zondag, december 15, 2013

Diepgang - interview met Matthias Storme in De Wijzer

Overgenomen uit De Wijzer, tijdschrift van de Nieuwe Filosofische Kring (Leuven), 201-14 nr. 2 -  http://nfk.be/wijzer/2013-2014/deWijzer%202.pdf.

Matthias Storme is professor aan de faculteit rechten, lid van de N-VA en zetelt sinds begin dit jaar in de Gentse gemeenteraad. Zijn bachelor in de rechten combineerde hij met een bachelor wijsbegeerte en voor zijn master in de wijsbegeerte trok Storme naar de prestigieuze Yale University. Als professor aan de faculteit rechten lijkt zijn filosofische carrière niet meer te primeren. Storme merkt op dat het gewoon niet mogelijk meer zou zijn om bij te blijven met de ontwikkelingen nu, en de advocatenmop die hij vertelt bevestigt het vermoeden dat rechten sterk op de voorgrond is komen treden.
Waarom koos u voor twee opleidingen?
Vanaf mijn eerste jaar in Antwerpen heb ik geprobeerd beide opleidingen wat te combineren. In het eerste jaar ging dat nog vlot, maar vanaf het tweede jaar legde ik de vakken filosofie af in tweede zit. Toch haalde ik zon der problemen gelijktijdig mijn kandidaturen in de rechten en de wijsbegeerte. Vervolgens ben ik naar Leuven getrokken om daar
de licentie Rechten te volgen. Ook in Leuven
probeerde ik om naast de rechten nog wat
ruimte vrij te maken voor de licentie wijsbegeerte. Echter, nog voor ik de tijd had gevonden om mijn thesis wijsbegeerte te schrijven kreeg ik de kans om in de VS te studeren. Zo ben ik in Yale beland, waar ik dat jaar mijn master filosofie heb behaald.
Filosofie studeren in Amerika leek toen een nogal gekke keuze. Wat mij aantrok aan de VS was
haar universitaire cultuur. Wie destijds verder ging studeren in Duitsland of Frankrijk
liep immers vaak verloren. Je kon daar toen
allerlei vakken volgen, maar hoe je uiteindelijke diploma er zou uitzien was vaak een
raadsel. De structuur die opleidingen op het
continent vaak ontbeerden was daarentegen
één van de troeven van Amerikaanse opleidingen. Bovendien hoefde ik het (toen al
hoge) inschrijvingsgeld niet te betalen.
Was u toen al veel bezig met het politieke luik van de filosofie?
Het klinkt misschien merkwaardig, maar op dat moment was ik niet zo bezig met de praktisch toepasbare filosofie. Het grootste doel van mijn studie was om een soort filosofische Bildung op te bouwen. Ik las daarom vooral grote namen uit de geschiedenis van de filosofie. Daarnaast was ik ook gebeten door de hermeneutiek, en vooral het werk van Gadamer. Het dieper lezen van allerlei soorten teksten en het blootleggen van allerlei interpretatiemethodes kan verschillende deeldomeinen van ons kennen met elkaar verbinden. Yale was trouwens een goede plaats om je in zo’n zaken te verdiepen. De universiteit van Yale is immers een baken van continentale filosofie in een land waar analytische filosofie domineert.
Directe democratie
U bent vandaag politiek erg actief. Zo schrijft u meermaals opiniestukken, zetelt u in de gemeenteraad voor N-VA, en zit u als ideoloog zelfs in de partijtop. Horen professoren wel thuis in de politiek, en zo ja, hoe weten ze beide functies te combineren?
Dat is een lastige vraag. Ik denk dat professoren die politiek actief zijn zeker een meerwaarde kunnen bieden. In Vlaanderen heerst er echter een grote koudwatervrees als het over politiek engagement gaat. Neutraliteit wordt in Vlaanderen fout voorgesteld. Zo kraait er geen haan naar wanneer mensen politieke - zelfs extreme - ideeën verkondigen. Zodra ze echter een partijkaart bezitten zouden ze niet meer in aanmerking mogen komen voor allerlei functies. Dat vind ik echt absurd. Waarom gaan we niet meer voor transparantie? Zo weten we ten minste waar iemand met zo’n functie daadwerkelijk voor staat.
Natuurlijk moet het combineren van beide functies ook praktisch haalbaar zijn. Tegenwoordig eisen vrijwel alle functies veel tijd en energie op. Daarom impliceert politiek activisme ook altijd een evenwichtsoefening. Je job werpt ook altijd een paar politieke beperkingen op. Toch is politiek engagement nutteloos als men niet een minimum aan loyaliteit weet op te brengen. Zelf vind ik dat ik die balans wel goed weet te leggen.
U zegt dat professoren zich niet mogen verschuilen achter een valse neutraliteit. Van professoren in het politieke metier, en van technocraten in het algemeen, wordt ook gezegd dat ze zich verschuilen achter hun ‘expertise’. Zo stelt de technocraat niet alleen zijn kennis, maar ook de politieke keuzes die hieruit zouden moeten volgen voor als absoluut. Een juiste analyse?
We moeten hier eerst even het onderscheid maken tussen verschillende vakgebieden. Bij sommige problemen zijn de keuzes die moeten gemaakt worden in veel grotere mate politieke keuzes dan in andere. Geen enkel domein waar de overheid optreedt, is vrij van politieke keuzes en te reduceren tot expertise en technocratie, maar er zijn gradatieverschillen. Om die keuzemogelijkheden duidelijk vorm te geven is voorafgaand een hele hoop expertise nuttig. Politiek is kiezen, maar vooral ook weten wat we kiezen. Politiek actieve experts kunnen dan net de brug vormen tussen kennis en politiek!
Anderzijds mag men politieke keuzes niet verstoppen achter die expertise. In een democratie moet politiek juist de mogelijkheid geven om ook alternatieve keuzes te maken. Daarom heb ik het helemaal niet voor
de consensusdemocratie die bij ons vaak gepredikt wordt. Nu zijn er ook wel goede voorbeelden van consensusdemocratie. Neem
Zwitserland: een regering waarin al jaren elke
partij zetelt, en die consensus bereikt, met
daarnaast een onafhankelijk democratisch
samengesteld parlement dat haar functie van controle met vuur uitoefent. In België dient de parlementaire meerderheid enkel om het tussen de regeringspartijen bereikte compromis te bekrachtigen. Daarom zou een directere vorm van democratie ook niet misstaan. Daarmee ga ik wel in tegen de standpunten van mijn eigen partij.
Directe democratie: denkt u dan aan referenda of vooral aan sterke lokale besturen?
Beiden. De gemeentelijke autonomie mag veel groter worden in België, al vergt dat wel tijd. Referenda moeten trouwens ook wat herdacht worden. Zo mag de vraag van een referendum niet worden opgelegd van bovenaf. Dat kleurt de discussie meteen in het voordeel van de politici. Laten we flexibele referenda houden. Ook hier kunnen we ons baseren op het Zwitsers model. Daar kunnen in het referendum meerdere oplossingen tegelijk ter stemming worden voorgelegd, die door verschillende groepen (burgers, middenveld, politici) worden gesteld.
Daarnet zei u nog dat mensen wat vaker de partijkaart mogen trekken. Hoe verzoent u dit idee met directe democratie?
