dinsdag, juni 30, 2015

Datafobie

De Amerikaanse hoogleraar James Whitman, die dit jaar eredoctor werd aan de KU Leuven, beschreef in enkele zeer goed gedocumenteerde artikelen (1) een merkwaardig verschil tussen de Amerikaanse en Europese rechtscultuur inzake privacy. In Amerika wordt privacy namelijk enger begrepen in die zin dat wie zich buitenhuis, in het openbare leven, begeeft, zich in beginsel niet op privacy kan beroepen. Anderzijds wordt wat zich in de privésfeer in enge zin afspeelt een stuk sterker beschermd met name tegen de overheid. In Europa wordt dat privéleven juist veel minder sterk beschermd tegen de overheid, maar wordt de vrijheid van private spelers (media, verenigingen, ondernemingen) om gegevens over personen in hun publieke leven te verwerken juist veel meer aan banden gelegd. Zo zijn enerzijds traditionele waarborgen tegen totalitaire regimes zoals het bankgeheim jegens de overheid in Europa opgedoekt, en worden anderzijds zoekmachines gecensureerd omwille van het “recht om te worden vergeten” (2). 

Wie nieuws en debat over het gebruik van informatie bij ons volgt, kan echter merken dat ook waar de aldus ruim begrepen privacy niét op het spel staat er een cultuur van geheimdoenerij heerst en vooral ook schrik voor alle gegevens die vergelijkingen inhouden en verschillen aan het licht brengen. België was ooit een gidsland inzake statistische gegevens over bevolking en alles daarrond, maar is vandaag vaak de rode lantaarn.

We zijn ongeveer het enige land in de EU dat geen deftige statistieken kan voorleggen inzake de werking van het gerecht (3). Op meerdere vlakken is het onmogelijk om in België over opgesplitste gegevens per gewest te beschikken, omdat die gegevens te ‘gevoelig’ zijn. Zo wil men ook verhinderen dat interregionale geldstromen (‘transferten’) correct in kaart worden gebracht – terwijl bv. in Duitsland het deel van de belastingen dat dient om de armere deelstaten te financieren expliciet apart op de belastingbrief wordt vermeld. Bij ons stelden politici dat de de ‘interpersonele solidariteit’ in gevaar zou brengen.

Met informatie die transparante competitie tussen instellingen zou kunnen bevorderen is het zeker niet beter gesteld. Er is duidelijk geen animo voor vergelijkende resultaten van scholen of studierichtingen; in studies en rapporten over leerresultaten krijgt men nooit informatie over individuele scholen. Hetzelfde geldt voor vergelijking tussen ziekenhuizen of medische diensten; Test-aankoop kreeg van de rechter geen inzage in rapporten over ziekenhuisinfecties, omdat door de slechte kwaliteit van de informatie deze zelf een gevaar zou zijn voor de volksgezondheid (sic)(4). In 2008 werd een Nederlander vervolgd door de ziekenfondsen omdat hij een vergelijking publiceerde tussen de diensten die zij aanbieden. Rond de publicatie van de rapporten inzake voedselveiligheid in restaurants was er trammelant. Wel publiceerde Antwerpen in 2014 misdaadcijfers per wijk. Informatie over statistische verschillen tussen etnische groepen daarentegen blijft een groot taboe.

Ook voor transparante informatie over de mobiliteitsscore van woningen is er geen geestdrift. En het hek is helemaal van de dam wanneer er online informatie wordt verschaft die per woonbuurt aangeeft wat het gemiddeld inkomen er is, de gezinsgrootte (aantal kinderen, aantal gehuwden) of het aantal verschillende nationaliteiten der bewoners (5).


In omzeggens al deze gevallen gaat het niet om privacy. Anonieme statistische informatie wordt beschuldigd van discriminatie omdat mensen deze informatie zouden kunnen gebruiken om dingen te doen die aan hun voorkeuren beantwoorden. Terwijl men er blijkbaar minder moeite mee heeft dat de overheid die wel mag gebruiken om het ‘gedrag te sturen’. Zo verkiest men in naam van de verlichting de verduistering. Voor mensen die toch zo graag anderen van fobieën beschuldigen past dan ook dit woord: zij lijden aan datafobie.

