maandag, juni 27, 2005

Hoe een rotsblok een kaartenhuisje blijkt te zijn

Het is geen crisis in Europa, het is diepe crisis. Zo stelde de Luxemburgse eerste minister Juncker na de mislukte Eu "top" in juni 2005. En die crisis zou het gevolg zijn van het feit dat alvast 2 van de 3 lidstatelijke bevolkingen die hun oordeel mochten geven over de zogenaamde Europese Grondwet deze hebben afgewezen. De enige 2 trouwens die zich in meerderheid hebben uitgesproken (in Spanje lag de opkomst onder de helft); in de 10 landen die tot nu toe ja hebben gezegd, ligt de democratische legitimiteit van die beslissing dus alvast een stuk lager (in die zin is 2-0 alvast correcter dan de 10-2 die onze media ons voorhouden, soms met bijna de oproep écrasez l'infâme erbij, zoals in de commentaar van Van Haver & Lannoo in de Tijd).

Wat echter het meest verbazend zou moeten zijn, is dat deze begrafenis van de zogenaamde grondwet, die juridisch gewoon het status quo inhoudt voor de nu reeds bestaande Europa, en geen terugschroeven is, zo'n crisis kan veroorzaken. Het lijkt wel alsof de EU een slokopmonster is dat noodzakelijkerwijze steeds groter moet worden en steeds meer macht moet centraliseren om in leven te blijven. Dat is althans wat onze Europese leiders er blijkbaar van hebben gemaakt. In die zin lijkt het leiderschap op Europees vlak verdacht veel op het leiderschap over België van premier Verhofstadt, niet toevallig diegene die aan de oorsprong ligt van de dwaze idee om de Eu een grondwet te geven (idee doorgedrukt in de Verklaring van Laken).

Het is niet door voor Europa steeds grotere en radicalere projecten te verzinnen dat men uit de crisis zal geraken. De oorzaak van die crisis is immers juist dat men Europa ziet als een project, iets dat nieuw moet worden ontworpen, dat moet worden geconstrueerd door middel van een deconstructie van de naties en de Europese geschiedenis. De oorzaak van die crisis is dat die (de)constructionisten daarmee Europa afsnijden en willen afsnijden van zijn wortels. De beslissing om met Turkije over lidmaatschap te onderhandelen is daar een voorbeeld van. Maar het is niet het enige waarin dat Europese project een brug te ver is. De basisbeginselen van de Europese grondwet getuigen van een negationisme ten aanzien van de historische grondslagen van Europa, als het Romeins recht, het christendom, de soevereiniteit van kerk evengoed als staat, de fundamentele vrijheden.

Constructionisme betekent immers vervangen van de stapsgewijze verbetering van het door de eeuwen heen gegroeide recht door een systeem waarbij enkele absolute principes, ontsproten aan de geesten van een verlichte elite, daarop voorrang hebben. Onder die principes worden weliswaar ook fundamentele vrijheden opgesomd, maar eigenlijk worden die vrijheden juist ingeperkt door ze ondergeschikt te maken aan het dogma van de non-discriminatie. Het respect voor de scheiding van kerk en staat, en daarmee van recht en moraal, wordt terzijde geschoven, zoals de zaak-Buttiglione heeft aangetoond. En het negationisme ten aanzien van het christendom is in de grondwet totaal.

Zijn de redenen voor de afwijzing van Europa overal dezelfde ? Natuurlijk niet. Maar dat op zichzelf geeft natuurlijk wel een richting aan. Want de enige democratische wijze om daarmee om te gaan is juist het subsidiariteitsbeginsel: meer overlaten aan de naties van Europa, en hen stimuleren tot samenwerking rond concrete dossiers. Laat vele van de grote principes maar buiten ons raam in de regen staan. Zij worden immers maar al te vaak gebruikt om stoemelings de volkeren voor voldongen feiten te plaatsen. Natuurlijk gebeurt dat ook op Belgisch en zelfs op Vlaams niveau. Maar daar kunnen we dan misschien toch nog iets aan doen. Daar is er in beginsel ook nog een alternatief. En dat is de essentie van de democratie. Ja, het is ook de essentiële betekenis van de neen-stem in de referenda: een breuk met de TINA-gedachte, de stelling dat "there is no alternative". Want het blijft merkwaardig: hoe een rotsblok een kaartenhuisje blijkt te zijn wanneer er eens iemand neen durft te zeggen.

donderdag, mei 12, 2005

alleen de franstaligen mogen eenzijdig hun wil opleggen

Luc van Braekel citeert (op http://lvb.net/item/1149#8412): Premier Guy Verhofstadt, op 9 januari 2005 in De Zevende Dag:"Een gemeenschap kan haar wil niet eenzijdig opleggen. Er moet altijd een compromis worden gesloten".
Hij voegt er fijntjes aan toe : "Ter herinnering: vorig jaar werd het gemeentelijk stemrecht voor migranten goedgekeurd met een federale meerderheid, terwijl een meerderheid van Vlaamse parlementsleden tegen was."

Mijn commentaar:

Quod erat demonstrandum. Verhofstadt bedoelt natuurlijk dat de Vlamingen nooit hun meerderheid mogen gebruiken, maar dat er altijd Vlaamse collaborateurs zijn om de Walen aan een meerderheid te helpen, en er op dat ogenblik natuurlijk wel een franstalige wil kan worden opgelegd aan de Vlaamse gemeenschap.

Als de franstaligen gewoon doordoen, mogen de Vlamingen de alarmbel niet gebruiken, want dan zouden zij verantwoordleijk zijn voor de crisis. Als de Vlamingen doordoen, komt de koning hen vertellen dat ze dat niet mogen doen, want dan zouden de Franstaligen de alarmbel gebruiken en dus de Vlamingen verantwoordelijk zijn voor de crisis. Rare logica, niet ?

Overigens is het bijzonder grof hoe de koning opnieuw partijpolitieke anti-vlaamse en zelfs antigrondwettelijke uitspraken doet. De Koning zet de politici er toe aan de arresten van het Arbitragehof niet uit te voeren. In een rechtsstaat zou men dit niet laten passeren .....

M.E.S.


PS. Dit wordt natuurlijk nog beter verwoord door de filsoof Peter de Graeve in de Tijd van 6 mei 2005:

Alleen Maingain spreekt de waarheid

De enige die totnogtoe naar waarheid heeft gesproken in het dossier-BHV is Olivier Maingain, voorzitter van het FDF. Dat, zoals hij deze week beweerde, 'de Vlamingen moeten leren naar de Franstaligen te luisteren' raakt in meer dan één opzicht de kern van de zaak, stelt PETER DE GRAEVE.

De historische essentie van de Belgische francofonie wordt uitgedrukt in één speech-act: 'Wees gehoorzaam'. Daartegenover staan alle mogelijke of onmogelijke scenario's waarmee Vlaamse onderhandelaars hopen die brute (en brutale) historische kracht enigszins te bedwingen. Maar die draaiboekjes blijven dagdromen, fictieve (want geveinsde) werkelijkheden, koperen pasmunten in ruil voor de ontstellende maar immer fonkelende waarheid van Olivier Maingain.

Men kan uit de aansporing van het FDF-boegbeeld afleiden dat hetgeen Hugo Schiltz sedert vele jaren het imperialisme van de Franstaligen noemt, ideologisch gesproken slechts een oppervlakkig aspect van deze affaire blootlegt. 'Imperialistisch' is uiteindelijk iedereen die zijn kans ruikt om de eigen machtsaanspraken door te duwen, en daarin door de politieke tegenstrevers niet of onvoldoende wordt afgeremd.

Reactionair paternalisme

De enige ideologische gietvorm waarin de politieke eisen van de Franstaligen als gegoten brons lijken te passen, is het begrip reactionair paternalisme. De Vlaamse onderhandelaars moeten maar eens goed nadenken over de vraag of zij, door toe te geven aan deze machtshonger (handig vermomd als een eis in rechte), eerst in Brussel en Vlaams-Brabant, maar uiteindelijk in heel België de weg (verder) willen vrijmaken voor de reactionaire praktijken van betuttelende bewindslieden.

Maingain heeft wellicht één woord geluidloos tussen de lippen gepreveld toen hij zijn historische waarheid verkondigde: het woord 'opnieuw', 'de nouveau'. De Vlamingen moeten opnieuw naar de Franstaligen leren luisteren. Laat men zich vooral geen illusies maken: de verhoopte terugkeer naar de (Vlaamse) luisterbereidheid is geenszins gemotiveerd door nobele gevoelens van humaniteit, solidariteit en verdraagzaamheid. Hij beantwoordt aan slechts één ding: het behoud van oude, en het verwerven van nieuwe macht. Dat is duidelijk geworden toen de Franstaligen betoogden in Wezembeek-Oppem. Ook daar kwam de volle waarheid uit de gouden mond van Maingain. Nadat hij zijn eis tot aansluiting van de faciliteitengemeenten bij Brussel had verwoord, voegde de FDF-leider er ten gerieve van de Vlaamse bewoners fijntjes aan toe dat zij van zo'n aansluiting bij Brussel niets te vrezen hadden: 'Wij zullen u beschermen, zoals wij vandaag al de Vlaamse Brusselaars beschermen.'

Derde schoolvoorbeeld van de Franstalige betuttelende speech-act. De klemtoon ligt hier voluit op het wij van de bescherming. Wij, en wij alleen. Los van de vraag of het wel klopt dat Brusselse Vlamingen door hun Franstalige burgermeesters voldoende beschermd, laat staan als volwaardige inwoners behandeld worden, is het veeleer zo dat de Franstaligen in de eerste plaats zélf heer en meester van hun politieke protectionisme en hun politieke protectoraten willen zijn en blijven.

In dit licht moet men ook hun vermeend 'humanistische' pleidooi pro de ondertekening van het Minderhedenverdrag zien. Zijzelf willen 'hun' Franstaligen in Vlaanderen beschermen. Zoals zijzelf 'hun' Vlamingen in Brussel beschermen. Wij zullen iedereen beschermen: wij zullen onszelf beschermen, en wij zullen België beschermen, en wij zullen de rechtsstaat beschermen. Ja, wij zullen zelfs Vlaanderen beschermen. Tegen wie of wat, eigenlijk?

Voorrechtsstaat

Maingains pleidooi voor de rechtsstaat is in wezen een pleidooi voor een voorrechtsstaat, en wel in een dubbele betekenis van dat woord. Ten eerste wil hij de historische machtsaanspraken van de Franstaligen in België erkend zien als de inzet van een strijd om (mensen)rechten. Ten tweede probeert hij langs die sluipweg terug te keren naar een vorm van staatkundig georganiseerde gehoorzaamheid die teruggaat op het België van vóór het federalisme, het België dat bestond vóór de komst van de huidige (relatieve) rechtsstaat.

Door Maingain naar de mond te praten is Elio Di Rupo als eerste door de knieën gegaan voor dat reactionaire paternalisme. Meer dan ooit lijkt het mij de taak te zijn van de Vlaamse democratische partijen rond de onderhandelingstafel, om le prince-charmant te wijzen op zijn historische vergissing in deze zaak. Zij moeten hem ervan overtuigen opnieuw de kant van het federalisme en de gelijkheid te kiezen. Memento historiam: wat in Duitsland ooit begon met het paternalisme van Hindenburg, is geëindigd met de dijkbreuk en de nazi-tsoenami. Lang geleden schreef Machiavelli: 'Het is misdadig een onrecht in stand te houden om een conflict te ontlopen.' Deze waardige en eeuwenoude waarheid moeten de Vlaamse onderhandelaars nu in bescherming nemen tegen de niet te stillen machtshonger en het cynisme van prinsjes als Maingain en van de democraten die hem uit vrees of eigenbelang ter wille zijn

woensdag, april 27, 2005

Verklaring over het Verdrag voor een Europese grondwet

Wij, de ondergetekenden, werkzaam bij universiteiten en studiecentra in Europa,
wijzen de overeenkomst die de staatshoofden en regeringschefs hebben bereikt over
de voorgestelde grondwet voor de Europese Unie, eensgezind af. Wij doen een
beroep op de bevolkingen van de Unie om de ratificatie van het verdrag door hun
parlementaire vertegenwoordigers of door middel van referenda niet toe te stemmen.
Ten eerste maakt de voorgestelde grondwet de weg vrij voor het regelen van steeds
meer zaken op steeds grotere afstand van de burger. In plaats van te proberen een
duidelijke visie te ontwikkelen op hetgeen de Unie het beste kan doen en de rest aan
de lidstaten en hun regionen over te laten, opent de grondwet de deur voor het
overbodig maken van andere jurisdicties in een toenemend aantal bereiken.
Ten tweede ontsluit de grondwet talrijke nieuwe wegen voor toenemende regulering
in Europa. Het zou Europa’s vermogen ondermijnen om in de wereldeconomie te
concurreren. Europa heeft minder, niet meer regulering nodig.
Ten derde geeft de voorgestelde grondwet de overheid meer macht over de burgers
en worden internationale verschillen in voorkeuren en behoeften onderdrukt door het
centraliseren van de beleidsvorming. De centraliserende dynamiek moet in de hand
gehouden worden door instituties die geen uitgesproken belang bij centralisering
hebben.
Ten vierde kan het fundamentele doel van een grondwet om de regels van politieke
samenwerking op instemming van de bevolking te baseren, niet worden bereikt met
een dergelijk gecompliceerd en ambitieus document. Zaken van groot belang, zoals
de vraag of de Unie belastingen mag heffen of hoe het Handvest van Grondrechten
dient te worden toegepast, zijn bewust vaag gelaten of zijn hopeloos gecompliceerd
geworden.
We ontkennen niet dat de voorgestelde grondwet enkele positieve elementen bevat.
Maar al met al maakt het de zaken duidelijk slechter. De grondwet duwt mensen nog
verder weg van degenen die de macht in hun naam uitoefenen. De grondwet moet
worden afgewezen.
Op uitnodiging van de European Constitutional Group is deze brief ondertekend door
meer dan honderd universiteitsdocenten en medewerkers van studiecentra.

(...) Inderdaad, ook door uw dienaar. De lijst is te vinden onder de verklaring, die in verschillende talen te vinden is op http://admin.fnst.org, de Nedderlandse als pdf op admin.fnst.org/uploads/1207/Verklaring_25.04.05.pdf.

dinsdag, april 05, 2005

De gevolgen van een handhavingsarrest van het Arbitragehof voor hangende gedingen.

Als "REDACTIE PRIVAAT" verschenen in Tijdschrift voor Privaatrecht 2004, nr. 3 (verschenen april 2005).


1. Op 28 oktober jl. velde het Arbitragehof een arrest (nr. 169/2004) in een prejudiciële procedure, waarin het geweigerd heeft een antwoord te geven op een prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel van art. 82 Faillissementswet - de bevrijding van de persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld voor een hoofdschuldenaar die failliet werd verklaard en wiens faillissement werd afgesloten met een verschoonbaarverklaring. Deze weigering wordt gemotiveerd door het feit dat diezelfde wetsbepaling in een eerder arrest (nr. 114/2004 van 30 juni 2004) werd vernietigd, maar het Hof niettemin de gevolgen van de vernietigde bepalingen heeft gehandhaafd totdat nieuwe bepalingen in werking treden, en zulks uiterlijk tot 31 juli 2005. Het Hof recidiveerde met arrest nr. 2:2005 van 12 januari 2005.

De bedoeling van deze korte bijdrage is niet om nogmaals de grond van de zaak - nl. de regels over de bevrijding van de borg na faillissement van de hoofdschuldenaar - te bespreken, maar wel om na te gaan wat de bodemrechter moet doen wiens prejudiciële vraag het Arbitragehof geweigerd heeft te beantwoorden.

2. Immers, in een prejudiciële procedure gaat het om de vraag of een voor het geschil relevante wetskrachtige bepaling een toetsbare bepaling van de Grondwet (in het bijzonder een artikel uit titel II van de grondwet ) al dan niet schendt. Wanneer in het bodemgeschil wordt aangevoerd dat de relevante wetskrachtige bepaling een toetsbare bepaling van de grondwet schendt, moet de bodemrechter in beginsel die vraag stellen . Uit de tekst van art. 26 van de Bijzondere Wet Arbitragehof blijkt heel duidelijk dat het Arbitragehof in beginsel slechts kan antwoorden dat de norm de grondwet schendt dan wel niet schendt. Het Hof moet daarbij uitgaan van de interpretatie van de norm door de verwijzende rechter gegeven, aangezien de interpretatie van die norm tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter behoort. Het Arbitragehof kan er wel op wijzen dat de norm in een andere interpretatie dan de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie, de grondwetsbepaling niet schendt (grondwetsconforme interpretatie). Maar het Hof kan op een prejudiciële vraag niet antwoorden dat de in vraag gestelde norm de grondwet schendt, doch de reeds ingetreden gevolgen van die norm desondanks moeten worden gehandhaafd. Die mogelijkheid bestaat enkel in de vernietigingsprocedure (art 8 lid 2 Bijz.W. Arbitragehof).

3. Zoals blijkt uit de arresten 114/2004 en 169/2004, weigert het Arbitragehof echter de prejudiciële vraag te beantwoorden, wanneer de relevante wetskrachtige bepaling intussen werd nietig verklaard met handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen. Het Hof probeert daarmee de regel te omzeilen dat een prejudiciële vraag enkel kan handelen over de vraag of de litigieuze rechtsnorm de grondwet schendt of niet.

In de zaak waarin de prejudiciële vraag werd gesteld, moet de verwijzende rechter echter uitspraak doen. Hij kan niet op die grond weigeren recht te spreken (art. 5 Ger.W.). Volgens art. 28 van de Bijz. W. moet hij zich voor de oplossing van het geschil voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Maar wat als het Hof heeft geweigerd de vraag te beantwoorden, met verwijzing naar een vernietigings- en handhavingsarrest?