Dat is een lastige vraag. Wat België eigenlijk mist is een degelijk publiek debat. Enkel in Angelsaksische en Scandinavische landen bestaat er zo’n debatcultuur. In Yale heb ik gezien hoe dat wel kan. Er waren daar allerlei debatingclubs onder studenten waarin men met evenveel vuur pro en contra kon verdedigen. Zo krijgt iedereen een duidelijk beeld van de problematiek. Ik ben overigens hier in Leuven ook zo’n debatclub gestart voor studenten met ongeveer hetzelfde ritueel als in de VS. Schrijf maar dat elke student die daarin interesse heeft, zich mag aanmelden (lacht)!
Overdreven formalisering
Ligt het gebrek aan debat niet in de Belgische cultuur van bescheidenheid?
Ik denk dat die Belgische cultuur vooral lijdt onder het trauma van jarenlange overheersing. Eeuwenlang hadden andere landen het in onze gebieden voor het zeggen. Daarom schuwen wij ideeën zelf duidelijk te verkondigen. Bovendien is onze communautaire situatie hiervoor ook allerminst geschikt. In een federale staat met maar twee grote partijen zal nooit een volwaardig debat ontstaan. Zo’n staat is gedoemd disfunctioneel te blijven.
Geldt er in België dan misschien een te grote cultuur van ‘betutteling’? Ervaart u dit zelf als prof.?
Zeker. Zo stoor ik me enorm aan alle formele vereisten i.v.m. ‘ICTS – fiches’. Dat is zo’n overgeformaliseerde bedoening. Zo mag ik geen punten aftrekken voor schrijffouten, als ik niet eerst in die fiche schrijf dat mijn studenten in behoorlijk Nederlands moeten kunnen schrijven. Waar zijn we mee bezig! Dat formalisme is ontstaan doordat steeds meer studenten procedures aangaan tegen hun professoren. Dat probleem los je echter niet op door jezelf als universiteit te betonneren in regels. Wij moeten net een duidelijke stem vormen tegen die overdreven formalisering. Dat is een onderdeel van onze maatschappelijke opdracht.
Als we verder gaan op het thema van betutteling: komen mensen, en met name studenten, te weinig op voor hun rechten?
Ja, maar dat is niet steeds aan henzelf te wijten. Allereerst zijn de studies die de studenten volgen duidelijk zwaarder geworden dan vroeger. Dat is zeker zo op de rechtenfaculteit. Anderzijds missen studenten parate kennis die ze vroeger wel hadden, waarmee ik niet wil zeggen dat ze minder getalenteerd zijn dan vroeger. Bovendien heeft er ook een sociologische verandering plaatsgevonden; de hedendaagse student zoekt meer afleiding op kot. De verstrooiing van computer, tv, e.d. heeft de student zeker veranderd.
Toch zal een student zich vandaag zeker nog engageren. Maar hij verschilt van de oude student doordat die laatste zich langer voor iets kon inzetten, terwijl de hedendaagse student ‘s anderendaags al aan wat anders denkt. Ook bestaat er een zekere angst om zich te binden, en vooral als daar niets duidelijks tegenover staat. En vanuit de premisse dat men zich niet wilt binden ontstaat er
ook een zekere desinteresse. Waarom zou
een student zich verdiepen in de programma’s van politieke partijen, als hij tegelijkertijd tot geen enkele van die partijen wil
behoren?
Zouden studenten zich niet eerder gewoon moeilijker kunnen vinden in bestaande ideologieën? Denkt de hedendaagse student niet veel verdeelder en over partijgrenzen
heen?
Als ze zich niet kunnen vinden in bestaande ideeën of groepen bestaat er nog altijd de mogelijkheid om zelf een groep te vormen. De oude student zou proberen zo’n ‘politiek gat in de markt’ te vullen. De hedendaagse student doet dat klaarblijkelijk niet. Ik blijf dus bij mijn standpunt.
Progressief conservatisme
Uzelf identificeert zich met het Conservatisme. Wat is Conservatisme, en zijn conservatief en progressief twee elkaar uitsluitende termen?
Allereerst bestaat er natuurlijk niet één vorm van conservatisme; er zijn zoveel soorten conservatisme als er conservatieven zijn. Het is ook zeker geen ideologie met vaststaande geloven, regels, of toekomstbeelden. Het is veeleer een soort levensbeschouwing. Conservatisme vertrekt daarom vanuit een scepsis voor het vooruitgangsgeloof, en vooral vanuit een scepsis voor absolute ideeën.
Dat klinkt misschien wat vreemd, want conservatisme heeft zelf ook een soort absolute waarheid. Voor conservatisme ontbreekt er geen absolute waarheid, maar ze is nooit volledig uit te drukken. De conservatief gelooft in een natuurlijke orde, maar denkt niet dat de mens deze orde ooit volledig zal kennen. Daarom hecht een conservatief net zoveel waarde aan het verleden. Immers, wat in het verleden ligt kunnen we wel trachten te plaatsen in een grotere orde. Door die ervaring aan te leren, kunnen we hoger geraken, als dwergen op schouders van reuzen. Enkel dankzij het werk van vorige generaties zijn we vandaag in staat vooruitgang te boeken. De conservatief erkent dat hij met zijn eigen verstand onmogelijk alles zelf had kunnen bereiken. Vanuit onze dankbaarheid voor het geschenk van de traditie volgt het respect.
Maar als de absolute waarheid onbekend is, en we ons enkel kunnen baseren op traditie, waarin ligt dan de toekomst? Hoe kan een conservatief actief werken aan de toekomst?
Tja, voor mij is de wereld een kosmos. Die kan vervolgens op verschillende manieren gepercipieerd worden. Zo heeft elke cultuur een uniek perspectief op de absolute waarheid. Vandaar ook dat de conservatief de verscheidenheid van culturen zo graag wilt behouden. Wij zijn dus niet gekant tegen andere culturen, maar willen ze net, samen met de onze, beschermen. Het gevaar van de multiculturele maatschappij is dat ze een soort eenheidsworst wordt.
Om terug te komen op die toekomst; het religieuze element van het conservatisme gaat natuurlijk net hier over. Wat is de bestemming van de mens? In een religieuze traditie is dat gemakkelijker te formuleren. In een seculier conservatisme gaat dat wat moeilijker.
Toch heeft de N-VA net voor een slogan gekozen waarin verandering centraal staat. Wat is die kracht van verandering?
Wat hier wordt bedoeld is dat er ook verandering nodig is om net het essentiële te bewaren. Het gaat om een herdenken. Dat betekent respect betonen voor wat was, maar ook opnieuw denken over wat kan komen. Een prachtige metafoor voor wat ik hiermee wil zeggen is het boek ‘Le bateau de thésée’ van S. Ferret. In de mythe van de Griek Theseus legt een schip een lange tocht af. In de loop van de tocht moet elk onderdeel echter worden gerepareerd of vervangen. Op het einde van de tocht is geen enkel onderdeel nog origineel, maar toch is het nog hetzelfde schip. Dat is de kracht van verandering. En zo’n verandering is ook nodig in Vlaanderen, want anders dreigt het Vlaamse schip stilletjes onder te gaan.



