel erger nog, en dan kom ik terug op de heksenjacht, veel erger nog is wat men op het terrein doet, namelijk op een onwettige manier mensen verbaliseren, aanklagen, uit hun huis zetten met criteria die in strijd zijn met de wet en met de Grondwet. Ik lees uit het antwoord dat u gegeven hebt uit de verklaringen van de mensen van de Stad Gent.”

“De criteria die men hanteert om te zeggen dat iets onwettig is als men geen vergunning heeft voor opsplitsing: het feit dat er aparte brievenbussen zijn,” – ik heb duidelijk geciteerd, hetgeen de heer De Jonghe heeft gezegd: aparte brievenbussen is geen geldig criterium, is geen opsplitsing in een woning – “het feit dat er meerdere namen op de bel staan, bij voorkeur een van die morsetekentjes, lang kort,” - misschien wordt morse binnenkort een nationaal of internationaal cultureel erfgoed, we kunnen dat misschien een beetje cultiveren – “het feit dat de kamers op slot kunnen,” - excuseer, bij mij thuis kunnen de kamers ook op slot, in de meeste gezinswoningen zijn er sloten op de deuren, en die sleutels, die zijn misschien al lang verloren gegaan bij veel mensen, bij mij waarschijnlijk ook, maar dat is geen criterium – “er zijn mensen geverbaliseerd waarbij men zegt, een appartement met drie kamers, u vormt geen gezin, want u hebt elk op uw eigen kamer een microgolfoven, dus u deelt de keuken niet, dus in strijd met het artikel van de VCRO tegen opsplitsing van wooneenheden.”

Dit zijn onwettige criteria, en als u misschien toch nog Churchill wil horen, welnu, er is een mooi citaat van Churchill waar hij zegt: “My wife and I tried two or three times in the last 40 years to have breakfast together, and we never succeeded.” Dus Churchill en zijn vrouw zouden waarschijnlijk ook aangeklaagd worden in deze stad wegens het vormen van twee wooneenheden omdat ze niet samen het ontbijt nuttigen.

Een criterium dat voortdurend terugkomt is de domiciliëring. Ik weet dat het daar natuurlijk voor een groot deel om gaat. Wanneer mensen niet in de stad Gent gedomicilieerd zijn, maakt men een probleem. Het feit dat mensen hier niet gedomicilieerd zijn maakt men een probleem.

Daar is een probleem, maar niet op dit punt. Dit is een onwettig criterium om te oordelen over de toepassing van 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het is niet omdat iemand daar niet gedomicilieerd is dat u hem daar mag buitenzetten omdat die een onwettige opsplitsing van wooneenheden zou hebben. Dat is een totaal ander probleem.

U weet ook waarom studenten hier niet gedomicilieerd zijn, omdat de federale wetgeving nu eenmaal zo is, dat men dan kinderbijslag en fiscale voordelen verliest, maar blijkbaar is dat probleem met de federale wetgeving... (onverstaanbare repliek) Welnu, goed, we zullen dan zien. Blijkbaar is dat, of dat nu federale of Vlaamse wetgeving is, kan mij hier op dit moment niks schelen, hoor, mevrouw. Blijkbaar is dat probleem met de federale wetgeving iets waarvan de kost op studenten moet worden afgewenteld.

Bovendien is het zo dat er mensen zijn die inderdaad niet in gezinsrelatie samenwonen en die zich hier willen domiciliëren. Een van de leden van onze gemeenteraad heeft het voorgehad, heeft gevraagd om zich te domiciliëren in een woning waar ook vrienden woonden, en men heeft het geweigerd. Waarom? Omdat men geen gezin vormde. Blijkbaar moet men bewijzen dat men een of andere gezinsrelatie heeft om zich te kunnen domiciliëren.

Ik weet dat men in de sharia kan ontsnappen aan de steniging wegens ontucht als er geen getuigen zijn van een seksuele relatie. Hier is het blijkbaar zo dat men getuigen moet hebben van een seksuele relatie om gedomicilieerd te kunnen worden in dezelfde woning als vrienden. Men hanteert een totaal verouderd gezinsbegrip dat niet relevant is.

U citeert het begrip ‘gezin’ uit de Wooncode met een duurzame eenheid. Excuseer, ten eerste, en dat zal niet, denk ik, aan de oppositiepartijen liggen maar aan de meerderheidspartijen, zijn de grootste voorstanders van een beleid dat niet in de lijn ligt van het klassieke gezinsrecht, waar de wettelijke samenwoning moet gelijkgesteld worden met het huwelijk en met het gezin, hoewel men dit op elke dag wettig kan beëindigen, en er dus geen enkele garantie van duurzaamheid is. Het criterium uit de Wooncode is totaal misplaatst, heeft te maken met sociale woningen verhuren, en heeft niks te maken met ruimtelijke ordening. Dat is het beleid nochtans dat hier gevoerd wordt.

Dit beleid maakt brokken. Er zijn studenten uit hun huizen gezet, uit woningen gezet die hun ouders voor hen gekocht hadden. Er is een geval waar broer en zus samen een appartement gehuurd hadden met één slaapkamer, de broer sliep in de living. Ze zijn aangeklaagd omdat ze blijkbaar het appartement opgesplitst hadden in twee wooneenheden. Dat is de situatie die hier gevoerd wordt.

Die apartheidspolitiek ten aanzien van studenten kadert natuurlijk ook in een ruimer beleid, excuseer dat ik het zeg, van deze Stad om de ingeschreven inwoners, de gedomicilieerde inwoners, dat zijn de kiezers natuurlijk, vanzelfsprekend, op te zetten tegen de buitenstaanders, of dat nu studenten zijn, pendelaars, ouders die hun kinderen in Gent laten schoollopen maar elders wonen, en dergelijke meer.

Ik dacht dat dat eerder een beleid is dat te maken had met de slogan die een andere oppositiepartij hier aanwezig lang als zijn partijslogan heeft gehanteerd. Dat is geen beleid deze stad waardig. Ik kan, als men dit beleid wil voortzetten, ouders en studenten eigenlijk alleen maar de raad geven om hun kinderen of zelfs niet in Gent te laten studeren, maar naar Antwerpen, Leuven, Kortrijk of Brussel te gaan.


Ik weet het, in Leuven is er ook gedurende jaren onder burgemeester Tobback een harder beleid gevoerd waar men nu van teruggekomen is, en men heeft toen inderdaad aan Leuven de bijnaam gegeven “Stalingrad aan de Dijle”. Welnu, wij willen niet leven in “Moskou aan de Leie”.
 
Locations of visitors to this page