Allicht zullen sommigen menen dat de verwijzingsrechter nu ook maar de ongrondwettige bepaling moet toepassen in het geschil, aangezien de gevolgen ervan gehandhaafd zijn door het vernietigingsarrest. Maar dan miskent men natuurlijk dat het Arbitragehof in het antwoord op een prejudiciële vraag de gevolgen van de grondwetsschendende bepaling niet kan handhaven.

Daar is ook een goede reden voor. Indien de prejudiciële vraag uitgaat van een rechtscollege van de rechterlijke macht, handelt het bodemgeschil immers over subjectieve rechten. Bovendien impliceert de prejudiciële vraag dat het voor de beoordeling van die subjectieve rechten een verschil uitmaakt of de rechtsnorm die het voorwerp is van de vraag, de grondwet al dan niet schendt. Indien de norm de grondwet schendt, volgt daaruit noodzakelijk dat de rechter die desondanks die bepaling zou toepassen, de subjectieve rechten van de daardoor benadeelde partij schendt.

4. Nu blijkt uit de rechtspraak van andere grondwettelijke hoven alsook van het Hof van Justitie van de EG en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat ook die rechtscolleges meermaals de terugwerkende kracht beperken van arresten waarin zij de hoogste rechtsnorm (de grondwet c.q. het gemeenschapsrecht c.q. het EVRM) interpreteren en desgevallend op grond van die interpretatie oordelen dat een lagere rechtsnorm die hogere norm schendt. Die beperking van de terugwerking geschiedt evenwel alleen wanneer de interpretatie van de hogere norm “nieuw” is en daardoor reeds afgehandelde rechtsverhoudingen in het gedrang zou brengen. Reeds in dit opzicht is de bevoegdheid van het Arbitragehof om de gevolgen van vernietigde bepalingen ook in andere gevallen te handhaven buitensporig. Nog buitensporiger is het dat het Arbitragehof de vernietiging niet eens laat ingaan op de datum van de uitspraak, maar pas vele maanden of zelfs jaren later . Maar er is nog meer. De vaste rechtspraak van die rechtscolleges bepaalt echter steeds dat de beperking van de terugwerkende kracht niét geldt voor de zaak zelf waarin het arrest is geveld, noch voor andere zaken uit het verleden die aanhangig zijn bij een rechtbank .

De reden daarvoor is dat de rechtszekerheid meebrengt dat men geen zaken dient te heropenen waarin er geen betwisting is; partijen kunnen geacht worden zich te hebben neergelegd bij de toepassing van de norm die achteraf strijdig wordt bevonden met een hogere norm. Deze sanctie kan echter niet worden toegepast ten aanzien van partijen die hun rechten wél reeds eerder geldend hadden gemaakt voor de rechter.

Uit deze rechtspraak blijkt duidelijk dat in de ogen van onder meer het HJEG en het EHRM het handhaven van een vernietigde norm in een op het tijdstip van de vernietiging daarover reeds aanhangige procedure onmogelijk kan worden verantwoord.

5. Hetzelfde moet gelden voor het Belgische recht. Arresten van het Arbitragehof over prejudiciële vragen gelden, anders dan vernietigingsarresten, niet erga omnes.

De verwijzende rechter moet zich weliswaar voegen naar de uitspraak van het Arbitragehof over de prejudiciële vraag, maar kan natuurlijk maar gebonden zijn voor zover die vraag ook wordt beantwoord.

De handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepaling in het vernietigingsarrest anderzijds geschiedt volgens art. 8 lid 2 van de Bijzondere Wet weliswaar “bij wege van algemene beschikking”, maar een dergelijke “algemene beschikking” kan niet toegepast worden ten aanzien van reeds aanhangige rechtsgedingen. Dat zou immers impliceren dat de overheid door middel van een beschikking die de rang en algemeenheid heeft van een wet, retro-actief ingrijpt in een hangend geding waarin de ongrondwettigheid van de vernietigde norm reeds was opgeworpen, en daarmee een partij in dat geding van subjectieve rechten berooft die het zonder deze ingreep erkend zou zien. Welnu, een dergelijke ingreep van de overheid zou op zichzelf juist strijdig zijn met de grondwet en met art. 6 van het EVRM, behoudens wanneer 1° de overheid niet zelf partij is en 2° een dergelijke ingreep noodzakelijk is in het algemeen belang .

In het arrest nr. 114/2004 wordt evenwel op geen enkele manier betoogd dat het noodzakelijk is voor het algemeen belang om in te grijpen in reeds hangende gedingen.

De verwijzende rechter die geen antwoord heeft gekregen op zijn prejudiciële vraag dient m.i. dus de norm die ongrondwettig werd verklaard buiten toepassing te laten in het hangende geschil.

6. Een andere interpretatie zou bovendien tot een discriminatie leiden tussen partijen die de schending van een wetskrachtige norm aanvoeren, naargelang er voor de uitspraak van het Arbitragehof op de prejudiciële vraag daarover, al dan niet een beroep tot vernietiging van diezelfde norm aanhangig wordt gemaakt. Geschiedt dat niet, dan kan het Hof namelijk niet beslissen dat de norm weliswaar de grondwet schendt, maar toch voorlopig moet worden gehandhaafd.

7. Het is dan ook stellig aan te bevelen dat ook het Arbitragehof, zoals vergelijkbare rechtscolleges, in arresten waarin de gevolgen van een vernietigde wetskrachtige norm worden gehandhaafd, zou verduidelijken dat deze handhaving slechts kan gelden voor feiten uit het verleden waarin de betrokkene nog geen stappen heeft ondernomen om zijn rechten veilig te stellen.

Matthias E. STORME

donderdag, maart 31, 2005

Genofobie : over vergrijzing en de dictatuur van het heden

(Doorbraak april 2005)

In de jaren 1980 sprak de onlangs gestorven Guy Mathot de beruchte zin uit dat de staatsschuld er vanzelf was gekomen en vanzelf zou verdwijnen. Vandaag zijn er mensen die ongeveer hetzelfde zeggen over de vergrijzing. De onzinnigheid hiervan wordt meestal wel ingezien, maar de vraag blijft wel wat de oorzaken zijn van de vergrijzing. Of misschien concreter: van het tekort aan kinderen, want daar gaat het in wezen om. Allicht gaat het niet om één oorzaak, maar om een reeks factoren. Maar ze hangen wel allemaal samen. En het gaat om culturele factoren, factoren die het product zijn van moderne ideologiëen. Zoals een ik-en-wereld-ideologie. Het leven doorgeven vereist een ingesteldheid die niet meer past in de ideologie die West-Europa domineert, en die in meerdere opzichten horizontalistisch is.

Dat horizontalisme uit zich in de verhouding tegenover autoriteit, tegenover ongelijkheid, tegenover transcendentie, tegenover het verleden, tegenover eenzelvigheid (identiteit). Als men niet meer aanvaardt dat men het leven gekregen heeft en dankbaarheid daarvoor jegens schenkers op zijn plaats is, is men mentaal ook niet in staat het door te geven. Als men niet meer aanvaardt dat men een erfgoed overgeleverd heeft gekregen en dankbaarheid daarvoor op zijn plaats is, dan komt men er ook niet toe erfgoed door te geven.

Een toekomst vereist een verleden, omdat een toekomst vereist dat men uit het heden kan treden, en erkent dat men slechts een schakel is tussen verleden en toekomst. Een overdracht van leven en erfgoed van generatie op generatie veronderstelt dat er inderdaad iets is om door te geven dat het individu overstijgt, transcendeert.

Tegenover de spiritualiteit van die dankbaarheid staat de ideologie van de rancune. Rancune tegenover la condition humaine: dat men geboren is uit een vorige generatie, dat men geboren is uit een man én een vrouw, dat men sterven zal. Rancune tegenover die menselijke begrensdheid, tegenover alles wat ons allerindividueelste zelfbeschikkingsrecht hindert of ontkent. Rancune die zich uit in de dictatuur van het heden, die het verleden pathologiseert tot een tijdperk van jahiliya (onwetendheid), van verduistering omdat men de absolute waarheid van de hedendaagse nieuwe religie nog niet wou aanvaarden. Rancune die zich uit in het opeisen van rechten, culminerend in een recht op non-discriminatie door elke andere mens.

West-Europa lijdt aan genofobie. Niet in de zin waarin dit woord soms in de medische literatuur wordt gebruikt als een fobie voor seks. Onze maatschappij is oversekst. Hoewel, genofobie misschien toch in de zin van fobie voor intimiteit. Maar meer nog genofobie in de zin van fobie voor de generatio, voor het transgenerationele. Het is merkwaardig hoe weinig deze fobie aandacht krijgt, in een tijd waarin men ons voortdurend met fobieën om de oren slaat. In een tijdperk waarin de angst een misdrijf wordt, waarin het verboden is nog bang te zijn voor vreemdelingen, voor seksuele losbandigheid, voor een zevende-eeuwse woestijngodsdienst en zoveel meer. Terwijl de meeste van die angsten een functie hebben: het overleven van de eigen gemeenschap.

De nieuwe West-Europese religie heeft echter "weg met ons" gezworen, en bestrijdt dus ook het doorgeven van leven, het vaderschap en het moederschap.

Laat het ons een troost wezen: een dergelijke ideologie doodt ook zichzelf. Culturen die daarin vervallen worden onvermijdelijk overmeesterd en opgevolgd door andere culturen die er meer "primitieve" opvattingen over het leven op nahouden. Islamitische Arabieren bijvoorbeeld, of hindoes, of conservatieve amerikaanse christenen. Alleen is het misschien jammer dat er dan geen Vlamingen meer zullen zijn.

Matthias E. Storme

dinsdag, maart 29, 2005

Islam en democratie (over de vrijheid van interpretatie in de shariah)

Deze lezersbrief verscheen verscheen ingekort in de TIJD van 29 maart 2005 als repliek op de
opiniebijdrage van al Kasim uit de Tijd van 25 maart 2005 onder de titel "Filip Deman Filip Deman bombardeert elke moslim tot niet-democraat"

Eerst de bijdrage van al Kasim, dan de repliek:

----

De Tijd 25-03-2005
Filip Deman bombardeert elke moslim tot niet-democraat

Filip Deman bombardeert elke moslim tot niet-democraat. Het is niet verwonderlijk dat heel wat islamieten - onder wie ik - zich daardoor beledigd voelen.


Misschien moet Filip Deman maar eens bellen naar de Amerikaanse president, George Bush, om hem duidelijk te maken hoe zinloos democratische verkiezingen in Irak wel zijn. Hoe verklaart hij trouwens dat voor het ogenblik massaal wordt betoogd voor meer democratie in Kirgizië, een land dat voor 75 procent uit moslims bestaat?


De islam is geen homogeen gegeven. 'Dé moslim' bestaat niet. In werkelijkheid zijn moslims verdeeld in allerlei strekkingen, die elk hun eigen belijdenis en interpretatie hebben. En hoeveel mensen behoren voor 100 procent tot een bepaalde strekking? Iedere islamitische stroming (een betere benaming is 'rechtsschool') màg namelijk gevolgd worden. Niets weerhoudt 'dé moslim' ervan een aantal leerstellingen van de ene rechtsschool aan te hangen en tegelijk een paar van de andere. Dat Filip Deman spreekt over 'de echte moslim die gelooft in de inhoud van de koran en de sunna', zie ik als idealistische VB-taal. In werkelijkheid spreken we van interpretatie.


De koran is zeer stilistisch opgesteld en heeft qua taalgebruik soms zelfs wat weg van een poëziebundel. In de loop der eeuwen zijn er talrijke pogingen gedaan om de koran te begrijpen en toe te passen. Geen enkele daarvan is onfeilbaar. Zinnen, uitdrukkingen en woorden hebben zo'n brede betekenis, dat een 'letterlijke interpretatie' bijna ondoenbaar is.


Plaatselijke cultuur en godsdienstbeleving oefenen een sterke wisselwerking op elkaar uit. Dit impliceert meteen een van de redenen waarom moslims - vaak tot hun grote ergernis - moeten aanschouwen dat ze zo verdeeld zijn. In heel de wereld leven momenteel ongeveer 1,5 miljard moslims. Het spreekt voor zich dat die geen grote grijze massa vormen, maar individuen met eigen ideeën en gedachten.


Ahmad Al Kasim

-------------

Op de domme uitspraken van Vlaams Belang'er Filip de Man volgt een antwoord van Ahmad al Kasim (van de redactie van Blokwatch) dat uit halve waarheden bestaat (Lezersbrief, De Tijd, 25 maart).

Hij laat namelijk uitschijnen dat een moslim ongeveer gelijk welke interpretatie van de Koraan kan volgen en toch moslim kan blijven, en beroept zich daarvoor op het bestaan van elkaar erkende rechtsscholen (de madhab). Hij vergeet erbij te zeggen dat de soennitische islam (die ongeveer 90 procent vormt) enkel vier rechtsscholen erkent die allen uit de eerste eeuwen van de islam dateren en nauwelijks van elkaar verschillen in de aangelegenheden waarover het debat vandaag gaat en slechts varianten zijn van eenzelfde sharia.

Dat een moslim tussen die vier scholen kan kiezen, is totaal naast de kwestie. Het is zo ongeveer als een katholiek die kan kiezen tussen de tridentijnse ritus en de postconciliaire roomse ritus, en eventueel nog de Grieks-katholieke ritus en de glagolitische. Sommige regels verschillen daartussen, bijvoorbeeld Grieks-katholieke priesters kunnen huwen en rooms-katholieke niet. De keuzevrijheid bestaat maar omdat de verschillen klein zijn.

Voor elk van de vier elkaar erkennende madhab blijven de interpretatieregels van de koran strikt en allegorische of metaforische interpretaties van de Koraan ketters. Nog maar enkele jaren geleden is een vrome moslimprofessor die zich daaraan waagde uit Egypte moeten vluchten na een officiële veroordeling als ketter; hij is nu hoogleraar in Leiden.

En er zijn inderdaad talloze stromingen buiten de soenna die zichzelf islamitisch noemen, waaronder ook enkele liberale, maar zij worden door die 90 procent soennieten als ketters beschouwd en sommige ervan hevig vervolgd (de Alevieten, de Ahmadiya, de Baha'i).

Het komt ons inderdaad niet toe te zeggen dat dat geen echte moslims zouden zijn. In die zin is het natuurlijk juist dat 'de' islam niet bestaat. Maar omgekeerd is het bestaan van die kleine en vaak vervolgde minderheidssekten inroepen als bewijs van de tolerantie van de hoofdstroming (de Soenna) al even misplaatst.

(de volgende alinea werd door de Tidj niet gepubliceerd) Antwoorden als die van Al Kasim zijn zo gemakkelijk te doorprikken dat ze alleen maar koren op de molen zijn van de stelling-Deman. Want door het probleem op die manier af te wimpelen bevestigt zijn antwoord impliciet dat wie zich niet tot één van de 4 traditonele madhab bekent, eigenlijk geen echte moslim is, en dus met andere woorden (als men de inhoud van die rechtsscholen kent) een echte moslim de fundamentele verworvenheden van de westerse rechtsstaat niet kan aanvaarden. Een stelling die ik niet tot de mijne wil maken.

Professor Matthias Storme, Gent

------

woensdag, maart 23, 2005

Lizin ontsnapt onterecht aan politieke verantwoordelijkheid

Juristenkrant nr. 106 van 23 maart 2005

Dat senaatsvoorzitter Anne-Marie Lizin een fout heeft gemaakt door een brief te zenden naar een rechter thuis in een poging om een geschil te beïnvloeden waarvan de debatten al waren gesloten, daaraan heeft niemand getwijfeld. Zelfs professionele dwarsdenkers niet. De fout moet dus wel grof zijn, en dat is ze ook. Niettemin doen sommige reacties in dit dossier de wenkbrauwen fronsen.

In het verleden heeft men al regelmatig politici tot ontslag gedwongen zonder dat ze zelf enige fout hadden begaan, zoals bv. bij de ontsnapping van Dutroux, en wellicht ook bij de dioxinecrisis. Politieke verantwoordelijkheid noemde men dat dan. Sommigen gaan nog verder en geloven in collectieve schuld (denk aan de Sippenhaft die ingevoerd is door de zogenaamde anti-racismewet). Maar voor senaatsvoorzitter Lizin geldt zelfs die politieke verantwoordelijkheid blijkbaar niet, zelfs niet voor persoonlijke fouten. Meer nog, we zien hier omzeggens het omgekeerde fenomeen opduiken: waar sommige andere politici verantwoordelijk werden gesteld voor fouten die ze niet hadden begaan, waar men onder de zogenaamde anti-racismewet kan worden gestraft zonder dat men aan enig misdrijf heeft meegewerkt, wordt de senaatsvoorzitster verontschuldigd voor fouten die Anne-Marie Lizin heeft begaan, zogenaamd niet in haar hoedanigheid van Senaatsvoorzitter, maar in haar hoedanigheid van burgemeester van Hoei. De Senaatsvoorzitter lijdt dus blijkbaar aan een zekere vorm van schizofrenie of MPS (multipersonality syndrome); hoewel: in haar hoedanigheid van burgemeester blijkt ze al evenmin politiek verantwoordelijk.