vrijdag, november 01, 2013

Onverteerbaar


In George Orwell's bekende boek "1984" wordt de hoofdrol gespeeld door Winston Smith, die werkt voor het Minister van Waarheid (MiniTrue). Zijn belangrijkste taak bestaat erin, historische kranten te herschrijven om de inhoud ervan conform te maken aan de hedendaagse partijlijn van de Party geleid door Big Brother. Hij vernietigt de oude kranten en vervangt ze door nieuwe, dus vervalste, "oude" kranten. Op die wijze worden de burgers beroofd van hun geschiedenis, en kunnen historische "onpersonen" uit de geschiedenis gewist worden. Zoals de Amerikaanse jurist Charles G. Mills onlangs schreef, zou Winston Smith de oude kranten vandaag zelfs niet meer moeten vernietigen om ze te vervalsen. Steeds meer periodieke publicaties verschijnen niet meer op papier. De webversie kan constant vervalst worden, omzeggens zonder sporen na te laten. Auteurs kunnen onder druk gezet worden om een gepubliceerde tekst aan te passen zonder dat de lezer de oorspronkelijke versie nog kan terugvinden. De Belgische inquisitie genaamd CGKR heeft dit al meermaals gedaan. Klassieke werken die naar de normen van sommigen vandaag incorrect zijn, zoals de verhalen van Pippi Langkous, Tom Sawyer, de werken van Shakespeare, of omzeggens elk belangrijk werk uit de literatuurgeschiedenis, kunnen aangepast worden "ad usum delphini" zonder dat de jongeren dit ooit te weten komen. Daardoor worden niet enkel individuele teksten vervalst, maar ons collectief geheugen als beschaving.

Meer nog, het ongewijzigd behouden van teksten is een van de grondpijlers van de Westerse beschaving. De Franse wijsgeer en historicus Rémi Brague(1)  heeft dat pregnant beschreven in zijn essay voor de  honderdste verjaardag van H.G. Gadamer, met als titel (vertaald uit het Duits) “Inclusie en vertering – twee modellen van culturele toeëigening”(1), waarin hij aantoont hoe belangrijk het geweest is dat historische teksten (literaire, religieuze, juridische, e.d.m.) ongewijzigd werden doorgegeven zodat ze door elke generatie opnieuw konden worden gelezen, geciteerd, geïnterpreteerd en becommentarieerd. Tegenover dit model van inclusie plaatst hij het model van digestie, waarbij de oorspronkelijke tekst verteerd wordt, eruit gehaald wordt wat men nuttig acht om de rest weg te werpen (zo bv. de omgang met de bronnen uit de oudheid door de islamitische wetenschappers in de Middeleeuwen). Door die werkwijze gaat het origineel verloren en er is ook geen “renaissance” door herlezing van de bronnen meer mogelijk.

Beste lezer, dit is de laatste column die U van mij nog gedrukt kan lezen in het tijdschrift Doorbraak. De online archieven van dit tijdschrift zijn eerder al met één muisknop uitgeveegd en verdwenen. Misschien moet u het nummer van november 2013 met deze column toch maar bewaren als aandenken aan tijden toen het geschrevene nog een zekere permanentie had en niet aan de grillen van de webmeester was overgeleverd.

(2) “Inklusion und Verdauung. Zwei Modelle kultureller Aneignung”, in Hermeneutische Wege, Hans-Georg Gadamer zum Hunderdsten, Mohr Tübingen 2000, 295 v., in het Frans verschenen als “Inclusion et digestion. Deux modèles d’appropriation culturelle”, overgenomen in de bundel Au moyen du moyen âge. Philosophies médiévales en chrétienté, judaïsme et islam, coll. Champs essais, Ed. de la transparence, Chatou 2006, 263 v.