-----
(1) in het bijzonder J.Q. WHITMAN, "The Two Western Cultures of Privacy: Dignity versus Liberty", The Yale Law Journal, Vol. 113, No. 6 (Apr., 2004), pp. 1151-1221, http://www.jstor.org/stable/4135723.
--------

Deze bijdrage verscheen in Grondvest, tijdschrift van de VVB, juli/augustus 2015.

dinsdag, april 28, 2015

Uitgezonderd plaatselijk verkeer

Vorig jaar sneuvelde in onze wetgeving een van de iconen van de Franse revolutie: het decreet d’Allarde dat de vrijheid van handel en nijverheid had afgekondigd, met daarbij de afschaffing van het gildewezen en tal van andere bepalingen die die vrijheid inperkten. In het nieuwe rommelwetboek “van economisch recht” dat Vande Lanotte liet fabriceren is er enkel nog vrijheid van ondernemen voor zover niet beperkt door wetten en verordeningen van dwingend recht. Dat was natuurlijk in de feiten al lang zo.

Met de Franse revolutie werden ook allerlei beperkingen aan het vrij verkeer afgeschaft, met als bekendste voorbeeld de tol die op zovele plaatsen lokaal werd geheven om als persoon binnen te mogen in een stad of goederen te mogen binnenbrengen.  Natuurlijk zagen we in dezelfde periode, een goede 200 jaar geleden, de uitbouw van natiestaten met grenzen die in vele opzichten voor personen en goederen ferm waren. Maar die natiestaten hielden toch nog veel meer de afschaffing van grenzen in, van de lokale, regionale, interne grenzen. Daarmee ging ook een opvatting over de openbare weg gepaard: de weg die door iedereen mag worden gebruikt, en die door de algemene geldelijke middelen van de overheid wordt betaald.

Vandaag is het in bepaalde middens bon ton om te waarschuwen tegen de privatisering van de openbare ruimte. Niet dat we dat letterlijk mogen nemen: er gaat nog altijd elk jaar veel meer hectare over van privaat eigendom naar openbaar domein dan omgekeerd. Maar men waarschuwt ons voor private verkavelingen, met interne straten die niet open zijn voor het publiek, als een machtsgreep van de rijken. Verder zou de opkomst van winkelcentra en Uplaces ervoor zorgen dat de openbare ruimte een deel van zijn functies zou verliezen aan private domeinen, waarbij de ondergang der winkelstraten wordt voorspeld. Is het echter niet vaak in diezelfde al dan niet groene middens dat een beleid wordt gepromoot waarbij hele stadswijken zoveel mogelijk gereserveerd moeten worden voor de bewoners, met steeds meer zones waar ‘doorgaand verkeer’ wordt verboden of gestigmatiseerd tot sluipverkeer, steeds meer scholen voorrang moeten geven aan buurtbewoners (behalve dan als die buurt te ‘blank’ is), e.d. ? Zien we met name in roodgroen bestuurde steden geen beleid dat moeilijk anders dan als stadsnationalisme kan worden benoemd, en sterk gericht is tegen wie niet in de stad woont (en er dus geen inkomstenbelasting betaalt noch kiesrecht kan uitoefenen). Meer nog, deze oprispingen van lokale uitsluiting lijken zich des te meer voor te doen hoe meer men tekeer gaat tegen “het” nationalisme, het Vlaamse welteverstaan. Dat stadsnationalisme wordt overigens ook theoretisch uitgewerkt in geschriften die gaarne polariseren tussen de stad als oord van diversiteit en progressiviteit en het achterlijke Vlaanderen van platteland of voorstad. Of misschien moeten we ook dat stigmatiseren noemen.

Nu blijken die oorden van diversiteit en progressiviteit het toch vaak moeilijk te hebben om de openbare weg zijn openbare functie te laten vervullen. Niet alleen is de openbare weg er steeds minder voor iedereen, de zorg ervoor door de overheid is ook niet overal dezelfde. Uit Noord-Amerika waait stilaan nog een ander verschijnsel over, namelijk de Business Improvement Districts: grondeigenaars van een wijk die zelf de kosten betalen voor het onderhoud en de verfraaiing van de openbare weg in hun wijk. In enkele landen als Duitsland leidt dit reeds tot grote juridische problemen. Immers, op welke grond kan een deel van de grondeigenaars de anderen verplichten mee te betalen ? En zonder een algemene verplichting van de aangelanden kan de idee ook niet werken. Misschien is een bepaalde vorm van privatisering van het openbaar domein in een soort verplichte mede-eigendom dan nog een stuk coherenter. Zo zijn de gemeenten ook in zekere zin ontstaan in de Middeleeuwen, als een vereniging van mede-eigenaars (net als de polders en wateringen). Of wacht, zijn al die lokale initiatieven misschien toch ook geen omfloerste vormen van separatisme ?


(Deze tekst verscheen eerder in Grondvest mei 2015)


maandag, februari 23, 2015

Tussen opgehemeld verleden en teveelbeloofde toekomst: een verloren heden ?