Moet iemand die een politieke functie bekleedt dan voor elke fout aftreden? Vanzelfsprekend niet. Wel moet men op de eerste plaats één maat en één gewicht hanteren. Een belangrijk criterium is daarbij op de eerste plaats niet in welke "hoedanigheid" een fout begaan wordt - dat soort schizofrenie moeten we dringend achter ons laten - maar wel of de fout een inbreuk is op de specifieke verplichtingen die uit de beklede functie voortvloeien. Een fout uit het privéleven kan daarbij slechts spelen indien deze ook de ongeschiktheid voor de functie aantoont. Toegepast op de zaak-Lizin lijkt het me duidelijk dat het schrijven van brieven naar rechters persoonlijk, buiten elke tegenspraak om, om hen te beïnvloeden bij een beslissing, a fortiori wanneer de debatten reeds zijn gesloten, voor iederéén een fout is, ongeacht of men een politieke functie bekleedt of niet, maar daarnaast ook een zeer specifieke fout uitmaakt voor een lid van de wetgevende macht (net zoals voor een lid van de uitvoerende macht).

Zoals onder meer uit art. 151 Strafwetboek blijkt, hebben zij een specifieke plicht de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te garanderen. In het litigieuze geval kan men bovendien ook spreken van misbruik van functie. In zo'n geval lijkt het me normaal dat onafgezien van eventuele gemeenrechtelijke sancties er ook politiek duidelijk een stap terug wordt gezet. Dit betekent misschien nog niet dat Mevrouw Lizin ontslag moet nemen als senator - hoewel: men heeft Roeland Raes daartoe gedwongen terwijl hij juridisch geen enkele fout had begaan (zelfs niet onder de zogenaamde negationismewet, die op zichzelf al een zeer betwistbare inbreuk op de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting vormt). Maar als senaatsvoorzitter deugt ze duidelijk niet, temeer daar ze niet aan haar proefstuk is in het begaan van dit soort fouten. De onschuld uithangen en beterschap beloven is totaal ongeloofwaardig als men weet dat Lizin in september 2003 op briefpapier van de stad Hoei een Brusselse onderzoeksrechter (dus niét het parket) heeft aangeschreven om het onderzoek in een bepaald dossier te beïnvloeden (zij het toen wel niet op het privé-adres van de rechter), dat ze in de jaren '80 reeds misbruik van functie maakte door als europees parlementslid met een vals paspoort Algerije binnen te gaan om kinderen terug te halen, en in 1988 de aanwezigheidslijst van een schepencollege van Hoei vervalste. En overigens: na hoeveel keer verontschuldiging vragen kan een burger vanaf nu zijn verkeersboetes kwijtgescholden krijgen ? Zou zevenmaal voldoende zijn?

In dit geval is spreken van een inbreuk op de scheiding der machten wel degelijk terecht. Weliswaar wordt de uitdrukking scheiding der machten regelmatig ten onrechte gebruikt om bepaalde gedragingen tegenover of uitingen over de rechterlijke macht te bekritiseren. Zo is het evident dat eenieder kritiek mag hebben op de werking van de rechterlijke macht in het algemeen.

Zo is het ook duidelijk dat eenieder, die geen partij is bij een rechtsgeding, na de uitspraak daarin de beslissing mag bekritiseren. Kritische evaluatie van de rechtspraak is voor sommige personen zelfs een plicht, een onderdeel van hun professionele opdracht, met name voor professoren in de rechten (Johan Leman scheen dat niet begrepen te hebben toen hij personen die een bepaald arresten bekritiseren verweet de scheiding der machten te schenden). De scheiding der machten brengt hierbij hooguit mee dat precies leden van de wetgevende en uitvoerende macht zich een stuk terughoudender moeten opstellen.

Zelfs de betrokken partijen hebben de vrijheid de beslissing te bekritiseren, met dien verstande dat 1° van hen toch wel mag worden verwacht dat ze duidelijk maken betrokken partij te zijn en geen derde, en 2° ze wel door de beslissing gebonden zijn en behoudens het gebruik van de voorziene rechtsmiddelen deze ook loyaal zullen moeten uitvoeren. Dat laatste wordt met name door de overheid zelf wel eens vergeten, die er vaak niet voor terugdeinst om door de rechter vernietigde overheidsbeslissingen achteraf te gaan valideren, of zelfs voor de uitspraak te bekrachtigen om ze zo aan rechterlijke controle te onttrekken (zoals bv. de vergunningen voor het Deurganckdok; de koning zal er zich me dunkt wel voor hoeden zijn naam aan dat dok te geven). Dit betekent op zijn beurt natuurlijk ook niet dat de wetgever geen wetten zou mogen maken die tegen de bestaande rechtspraak ingaan - maar dan wel wetten in materiële zin en geen Einzelfallgesetzgebung natuurlijk. Goede wetten maken is zelfs de belangrijkste taak van de wetgever, waarin deze overigens schromelijk te kort schiet; zozeer zelfs dat men regelmatig stelt eerst te zullen zien wat het Arbitragehof denkt vooraleer men een probleem door middel van wetgeving wil regelen.

De situatie is enigszins anders wanneer de zaak sub iudice is, nog niet is beslecht. Ook dan geldt in beginsel wel nog de vrijheid om publiekelijk zijn mening te uiten over de zaak; het Hof voor de mensenrechten in Straatsburg heeft dat duidelijk bevestigd in het arrest Sunday Times. Ook hier is precies voor de leden van de wetgevende en uitvoerende macht een zekere terughoudendheid geboden, die voor de gewone burger niet geldt.

Iets heel anders is dan precies de niet-publieke poging tot beïnvloeding, zoals door Lizin. Daarvoor gelden procedureregels, die essentiële beginselen zoals de onafhankelijkheid van de rechter en het beginsel van tegenspraak en gelijkheid van wapens in het proces moeten garanderen. Als een derde in het geding zelf stelling wil nemen, dient hij dit dus in wezen publiek te doen, of althans met kennisgeving aan de partijen. Daarom was ook de reactie van Magistratuur en maatschappij op het incident-Lizin erg zinvol: rechters zouden elke poging tot beïnvloeding in een hangend geding door personen met publieke functies, openbaar moeten maken.

In casu heeft de rechter dit ook gedaan. In een tussenvonnis besliste de 16e kamer van het Hof van beroep te Luik op 14 maart 2005 (A.R. nr. 2004/JE/143) zich van de zaak te onthouden en deze naar een andere kamer te zenden, met in het arrest de uitdrukkelijke opgave van de stukken die de rechter privé had ontvangen vanwege Mw. Lizin. Dit was de enige juiste beslissing: hoewel dit precies de onpartijdigheid bewijst, zou het tegendeel minstens een schijn van partijdigheid hebben geschapen. In andere gevallen, waar het louter gaat om brieven of stukken die door een derde aan de rechter zijn bezorgd, zonder dat er sprake is van misbruik van een publieke functie, zou een openbaarmaking alleen misschien wel kunnen volstaan. En allicht moeten we dergelijke onregelmatige processtukken maar eens stelselmatig op het internet zetten. De openbaarheid van de rechtspraak en de rechtspleging is immers toch ook een grondbeginsel van onze grondwettelijke orde.

Matthias E. Storme

zondag, maart 20, 2005

Territorialiteitsbeginsel en minderhedenverdrag

Onderstaande tekst is de toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse leeuw aan de burgemeesters van Halle-Vilvoorde. Deze handelt voornamelijk over het territorialiteitsbeginsel en het minderhedenverdrag.

--------

Deze Orde wordt vandaag voor de 22e maal uitgereikt. Vandaga keren we terug naar de wortels van onze Orde. De eerste orde werd immers uitgereikt in 1971 aan Ernest Soens, burgemeester van Strombeek-Bever, die zich met succes verzette tegen de annexatie van zijn gemeente bij Brussel of de invoering van faciliteiten. Op de 21e uitreiking, in 2003, eerden wij de dichter Hubert van Herreweghen, vandaag eren we doeners uit de streek van de dichter. Einde 2004 werd de Heer Luc Demedts, voorzitter van het Halle-Vilvoorde-Komitee. U hoorde zonet de laudatio door minister van Grembergen voor de gelauwerden van vandaag, Leo peeters en zijn collega-burgemeesters van Halle-Vilvoorde. Zij hebben in de Conferentie van burgemeesters van Halle-Vilvoorde kordaat gestreden om een einde te maken aan de bevoogding van de gemeenten van Halle-Vilvoorde door franstalig Brussel door de onderwerping van die gemeenten aan het arrondissement Brussel. Het woord arrondissement is niet toevallig een term die dateert uit de Tijd van de Franse bezetting en annexatie.

Omwille van de actualiteit hebben we de uitreiking van de Orde dit jaar enkele maanden vervroegd. We waren er bij de planning eigenlijk van overtuigd dat de splitsing van het arrondissement vandaag reeds een feit zou zijn, aangezien die ons onverwijld was toegezegd.

Een bekende partijvoorzitter noemde die splitsing het 177E probleem, En ik ben het met hem eens dat er een hele reeks problemen zijn van groter gewicht, al weet ik niet zeker of we hetzelfde bedoelen. Van groter gewicht zijn inderdaad de gezondheidszorg, ik bedoel de splitsing daarvan, het werkgelegenheidsbeleid, ik bedoel de splitsing daarvan, de sociale zekerheid, ik bedoel de splitsing daarvan, de rechtsbedeling, ik bedoel de splitsing daarvan, en zo kunnen we nog even doorgaan. Alleen: als onze Vlaamse leiders nog niet in staat zouden blijken om probleem 177 op te lossen door eenvoudigweg de grondwettelijke indeling in taalgebieden door te trekken in de kiesomschrijvingen, wat kunnen we dan nog verwachten dat ze zouden bereiken op die andere domeinen ?

In ieder geval, de splitsing van Brussel en Halle-Vilvoorde is het sluitstuk van het territo-rialiteitsbeginsel dat nog steeds éénzijdig wordt toegepast: consequent ten gunste van Wallonië, halfslachtig als het om Vlaanderen gaat. Het is natuurlijk een oud verhaal, en het is eigen aan taalimperialisten dat zij het territorialiteitsbeginsel wel in vraag stellen in gebieden waar ze nog niet in de meerderheid zijn of die ze nog niet onder controle hebben, maar natuurlijk wel ten volle toepassen eens ze een bepaald gebied geannexeerd hebben of onder controle krijgen.

In de Belgische geschiedenis zijn het overigens - het kan geen kwaad hier even aan te herinneren niet de Vlamingen die de keuze gemaakt hebben voor het territorialiteitsbeginsel, maar de Walen. Bij de totstandkoming van de eerste taalwetten, in 1878 zowel als in 1921, wilden de Vlamingen in het Parlement instemmen met een regeling die elke particulier in het gehele België de keuze zou geven tussen Nederlands en Frans. Maar de Franstaligen wilden absoluut de eentaligheid van Wallonië handhaven. Dat was voor beide partijen de meest rechtvaardige en verstandige keuze, gezien geen van beiden zeker kon zijn van de machtsverhoudingen op lange termijn. Enkel zijn de Franstaligen blijven valsspelen en hebben ze hun annexatieplannen nooit opgegeven. De Vlamingen hebben het spel ten aanzien van Wallonië wel correct gespeeld, en de ééntaligheid van Wallonië is nooit meer in vraag gesteld.

De voorbije jaren zijn we getuige geweest van het persistent misbruiken door de Fransta-ligen van hun machtspositie op internationaal vlak om op die manier hun imperialistische politiek verder te zetten.

Ze zijn daarbij geholpen door de manifest éénzijdige en scheefgegroeide ontwikkeling inzake de rechten van nationale minderheden - waarmee autochtone etnisch-culturele minderheden worden bedoeld. Anders dan sommige andere internationale instrumenten, die een stuk evenwichtiger zijn, maar jammer genoeg niet dezelfde rol spelen, komt deze scheeftrekking duidelijk tot uiting in het kaderverdrag inzake nationale minderheden.

Het is vandaag de dag natuurlijk modieus om elke wind die onder de naam mensenrechten wordt gelaten als een schitterend parfum te beschouwen, maar dit simplisme miskent de enorme verschillen in intrinsieke kwaliteit tussen de verschillende instrumenten die aan dergelijke rechten vorm proberen te geven. De Kaderconventie is bijna een schoolvoorbeeld van zo'n instrument waarvan de intrinsieke kwaliteit zeer laag is, wat precies een heleboel landen goed uitkomt, maar dan wel ten koste van enkele andere volkeren die niet in het gebrekkige concept passen.

Het Verdrag lijdt onder meer daaraan, dat het geen onderscheid maakt tussen enerzijds opvattingen of regels die uitgaan van louter individuele rechten welke in se niet vereisen dat men deel uitmaakt van een welbepaalde (minderheids)groep, en anderzijds rechten en vrijheden die duidelijk verbonden zijn met het deel uitmaken van een specifieke groep die al dan niet territoriaal is afgebakend. In het eerste geval gaat het namelijk om rechten die elke burger heeft, ongeacht tot welke groep hij behoort, en waarvan de inhoud niet verschilt doordat hij lid is van een bepaalde groep: gelijkheid voor de wet, vrijheid van vereniging, meningsuiting, godsdienst, recht op een tolk in strafzaken, niet-gesubsidieerd privé-onderwijs, e.d. In een liberaaldemocratische rechtsstaat komen deze rechten aan iedereen toe, en daar is een minderhedenverdrag dus overbodig. Daarnaast zijn er echter rechten die personen maar hebben omdat er een volksgroep is, waartoe zij behoren, en die bepaalde kenmerken heeft: gebruik van hun taal door de overheid, gelijkelijk gesubsidieerd onderwijs, e.d.m. Het gaat hier ook om individuele rechten, maar geen louter individuele rechten, zij hebben een collectieve dimensie, en gelden slechts voor zover men tot een erkende groep behoort of voor zover zij collectief worden uitgeoefend. Deze rechten komen niet toe aan elke burger, maar slechts aan diegenen die tot een autochtone volksgroep behoren, een nationale minderheid. Zoniet zou van elke overheid kunnen worden geëist dat zij in meer dan 3.000 talen werkt.

Dergelijke rechten van de tweede categorie kunnen in beginsel op twee manieren worden georganiseerd: op personele basis en op territoriale basis. Indien zij werkelijk ernstig worden genomen leiden zij tot een personeel dan wel een territoriaal federalisme, mogelijks zelfs tot onafhankelijkheid van de volksgroep. In de Belgische grondwet worden deze rehcten ook ernstig genomen: in beginsel geldt een territoriaal federalisme, behalve in het tweetalig gebied Brussel, waar ten dele een personeel federalisme geldt - voor de zogenaamde gemeenschapsbevoegdheden. Dit alles heeft de belgische franstaligen tot één van de allerbest beschermde minderheden ter wereld gemaakt. Maar voor sommigen is het nooit genoeg en is gebiedshonger nooit gestild.

In de Raad van Europa was de weerstand tegen het recht op autonomie van de volksgroepen, zij het in personele of territoriale vorm zo groot, dat men tot onevenwichtig halfslachtige oplossingen gekomen is, grotendeels personeel geïnspireerd, doch zonder enige erkenning van volksgroepen of autonome gemeenschappen.

Het probleem van nationale minderheden in het Procrustesbed van uitsluitend individuele rechten leggen, getuigt echter van een blindheid voor de machtsverhoudingen die er bestaan tussen grote en kleine culturen, en tussen culturen die een eigen staat hebben en degene die dat niet hebben.

Andere experten inzake minderheden hebben dan ook aangetoond dat het voor een kleine cultuur veel belangrijker is om over een "safe haven" of "security area" te beschikken, een gebied waar men thuis kan zijn en waar de cultuur niet voortdurend onder druk staat van machtiger grotere culturen, waarvan de identiteit en integriteit wordt eerbiedigd. Het territorialiteitsbeginsel is dus de aan de situatie van deze volkeren aangepaste vorm van bescherming van minoritaire culturen, zoals de Vlamingen, die immers minoritair zijn wanneer men het perspectief niet vervalst door uitsluitend op het niveau van de bestaande staten te kijken. Op europees vlak zijn de Vlamingen immers duidelijk een minderheid, en is het juist deze die moet worden beschermd tegen de druk van machtiger buurculturen zoals de franstalige.

Ontwerpen om een dergelijke meer evenwichtige bescherming van nationale groepen tot stand te brengen zijn op europees niveau weliswaar ook besproken, maar niet gerealiseerd; denken we bv. aan het ontwerp-handvest van rechten van etnische groepen voor de EG van 1988 (Stauffenberg-ontwerp), later overgenomen in het ontwerp-Alber. Aanzetten tot een bescherming door middel van een beveiligd territorium vinden we ook in de Déclaration universelle des droits collectifs des peuples, waarvan art. 9 bepaalt: "Tout peuple a le droit d'exprimer et de développer sa culture, sa langue et ses règles d'organisation, et de se doter pour ce faire de ses propres structures politiques, d'enseignement, de communi-cation et d'administration publique, sur son aire de souveraineté." En artikel 7 van het Projet de déclaration des Nations Unies sur les droits des peuples autochtones stelt: " Les peuples autochtones ont le droit, à titre collectif et individuel, d'être protégés contre l'eth-nocide ou le génocide culturel, notamment par des mesures visant à empêcher et à réparer tout acte ayant pour but ou pour effet de les priver de leur intégrité en tant que peuples distincts ou de leurs valeurs culturelles ou identité ethnique". Ook het Europees handvest voor streektalen legt nog een duidelijke band tussen minderheidsbescherming en territori-aliteit, en gaat dus niet uit van louter individuele rechten.

In de Raad van Europa vonden vele regeringen echter een recht op personele dan wel ter-ritoriale autonomie een veel te verregaande bescherming van minderheidsvolkeren. De échte bescherming van kleinere culturen in de vorm van territoriale autonomie, in de vorm van een security area, werd dus geweerd. De regels die het de kleine culturen moeten mogelijk maken hun identiteit en de integriteit van hun gemeenschap te vrijwaren tegen de wet van de sterkste, in casu de macht van grotere culturen en naties, ontbreken. De Raad van Europa werd gekaapt door ideologen die tegen volksgroepenrechten zijn en alles door de scheve bril van louter individuele mensenrechten bekijken.