(column in Doorbraak november 2013)



woensdag, augustus 28, 2013

Pervers categorisch denken en spreken



Dat taal een belangrijk wapen is in politieke en ideologische strijd weten we natuurlijk al sinds de oudheid. Toch wil ik hier kort wat licht laten schijnen over een specifiek mechanisme van misleiding dat vandaag schering en inslag is, en dat we categorisch taalgebruik kunnen noemen: meningen of handelingen die in vele opzichten zeer uiteenlopend zijn maar vanuit een zeer specifiek perspectief een gemeenschappelijk kenmerk hebben, worden steevast in één categorie ondergebracht en wel onder de noemer van het meest verwerpelijke uit die categorie. Vele termen voor verwerpelijke gedachten of of gedragingen worden bewust overgedragen op andere gedachten en gedragingen om die als even erg te kunnen bestempelen en te eisen dat de strijd ertegen even hard wordt gevoerd.

Bij sommige voorbeelden is er nog een redelijk verband, zoals de uitbreiding van het begrip “geweld” naar psychisch geweld”, hoewel dat laatste dan zo ruim wordt gebruikt dat elke proportie wel zoek geraakt. Een evident voorbeeld is de term discriminatie, die het mogelijk maakt elk niet correct gemotiveerd onderscheid maken in dezelfde categorie van verwerpelijkheid te steken. Wanneer men een moord, foltering, geweldpleging, diefstal, enzovoort niet meer op de eerste plaats zo noemt, maar op de eerste plaats bestempelt als racisme, seksisme, homofobie, enzovoort, dan zegt me daarmee eigenlijk dat enerzijds een identieke daad als moord, foltering enz. met een ander oogmerk minder erg is, en anderzijds dat elke racistische, seksistische, enz. gedraging tot dezelfde categorie behoort en dus in wezen even erg is als die moord. 

Meer nog: het etiket wordt gebruikt opdat de toehoorder niet meer zou durven vragen wat er eigenlijk precies gebeurd is: de beschuldigde is veroordeeld nog voor men de feiten kent. Als iemand eenmaal “dader” is (bv. pedofiel) en een andere “slachtoffer’, dan is daarmee blijkbaar alles gezegd en wordt het obsceen geacht om nog nuances te maken en niet alles op een hoop te gooien. Want jawel, er zijn gradaties van geweld, gradaties van pedofilie, gradaties van homofobie, en het is pervers ze telkens onder één noemer te brengen, zoals het pervers is om de zogenaamde besnijdenis van meisjes met dezelfde term te benoemen als die van jongens.  Die gradaties verwerpen als ‘relativering’ is niet minder categoriek dan  de uitroep ‘fraude is fraude’ - of ‘misdrijf is misdrijf” - en de stelling dat elk misdrijf even hard moet vervolgd worden. Zero-tolerantie alom ! Waarom niet ineens de doodstraf in plaats van een GAS-boete ?

Vergelijkbaar misbruik is er ook te vinden met termen als nationalisme of (anti)-verlichting: al wie op minstens één punt een nationalistisch credo deelt wordt op één lijn gesteld met de slechtste vertegenwoordiger van die categorie, en al wie ook maar op één punt afwijkt van een bepaalde definitie van verlichting is  dus ontmaskerd als de anti-verlichting in vlees en bloed.

En tot slot, eerlijk is eerlijk: het is ook misleidend om over ‘de’ monarchie en ‘de’ republiek te spreken, alsof het democratiegehalte van een staatsvorm op de eerste plaats daarvan afhangt.  Laat ons dat categorisch denken bestrijden, zij het toch ook met nuance.

zaterdag, juni 29, 2013

On the Use of Foreign Law by Courts

The debate on the use of foreign law seems much less present in Europe than in the USA, but may become more important again now that questions of legitimacy of especially judicial lawmaking are rising again.

For comparative lawyers, there is first of all the empirical question: do judges use foreign law, and how do they use it? The question is very difficult to answer, because in most cases the only materials we have are the texts of the judicial decisions themselves; only rarely have judges published books on ‘Howjudges think’ (to cite Posner). Whether decisions contain references to materials other than binding sources of law differs to a great extent from country to country and from court to court; the absence of references in the decisions themselves is sometimes compensated by the publication of conclusions of an advocate general – however not expressing necessarily the same arguments as those who did convince the judges. Sometimes, it is possible to guess which doctrine has effectively influenced case law and to find the influence of foreign law in the literature on that doctrine. Even where we find traces of foreign law, it is difficult to know whether it played a role in finding ideas (heuristics) or in justifying outcomes (legitimation). Although there may be a hermeneutical circle between both, that does not exclude that judges may either hide the fact that foreign influence did matter or justify a decision by reference to foreign law that did not matter in reaching the decision but only serves to strengthen the justification of the outcome. That may also depend on the addressees judges have in mind: the parties, their peers, or the public opinion. The reference to foreign law may translate a real influence on the making of the decision and/or try to make a decision more acceptable for the audience. Sometimes it is purely ornamental, to enhance the image of the judge. Further, the influence of foreign law may be based on anecdotal knowledge or on serious comparative examination. The latter would often require an examination of not only the foreign arguments and materials in favour of the proposed solution but also those contra, which is rarely done – cherry-picking seems to be the more common case.It is often not clear how dominant or contested the solution is in the country of origin. Sometimes we do read about the beneficial effects the proposed solution has had or the damage caused elsewhere by the solution to be rejected; the value of such claims is difficult to evaluate, as the effect of a specific rule of law in society will also depend, to a large extent, on other aspects of law and society in that country (such as the relationship between the role of tort law and social security). As Professor M. Tushnet wrote in 1999 (Yale LJ), the use of foreign law can be functional, expressive, or mere bricolage.

