maandag, december 22, 2008

De kosten van een proces als loterij

In 1979 publiceerde de Amerikaanse hoogleraar Jeffrey O'Connell het boek "The Lawsuit Lottery" (The Free Press, New York 1979, besproken in Michigan LR 1980,http://www.jstor.org/pss/1288072). Ik moest er onwillekeurig aan denken bij de lezing van het arrest nr. 182/2008 van ons Grondwettelijk Hof, uitgesproken op 18 december jl.

Dat arrest handelt over de vraag onder welke voorwaarden een "winnende" partij in een rechtsgeding de kosten die het voor de eigen advocaat heeft gemaakt kan terugvorderen van de "verliezende" tegenpartij, of preciezer, over de vraag of de wet die dit heeft geregeld (wet van 21 april 2007, http://staatsbladclip.zita.be/staatsblad/wetten/2007/05/31/wet-2007009497.html) dat gedaan heeft op een wijze die conform is met de Grondwet. Daarbij heeft de wetgever gekozen voor een in beginsel "forfaitaire" regeling (een vast bedrag naargelang de geldelijke omvang van de zaak) met een minimum en een maximum waarbinnen de rechter het bedrag kan aanpassen rekening houdende met enkele factoren, zoals de complexiteit van de zaak of het vermogen van de partijen.
Heeft de verliezende partij maar een beperkt inkomen, dan kan de rechter zijn bijdrage in de kosten van de winnende partij (genaamd "rechtsplegingsvergoeding") zelfs verminderen tot een symbolische euro.

Tegen deze wet werden vele argumenten aangevoerd, die allemaal verworpen zijn in een vrij uitvoerig gemotiveerd arrest (op sommige punten al wat meer dan op andere). Ik kan het niet laten daarbij twee elementen onder de aandacht te brengen van de lezer.

1. In een van de middelen tegen de wet werd aangevoerd dat de winnende partij verschillend behandeld wordt naargelang de wederpartij, die ongelijk krijgt, meer of minder "financiële draagkracht" heeft. Dat de kosten die een verliezende partij aan de staat moet betalen voor de werking van het gerecht verschillen naargelang de draagkracht van een partij, is legitiem, en daar ging het ook niet over. Maar waarom zou de andere partij, die ten onrechte werd gedagvaard dan wel verplicht werd om te dagvaarden omdat de eerste partij zijn verplichtingen niet nakomt, zijn advocatenkosten wel of niet kunnen recupereren naargelang de tegenpartij financieel draagkrachtig is of niet ? Het antwoord van het Grondwettelijk Hof in overweging B.14.3. is ontwapenend en bedenkelijk tegelijk:

"Het feit dat een in het gelijk gestelde rechtzoekende zich bevindt tegenover ene in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet" (d.i. minvermogend is) "en bijgevolg geheel of gedeeltelijk ervan zou kunnen worden vrijgesteld de rechtsplegingsvergoeding te betalen maakt overigens deel uit van de wisselvalligheid van de procedure, zoals het feit dat iedere rechtzoekende kan worden geconfronteerd met een insolvente tegenpartij" De wetgever kan niet verweten worden geen rekening te hebben gehouden me die wisselvalligheden".

Aldus: wie geen geld heeft (of het kan wegsteken) mag misschien gratis gokken in de loterij van het gerecht.

De redenering past natuurlijk in de logica van de post-welvaartsstaat: de overheid belooft veel lekkers zoals een principieel kosteloze toegang tot de rechter voor een minvermogende, maar heeft niet het geld of de wil om de kosten die daaruit voortvloeien zelf te betalen en laat die dus maar ten laste van de andere burgers met wie deze persoon in proces ligt. Dit is ook de logica die achter de antidiscriminatiewetten steekt (zoals ik heb uiteengezet in mijn studie "De juridisering van sociale verhoudingen van de negentiende eeuw tot vandaag", uitgegeven door de Koninklijke Vlaamse Academie Wetenschappen Letteren en Schone Kunsten, Brussel 2005 (De geschiedenis van het recht in de twintigste eeuw, p. 27-75) en ook te vinden op http://storme.be/juridisering.html, p. 38 tot 40).

Men zou natuurlijk ook kunnen betogen dat factoren als ziekte, armoede, werkloosheid enz. deel uitmaken van de wisselvalligheden van het leven, en men het daarom een wetgever niet kan verwijten geen sociale zekerheid te organiseren. Dat is niet mijn stelling, maar ...

2. Verderop in het arrest geeft het Hof aan de wetgever een belangrijke hint, zij het misschien niet luid genoeg opdat deze het zal willen horen.

De verzoekers verwijten aan de wet dat ze geen vergoeding toekent ten laste van de staat wanneer iemand door het Openbaar Ministerie ten onrechte wordt vervolgd (terwijl eenieder wel recht heeft op een vergoeding van een private partij die hem of haar ten onrechte vervolgt of laat vervolgen). Wat zegt het Hof daarop in B.19.10 ?

"De wetgever zou weliswaar ten laste van de Staat, ten behoeve van wie het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot vrijspraak of buitenvervolgingstelling, een vergoedingsregeling kunnen invoeren die rekening houdt met de specifieke kenmerken van het strafrechtelijk contentieux. Maar uit het feit dat hij de forfaitaire vergoedingsregeling" (van de wet van 21 april 2007) "niet heeft uitgebreid ten laste van de Staat in geval van vrijspraak of buitenvervolgingstelling, vloeit niet voort dat hij" (de Grondwet of art. 6 EVRM) zou hebben geschonden".

Wie de diplomatieke stijl van het Grondwettelijk Hof kent kan tussen de regels lezen dat het toch wel tijd wordt dat personen die ten onrechte werden vervolgd door het Openbaar Ministerie ook een vergoeding voor de kosten van hun advocaat kunnen terugvorderen. Het is niet zeker dat het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg evenveel door de vingers zou willen zien. Welke Minister van justitie of welk parlementslid neemt het hoogstnodige initiatief ?

Geen opmerkingen:

 
Locations of visitors to this page