Dit is niet erg voor volkeren die zelfs in eigen streek al geminoriseerd zijn: voor hen is het een stap vooruit. En het is relatief onschadelijk voor kleinere volkeren die wel hun eigen territorium hebben en het tot een onafhankelijke staat hebben gebracht. Het is echter ook goed voor de grote culturen die aan de hand hiervan overal minderheidsrechten kunnen proberen opeisen en zo hun machtspositie nog versterken.

De houding van de Raad van Europa is des te merkwaardiger, nu deze in het arrest over de Turkse Refahpartij, het verbod op die partij door de vingers heeft gezien - geheel ten onrechte overigens - omdat die partij voorstander was van het in de ogen van het Hof onaanvaardbare personaliteitsbeginsel, volgens hetwelk de burgers van eenzelfde territo-rium aan verschillende wetten zouden zijn onderworpen naargelang de groep waartoe ze behoorden.

Door uitsluitend te focussen op individuele of personele oplossingen en de minderheden-bescherming door middel van de erkenning van territoriale integriteit te weigeren, voert de Raad van Europa dan ook een uitermate eenzijdige minderhedenpolitiek, die ten onrechte één vorm van minderhedenbescherming voorrang geeft en de andere geheel negeert. Het territorialiteitsbeginsel is géén inperking van de individuele vrijheid, maar juist een garantie ervoor, een garantie tegen verdrukking van de leden van kleinere taalgemeenschappen door de grotere. Het is dus wraakroepend wanneer men landen die een veel verregaander minderhedenbescherming hebben zoals België door middel van zijn defederalisering, de les gaat spellen op basis van een conventie die juist weigert die verdergaande bescherming te erkennen.

Dit zou allemaal niet zo erg zijn wanneer Vlaanderen een onafhankelijk staat was: van onafhankelijke staten wordt de territoriale integriteit en nationale identiteit door Europa immers wél erkend, van volkeren zonder staat blijkbaar niet. Indien Vlaanderen onafhan-kelijk was, konden we ons de ratificatie van zo'n minderhedenverdragen dus allicht wel permitteren, ondanks de bedroevende kwaliteit ervan.

Die kansen op bescherming van onze territoriale integriteit en op onafhankelijkheid dreigen we overigens te verliezen indien we ons nu dat ontwerp van Europese grondwet door de strot laten duwen. Niet toevallig is daarin op het laatste ogenblik stoemelings ook een bepaling opgenomen die discriminatie van nationale minderheden verbiedt. Met andere woorden: het heeft geen enkele zin dat onze politici moedig weigeren het Minderheden-verdrag te ratificeren, wanneer ze niet hetzelfde doen ten aanzien van die Europese Grondwet, waarvan de rechtskracht nog een heel stuk groter is. Indien men al het Min-derhedenverdrag zou kunnen goedkeuren middels bepaalde voorbehouden - en beter ook dat niet - dan moet men minstens dezelfde eisen en reserves formuleren tegenover de Europese grondwet. En die reserve kan m.i. niet anders luiden dan dat men erkenning eist van het feit dat de bescherming van de verschillende nationale minderheden in België volwaardig gebeurt, en zelfs veel verregaander en effectiever dan in de kaderconventie, door voor elk van de drie taalgemeenschappen een eigen territorium te hebben erkend, naast de regeling van de tweetaligheid in Brussel-Hoofdstad en de autonomie in persoonsgebonden aangelegenheden voor beide gemeenschappen aldaar.

Enkel een verdrag dat het toekennen van een eigen taalgebied aan de diverse taalgroepen fundamenteel als een minstens evenwaardige vorm van bescherming van nationale min-derheden erkent kan dus in aanmerking komen voor ratificatie.

Dames en heren, verontschuldig mij dat ik het ditmaal wat zwaarwichtiger heb gehouden, maar dit thema is m.i. te belangrijk om het niet onder uw aandacht te brengen. De voorbije jaren kon ik mijn gelegenheidstoespraka op het ritme van gedichten brengen, de actualiteit hefet me dit jaar in het proza vastgehouden. Maar ik kan het toch niet laten om af te sluiten met een een gedicht:

De koekoek

Waalse koekoek, die uw eieren legt
In 't warme Vlaamse nest,
wij hebben ze groot gekweekt uw jongen,
Wij kennen hun schreeuwen, kennen hun sprongen,
De onzen hebben ze eruit gedrongen.
Waalse koekoek in 't Vlaamse nest,
Wij kennen u best.

Wat voor een vogel is er de Blauwvoet,
Dat hij de koekoek niet aan en kan?
Niets met zijn bek en niets met zijn klauw doet?
Wat voor een fladderaar is hij dan?

Witte stormvogel, stel u te weer,
Vlieg doe vreemde koekoek te keer
Met spannende harde vlerken,
Snavel hem weg van zijn roof en zijn buit,
Ruk hem pennen en veren uit,
Dat hij vlucht in de Waalse berken.

Ginds mag hij roepen, te zomertijd,
Met hoge borst en fraaie stem,
Koe koe, koe koe,
Dat het galmt door beuk en sperre.
Zijn wij de lastige kerel kwijt,
Niet ongeren horen wij hem
Af en toe
van verre, koe koe, van verre.

Was de koekoek niet zo'n dief
Alle vogels hadden hem lief.

U zal de versvoet herkend hebben van René de Clercq. die toen reeds perfect de betekenis van het territorialiteitsbeginsel in vers uitdrukte.

dinsdag, maart 15, 2005

Discriminatie als fundamentele vrijheid

Interview door Peter De Roover Publicatie in 't Pallieterke 15-03-2005

De klassiek-liberale denktank Nova Civitas rond de Gentse professor Boudewijn Bouckaert reikte enkele weken geleden haar Prijs van de Vrijheid uit aan Matthias Storme (foto). Die wil mensen huldigen die zich bijzonder inzetten voor de verdediging van de persoonlijke vrijheid. Vorig jaar kreeg de Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali die prijs. De laureaat van dit jaar shockeerde de goegemeente door in zijn toespraak de vrijheid om te discrimineren "het fundamenteelste aller vrijheden" te noemen. Het leverde hem weer de nodige schimpscheuten op, waarbij zijn tegenstanders hun gebrek aan inhoudelijke argumentatie probeerden te compenseren met verbale brutaliteiten. Peter De Roover, journalist van het Pallieterke, zocht deze intellectuele woelwater op in zijn Gentse biotoop. Dit interview werd overgenomen uit het krantje van 1 maart 2005.

Er verrijst een nieuwe vleugel aan zijn woning. Storme kijkt met twinkelende ogen naar de gang die beide delen van de woning verbindt en geniet nu al van het idee dat de lange blinde muur zal dienen voor ruime boekenkasten. De verzameling van duizenden titels die het huis bijna doen kreunen kan weer stevig worden aangevuld. Maar professor Storme verstopt zich niet in zijn gekoesterde boeken. Hij betreedt graag het intellectuele strijdtoneel, ook en liefst waar anderen terugschrikken om na A ook B te zeggen. Storme laat er graag het hele alfabet op volgen.

't P: Discriminatie uitroepen tot het fundamenteelste mensenrecht: leeft Storme van de provocatie?

MS: Die titel was zeker bedoeld als aandachtstrekker, maar ik meen het ook echt. Het is dus geen goedkope provocatie. We moeten in onze persoonlijke levenssfeer de vrijheid behouden om te discrimineren. Een private organisatie zonder monopoliepositie moet vrij zijn te beslissen wie ze aanvaardt en wie niet. Vakbonden bijvoorbeeld kunnen die vrijheid niet opeisen. Het kartel van de drie erkende vakbonden vormt een monopolie. Je kan geen nieuwe vakbond oprichten. Er bestaat een numerus clausus. Aangezien die overheidstaken uitvoeren, zoals het uitbetalen van werkloosheidsvergoedingen, moet het hen verboden worden leden uit te sluiten wegens hun politieke overtuiging. Maar in private verhoudingen heb je het recht eigen voorkeuren niet te moeten verantwoorden aan de overheid.

't P: Dus moet de burger de vrijheid hebben een allochtoon te weigeren als huurder?

MS: Het vertrekpunt is al mis. De wet bepaalt hoe je eigendom verkrijgt, maar gaat over de schreef als ze eist dat een eigenaar het gebruik van zijn eigendom moet rechtvaardigen. Door een voorkeur te hebben voor iemand op een andere, wordt die laatste niet in z'n rechten beknot. Niemand heeft een afdwingbaar recht op dat appartement. De eigenaar moet wel het recht hebben zelf te bepalen wie hij als huurder aanvaardt, zonder die keuze te moeten verantwoorden.

't P: Nu mag je iemand alleen weigeren omdat die de huur niet kan/wil betalen.

MS: Inderdaad, men mag dus niet discrimineren op basis van huiskleur, maar wel op basis van de dikte van de portefeuille. Alleen het mercantilisme wordt nog aanvaard als criterium om te bepalen wie je wel of niet als huurder toelaat. Dat die discriminatie wettelijk wel wordt geaccepteerd, bewijst de materialistische levensopvatting die achter de hele anti-discriminatiewet schuilgaat. Wie andere criteria dan geld belangrijk vindt, wordt beknot. Trouw, sympathie of loyauteit mag je niet meer belangrijker vinden. Dat zijn subjectieve waarden die in verdrukking komen. Waarom zou een werkgever geen voorkeur mogen hebben voor een sollicitant die een groot gezin moet onderhouden en het loon meer nodig heeft dan anderen? Met deze wetgeving dreigt hij zich te moeten verantwoorden voor een rechter als hij die keuze maakt. De wetgever reduceert de menselijke handelingsvrijheid tot het calculeerbare, het objectief bewijsbare.

't P: Doet het recht dat niet per definitie?

MS: In zekere mate wel en daarom is een goed rechtssysteem heel zelfbeperkend. De wetgever bepaalt het kader en daarbinnen laat het de burger vrij. Zonder recht bestaat er bijvoorbeeld geen vrije markt. De wet bepaalt dat je contracten moet naleven en hoe je eigendom verkrijgt. Maar de inhoud van dat contract bepaal je zelf. Als de wetgever dat ook te veel gaat voorschrijven, wordt de vrijheid gefnuikt.

't P: De anti-discriminatiewet gaat daar volgens u in de fout.

MS: Ze is absoluut bemoeiziek. Quota invoeren voor migranten op de arbeidsmarkt is een veel kleiner kwaad. In Frankrijk moeten bedrijven een bepaald percentage gehandicapten in dienst nemen. De bedrijven die dat quotum niet halen, moeten een bijdrage leveren aan een fonds dat mensen met een handicap aan een job helpt. Dat idee is aantrekkelijk. De overheid stelt zich tot doel om iedereen kansen te geven op een baan en de privé-personen die kiezen om die taak mee te helpen uitvoeren, krijgen een belastingskorting. Maar hun vrijheid om te kiezen wie het bedrijf wel of niet in dienst neemt, blijft onaangetast. Wanneer de overheid echter de etnische afkomst als bepalend criterium gaat hanteren, openen we de doos van Pandora. Daar zit apartheidsdenken achter. Wie gehandicapt is, kampt met een individueel probleem dat hinderlijk kan zijn om bepaalde jobs te vinden. Dat is ook zo voor wie laaggeschoold is. Daar bestaat een directe band met de tewerkstellingskans. Beweren dat je minder kans maakt wegens je etnische achtergrond is een gevaarlijke redenering. Alsof je afkomst je talenten zou bepalen. Is het een probleem om je brood te verdienen als je allochtoon bent? Een gebrek aan talenkennis, meer bepaald van de streektaal, of lage scholing: dat zijn individuele mankementen die een hinderpaal vormen. Als bepaalde godsdiensten, zoals de joodse, meer stimuleren om te studeren dan andere, moet de overheid dat dan gaan sanctioneren? Een beleid dat alle mensen de kans geeft om hun talenten te ontplooien, is verdedigbaar. Maar sommige groepen speciale rechten verlenen, is een brug te ver.

't P: Men kan opwerpen dat de Vlaamse Beweging speciale rechten wil voor de Vlamingen in Brussel.

MS: Dat klopt niet. Wij willen een mate van autonomie voor die groep. Het hoort tot de essentie van die zelfstandigheid dat de Vlaamse overheid een eigen beleid voert dat kan afwijken van dat van de Franstaligen. Maar het zou ongepast zijn als de Brusselse gewestelijke overheid aparte rechten zou verlenen aan bepaalde groepen ten nadele van de anderen. Vandaag worden mensen die opkomen voor gelijke rechten voor iedereen daarvoor gesanctioneerd. Rocco Buttiglione werd afgewezen als EU-commissaris omdat hij tegen aparte rechten voor specifieke groepen is. Hij werd geslachtofferd wegens zijn verdediging van gelijke rechten. We mogen ook de duivelse logica van de groepsrechten niet uit het oog verliezen. We merken dat die meestal werken ten voordele van de sterken uit de zwakke groep, die geen specifieke steun nodig hebben, ten koste van de zwakken uit de sterke groep. Zit je toevallig in een zogenaamde zwakke groep, dan krijg je voorrechten, ook als je die niet nodig hebt. Ik denk bijvoorbeeld aan vermogende 60-plussers die gratis met het openbaar vervoer rijden, terwijl iemand met een laag loon die jonger is wel het volle pond moet betalen.

't P: U ziet ook discriminatie in de anti-discriminatie.

MS: Je moet tot een georganiseerde en erkende 'minderheid' behoren. We kennen de symbolische achterstandsgroepen: vrouwen, vreemdelingen en homo's. Maar wie om politieke redenen uit een vakbond wordt gezet, heeft geen verweer. Omdat dan een politieke stroming wordt benadeeld die niet het geluk heeft 'erkend' te zijn als slachtoffer. De grote strijders tegen discriminatie discrimineren vlot als ze een ongelijkheid invoeren in de overheidsfinanciering van politieke partijen.

't P: Discriminatie loert overal. Volgens u discrimineert de actie Tsunami 12/12 ook.

MS: Het is aangetoond dat er nu middelen naar Zuidoost Azië vloeien, die anders aan Afrikaanse projecten zouden besteed worden. Dat gebeurt zeker niet op basis van objectieve gegevens, maar omwille van gevoelens en emoties. Dat gaat in tegen de geest van die anti-discriminatiewet. Zelfs onze politiek correcte media hebben mensen aangezet een extra inspanning te doen om geld te geven, wetende dat dit globaal ten koste gaat van grotere sukkelaars. Een extra inspanning doen voor iemand discrimineert dus. Nu, ik vind dat zoiets moet mogen. Maar onze anti-discriminatiepolitici zouden dat moeten aanklagen.

't P: De boswachter stroopt dus.

MS: De partijen die het voor het zeggen hebben, keurden tientallen wetten goed, waarvan de hoogste rechtscolleges hebben vastgesteld dat ze discrimineren. Als ze hun eigen wetten ernstig nemen, zouden ze hun eigen financiering moeten inhouden.

't P: U vindt de anti-discriminatiewet totalitair.

MS: Uiteraard, omdat ze geen onderscheid maakt tussen de private- en de publieke sfeer. De overheid bemoeit zich met de kern van het private handelen: namelijk vrij kunnen kiezen. De burger wordt verplicht zich aan te passen aan de doelstellingen van de overheid. Uiteraard moeten de overheidsdoeleinden gerespecteerd worden. Maar we komen in een situatie dat die zelfs niet meer ter discussie mogen gesteld worden. Daarmee wordt de kern van de democratie uitgehold. Vroeger kwam je op de brandstapel als je het bestaan van God in twijfel trok. Nu bestaan er andere dogma's, maar wie ze betwist komt op figuurlijke brandstapels terecht.

't P: Maar je merkt wel dat de slinger heen en weer blijft gaan. In Nederland worden de linkse taboes steeds meer in twijfel getrokken.

MS: Je merkt dat er gelukkig nog altijd een conservatieve reserve bestaat. Er komt verweer als de slinger te ver uitwijkt.

't P: En dus overdrijft Storme. Het zal zo'n vaart allemaal niet lopen.

MS: Ja maar, da's de taak van een intellectueel. Hij moet waarschuwen voor het te laat is. Je moet niet beginnen roepen als de moord gepleegd is. Ik geloof niet in de theorie van het hellend vlak, dat de catastrofe niet meer kan vermeden worden. Het is typisch conservatief om er van uit te gaan dat alles omkeerbaar is. De wereld volgt geen onomkeerbare rechte lijn, zoals de linkerzijde gelooft. Het evenwicht, de kern van het conservatieve denken, is sterker dan we wel eens denken. Maar we moeten ons bewust zijn van het gevaar dat die conservatieve reserves te snel worden uitgeput. Gebruiken, waarden of feesten wortelen in wijsheden die duizenden jaren oud zijn. Zij houden ons op het rechte pad en beschermen tegen de neiging om ons aan te passen aan 'modes'. We zijn die conservatieve reserves in snel tempo aan het vernielen, zonder er iets voor in de plaats te stellen. Ooit was het hoofdprobleem dat tradities verstarden. Vandaag is het vernielen ervan een grotere ziekte. Omdat alles tegelijk alles kan betekenen, betekent niets nog iets.

't P: U spreekt over de rol van de intellectueel. Voelt u zich niet erg eenzaam, als je merkt hoeveel aan zelfcensuur wordt gedaan?