Taking into account foreign case law is, on the other hand, an obligation where a judge has to apply uniform law; ratification of a uniform law convention such as the United Nations Convention on Contracts for the International Sale of Goods (CISG) implies such an obligation of best efforts. Digests may be very useful to facilitate its performance. The same obligation is not present where a convention imposes minimum standards, such as the European Convention on Human Rights (ECHR). This does not prevent many lawyers to argue that a so-called higher protection found in some convention state must lead to impose the same rule in the other states, an argument often erroneously called progressive interpretation (see infra). On the other hand, the Court of Justice of the European Union (CJEU) is, in some matters, bound to apply principles common to the laws of the Member States, which has not prevented the Court to invent general principles not at all common to those laws in order to impose them upon all the Member States (as, e.g., in the Mangold case). Such obligations to follow foreign law, directly or in the guise of supranational law, are often at odds with democratic legitimacy. This requires in my view that we distinguish the use of foreign law in constitutional matters from its use in matters where constitutional choices are not at stake.

What are the main arguments found in favour or against aligning national law with foreign law? In some cases, there is a rather strong historical argument: The rule has historically the same origin as the foreign rule or has deliberately been borrowed from foreign law by the legislator itself; insofar as the historic argument is appropriate, foreign law has then a legitimate place in it. The most common and most general argument in favour of using foreign law is imperiirationis; this evidently brings us to one of the basic questions of philosophy law: to what extent is law wisdom and to what extent is it political choice. The answer varies according to the question and how political that question is perceived in society. But even where it is accepted that a certain question is more a matter of experience than choice, it is not always clear where to look for that wisdom – and why there and not elsewhere; the wind of foreign law has often changed for reasons that have much more to do with politics than with wisdom. A third argument is the progressive argument: the example set by some other countries must be followed because it is the inevitable progressive choice; not following it would maintain one’s law in backwardness. However, the claim that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example of ‘leftist kitsch’, wrote Michael Walzer (Thick and Thin) with a reference to Milan Kundera (The Unbearable Lightness of Being, ed. 1984, p. 257). A fourth argument is the economic argument; it is often used in favour of harmonization. But absent harmonization, it is used to argue in favour of a solution in accordance with that of business partners or economically powerful countries: One would lose business by sticking to idiosyncratic rules (such as refusing sales contracts without a fixed price or contracts for the benefit of a third party). As said, foreign law may also be used as a negative argument, an argument against a solution proposed that, it is argued, has caused mischief elsewhere. But whatever the strength of all these arguments and their counterarguments, we are glad to offer our readers so many critical contributions on national or comparative law, creating the possibility to use them as either positive or negative examples for development or interpretation of the law. 

Matthias E. Storme
(published as Editorial in 21. European review of Private Law 2013, no. 3, p 683 ff)

dinsdag, juni 04, 2013

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod door de Stad Gent, gehouden in de gemeenteraad van 27 mei 2013.

Matthias Storme

Voorzitter, dames en heren, collegae, geacht publiek, ik kan me voorstellen dat sommigen onder u zullen denken “alles is al gezegd”, maar nog niet door iedereen[1]. Toch vind ik het debat belangrijk genoeg om hierin ook nog tussen te komen, want diegenen die beweren dat dit een zeer eenvoudig debat is, lijden aan simplisme.

Het is geen eenvoudig debat, het vergt een aantal nuances, maar het vergt ook dat we misschien op de eerste plaats een einde maken aan een aantal foute voorstellingen en aan zaken die er eigenlijk niet veel mee te maken hebben.

Voor mij gaat het hier essentieel ook om een visie op de samenleving, die uitgaat van het feit dat er voor verschillende soorten regels verschillende plaatsen en verschillende ruimtes zijn. Er zijn zaken, er zijn vrijheden die thuishoren in de privésfeer, er is de openbare ruimte, maar er is ook op een bepaald ogenblik de openbare dienst. Regels die op de ene plaats correcte regels zijn, perfect verdedigbaar - en ik wil ze ook verdedigen -, zijn dat niet noodzakelijk op de andere plaats, en daarover gaat het debat of zou het debat moeten gaan vandaag.

Het gaat hier niet over het bedrijfsleven, het gaat hier niet over de private sfeer, het gaat hier zelfs niet over de school, al zijn er enkele gelijkenissen met de situatie in de school. Het gaat hier niet over de openbare ruimte, de straat, de voor het publiek toegankelijke overheidsgebouwen, het gaat hier zelfs niet over het overheidspersoneel in het algemeen, niet over de back office.

Het gaat hier uitsluitend over de loketneutraliteit, over die ambtenaren van het overheidspersoneel die in een openbare dienstfunctie, een monopoliefunctie, de overheid representeren en vertegenwoordigen tegenover de burger.

De plaats van het actief pluralisme in onze samenleving is voor mij zeer groot. Die ruimte voor actief pluralisme moet hoort er zijn in de hele publieke sfeer, behalve precies daar. In de private sfeer geldt de private vrijheid, en moeten we ons daar niet over uitspreken. Het actief pluralisme heeft inderdaad een rol te spelen, ook op het niveau van wat een Stad of een overheid doet, in de mate waarin men een bepaald cultuurbeleid voert, in de mate waarin men activiteiten faciliteert, eventueel zelfs subsidieert, maar dat is iets heel anders dan het gezicht van de openbare dienst. Over dat laatste gaat het hier nu wel.

Het gaat ook niet over - als ik toch even mag, want ik vond dit een beetje naast de kwestie, om het zacht te zeggen - de vraag hoe iemand eruit ziet, alsof het zou gaan om, ik zeg maar, huidskleur of andere zaken, waar men niks aan kan doen, die aangeboren zijn of zo.

Het gaat wel degelijk over de keuzes die men maakt, over de rituelen waaraan men zich onderwerpt, over de obediënties die men etaleert. Daarover gaat het debat.

Het gaat eigenlijk ook niet over de godsdienstvrijheid. Het gaat er wel een beetje over, maar in essentie gaat het niet over de godsdienstvrijheid, omdat dat zou impliceren dat de godsdienstvrijheid zou betekenen dat iedereen overal en op elk ogenblik de vrijheid heeft om zijn godsdienst op alle mogelijke manieren te uiten, en dat is iets wat ik als gelovige ook nooit zou durven stellen.