MS: Ik zou het prettig vinden als ik meer publieke medestanders zou tellen. Mocht iedereen die me in privé-gesprekken gelijk geeft dat ook openlijk zeggen, stonden we veel verder. 'Wij' hebben de media niet in handen en in onze samenleving waar het zeer belangrijk is om in de media te komen, schrikken velen er voor terug om tegen de stroom in te roeien. Maar de toestand is allerminst hopeloos. De linkerzijde zit met de handen in het haar omdat ze veel terrein moet prijsgeven aan de kracht van de ideeën bij de rechterzijde en bij conservatieven.

dinsdag, februari 15, 2005

Mijn argumenten tegen de Europese Grondwet

Geachte Heer storme,
http://forum.politics.be/archive/index.php/t-29572.html

Ik lees overal dat jij tegen de zogenaamde "Europese Grondwet" bent, maar heb nog nergens mogen vernemen waarom. Kan je hier argumenteern waarom die Grondwet geen goede zaak is.

Llore

Antwoord van Matthias Storme
14-02-2005, 22:56
Een bericht op dit forum is natuurlijk niet de beste plaats voor een genuanceerd en uitgewerkt antwoord op deze vraag, maar een vereenvoudigd antwoord kan natuurlijk wel.
De belangrijkste gebreken zijn voor mij:

1. gebreken inzake de bevoegdheidsverdleing tussen Unie, lidstaten en regio's. De bepalingen die bevoegdheden toewijzen aan de Unie zijn veel te vaag en laten daardoor, naargelang de gevonden meerderheden, ongeveer alles toe op kosten van de kleine landen die niet zouden instemmen. De geschiedenis leert dat dit leidt tot een veel te groet centralisatie. Dit gebeurt sluipend omdat de meeste bevoeghedne zowel aan de Unie als de lidstaten toekomen. Maar je moet er wle bij zeggen dat de Unie voorrang heeft. Er is dus nauwelijks een voorbehouden domein voor de lidstaten en de regio's inzake wetgeving. Dit leitd automatisch tot verregaande centralisering, maar omdat het niet in 1 keer gebeurt, maar voortdurend, merkt men dat minder en kan men dat stoemelings doorduwen. Onder meer art.I-17, de zgn. flexibiliteistclausule, is een van de boosdoeners.
Deze constellatie ontneemt de volkeren in grote mate de mogelijkheid om hun eigen lot nog in handen te nemen, om soeverein eigen keuzes te maken op politiek, sociaal, cultureel vlak.

2. Er zijn veel te veel instellingen en er is veel te weinig duidelijke scheiding van machten en taken tussen die instellingen. Zo wordt vaak verteld dat het een grote stap voorwaarts is dat de Europese commissie politiek verantwoordelijk zou worden jegens het Europees Parlement. De ervaring leert dat juist daardoor parlementen veel minder te zeggen krijgen en slaaf wordne van de meerderheid. Het Parklement is veel onafhankelijker wanneer het de regering niet kan doen vallen, maar wel kan dwingen om zich bij een meerderheid in het parlement neer te leggen (zoals in de Verenigde Staten). De grondwet gaat op dit punt in de verkeerde richting.

3. Het charter van grondrechten is een ramp. Door de overvloed van allerlei nieuwe grondrechten worden de échte grondrechten, namelijk de fundamentele vrijehden, ernstig uitgehold. Het charter gaat uit van de totalitaire idee dat de overheid gelijkheid moet scheppen in de samenleving en alle ongelijkheden tussen mensen moet bestrijden. Dat is een communistische tendens, onder meer in art. III-8. op basis daarvan worden wij stilaan een politiestaat, althans een repressiestaat. De essentie van elke fundamentele vrijheid is juist dat men binnen de grenzen daarvan aan de overheid geen verantwoording verschuldigd is over zogenaamde ongelijke behandelingen.

Helemaal absurd is de zogenaamde misbruikclausule in art. II-54, die het verbiedt om de vrijheden te gebruiken om gelijk welk zogezegd fundamenteel recht af te schaffen of in te perken. Ik mag dus volgens die grondwet niet meer de mening uiten dat ik betaalde vakantie nonsens vind, want die uiting is zogezegd een misbruik van de vrijheid van meningsuiting (gezien art. II-31). Ik mag de interpretatie die de fundi's aan bepaalde zogenaamde mensenrechten geven, niet meer in twijfel trekken zonder ene outlaw en misdadiger te worden. Ik mag onder die grondwet niet meer vertellen dat volgens mij het wel aanvaardbaar is om menselijk bloed te verkopen (strijdig met II-3, 2 c), dat een hoog niveau van consumentenbescherming geen goede zaak is (strijdig met II-38), dat sociale zekerheid niet per definitie op dezelfde manier aan alle migranten moet wordne toegekend (strijdig met II-34, 2°), dat voor sommige regels een onderscheid moet worden gemaakt tussen EU-burgers en niet-EU-burgers, enzovoort.
Europa overtreedt verder flagrant de scheiding van kerk en staat, door een seculiere religie op te leggen aan iedereen en wie het met die nieuwe afgodendienst niet eens te degraderen tot tweederangsburger, zoals in de zaak-Buttiglione duidelijk gebleken is (zie mijn artikel op http://www.storme.be/buttiglione.html).

4. De wijze waariop de Grondwet wordt verkocht is schandelijk. Men doet also de lidstaten die het bij de bestaande Unie willen houden en de grondwet verwerpen contractbreuk zouden plegen, terwijl het precies omgekeerd is: die landen willen gewoon de bestaande akkoorden respecteren en niet gedwongen worden tot een nieuwe overeenkomst waarmee hun bevolking niet instemt. Het zijn de andere lidstaten die door hun chantage contractbreuk plegen.

Dit hangt samen met de typische eigenschap van de politiek correcten: er is maar een juist antwoord en al wie daartegen nee zegt is een idioot of kwade. Men zal dus de bevolkingen die nee zeggen blijven doen stemmen tot ze ja zeggen (zoals men bij het Verdrag van NIce reeds heeft gedaan). Maar eenmaal ze ja gezegd hebben, zullen ze nooit meer de kans krijgen om nog neen te zeggen. Alleen dat is al een reden om zeker geen ja te zeggen, want daarmee maakt men zichzelf monddood.

zondag, februari 06, 2005

De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren.

Molinarilezing bij ontvangst van de "Prijs voor de vrijheid" - Antwerpen 27 januari 2005.

Toespraak Hooggeachte vergadering,

Bij de uitreiking van de Prijs voor de Vrijheid past het zich te bezinnen over de staat van onze vrijheid en de voorwaarden voor de ontwikkeling ervan. Met name wens ik uit te leggen te waarom de vrijheid om te discrimineren een fundamentele vrijheid is, zelfs de fundamenteelste van de vrijheden omdat zonder die vrijheid de meeste andere fundamentele vrijheden gewoon niet bestaan. Daartoe moet ik eerst herinneren aan de grondslagen van de fundamentele vrijheden in het meervoud. Meervoud, inderdaad: mijn titel veronderstelt dat er niet één vrijheid is, maar meerdere vrijheden. Het is de uitdrukking van mijn overtuiging dat de vrijheid als goed niet berust op een abstract principe waaraan men het menselijk handelen kan toetsen of dat men kan opleggen, maar op een reeks concrete vrijheden, verworvenheden van een historische strijd of ontwikkeling, die nooit vanzelf spreken maar telkens opnieuw moeten verdedigd worden en verankerd. Sommige van die vrijheden noemen we fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van geweten, de vrijheid van de persoon, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering, de vrijheid van arbeid, de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van onderzoek.

Vrijheden, totalitarisme en twijfel

Deze vrijheden zijn dus nooit voor de toekomst verworven, en de verworven vrijheden kunnen telkens opnieuw bedreigd worden door andere maatschappelijke ontwikkelingen. Zij zijn in hun concrete vorm niet universeel, maar het product van een particuliere geschiedenis, onze Westerse beschavingsgeschiedenis.

Hoewel zij het resultaat zijn van eeuwenlange ontwikkelingen zijn er wel enkele sleutelmomenten in deze, onze geschiedenis. In zijn prachtig essay, waarvan mijn eerste kennisname overigens te danken is aan collega Boudewijn Bouckaert, Qu'est-ce que l'occident (1), onderscheidt Philippe Nemo vijf sleutelontwikkelingen die het meest tekenend zijn geweest voor de Westerse beschaving (de Griekse polis, het romeins recht, de bijbelse eschatologie, de gregoriaanse hervormingen, de moderne revoluties). De belangrijkste elementen daaruit voor mijn thema vandaag zijn:
- het instellen van de heerschappij van de wet in de Griekse polis: the rule of laws, not of men;
- de uitbouw van het privaatrecht waaronder de private eigendom door de Romeinen,
- de onderscheiding van de burgerlijke (territoriale) en de spirituele orde met elk hun eigen legitimiteit in het Westerse christendom,
- de ontwikkeling van de religieuze tolerantie en fundamentele vrijheden in de moderne tijden.

Deze ontwikkeling is niet rechtlijnig geweest, nooit definitief verworven, en regelmatig bedreigd door andere maatschappelijke ontwikkelingen. In de 20e eeuw geschiedde dat hoofdzakelijk in verschillende vormen van totalitarisme die aan de macht zijn gekomen: het bolsjevisme en het nationaal-socialisme. Vandaag gebeurt dat door een nieuwe variante van het totalitarisme, een nieuwe intolerante religie, de eureligie van de non-discriminatie.

Daarom is het van essentieel belang voor het behoud van onze vrijheden dat we de kenmerken van het totalitarisme bestuderen en juist inschatten. Onder meer Hannah Arendt, The origins of totalitarianism , Jean-François Revel, La tentation totalitaire, en Tzvetan Todorov, Mémoire du mal. Tentation du bien zijn daarbij cruciale werken.

En al is hét totalitarisme niet te vatten in een enkele definitie of vast stel kenmerken, toch zijn er wel enkele constanten: een eenduidige hiërarchie van de macht, de verwerping van meer dan één legitimiteit en van het onderscheid tussen recht en moraal, een overheid die de burger verplicht het door die overheid gedefinieerde goed na te streven, een overheid die zich niet alleen met de gedragingen maar ook met de motieven van de burger moeit, e.d.m. Bovenal wordt het totalitarisme gekenmerkt door een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad: het goede moet worden opgelegd en het kwade niet getolereerd meer bestreden.

Het tegendeel van totalitarisme - ongeacht of we dat nu democratie willen noemen of iets anders - kan dan ook nooit bestaan uit een andere vorm van simplisme. Het zal nooit dezelfde eenduidigheid en onbetwistbaarheid kunnen hebben als totalitaire denkbeelden. Meer nog: wanneer begrippen als democratie, rechten van de mens, tolerantie e.d.m. eenduidige begrippen zijn, die zich aan elke twijfel onttrekken, dan hebben we de duidelijkste aanduiding dat zij de vermomming zijn van een nieuwe vorm van totalitarisme. Want "als het fascisme ooit terugkomt, zal het dat doen onder de naam antifascisme".

Het tegendeel van het totalitarisme moet bovenal gezocht worden in een bereidheid om geleed te denken, om twijfel en dus debat voldoende ruimte te geven, om geen enkele ontwikkeling als onomkeerbaar te beschouwen of te propageren, om te aanvaarden dat er niet maar één richting is waarin goede mensen kunnen marcheren (2).

Dit verplicht ons natuurlijk niet tot absolute twijfel, zoals de Ezel van Buridaen, die op gelijke afstand stond van twee gelijke hooimijten, en omdat er geen enkel duidelijk argument reden was waarom het beter zou zijn naar de ene te gaan dan naar de anderen, van honger omkwam.

Een relatieve twijfel kan immers wel degelijk worden gedacht en zelfs geïnstitutionaliseerd. Meer nog: de twijfel moet zelfs in concrete, imperfecte vormen worden geïnstitutionaliseerd om niet zelf tot de absoluutheid van het relativisme te verworden.

Tolerantie als sleutelbegrip

Het sleutelbegrip van onze Westerse ervaring in deze manier van denken is het begrip tolerantie. Het is des te meer een sleutelbegrip omdat ook tolerantie door het verabsoluteren ervan in een absolute intolerantie kan verkeren (3°.

De sleutel is te vinden in de scholastieke definitie door Reimond van Peñaforte in zijn Summa de Iure canonico (ca. 1123) (4): Minus malum toleratur, ut maius tollatur: een kwaad wordt getolereerd omdat het bestrijden ervan een groter kwaad is dan het verdragen ervan.

Dit is geen eenvoudige gedachte, dames en heren: dat iets kwaad kan zijn en toch moet toegelaten worden omdat het bestrijden ervan nog een erger kwaad zou zijn dan het kwaad dat men ermee bestrijdt. Meer nog, de enorme betekenis van dit intellectueel inzicht kan m.i. niet onderschat worden. De kunst van de tolerantie bestaat er immers niet in om dingen te tolereren die men als goed beschouwt, maar wel om wat men kwaad acht niet op een dusdanige wijze te bestrijden dat de bestrijding erger is dan de kwaal. De tolerantie is, naar de uitdrukking van Todorov, "het smalle pad" (5) tussen twee ravijnen:
- Aan de ene kant vinden we de klassieke intolerantie, bestaande uit de overspanning van het eigene: vormen racisme en vreemdelingenhaat, vormen van ideologische haat, enzovoort.
- Aan de andere kant vinden we de perversie van de tolerantie in een antitolerantie: wanneer men anderen verbiedt om datgene wat ze moeten tolereren ook kwaad te vinden en de eigen waarden beter te vinden, en eenieder dus verplicht om andere opvattingen over het goede aan de zijne evenwaardig te vinden. Bij deze perversie van de tolerantie wordt de verdediging van eigen opvattingen gecriminaliseerd tot een belediging van andersdenkenden, en dit op steeds meer vlakken: de verdediging van de eigen cultuur wordt gebrandmerkt als xenofoob, die van morele opvattingen over het privéleven tegenover een absoluut moreel subjectivisme als homofoob, die van de eigen godsdienst als islamofoob. Dit leidt, in de woorden van Alain Finkielkraut, naar "une tolérance qui, finalement, ne tolère qu'elle-même" (6). Is het kwaad overigens niet altijd ergens de perversie van het goede ?

De democratische samenleving

De moderne Westerse samenleving kwam tot stand door de specifieke vormen waarin tolerantie werd geïnstitutionaliseerd. Dit geschiedde door enerzijds te aanvaarden dat er meerdere particuliere (nationale of regionale) rechtsorden op gelijke voet naast elkaar, elk op hun eigen territorium, gelden, en anderzijds fundamentele vrijheden in te stellen voor de individuele burgers van die territoria. Dit laatste vergde de ontwikkeling van een burgerlijke samenleving, die private zowel als publieke ruimte heeft bevochten op koning en kerk. Onze moderne op vrijheden gebaseerde democratie rust daarbij op een complex evenwicht met volgende kenmerken:
- een geweldmonopolie voor de overheid, die als enige manu militari gedragsregels kan opleggen;
- als keerzijde daarvan het legaliteitsbeginsel, dat het de overheid verbiedt anders te beslissen dan aan de hand van op voorhand bepaalde, voor iedereen gelijk geldende algemene regels (de overheid mag niet à la tête du client beslissen, geen Individualgesetze maken, niet discrimineren in de zin van ongelijk behandelen zonder dit objectief en redelijk te rechtvaardigen);
- en als corrolarium de beperking van de overheid door de instelling van fundamentele vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van geweten en meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van godsdienst (scheiding van kerk en staat) en van vergadering, de private eigendom.

Deze vrijheden zijn dan ook niet alleen of zelfs niet op de eerste plaats individuele subjectieve rechten, maar maatschappelijke instellingen van algemeen belang, zoals overigens nog duidelijk blijkt uit de verwoording ervan in de Belgische grondwet van 1831. Die zegt bv. niet dat iedereen persoonlijke vrijheid en vrijheid van meningsuiting en godsdienst heeft, maar "De vrijheid van de persoon is gewaarborgd" en "De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd". Door die vrijheden kunnen individuen juist op een andere manier dan door het recht tot hun recht kunnen komen. Mensen kregen de vrijheid om gezamenlijk, in maatschappelijke verbanden en instellingen, aan zingeving (w.o. cultuur), aan betekenisoverdracht (w.o. onderwijs), aan zorg en solidariteit te doen. In die verbanden groeiden die (culturele, pedagogische, humanitaire, ....) waarden en betekenis. Naast de verbanden waar men van nature deel van uitmaakt, meer bepaald door afstamming, spelen de vrijwillig gekozen verbanden aldus een belangrijke rol voor die waarden.

De enorme meerwaarde van deze vrijheden, zowel vergeleken met een louter op verwantschap gebaseerde samenleving als met een totalitaire samenleving, wordt nauwelijks betwist, maar de essentiële voorwaarden daartoe worden niet onderkend en komen vandaag in Europa steeds meer in gevaar. Zij betreffen de verhouding, en in het bijzonder het onderscheid tussen recht en ethiek (moraal, fatsoen) zowel als tussen overheid en burgerlijke samenleving (overheidssector en private sector).

Onderscheid tussen recht en fatsoen

Een op vrijheden gebouwde democratische samenleving vereist allereerst een onderscheid tussen recht en ethiek, moraal of fatsoen. Dit omvat zowel dat veel van wat door de meerderheid onfatsoenlijk wordt geacht, wordt getolereerd, als dat eenieder het door de meerderheid in rechtsregels toegelatene of zelfs bevorderde onfatsoenlijk mag vinden. Democratie berust op de overtuiging dat bij een zeer groot aantal menselijke gedragingen, het verbieden van zelfs door de meerderheid onfatsoenlijk of immoreel geachte gedragingen een groter kwaad is dan het tolereren ervan: in dubiis libertas. Die tolerantie ontbreekt echter niet alleen wanneer traditioneel onfatsoenlijk geachte gedragingen en meningen worden verboden, zij ontbreekt natuurlijk ook wanneer het verboden wordt om gedragingen die wettelijk toegestaan worden met geweldloze middelen als immoreel te bestrijden.

In het bijzonder de vrijheid van meningsuiting

Laat mij, vooraleer nader in te gaan op de perverse aspecten van het niét respecteren van genoemd onderscheid tussen recht en ethiek, tussendoor even wijzen op het specifieke belang van de vrijheden van geweten, meningsuiting en van vereniging. Waar aan de vrijheid op het vlak van de gedragingen in het algemeen redelijke beperkingen mogelijk en zelfs noodzakelijk zijn, meer bepaald ter bescherming van de rechten van anderen, geldt dit veel minder voor meningsuitingen, reden waarom vrijheid heel in het bijzonder geldt voor - in beginsel alle - onfatsoenlijk geachte meningsuitingen.

Nog radicaler is de vrijheid van geweten: waar een democratische overheid het recht heeft om binnen bepaalde grenzen ons gedrag te reguleren, heeft ze géén recht om onze gedachten te koloniseren. Die Gedanken sind frei; wat in het hoofd van de mensen omgaat, gaat de overheid niet aan, en de motieven van de burgers kunnen in een democratische samenleving dan ook geen grond zijn voor bestraffing (iets anders, en wel relevant, is natuurlijk of bepaalde gedragingen opzettelijk of door nalatigheid zijn begaan (7)).

Doch ook de vrijheid van meningsuiting dient vrij absoluut te zijn. Ik wil het onderscheid tussen deze vrijheid en de andere vrijheden, zoals de vrijheid van godsdienst, van vreedzame vergadering, van arbeid, handel of nijverheid, van rustig genot van privé-eigendom, en dergelijke, ook niet verabsoluteren. Maar er is toch een belangrijk verschil. daarvoor zijn er meerdere redenen.

* De vrijheid van meningsuiting en vereniging wordt door de nieuwe breidelwetten in ons huidig regime immers vooral ingeperkt in zoverre de uiting een "aanzetten" vormt tot iets, en niet meer alleen, zoals vroeger in zeer beperkende voorwaarden (laster), omwille van de inhoud van de mening. Maar behalve bij het gebruik van geweld of dwang ligt tussen het aanzetten tot iets en de aangezette daad ligt nog de vrije wil van de persoon die aangezet wordt. Dat is een essentieel verschil met handelingen die op zichzelf schade berokkenen, of iemand anders dwingen schade te berokkenen (in welk geval het niet meer om aanzetten maar om dwingen gaat, wat een heel ander register is, omdat daar de vrijheid van de gedwongene rechtstreeks in het geding is). Een samenleving die de mens als een wezen met vrije wil erkent, onmogelijk een uiting die zou aanzetten tot een onwettige gedraging zonder daartoe te dwingen, met die onwettige gedraging gelijkstellen - laat staan dat men nog van een democratische samenleving kan spreken wanneer het aanzetten tot onfatsoenlijke maar zelfs niet onwettige gedragingen kan worden gestraft (zoals vandaag in België).

Een democratische staat verbiedt dus omzeggens géén enkele meningsuiting als dusdanig. Behoudens wanneer het een individuele persoon in zijn persoonlijke, individuele waardigheid treft. Maar het is nonsens om de belediging van een groep strafbaar te stellen. Er is een fundamenteel verschil tussen een algemene beledigende of valselijk beschuldigende uitspraak en een uitspraak die uitdrukkelijk een bepaald persoon of mede een bepaald persoon individueel beledigt of valselijk beschuldigt. Het "recht op goede naam" dat een beperking van de uitingsvrijheid rechtvaardigt, is een individueel recht van personen en géén collectief recht, zeker niet wanneer blijkt dat dit collectief recht blijkbaar alleen voor bepaalde soorten groepen geldt. Het is strijdig met de gelijkheid van de burgers om die beperkingen van de uitingsvrijheid, die de rechten van individuen beschermen, uit te breiden om "groepen" te beschermen. Daarmee kent men aan die groepen - met name goed georganiseerde groepen die erin slagen zich te laten erkennen als een beledigde of gediscrimineerde groep - allerlei collectieve rechten toe die de groep van gewone burgers niet heeft. Het kan dus niet dat meningsuitingen verboden zijn omdat zij krenkend zouden zijn voor een groep en niet voor een bepaalde persoon. Overigens stel ik vast dat allerlei gekrenkte groepsgevoelens vandaag de dag duidelijk beter beschermd worden dan bv. het nationaal gevoel van de Vlamingen, dat door een hele reeks opiniemakers dagelijks verdacht wordt gemaakt - voor alle duidelijkheid: zonder dat ik hun juridische vrijheid dat te doen in twijfel trek.

* Wil dat zeggen dat we onfatsoenlijke meningen moeten tolereren ? Ja en neen. We mogen ze niet juridisch bestrijden, natuurlijk wel met woorden en geweldloze daden. Als iemand het recht heeft om onfatsoenlijke dingen te zeggen, heb ik van mijn kant immers het fundamentele recht om die persoon te discrimineren (vgl. verder). Wat ik het meest mis in het debat over de vrije meningsuiting (8) is dan ook dit onderscheid tussen wat ethisch verantwoord is en wat juridisch getolereerd wordt, alsmede het besef dat de vrijheid van meningsuiting als juridisch begrip in essentie de vrijheid is om ook de meest onfatsoenlijke meningen te uiten. Het via een wet of rechter verbieden van een onfatsoenlijke meningsuiting is in alle gevallen een groter kwaad dan die uiting zelf, voor zover het louter om een meningsuiting gaat: "De schade die het vrije woord ongetwijfeld berokkent is de prijs die betaald moet worden voor het grootste rechtsgoed dat een vrije samenleving kent" (J. GRIFFITHS, "Meer fatsoen en minder recht", NJB 2004). Natuurlijk geldt diezelfde vrijheid dan ook voor de tegenstanders die de eerste mening onfatsoenlijk vinden. Iedereen heeft het recht om Rocco Buttiglione homofoob te noemen, net zoals ik het recht heb om iemand die het woord homofobie gebruik een intolerante en gevaarlijke fobomaan te noemen; doch zodra homofobie in meningsuitingen een misdrijf is, leven we niet meer in een democratie maar in een totalitaire staat.

Overigens zijn meningsuitingen m.i. niet alleen als dusdanig nooit juridisch te verbieden, maar ook op het ethische niveau niet te snel immoreel te noemen. Zoals de reeds genoemde de Brits-Nederlandse rechtsanthropoloog John Griffiths (t.z.p.) schrijft kan het misbruik - dat dus ook voor hem door de staat niet mag worden beperkt, maar wel door de burgers als onfatsoenlijk mag worden bestreden - niet bestaan uit de gedachte die ten grondslag ligt aan de uiting, maar enkel "in de onnodig kwetsende wijze waarop een gedachte wordt geuit. En het "onnodige" zit niet in de pijn die de gedachte zelf doet, maar in het ontbreken van enige communicatieve meerwaarde in de woorden of beelden die nodeloze pijn toevoegen: schuttingtaal, beladen termen zoals "nazi", heilige teksten op blote lijven, enzovoorts" - einde citaat. Ongeacht of men het met dit laatste voorbeeld eens is of niet, de kern van de zaak is moeilijk beter te verwoorden.

Ik vraag niet liever dan dat alle meningsuitingen binnen de grenzen van het fatsoenlijke zouden blijven. Maar hoe kan men tegelijk zeggen dat het volkomen onfatsoenlijk was van Theo Van Gogh om over geitenneuker te spreken - dat was het ook, ook al was het een toespeling op een advies van ayatollah Khomeini - en tegelijkertijd overheidscampagnes in de scholen te brengen die schuttingtaal promoten en allerlei verstrengelde blote lijven brengen zonder communicatieve meerwaarde.

* De vrijheid van meningsuiting heeft ook een essentiële politieke functie. Het is meer bepaald van het grootste belang dat burgers de rechtsregels in vraag mogen stellen, mits ze ze ondertussen (in afwachting van hun wijziging) niet overtreden, ook wanneer die rechtsregels zouden zijn gesacraliseerd tot mensenrechten. Dus ook een pleidooi om het EVRM op te zeggen, zoals Geert Wilders in Staats-Nederland heeft gedaan, of een pleidooi voor de wijziging van de grondrechten in onze Grondwet. En met dat laatste bedoel ik natuurlijk een wijziging in niet-socialistische richting. Want waarom zouden de teksten inzake grondrechten wel altijd in één richting mogen gewijzigd worden - een meer socialistische - en nooit in een andere richting ?

Welnu, deze vrijheid bestaat in het Belgische en Europese regime niet meer. Daar zijn er meer en meer rechtsregels die zo absoluut zijn dat ze niet alleen moeten worden nageleefd, maar zelfs niet in vraag mogen worden gesteld, en dus tot theologische dogmata zijn verheven. Het Hof van beroep te Gent oordeelde in zijn berucht arrest van 21 april 2004 dat het loutere feit in het openbaar te pleiten voor een discriminerende wetswijziging (dit is een wetswijziging gebaseerd op een onderscheid dat niet redelijk en objectief wordt verantwoord, zoals ik verderop nog zal bespreken), reeds een misdrijf is (9). De teksten van het EVRM en het Handvest van grondrechten in de Europese grondwet zijn vandaag gesacraliseerd tot heilige teksten die misschien nog wel op blote lijven mogen worden geschreven, maar waarvan de invraagstelling verboden is en zelfs strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Een voorbeeld vinden we in de anti-misbruikbepaling van het Handvest van grondvesten in de Europese grondwet (art. II-54), die stelt dat geen van die rechten en vrijheden gebruikt mogen worden om ook maar één ervan af te schaffen of te beperken. Als men weet wat er intussen allemaal al tot mensenrecht gepromoveerd is, zoals bv. het recht op betaalde vakantie, dan betekent dit dat na goedkeuring van die grondwet er geen vrijheid van meningsuiting meer is om het recht op betaalde vakantie aan te vallen. Maar het is totale nonsens om alle mensenrechten te beschouwen als van gelijke aard en ze dus dezelfde status te geven. Die éne bepaling is voor mij al voldoende om die grondwet te verwerpen, omdat ze een nieuwe vorm van totalitarisme, een nieuw soort theocratie bekrachtigt. Die bepaling moet er ons ook toe brengen elk verhaal over "de" mensenrechten als een simplistische unitaire categorie af te wijzen.

Perverse identificatie van recht en moraal

Het onderscheid tussen recht en moraal is niet alleen een voorwaarde voor de grondvrijheden, het is ook een mogelijkheidsvoorwaarde voor het ethisch debat en voor het morele handelen zelf.

Het streven naar een samenvallen van recht en moraal is om twee slechts schijnbaar tegenstrijdige redenen zeer kwalijk:
- enerzijds leidt het ertoe dat te veel fatsoensregels tot dwingende rechtsregels worden verheven - hypertrofie van de moraal -, wat het morele debat verstikt door het opleggen van te veel uniformiteit.
- Het leidt er, omgekeerd, ook toe dat de niet afdwingbaar gestelde fatsoensregels elke morele aanspraak verliezen. Dat laatste is de hoger besproken pervertering van de tolerantie, die het burgers onmogelijk maakt om dingen die ze immoreel achten nog geweldloos te bestrijden door hen te verplichten om alles wat wettelijk is ook moreel te vinden.
Wie ermee begint alles wat fatsoenlijk is juridisch te verbieden eindigt ermee alles wat niet juridisch verboden is tot fatsoenlijk uit te roepen. Het onderscheid tussen recht en moraal of fatsoen is dus een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor elk ethisch debat.

Het is trouwens ook voor de samenleving van groot belang dat de legitimiteit van de burgerlijke overheid niet gereduceerd wordt tot haar conformiteit met de moraal. Roger Scruton heeft in The West and the Rest schitterend beschreven hoe één van de meest fundamentele problemen van de arabische wereld er precies in bestaat dat de burgerlijke overheid nooit een autonome legitimiteit heeft gehad, nooit een andere heeft gehad dan de mate waarin zij de heilige wet (sharia) naleefde en deed naleven. Mijns inziens zijn onze mensenrechtenfundamentalisten zijn niet veel beter dan de wahhabieten en hebben ze hun eigen takfir doctrine: een staat die hun opvatting van de mensenrechten niet respecteert, wordt tot illegitieme staat bestempeld. Al moet ik toegeven dat ik moeite moet doen om zelf niet aan die doctrine toe te geven en onze staat ook als een illegitieme te beschouwen ....

Natuurlijk kan het geen streefdoel zijn om een rechtsorde te hebben die in strijd is met de moraal, maar juist omdat tolerantie een morele deugd is, is het allesbehalve immoreel maar juist essentieel ethisch om de heersende moraliteit (d.i. die van de politieke machthebbers) in vele gevallen niet met rechtelijke geboden en verboden (en dus geweld) op te leggen. Een rechtsorde die onfatsoenlijke en zelfs immorele meningen en zelfs gedragingen tolereert, is een morele orde, want zij beoefent de deugd van de tolerantie; zij realiseert een complexere moraal dan de simplistische moraal die van oordeel is dat alles wat onfatsoenlijk is ook door rechters en inquisiteurs, juridisch dus, moet worden bestreden.

Een belangrijk bijkomend argument voor die tolerantie is, in de woorden van Koen Raes, dat een afgedwongen ethische overtuiging iedere waarde verliest (10). Moraliteit vereist vrijheid.

Dit alles is op schitterende wijze vertolkt door een der grootste juristen aller tijden, Friedrich Carl von Savigny. Wanneer hij het heeft over het wezen van het recht benadrukt hij dat de ontplooiing van de mens een vrijheid in juridische zin vereist, een vrijheidsruimte. "Das Recht dient der Sittlichkeit, aber nicht indem es ihr Gebot vollzieht, sondern indem es die freye Entfaltung ihrer, jedem einzelnen Willen innewohnenden Kraft sichert" (11). Geparafraseerd: het recht dient de moraliteit niet door haar gebod op te leggen maar door de mens een ruimte van vrijheid te geven, ruimte zonder dewelke hij niet moreel kán handelen’. Deze grondslag van onze rechtsorde is in de loop van de twintigste eeuw steeds verder onder druk komen te staan.” En voor alle duidelijkheid, Savigny voegde er onmiddellijk aan toe dat ook een onethische uitoefening van die vrijheid nog altijd binnen die vrijheid valt.

Perverse gelijkschakeling van burgerplicht met overheidsplicht

Al even fundamenteel voor het weren van het totalitarisme is het onderscheid tussen het handelen van de overheid en dat van de burger in de civil society.

De overheid mag niet discrimineren en het handelen van de overheid moet gelegitimeerd worden: de overheid moet voor elk onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording geven. Dit zowel als de erkenning van vrijheidsruimten door de overheid heeft essentieel te maken met het feit dat de wet ook wordt opgelegd aan wie er niet mee instemt. Zonder die terughoudendheid is een democratie niets meer dan een dictatuur van de meerderheid.

De burger echter heeft niét die monopoliepositie van de overheid. In een niet-totalitaire staat is er dan ook een fundamenteel verschil tussen de verplichtingen en vrijheden van de burger en die van de overheid. Voor de overheid gelden het legaliteitsbeginsel en het discriminatieverbod, voor burgers zonder monopoliepositie niét. Natuurlijk zal een burger zich moeten rechtvaardigen als hij de wet overtreedt, maar in een niet-totalitaire staat houdt de wet juist in dat er voor de burger géén algemene verplichting bestaat om zijn keuzes in de samenleving te rechtvaardigen, maar vrijheden die hem daarvan ontslaan: persoonlijke vrijheid, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging enzovoort. Wezenlijk is daarbij dat er wel externe grenzen kunnen zijn aan die vrijheden, maar dat men binnen die grenzen voor het gebruik van die vrijheid géén rechtvaardiging moet geven: de vrijheid zelf is immers precies de rechtvaardiging voor elke binnen die externe grenzen gemaakte keuze. Daarom is een discriminatieverbod voor burgers een totalitaire aanslag op de democratie. Of anders gezegd: de vrijheid om te discrimineren is de essentie van elke fundamentele vrijheid en dus de meest fundamentele vrijheid.

Laat mij dit in 7 punten toelichten.

Een vrijheid sluit elke noodzaak tot rechtvaardiging uit; discriminatie verbieden is dus de negatie van die vrijheid

Volgens art. 2 van de antidiscriminatiewet (hierna afgekort ADW) is discriminatie "elk verschil in behandeling - ook indien ogenschijnlijk neutraal - dat niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd". Het verbod daarop in elke handelwijze in het sociale leven (dus buiten de privé-kring in de zeer strikte zin van het woord) houdt dus per definitie de verplichting in voor eenieder om elke handeling die personen verschillend behandelt - in welk opzicht ook ! - (de limitatieve lijst van verboden discriminatiegronden werd door het Arbitragehof immers uit de wet geschrapt als zelf discriminerend (12)) objectief en redelijkerwijze te rechtvaardigen. Dit is gewoon de letter van de wet die door alle zogenaamd democratische partijen werd goedgekeurd, de zogenaamd liberale voorop. Het gaat hier niet om een morele of ethische plicht maar om een rechtsplicht, die in een groot aantal gevallen ook nog strafrechtelijk wordt gesanctioneerd met onder meer gevangenisstraffen tot één jaar en in bijzondere gevallen nog meer.