Om te stellen dat het hier een niet toegelaten beperking is aan die vrijheid hebben we zelfs mooie citaten van John Stuart Mill mogen horen, die mij zeer ter harte gaan: dat de vrijheid van de ene slechts begrensd wordt door de vrijheid van de ander[2]. Maar daar gaat het hier precies over, het gaat ook over de vrijheid van de burger aan wie men een dienst verleent, die niet de vrijheid heeft om te kiezen voor deze overheid, die een monopoliepositie uitoefent.

Het is ook uitsluitend in die functie dat dit debat moet plaatsvinden en gerechtvaardigd is. Dat dit minstens daar geen beperking of toch geen ongerechtvaardigde beperking is van de vrijheid van religie, is iets dat toch door - ik zou zeggen - een uitvoerige rechtspraak, zowel nationaal als internationaal, is bevestigd.

We moeten het natuurlijk niet met elk arrest van elk rechtscollege eens zijn, maar er is toch een heel duidelijke tendens - ik verwijs naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten. Men heeft het daar over mensenrechten gehad: in de zaak Dahlab tegen Zwitserland[3] over een kinderverzorgster met een hoofddoek, Leyla Şahin tegen Turkije[4] over het hoofddoekenverbod - weliswaar op de universiteit, ik geef toe, dat is niet hetzelfde als voor een ambtenaar, maar ik zou zeggen a fortiori aan het loket, als men het zelfs op de universiteit mag verbieden -, de zaak Singh tegen Frankrijk[5] over de tulband in de openbare dienst, en dergelijke meer. Dat is vrij duidelijk.

Er is ook Belgische rechtspraak. Ik zal er dadelijk even uit citeren, want ik vind ze belangrijk genoeg.

Ten derde, eveneens naast de kwestie, als ik het mij toch even mag permitteren, is het discriminatieargument, alsof het hier om een discriminatie zou gaan van een bepaalde categorie van personen. Als wij beweren dat dit een discriminatie is op basis van godsdienst, dan zeggen wij eigenlijk dat het een discriminatie is om niet aan iedereen toe te laten om in openbare dienst alle religieuze rituelen en obediënties te beleven.

Als dat evenwel de stelling is die wij gaan verdedigen, dat dit een discriminatie is, dan mogen we ons aan een lawine van revindicaties verwachten, dan zal de doos van Pandora inderdaad pas geopend zijn. Ik vind dit een foute redenering. We moeten ook niet te veel die doos van Pandora gebruiken, maar als men met dit argument begint, dan moet men zich verwachten aan revindicaties over gebedsmomenten, weigeringen om handen te geven, of weigeringen à la limite om personen van het andere geslacht of een andere geaardheid te bedienen. Dat is de consequentie van het argument gegrond op een zo verregaand begrepen godsdienstvrijheid.

Niet iedereen heeft dat argument gebruikt, ik ben mij daarvan bewust, maar sommigen hebben dat vandaag wel gedaan, en dan moet men daar ook de consequenties bijnemen.

Voorzitter, dames en heren, collegae, ik steek mijn religieuze overtuiging niet weg, maar etaleer die niet in openbare dienst.

Ik geloof niet in het progressieve karakter van een bepaalde vorm van secularisering, waarop andere collegae zich hier beroepen, maar daar gaat het hier niet om, of ik daarin geloof of niet. Ik kan het in dit dossier perfect eens zijn met mensen die daar wel in geloven. Ik geloof omgekeerd wel degelijk, collega Holemans, in de post-seculiere samenleving van Habermas in zijn dialoog met kardinaal Ratzinger[6]. Ik heb er zelfs een boekje over geschreven[7]. Maar dat gaat over de symbolen in de openbare ruimte, niet in de openbare dienst, niet de plaats waar de overheid over een monopoliepositie beschikt en de burger geen vrijheid heeft om te kiezen.

Ik ben er mij natuurlijk wel van bewust dat waar er een redelijk duidelijke afbakening mogelijk is van wat die openbare dienst is, en wat de personen zijn die het overheidsgezag representeren, het misschien iets minder absoluut mogelijk is om af te bakenen wat er dan wel onder of buiten het huidige reglement valt. Maar zo moeilijk is het ook weer niet.

Wat ik wel weet, is dat ongeveer elke andere regel tot een veel moeilijker afbakening leidt dan de regel die we nu hebben.

Ik wil even citeren, omdat ik het toch wel een vrij mooie en zinnige tekst vind, uit het opiniestuk van de heer Jurgen Slembrouck, die vrijzinnig consulent is aan de Universiteit Antwerpen, in De Wereld Morgen van 26 mei[8], waar hij schrijft:

De interpretatie van symbolen of kledingstukken wordt cultureel en historisch bepaald. Het is dus zaak om daar rekening mee te houden. Een baard zonder ander kenteken (bv. witte pots) is neutraal, een kaal hoofd zonder ander ‘skinhead’ teken is dat eveneens; maar met die tekens zijn ze niet meer neutraal. Dus voor baarden, kale hoofden, trouwringen of een stropdas, toevallig in de kleur van een politieke partij, is er geen probleem en kan de tolerantie volop spelen. Deze uiterlijkheden kennen seculiere alternatieven en ontlenen niet exclusief hun betekenis aan een levensbeschouwelijke of ideologisch referentiekader. In zekere zin laat deze visie dus wel ruimte voor dynamiek”, voor enige soepelheid in de interpretatie.

Maar voor soepelheid naargelang de manier waarop de samenleving evolueert - en dat is door sommige andere collegae hier ook reeds gezegd - is de context niet totaal onbelangrijk.

Het valt niet uit te sluiten” - gaat Slembrouck verder – “dat sommige uiterlijkheden die vandaag een aanhorigheid verraden, dermate ingeburgerd en verspreid raken, dat ze hun levensbeschouwelijke en ideologische betekenis verliezen. Het punt is: dan zullen ze door diegene die hun overtuiging willen etaleren, niet meer worden gekozen”.

Kortom: Op het ogenblik dat de hoofddoek enkel maar een stukje stof is, zal men er niet meer voor kiezen om dit te dragen als een uiting van religieuze of andere identiteit.