Dit verbod impliceert een veel te verregaande Einlassungszwang, d.w.z. verplichting om zich in rechte te verdedigen. De overheid schept hier tal van chantagemogelijkheden. Natuurlijk kan iedereen voor gelijk wat gedagvaard worden in ons rechtsstelsel (zij het dat hij schadevergoeding kan vorderen als dat tergend en roekeloos gebeurt) maar de wetgever moet er zorg voor dragen dat een groot deel van het private leven niet gejuridiseerd wordt. Het is panjuridisme om te oordelen dat elke handeling van het leven in juridische termen moet worden beoordeeld als goed of fout: een heleboel zaken moeten juist noch goed noch fout beoordeeld worden (de genoemde verwarring tussen recht en moraal). Het creëren van een rechtsgrondslag om medeburgers niet alleen verbaal, maar ook met burgerlijke en strafprocessen aan te vallen is vergelijkbaar met het vrijlaten van het bezit van vuurwapens: ook dat bezit rechtvaardigt natuurlijk niet elk gebruik van het vuurwapen, maar verhoogt wel de kansen op onrechtmatig gebruik en maakt hoe dan ook de samenleving gewelddadiger.

Maar los hiervan is het eerste bezwaar zoals gezegd dat de kern van de vrijheden juist daarin bestaat dat men binnen bepaalde grenzen vrij is en dus zijn handelen niét objectief en redelijk moet verantwoorden jegens de overheid. De vrijheid rechtvaardigt zelf de keuze en ontslaat dus van elke ander rechtvaardiging. Wanneer die vrijheid enkel mag worden gebruikt om door de overheid objectief en redelijk geachte keuzes te maken wordt de burger gereduceerd tot een orgaan van de totale staat. Het genoemde discriminatieverbod dus niets minder is dan gewoon de afschaffing van de persoonlijke vrijheid.

Voor wie discriminatie onchristelijk zou noemen, herinner ik aan de ondubbelzinnige repliek van Christus in het Mattheüsevangelie, hoofdstuk 20, vers 13: de landeigenaar die arbeiders had gehuurd voor zijn wijngaard betaalde aan de "arbeiders van het elfde uur" evenveel als wat hij had toegezegd en betaalde aan de arbeiders die de hele dag gewerkt hadden. Deze laatste kloegen over discriminatie, en het Bijbelse antwoord luidt: "Ik doe je geen onrecht. We waren het toch eens geworden voor een denarie ? Ik wil die laatste evenveel geven als jou. Of mag ik niet met het mijne doen wat ik wil ? Of ben jij jaloers omdat ik goed ben ?". Christus heeft toen reeds de vinger op de wonde gelegd: het eisen van gelijke behandeling is zelf ingegeven door onethisch gedrag, namelijk afgunst. Vandaag zou hij in dit land in de gevangenis belanden wegens aanzetten tot discriminatie.

Mocht iemand van jullie menen daartegenover vers 7:12 van het Mattheüsevangelie te moeten plaatsen - "Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo", - dan antwoord ik daarop: ik wil inderdaad dat de mensen mij de vrijheid geven om te discrimineren en ik zal hen diezelfde vrijheid geven.

Laat U dus niet misleiden door de bezweringsformules die te goeder of te kwader trouw gebruikt worden om te stellen dat een anti-discriminatiewet de vrijheid niet afschaft. De vraag is vanzelfsprekend niet of deze wetten en hun toepassingen beweren dat ze de fundamentele vrijheden aantasten, maar of ze het doen. Ik zal U een voorbeeld geven van goede trouw, doch naïviteit, en één van kwade trouw.

- Het voorbeeld van naïviteit is de bepaling van art. 3 ADW, die stelt "Deze wet doet geen afbreuk aan de bescherming en de uitoefening van de in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenconventies opgenomen fundamentele rechten en vrijheden". Dit artikel berust op een goed bedoeld amendement van senator Hugo Vandenberghe, een van de weinige christendemocraten die de moed heeft gehad op de rem te gaan staan in het parlement. De andere partijen hebben het goedgekeurd, wellicht omdat zij toen reeds wisten dat ze het konden gebruiken als schaamlapje. Het is immers gebleken dat dit artikel gewoon weggeïnterpreteerd wordt door de liberticide doctrine en rechtspraak - de wet was nog niet verschenen in het Belgisch Staatsblad of zelfs doorgaans gematigde juristen schreven reeds dat art. 3 vanzelfsprekend niet betekent dat die wet géén beperkingen aanbrengt aan de fundamentele vrijheden, maar alleen dat die vrijheden nu moeten worden afgewogen met een zogezegd recht op gelijke behandeling (zie meerdere auteurs in het boek Vrijheid en gelijkheid, bv. J. VELAERS, "De antidiscriminatiewet en de botsing van grondrechten"). Nochtans zegt de wet "doet geen afbreuk" en niet "moet worden afgewogen tegen". De rechtspraak legt die bepaling naast zich neer. In het arrest van het Arbitragehof over de ADW (157/2004) wordt art. 3 ADW zelfs niet eens vermeld, hoewel er in mijn verzoekschrift uitdrukkelijk een argument van werd gemaakt. Het is alsof die bepaling gewoon niet bestaat. Kortom, het is alsof men een massamoordenaar vrijlaat op voorwaarde dat hij van zichzelf zegt dat hij geen moordenaar is, en de vrijlating rechtvaardigt door uit te leggen dat er een evenwicht moet worden gezocht tussen het recht om te moorden van de moordenaar en het recht op leven van zijn potentiële slachtoffers en dat de rechters wel zo verstandig zullen zijn om dat evenwicht te vinden.

- Een voorbeeld van kwade trouw, waaruit blijkt wat men blijkbaar met dat evenwicht bedoelt, is te vinden in het arrest van het Hof van beroep te Gent van 21 april 2004 tegen de Vlaamse concentratie c.s. Het arrest stelt onder punt 2.2.2. dat "artikel 3 van de Wet van 30 juli 1981 geenszins de dwingelandij van “het correct denken” op en kritiek, zelfs hevige kritiek door eender welke groep of vereniging en nog meer door een politieke partij is en blijft mogelijk", maar spreekt zichzelf reeds in dezelfde alinea tegen door te eisen dat voorstellen om te verhelpen aan de problemen van de multiculturele samenleving enkel mogen worden geformuleerd als ze objectief en redelijk te verantwoorden zijn ! Zoals ook verder uit het arrest blijkt is een pleidooi voor een volgens de rechter niet redelijk verantwoorde wetswijziging in dit land dus een misdrijf. Het is dan wel merkwaardig, als pleiten voor een niet objectief en redelijke verantwoorde wetgeving in dit land een misdrijf is, dat er al niet een massa van onze parlementsleden in de gevangenis zit. Maar in ieder geval: stellen dat men daarmee geen dwingelandij oplegt, zoals het arrest doet, doet me onweerstaanbaar denken aan het schilderij van Magritte dat als titel draagt "Ceci n'est pas une pipe".

Strijdig met legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel

Een algemeen discriminatieverbod is een aanslag op het legaliteits- en zekerheidsbeginsel en een onverantwoorde verschuiving van macht van het volk en zijn vertegenwoordigers naar de rechter. Het is in strijd met het genoemde basisbeginsel van de rechtsstaat dat de Grieken reeds 25 eeuwen geleden ontwikkelden: the rule of laws, not of men. Het discriminatieverbod is zo vaag en voor zoveel subjectieve interpretaties vatbaar, dat het de individuele rechter tot wetgever maakt, en dat dan nog in een domein waar men werkt met strafrechtelijke sancties en het legaliteitsbeginsel dus des te zwaarder moet doorwegen.

Het klassieke argument om deze afschaffing van de vrijheid te rechtvaardigen is natuurlijk altijd dat in de conventies staat dat de vrijheden kunnen worden beperkt ter bescherming van de rechten van anderen. Maar de beperking die een discriminatieverbod oplegt aan de vrijheden is ook in dit opzicht van een totaal andere aard dan de beperking van vrijheden door de rechten van andere. Op de eerste plaats wordt die bescherming niet alleen aan andere mensen toegekend, maar ook aan zogezegde groepen; mijn kritiek daarop heb ik hoger reeds grotendeels gegeven. Verder strekt het discriminatieverbod er namelijk helemaal niet toe om rechten te beschermen die een derde al heeft jegens zijn medeburger, zoals het recht op eigen leven, de integriteit van zijn lichaam, persoonlijke vrijheid, zijn eigendom en het rustig genot ervan (bescherming tegen overmatige hinder, tegen beschadiging, tegen ontneming e.d.), zijn familiale intimiteit, zijn persoonlijke eer, enz. Die individuele rechten heeft men ongeacht de handelwijze van de zogenaamd discriminerende medeburger.

Maar onder de beperkingsmogelijkheden ook een recht op gelijke behandeling plaatsen is een pervertering van het legaliteitsbeginsel bij de inperking van grondvrijheden, een pervertering die de heersende theologie van de gelijkheid een vrijbrief moet geven om die vrijheden volledig uit te hollen. Die beperking beschermt namelijk helemaal niet de op zichzelf reeds bestaande rechten van derden, maar creëert een onbepaald aantal rechten op "hetzelfde" van alle burgers jegens alle andere. Maar een fundamentele vrijheid is juist de vrijheid om onderscheidingen te maken die ingaan tegen de heersende opvattingen of moraal; wanneer de heersende mening geslacht, afkomst, godsdienst e.d.m. voor een bepaalde handelwijze niet relevant acht, is de fundamentele vrijheid dus in wezen het recht om dat wél relevant te vinden.

Er zijn natuurlijk massa's gevallen waar discriminerende handelingen een onrechtmatige daad vormen, maar niet omdat ze discriminerend zijn, maar omdat ze onrechtmatig zijn, ongeacht of men daarbij een onderscheid maakt tussen burgers of niet. De antidiscriminatie-ideologie perverteert aldus ons denken over te beschermen rechtsgoederen en onrechtmatige daden. De verkeerde redenering is zelfs al binnengeslopen in de arresten van het Arbitragehof, dat elke aantasting van een grondrecht door de wetgever een discriminatie noemt en om die reden ongrondwettig. Dit is een misgroeiing te wijten aan feit dat tot voor kort Arbitragehof wetten enkel aan het discriminatieverbod kon toetsen en niet aan de grondrechten. Jammer genoeg heeft het Hof ook nadien die formule nog gebruikt. Als men de redenering van het Arbitragehof en tutti quanti doortrekt is moord niet strafbaar is omdat het moord is, maar omdat het een discriminerende aantasting van het recht op leven is. Het resultaat van deze Newspeak is dat de genoemde fundamentele rechten en rechtsgoederen (leven, lichaam, vrijheid, eigendom, eer) omgekeerd ook minder sterk worden beschermd dan dat zogezegde recht op gelijke behandeling - zoals uit het hiernavolgende punt ook moge blijken.

De wetgever straft motieven in plaats van gedragingen.

Een discriminatieverbod is ook totalitair omdat het zich niet alleen met de gedragingen, maar ook met de motieven van de burgers moeit. Als een burger een misdrijf begaat, zijn opzet of nalatigheid wel relevant, maat niet de precieze motieven of de afwezigheid ervan.

Voor mij is diefstal strafbaar omdat het een inbreuk is op de eigendom, en niet omdat je daarmee de bestolene discrimineert tegenover andere mensen. Maar volgens sommigen vandaag is discriminatie veel erger dan een ander misdrijf (het rechtvaardigt immers cordons die tegenover andere misdadigers en hun partijen geenszins gelegd worden). De wetgever heeft die idiote redenering zelfs opgenomen in het Strafwetboek in de vorm van strafverzwaringsgronden bij een reeks misdrijven. Ik vind het echter walgelijk dat in ons strafwetboek de straf voor een moord, verwonding, diefstal e.d. verschilt, naargelang de motieven voor die moord e.d.. Als het motief "discriminerend" is, wordt je strenger gestraft, dan iemand die uit willekeur het misdrijf begaat. Dat betekent dat iemand die zonder reden slachtoffer wordt, minder beschermd wordt dan iemand die slachtoffer wordt om zijn godsdienst, huidskleur of politieke overtuiging, en deze laatste dan weer minder als voor die moord een "objectieve en redelijke verantwoording" wordt gegeven. Kan het absurder ?

Deze absurditeit is door de regering gerechtvaardigd met allerhande theorieën over de gevoelens van slachtoffers van haatmisdrijven. Volgens die redenering zouden personen die aangerand, bestolen, beledigd, e.d.m. worden zonder enig aantoonbaar motief van de dader het dus minder erg vinden dan diegenen die een verwerpelijke beweegreden ontwaren bij de dader? Zij zouden minder gevoelens hebben van angst, hulpeloosheid en isolement ? Er zijn minstens even sterke argumenten voor het tegendeel. Iemand die zonder motief wordt aangevallen heeft immers juist nog veel meer redenen voor angst en hulpeloosheid dan iemand die tenminste nog de beweegreden van de dader kent.

Rationalistisch reductionisme

Een vierde bezwaar betreft het feit dat burgers niet alleen verplicht worden hun handelingen in het sociale leven tout court voor de rechter te verantwoorden, maar zelfs "objectief en redelijk" te verantwoorden. Nog afgezien van het bezwaar dat de regels inzake "objectieve en redelijke verantwoording" eigenlijk eerst door de rechter worden opgesteld, is er het bezwaar dat vele zaken perfect verantwoord kunnen zijn, ook al komt de rechter als resultaat van een juridisch proces met zijn formele argumentatie tot het besluit dat ze door de beschuldigde niet objectief en redelijk werd verantwoord.

Neem de genoemde parabel van de arbeiders van het elfde uur uit het Mattheüs-evangelie. Zij krijgen evenveel lopon voor minder werk, wat dus betekent dat de anderen voor hetzelfde werk veel minder kregen. In uurloon gerekend hebben ze maar één elfde gekregen van de arbeiders van het elfde uur. Ongelijk loon voor gelijk werk is een onderscheid dat zonder enige twijfel onder de europese en belgische regels als discriminerend geldt en dus verboden. Maar is dat zo evident? Is het wel onaanvaardbaar dat een werkgever een deeltijdse werknemer, die deeltijds werkloos is, evenveel zou betalen als een voltijdse? Beiden hebben toch min of meer dezelfde behoeften en noden? Waarom zou betalen volgens behoeften onredelijker zijn dan betalen volgens prestatie? Het is alleen onaanvaardbaar indien de overheid dit zou opleggen, door de invoering van het communisme, maar het is even onaanvaardbaar om het te verbieden. Onder de anti-discriminatiewet echter moet alles wat men redelijk vindt ook kunnen geformaliseerd worden in een juridische redenering van een zekere algemeenheid; elke billijkheid, elke vrijgevigheid die geen regel is maar zich beperkt tot het specifieke geval, is daarmee in strijd. Er zijn zeer verschillende opvattingen over wat rechtvaardig is: de overheid beschikt over de bevoegdheid om door belastingen en sociale bijdragen een zekere herverdeling te organiseren en door de regels van vermogensrecht en het organiseren van markten de ruilrechtvaardigheid te bevorderen. Maar daar houdt de overheidsbevoegdheid op dit vlak in een niet-totalitaire staat dan ook mee op.

De antidiscriminatiewetgeving aanvaard in grote mate nog slechts één model voor rechtvaardigheid in dit soort gevallen: de meritocratie. Maar als je steeds de meest geschikte persoon een functie moet geven, is het diegene die al het meest heeft die nog méér krijgt (13). Dan kun je wel weer zeggen dat je positief kunt discrimineren, maar ten eerste is aangetoond dat positieve discriminatie opleggen achtergestelde groepen uiteindelijk niet helpt. Bovendien geraak je moreel volledig in interne contradicties verstrikt: je kan niet de non-discriminatie opleggen en tegelijk aan zogezegde positieve discriminatie doen. Positieve discriminatie houdt in dat iemand bevoordeeld wordt, niet omwille van zijn persoonlijke noden, maar omdat hij tot een achtergestelde groep behoort (eufemistisch wordt dit ook doelgroepenbeleid genoemd). De rechtvaardiging daarvan - anders dan van een normaal sociaal beleid ten gunste van de zwakkeren als personen - wordt dan vaak gevonden in een historische Wiedergutmachung voor fouten uit het verleden. Zwarten in de VS zouden moeten worden bevoordeeld, niet omdat ze individueel sociale noden hebben, maar omdat hun voorouders gediscrimineerd werden en dit dus nu door omgekeerde discriminatie dient te worden rechtgezet, zelfs al gaat het om afstammelingen in de vijfde of verdere generatie. Zoals een Amerikaanse kennis aantoonde, is dit absurd. Immers, ook vrouwen vormden een achtergestelde groep; en dus moeten we iedereen die van een vrouw afstamt positief discrimineren vergeleken met wie daar niet van afstamt.

Om terug te keren naar de kern van mijn vierde argument: er bestaat niet één mogelijke soort rechtvaardigheid en niet één enkele vorm van deugd. En vele menselijke deugden zijn niet te reduceren tot een objectieve en redelijke verantwoording. Medemenselijkheid, vriendschap, vrijgevigheid, loyauteit en trouw. Moed, medelijden, dankbaarheid, humor. In ons op anti-discriminatie gebaseerde regime worden deze deugden uit het sociale leven verbannen naar de strikte privésfeer en verdacht gemaakt. In het sociale leven is enkel nog plaats voor redelijke verantwoording, dus koele berekening. Zouden de zwakkeren nood hebben aan koele, objectieve en rationele non-discriminatie of aan medemenselijkheid, betrokkenheid en gevoelens die juist discriminerend zijn zoals sympathie, vriendschap, vrijgevigheid ?

Meer nog, de zwakkeren worden het slachtoffer van non-discriminatie wetgeving omdat het hun leefwereld is die kapotgemaakt wordt en omdat zij diegenen zijn die afhankelijk zijn van een concrete inzet van de medemens die maar standhoudt wanneer er een voldoende verbondenheid tussen mensen bestaat, die haar uitdrukking vindt in sociale verhoudingen en instituties die een groepsidentiteit uitdragen (14). Het zijn immers juiste de traditionele structuren van de solidariteit die verdwijnen in een maatschappij die enkel nog op individuele rechten (mensenrechten of andere) is gebaseerd, en waarin uiteindelijk verbanden die op economische belangen gebaseerd zijn het sterkst standhouden. Of zoals M. GAUCHET schreef in “Quand les droits de l’homme deviennent une politique” (15): de rechten van de mens organiseren een liquidatie van “l’ensemble des facteurs structurants qui continuaient de figurer une transcendance des collectifs par rapport aux individus” Een ware democratie vereist dan ook een burgerlijke maatschappij waarin de gemeenschappelijke zingeving en de tekens die betekenis geven aan ons leven in gemeenschap worden uitgebeeld en uitgedragen (16).

Maar laat me nog een stap verder gaan bij de analyse van de vereiste van een "redelijke" verantwoording. Uit de uitleg en toepassing van de antidiscriminatiewet en de argumentaties van de verdedigers ervan, blijkt namelijk dat die redelijkheid voorbehouden wordt aan één enkel, "politiek correct" mensbeeld. Een conservatief mensbeeld, dat zeer terughoudend is jegens de idee van de maakbaarheid van de mens, wordt als onredelijk beschouwd. De antidiscriminatiewet berust juist op de weigering "to see reason in the given world", de weigering om de onvergelijkbaarheid van de mens en onmaakbaarheid van de samenleving te aanvaarden, de weigering om de menselijke beperkingen te aanvaarden, en de daarop gebaseerde rancune. Laat me citeren uit Hannah ARENDT “The burden of our time” (17) - boek dat later werd herwerkt tot het bekende “The origins of totalitarianism”. Ze spreekt over het nihilisme van de moderne mens en zijn rancune, rancune omdat hij zijn grenzen niet kan aanvaarden, omdat hij eigenlijk zijn eigen schepper zou willen zijn : "Modern man has come to resent everything, even his own existence - to resent the very fact that he is not the creator of the universe and himself. in this fundamental resentment, he refuses to see rhyme or reason in the given world. (....) The alternative for this resentment; which is the psychological basis of contemporary nihilism, would be a fundamental gratitude for the few elementary things that are invariably given us, such as life itself, the existence of man and the world. (...) insight into the tremendous bliss that man was created with the power of recreation, that not a single man but Men inhabit the earth".

De mens die discrimineert is de mens die zich verzet tegen het gelijkheidsnihilisme dat ons verplicht alles gelijkwaardig en dus waardeloos te achten.

De antidiscriminatiewet strekt dan ook helemaal niet tot bescherming van de zwakkeren, maar is "een instrument om binnen de sociale sfeer een verregaande uniformisering door te drukken tegen allerlei traditionele onderscheidingen in (...) Vanuit abstracte, rationalistische ideeën zoals de mensenrechten, de kinderrechten, ... moeten allerlei zaken onvermijdelijk verschijnen als onaanvaardbare discriminaties" (H. DE DIJN, Tertio 11 december 2002).

Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel moet de oude banden breken en de tradities klein krijgen. Gezin, afkomst, nationaliteit, religieuze aanhorigheid en culturele identiteit moeten wegwerpproducten worden - behalve dan allicht voor minderheidsgroepen.

Vele sociale deugden vereisen geen objectiviteit, maar subjectiviteit

Niet alleen zijn in de maatschappij vaak juist die deugden het belangrijkst, die geen redelijke, objectieve verantwoording geven aan voorkeuren en verschillende behandelingen, maar meer nog: vele handelingen, vele activiteiten, vele dingen zijn juist waardeloos wanneer ze alleen maar berusten op een redelijke verantwoording. Wat is de liefde of de vriendschap waard indien zij uitsluitend berust op een objectieve en redelijke verantwoording? Wat is de vrijgevigheid waard indien zij uitsluitend berust op een objectieve en redelijke verantwoording? Wat is de dankbaarheid waard indien zij daartoe gereduceerd wordt? Wat is de trouw en loyauteit, wat zijn al die belangrijke deugden in onze samenleving waard, indien zij alleen maar redelijk verantwoord zijn? Liefde, vriendschap, trouw, kortom alles wat zin en waarde geeft in het leven, is immers in essentie gegrond op discriminatie; wanneer ze enkel op een redelijke en objectieve verantwoording berust is ze waardeloos.

En de antidiscriminatie-ideologie heeft dus als effect, wellicht ook als doel, maar in ieder geval tot resultaat, om het nihilisme op te leggen aan de civil society.


Want alleen door het scheppen van een vrijheidsruimte waarbinnen mensen het recht hebben om te discrimineren – namelijk de burgerlijke maatschappij –, kunnen menselijke deugden tot hun recht komen, kunnen mensen aan zingeving, aan betekenisoverdracht, aan identiteitsbeleving, aan zorg en solidariteit doen. Dat binnen de vrijheidsruimte ook minder waardevolle zaken gebeuren en bepaalde gedragingen alles behalve deugdzaam zijn, mag daaraan geen afbreuk doen.

De antidiscriminatie-ideologie daarentegen, als uitdrukking van het hedendaagse nihilisme, is een aanval op alles wat te maken heeft met zingeving. Ze bant de menselijke subjectiviteit uit het maatschappelijk leven. Zoals hoger reeds gesteld houdt het doen samenvallen van recht en moraliteit eigenlijk de opheffing van de moraliteit, van de ethiek in. Wel, onder het mom van een promoten van de moraliteit promoot de antidiscriminatie-ideologie het amorele handelen en bant ze betekenisoverdracht en identiteitsbeleving uit het publieke leven. Ze verdringt al die aspecten van ons menszijn uit de sociale sfeer naar de strikte privésfeer - voorlopig althans, want de totalitaire opmars stopt daar natuurlijk niet en heeft de bedoeling die op termijn ook uit de enge huiskring te verdrijven - zie maar wat er gebeurt met de kinderrechten bv., de inmenging van de staat in de opvoeding, in het thuisonderwijs, enzovoort.

Zingeving, identiteitsbeleving, medemenselijkheid echter vereisen juist dat we soms het verschil maken waar er geen objectieve verantwoording voor is. De strijd tegen de verkilling van de maatschappij vereist dus dat we de mensen aanzetten tot discriminatie, weliswaar "positieve discriminatie", door aan hun medemensen méér te geven dan waar ze recht op hebben, maar dat is vanzelfsprekend nog altijd discriminatie, omdat de anderen daarbij minder krijgen (alleen waar ze an sich recht op hebben). "Discriminatie is aldus de stap vooruit uit de onverschilligheid die onze samenleving verkilt" (18).

Ondermijning van de open society

Een discriminatieverbod institutionaliseert het wantrouwen in openbare intermenselijke relaties. Het is m.a.w. een bron van verzuring, mijnheer Stevaert. Aan eenieder de mogelijkheid te geven om elke handeling van een medeburger in het maatschappelijk leven in vraag te stellen als onrechtmatig ondermijnt de bereidheid van mensen om nog openbaar te ageren. Het maakt een "open" omgang met vreemden onleefbaar. Het bevordert contactvermijdend gedrag, niet-openbare circuits voor meningsuitingen, goederen en diensten. Het bedreigt de open society en versterkt de Vier-Augen-Gesellschaft (19).

De grootste verliezers zijn de zwakken, die immers het meest nood hebben aan een publieke sfeer waarin zij aan hun trekken kunnen komen, en die gebaseerd is op een hele reeks menselijke waarden die in essentie gebaseerd zijn op andere motieven dan “redelijke en objectieve verantwoording”: vertrouwen, vriendschap, trouw, loyaliteit, solidariteit, intellectuele eerlijkheid, moed zorg, waardering, zingeving (om de civiele waarden te citeren waaraan onze maatschappij volgens prins Filip zoveel nood heeft (20)). Zij hebben er ook het meest nood aan dat sociaal handelen niet alleen geschiedt met mensen die men reeds kent.

Dat bevordert de anti-discriminatiewet nu net niet. Als ik mijn appartement wil verhuren, en ik laat dit publiek weten, dan riskeer ik om door iedere gefrustreerde kandidaat-huurder voor de rechter te worden gesleept. Als ik zeg dat ik het aan iemand anders heb verhuurd omdat ik die aardiger vond of omdat die het harder nodig heeft, dan zal ik wellicht veroordeeld worden. Slechts als ik een zuivere winstlogica hanteer zal de rechter mij gelijk geven. Ik ga dus vanzelfsprekend proberen te vermijden om mijn appartement publiek te huur te stellen, en het alleen nog aanbieden aan vrienden en kennissen en hun vrienden en kennissen, binnen hun netwerk. En daardoor verliezen de zwaksten, want zij hebben dat netwerk niet. Zonder discriminatieverbod zullen ze misschien gediscrimineerd worden, maar zullen ze hoe dan ook meer kansen krijgen; zij hebben het meest nood aan een open society.

Ook "de winnaars bij invoering van dit gedrocht zijn duidelijk aan te wijzen: enkele goed georganiseerde minderheidsgroepen die vandaag de politieke agenda bepalen en de hele samenleving deconstrueren en koloniseren vanuit hun partijdig belang". Ik herhaal dus het zinnetje waarvoor ik een nominatie voor de homofobieprijs 2003 heb gekregen (jammer genoeg voor mij had het Vaticaan blijkbaar een nog meer homofobe uitspraak gedaan dan deze - hoe dat mogelijk is begrijp ik echt niet - , en is het met de prijs gaan lopen. Overigens is niemand van de Holebifederatie bereid gevonden om publiekelijk hun nominatie te verantwoorden).

De partisan tolerance

Nu zullen de antidiscriminatie-ideologen wellicht proberen te antwoorden dat het allemaal zo'n vaart niet zal lopen, dat die wet toch alleen maar gemaakt is om de ranzige randgevallen te bestrijden en dat fatsoenlijke burgers daar geen schrik van mogen hebben. Wel, eigenlijk maakt dit het nog erger maakt. Een slechte wet vergoelijken omdat ze toch alleen maar op slechterikken wordt toegepast is van dezelfde aard als stellen dat zware misdadigers geen eerlijk proces moeten krijgen, vermits het toch zware misdadigers zijn.

Deze en andere argumenten pro verraden mede dat een discriminatieverbod in private verhoudingen een schoolvoorbeeld is van partisan tolerance, naar de uitdrukking van Marcuse. Volgens die ideologie mag tolerantie altijd maar in één richting bestaand, de "goede" natuurlijk. Ook het discriminatieverbod is een maatregel die door een bepaalde ideologie is uitgedacht om slechts in één bepaalde ideologische richting te worden gebruikt en natuurlijk nooit in de andere. Het is niet toevallig dat het verbod op discriminatie wegens politieke overtuiging in de wet niét werd opgenomen en er slechts in is gekomen doordat het Arbitragehof die inperking zelf discriminerend vond. Dit maakt duidelijk dat we in een regime zitten waar bepaalde partijen daadwerkelijk discrimineren tegen andersdenkenden onder het mom dat deze laatsten zouden aanzetten tot discriminatie. Indien de regels onpartijdig zouden worden toegepast, zouden ze dus eerst op de auteurs zelf moeten worden toegepast. Of anders gezegd: wanneer gaat men de subsidies afnemen van al die partijen die al die wetten gestemd hebben - en het zijn er heel wat - die door het Arbitragehof werden vernietigd wegens strijdigheid met het discriminatieverbod? Wanneer gaat men de partijen die bewezen hebben dat ze liberticide zijn straffen in plaats van diegene aan wie alleen maar die intentie wordt toegeschreven door hun tegenstanders?

De antidiscriminatiewet strekt er dus helemaal niet toe om de verhoudingen tussen burgers fatsoenlijker, ethischer te laten verlopen. Door deze perverse toepassing van het gelijkheidsbeginsel - namelijk als een wapen tussen burgers onderling en niet als een eis die alleen jegens de overheid geldt -, dreigt de bevolking meer dan ooit te worden ingedeeld in categorieën als man en vrouw, autochtoon en allochtoon, heteroseksueel en homoseksueel, enzovoort. Dit leidt tot een nieuwe balkanisering van de samenleving waarin deze groepen tegen elkaar worden opgezet. Het leidt meer dan eens tot quotaregelingen waardoor personen juist iets toebedeeld krijgen omdat ze aan een bepaald “illegitiem” criterium voldoen.

Eigenlijk zijn dit allemaal slechts symptomen van iets wat tot de essentie zelf van de antidiscriminatie-ideologie behoort, nl. dat ze zelf discriminerend is en dit uit haar aard. Ze discrimineert omdat ze vertrekt van een onderscheid tussen de goeden en de slechten, diegene die discrimineren en diegenen die niet discrimineren, en daarmee de discriminatie van de discriminerenden rechtvaardigt. Het is een ideologie om de eigen discriminatie te rechtvaardigen en die van de andere te verbieden.

Om al deze redenen meen ik dat het hoog tijd is om naast, of beter nog boven die 45 of meer mensenrechten die men nu al bedacht heeft in de Europese grondwet en andere ronkende verklaringen, het meest fundamentele van alle mensenrechten in te schrijven, de meest fundamentele vrijheid: de vrijheid om te discrimineren.

(1) PUF, Parijs 2004
(2) Die laatste idee noemden Milan KUNDERA en Michael WALZER "linkse kitsch": “There is nothing to gain from the merger, for the chief value of all this marching lies in the particular experience of the marchers. There is no reason to think that they are all heading in the same direction. The claim that they must be heading in the same direction, that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example – so writes the Czech novelist Milan Kundera in The Unbearable Lightness of Being (Part VI: “The Grand March”) – of leftist kitsch.” (M. WALZER, Thick and thin, pp. 8-9).
(3) Ik heb dit verder uitgewerkt in mijn lezing "Tolerantie", lezing Nationaal Congres Davidsfonds, Antwerpen 20 april 2002, in "De Vlaamse Beweging.Welke toekomst ?", Davidsfonds Leuven 2002, p. 164-179. Licht gecorrigeerde versie op het web: http://www.storme.be/tolerantie.html; licht ingekort als "Tolerantie: een complexe deugd", in Nieuwsbrief Orde van den Prince 2003 nr. 4, p. 6-10; licht gewijzigde versie in Nova et Vetera, Tijdschrift voor Onderwijs en Opvoeding, jg. LXXX, 2002-2003, nr. 6, p. 435-449.
(4) Voor deze gegevens, zie B. BOUCKAERT, 'Tolerantie en permissiviteit : een decadente verwarring ?", in Tolerantia, een cahier van de Orde van den Prince, Orde van de Prince, 2000, p. 47 v.
(5) TODOROV, bij de ontvangst van de Spinozalens in 2004.
(6) FINKIELKRAUT, "Tolerantie: de laatste tiran?", De groene Amsterdammer 2 december 1998, http://www.groene.nl/1998/49/af_tolerantie.html; A. FINKIELKRAUT, L'ingratitude, Conversation sur notre temps, Gallimard, Parijs 1999, p. 196 v. en 204 v., in het Nederlands als Ondankbaarheid, Contact, Amsterdam 2000.
(7) Het is het onderscheid tussen moord en doodslag; iets heel anders is de vraag naar het motief van de moord.
(8) Bij wijze van voorbeeld een bijdrage waarin dit onderscheid totaal ontbreekt: Jan BLOMMAERT, "De crisis van de vrije meningsuiting", Samenleving en politiek december 2004, ook op http://cas1.elis.rug.ac.be/avrug/crisis.htm.
(9) Onder punt 2.2.1.: "Wat het “aanzetten” betreft, is het zo dat een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld reeds volstaat. Een ten aanzien van medeburgers in de openbaarheidvereisten van het artikel 444 van het Strafwetboek gehouden pleidooi voor een discriminerende wetswijziging kan derhalve, ook al kan dergelijke wetswijziging slechts tot stand komen op de door de Grondwet voorziene wijze, ongetwijfeld als een algemene aanmoediging tot het bedrijven van discriminatie worden aangezien."
(10) K. RAES, "Tolerantie onder druk: wederzijds respect of wederzijdse onverschilligheid", 42. Ons erfdeel 1999, overgenomen in Tolerantia, een cahier van de Orde van den Prince, 2000, p. 47 v., p. (133 v.) 134.
(11) F.C. Savigny, Das System des heutigen Römischen Rechts, I, p. 331.
(12) Arrest nr. 157/2004 oktober 2004 inzake de beroepen van Vanhecke c.s. en van Storme tegen de ADW.
(13) Deze kritiek werd reeds meermaals geuit door prof. Philippe VAN PARIJS (UCL).
(14) Vgl. H. de DIJN, Voorbij de ontzuiling, lezing Triest-leerstoel 2001.
(15) in Le débat 2000 nr. 110.
(16) Vgl. H. DE DIJN, “Nieuwe politieke cultuur heeft levensbeschouwing nodig”, Ons erfdeel 2000, (347) 352, met verwijzing naar naar A. MARGALIT, The decent society.
(17) H. ARENDT, The burden of our time, Secker & Warburg London 1951, p. 438.
(18) Vgl. Alfons Vansteenwegen, in Tertio - "we moeten opnieuw leren discrimineren".
(19) Voor de betekenis van die uitdrukking, zie mijn bijdrage in Doorbraak, september 2001, http://www.vvb.org/doorbraak/pdf/0109.pdf
(20) In zijn toespraak bij de ontvangst van een doctoraat honoris causa aan de KU Leuven.
 
Locations of visitors to this page