Ik vond dat een vrij scherpzinnige opmerking van onze vrijzinnig consulent, wiens overtuiging ik voor het overige niet deel, maar waarmee ik mij politiek op één lijn kan bevinden in een democratie zoals wij die kennen vandaag.

Bovendien is er een tweede belangrijk gevaar, en ik zou om die reden durven zeggen dat het eigenlijk zelfs bijna omwille van mijn religieuze overtuiging is, dat ik voorstander ben van dit verbod. Dit zou u kunnen verbazen. Maar: ik wens niet dat de overheid zich moeit met de betekenis van bepaalde symbolen, en daarover een mening moet uiten en een moreel oordeel moet vellen.

Ook hier vond ik een mooie zin in de tekst van de heer Slembrouck. Hij zegt: “Wanneer de overheid inhoudelijk positie kiest, dan stipuleert zij uitdrukkelijk welke visie haar goedkeuring wegdraagt” - wat toegelaten is en wat niet, wat propaganda is en wat geen propaganda is – dat voeg ik eraan toe, want dat stond niet in de tekst, maar ik ga verder met de tekst – “en de overheid zet zo de morele bakens uit waarbinnen de godsdienst mag worden beleefd en het vrij onderzoek mag worden gevoerd”. Terwijl de scheiding van Kerk en Staat precies ook tot doel heeft om dat te voorkomen, namelijk de inmenging van de overheid in wat een religieuze of vrijzinnige waarheid is of mag zijn.

Vandaar durf ik inderdaad zeggen dat het mede vanuit een religieuze overtuiging is dat ik pleit voor de neutraliteit. Ik wens niet dat de overheid zich uitspreekt over de waarde van religieuze opvattingen. Ik wil niet dat de overheid een onderscheid maakt tussen correcte en incorrecte uitingen, tussen symbolen die propaganda zouden zijn en die dat niet zouden zijn. Dat vergt omgekeerd dat de ambtenaren die de overheid vertegenwoordigen discreet blijven in het tonen van hun overuiging en van hen die discretie kan worden verlangd.
Natuurlijk is daar altijd een zekere marge, en ik ben mij bewust van de rechtspraak. Er is een arrest van dit jaar nog, van het Europees Hof van de Mensenrechten in de zaak Eweida[9]. Dat ging over het dragen van een minuscuul klein kruisje aan een ketting rond de hals, een zaak waarin het Hof voor de Mensenrechten heeft geoordeeld dat de veroordeling in Engeland, het verbod dus, te ver ging, dat het een kwestie was van proportionaliteit, en dat binnen zekere grenzen van redelijkheid en proportionaliteit discrete symbolen wel moesten kunnen.

Maar of iets gekwalificeerd wordt als levensbeschouwelijk, neutraal, discreet of opzichtig, hangt natuurlijk ook af - sommigen onder u zullen het mij kwalijk nemen, maar goed, dat is het dan - van de waarden die men ermee tot uitdrukking brengt.

Ik wil misschien even in herinnering brengen dat ons Grondwettelijk Hof bij de toetsing van het zogenaamde boerkaverbod[10] - het ging inderdaad niet over het verbod van uiterlijke kentekenen voor ambtenaren, het ging over een striktere maatregel die uitgebreid is tot de openbare ruimte, namelijk het verbod voor gezichtsbedekkende sluiers - toch heeft gezegd (overweging B.23): “Ook al vloeit het dragen van de volledige sluier voort uit een weloverwogen keuze van de vrouw, toch verantwoordt de gendergelijkheid, die de wetgever terecht beschouwt als een fundamentele waarde van de democratische samenleving, dat de Staat zich, in de openbare sfeer” - , dus niet alleen in de openbare dienst, - “kan verzetten tegen het uiten van een religieuze overtuiging door een gedraging die niet te verzoenen is met dat beginsel van gelijkheid tussen man en vrouw” Dit is in onze grondwettelijke orde dus zeer duidelijk mogelijk.

Daar ging het natuurlijk over een verder gaande maatregel, maar het ging dan ook over de openbare ruimte. Hier hebben we het over een regel met een veel beperkter toepassingsgebied waar dat beginsel echter ook mutatis mutandis van toepassing is.

De Raad van State is eigenlijk nog een hele stap verder gegaan. Wanneer ik de recente rechtspraak van de Raad van State lees, dan vraag ik me zelfs af of de opheffing van het verbod, het besluit dat de meerderheid vandaag van plan is te nemen, niet onwettig is.

Ik citeer uit een recent arrest[11], dat weliswaar opnieuw ging over symbolen gedragen door leraren in het onderwijs, maar ik zou zeggen: a fortiori: wat voor leraren niet mag, mag niet voor personen die een monopoliefunctie uitoefenen, want het onderwijs is geen staatsmonopolie, a fortiori moet dat dus gelden voor de functies waarover wij het hier vandaag hebben.

Notabene niet onbelangrijk: het ging over een arrest in voltallige zitting, Algemene Vergadering van de Raad van State, alle Kamers samen, het was dus niet ergens één kleine Kamer van de Raad van State met drie staatsraden, maar de voltallige Raad van State die dat beslist heeft, omdat men het blijkbaar zo fundamenteel vond om daar een uitspraak over te doen, over de taalgrenzen en over de Kamers heen.

Ik citeer (overwegingen VI.2.6):

“Uit tal van grondwettelijke bepalingen, onder meer het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, de gelijke uitoefening van rechten en vrijheden door vrouwen en mannen, de wederzijdse onafhankelijkheid van de erediensten en van de Staat, blijkt dat de grondwetgever van onze Staat een Staat heeft willen maken waarin de overheid neutraal moet zijn, omdat zij de overheid is van en voor alle burgers en omdat zij hen in beginsel gelijk dient te behandelen zonder te discrimineren op grond van hun religie, hun levensbeschouwing of hun voorkeur voor een gemeenschap of partij.

“Om die reden wordt van de overheidsbeambten verwacht dat zij zich in de uitoefening van hun functie ten aanzien van de burgers strikt houden aan de beginselen van neutraliteit en de benuttingsgelijkheid. Grondrechten strekken er immers op de eerste plaats toe de rechten van de mens te beschermen tegen machtsmisbruik vanwege overheidsinstellingen”.

Die vrijheden zijn er om de burger te beschermen tegen de overheid en niet om de ambtenaren te beschermen tegen de burger, zo zegt de Raad van State. En verder:

De neutraliteit van de overheid is dus een grondbeginsel dat de overtuigingen van eenieder overstijgt en deze waarborgt. (…) De Franse Gemeenschap heeft met de genoemde decreten” – dat zijn de decreten om die symbolen te verbieden  - “aldus een (onderwijs)model willen voorstaan dat het ambt van leerkracht laat primeren op zijn levensbeschouwelijke, culturele en religieuze gezindheden als individu, om zo een scholing te bevorderen waarbij de overtuiging van de leerlingen en van hun ouders gerespecteerd worden”, mutatis mutandis in het debat hier: de overtuiging van burgers wordt gerespecteerd. “De bestreden handeling streeft dat doel na door in de eerste plaats de rechten en vrijheden van andere personen dan de ambtenaren zelf te beschermen. Er wordt dus wel degelijk een rechtmatig doel nagestreefd.” Dixit de Raad van State.

Een laatste citaat van het arrest van de Raad van State, overweging VI.2.7:  

De Raad merkt op dat het dragen van tekens die uiting geven aan een overtuiging een weerslag kan hebben op de rechten en vrijheden van anderen” - daar is John Stuart Mill - “rechten die beschermd zijn bij Artikel 9 van het EVRM en Artikel 19 van de Grondwet. Zo bijvoorbeeld geeft iemand die voortdurend zo een teken draagt, duidelijk te kennen dat hij een bepaalde godsdienst aanhangt. Hij confronteert de leerlingen” - in ons geval de burger – “voortdurend met die godsdienstige overtuiging.” Ik zal u de rest van het arrest besparen.

De Raad van State beschouwt dit als fundamenteel in onze grondwettelijke orde, wat bij mij toch wel de niet totaal irrelevante vraag doet rijzen of de voorgenomen beslissing wel wettig is – ik wil niemand te veel op ideeën brengen -, en niet bij de Raad van State zou kunnen worden aangevochten. Als ik dit arrest lees, toch wel met enige kans op succes, zou ik zeggen.

Voorzitter, collegae, dames en heren, schepen Decruynaere heeft ons gevraagd welk signaal deze raad geeft aan de straat. Ik stel diezelfde vraag: niet “welk signaal hebben wij vijf jaar geleden gegeven?” maar “welk signaal gaan wij vandaag geven?”

Ik ben ervan overtuigd dat dit signaal eigenlijk geen signaal is van tolerantie, de tolerantie die thuishoort in de publieke sfeer, maar niet in het openbaar ambt. Dit is een signaal van accommodatie, van toegeven aan particuliere revindicaties. Wij hebben de motieven duidelijk gehoord vandaag. Dit is een signaal van legitimatie daarvan.

Ik vind het een belangrijk onderscheid, of wij tolerant zijn ten aanzien van religieuze, levensbeschouwelijke en politieke overtuigingen, dan wel of wij de waarden die daarachter steken ook legitimeren door ze publiek te laten etaleren in de overheidsdienst.

Dat is de belangrijkste reden waarom ik inderdaad ook, ondanks mijn religieuze overtuigingen, samen met mijn partij tegen het opheffen van dit verbod zal stemmen.

Ik wil toch even - inderdaad, u zal mij misschien zeggen “daar is er weer een Cassandra” - waarschuwen voor de rechtsonzekerheid die het gevolg zal zijn van deze opheffing. Wij hebben een duidelijk criterium op dit ogenblik, we gaan naar een onduidelijk criterium.

Een onduidelijk criterium, ik heb het gehoord, is dat iets zal toegestaan zijn of verboden naargelang het propaganda is. Is dan religieuze en atheïstische propaganda ook verboden, of alleen politieke propaganda? Dat was mij niet zo duidelijk. Politieke propaganda is verboden, maar staat er ook dat religieuze of levensbeschouwelijke propaganda verboden is?

Wat is religieuze propaganda? Het woord komt van Propaganda fidei: het uitdragen van het geloof. Dat is de definitie. Het komt van het woord “propagare”, “uitdragen”, en met name het uitdragen van het geloof.

Je kan perfect het propagandaverbod interpreteren op dezelfde manier als het vandaag nog geldende reglement. Het grote verschil is, dat we nu rechtszekerheid hebben, en dat deze raad nu wellicht van plan is om die rechtszekerheid op te heffen. Ook dat baart mij als jurist bijzonder veel zorgen. Ik heb gesproken.



[1]  Naar Karl VALENTIN, Es ist schon alles gesagt nur noch nicht von jedem.
[2]  Wellicht doelde men op dit citaat uit J.S. Mill, On Liberty: ““The only freedom which deserves the name is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it”.
[6] Dialektik der Säkularisierung: Über Vernunft und Religion, Herder 2004. Nederlandse vertaling Lieven de Winter en Guido Vanheeswijck, inleiding door Patrick Loobuyck "De verlichtingsfilosoof ontmoet de katholieke intellectueel". Zie ook P. LOOBUYCK, "De uitdaging van het postseculiere perspectief. Jürgen Habermas over religie en de publieke rede", Tijdschrift voor Filosofie 2009.
[7] Matthias E. Storme, Tussen God en Caesar? Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society, Uitg. Pelckmans 2011.
[8] J. SLEMBROUCK, “Meer (godsdienst)vrijheid dankzij strikte neutraliteit”,  http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/05/26/meer-godsdienstvrijheid-dankzij-strikte-neutraliteit.
[9] EHRM, Arrest van 15 januari 2013, http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001-115881
[10] Grondwettelijk Hof nr. 145/2012 van 6 december 2012, http://www.const-court.be/public/n/2012/2012-145n.pdf
[11]  Raad van State nr. 223.042, Algemene Vergadering van 27 maart 2013, X. T. Charleroi, http://www.raadvst-consetat.be/Arresten/223000/000/223042Ndep.pdf.
 
Locations of visitors to this page