(deze bijdrage verscheen in Grondvest maart 2015)

De voorbije weken konden we genieten van enkele debatten rond zogenaamde radicalisering van jongeren, zowat de stempel gebruikt voor het gewelddadig jihadisme van eigen bodem. Er was terecht de vraag of radicaal wel het gepaste woord is: met radicaliteit als dusdanig is niets mis, het hangt ervan af waarin men radicaal is. Er wordt gedebatteerd over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in een rechtsstaat aanvaardbaar zijn en welke prijs aan privacy wij bereid zijn in te leveren voor beveiligingsmaatregelen. 

En er was natuurlijk het debat rond de ‘integratieparadox’ met als belangrijkste stem Marion van San. Haar onderzoeksconclusies werden wat te snel vereenvoudigd tot de stelling dat ‘jongeren’ des te meer radicaliseren naarmate ze beter maatschappelijk geïntegreerd zijn (school, werk, gemengde vriendenkring). Van San heeft dat ook geschreven, maar het blijft toch vooral interessant om de verklaringen die zij geeft te bespreken, alsook wat ze niet zegt. 

Beginnen we met het laatste: die zogenaamde radicalisering is in de meeste gevallen natuurlijk wel te vinden bij gebrek aan culturele integratie. Opleiding en werk garanderen blijkbaar nog helemaal geen culturele integratie, en dat zal natuurlijk niet beteren naarmate er luider wordt geclaimd dat eenieder zijn eigen taal en cultuur moet kunnen bewaren en daarvoor desnoods maar redelijke aanpassingen moeten worden gedaan in onze regels en gebruiken. Verder hoedt Van San zich ervoor de radicale opvattingen te benomen, die nu eenmaal in overgrote mate islamistische opvattingen zijn (al klopt het natuurlijk wel zo dat bij die ‘radicalen’ er ook ‘jongeren’ zijn die van thuis geen moslim zijn dan wel weinig religieus).

Van San zelf verklaart de radicalisering ondanks maatschappelijke integratie in de hierboven genoemde zin vanuit gevoelens van teleurstelling wanneer men ondanks opleiding en werk niet hogerop geraakt en vanuit stijgende verwachtingen die gekoesterd worden door jongeren en leiden tot een gevoel van discriminatie dat een stuk verder gaat dan de werkelijke discriminatie. Kortom, overspannen verwachtingen. En dan moeten we ook vragen welke factoren maken dat er overspannen verwachtingen zijn. Hoe worden die gekweekt of aangeleerd of minstens bevorderd ? Die overspanning is m.i. ten dele bepaald door de Westerse welvaartsstaat en gelijkheidsideologie en ten dele door de invloed van culturen die een claim op absolute waarheid formuleren. Als men opgevoed wordt met de idee dat men de heren van de schepping is, aan wie de enige echte ware tekst is bekendgemaakt, en alle andere volkeren in onwetendheid leven of de waarheid half vervalst hebben, en dan blijkt dat die andere volkeren wetenschappelijk en technologisch vaak een enorme voorsprong hebben, dan kan dat inderdaad tot zo’n overspanning leiden.

In 1977 verscheen van de hand van de Nederlandse psychiater en wijsgeer Jan Hendrik van den Berg, bekend voor zijn leer van de metabletica, die een groot deel van de moderne geschiedenis poogt te vatten als een geschiedenis van veranderingen in het collectief bewustzijn, het boek Gedane zaken; twee omwentelingen in de Westerse geestesgeschiedenis. Daarin voorspelde de auteur voor 2015 een wereldbrand die begint met een rassenstrijd, met name een strijd waardoor landen intern verdeeld zouden zijn. Hij is natuurlijk niet de enige die dat voorspeld heeft. Maar zijn verklaring wil ik in herinnering brengen: “Elk land heeft zijn teveelbeloofden”. En wat vooral teveel beloofd werd volgens Van den Berg was gelijkheid “zeg de mensen van Europa dat ze gelijk zijn en ze gaan elkaar allerbloedigst te lijf”.


In 2005 publiceerde Joods-Duitse historicus prof. Dan Diner een boek dat te weinig aandacht kreeg, over het politiek radicalisme in religieus gewaad in de islamitische wereld, namelijk ‘Verzegelde tijd. Over de stilstand in de islamitische wereld’ (Versiegelte Zeit, ook in Engelse vertaling: Lost in the sacred) waarin hij het onder meer heeft over de ‘onheilige alliantie’ tussen voormoderne opvattingen uit het Midden-Oosten (kort samengevat een opgeslotenheid in het sacrale) en een postmodern discours dat daartegenover veel te weinig kritisch is. Tussen een opgehemeld verleden en een teveelbeloofde toekomst ligt er dan veel te vaak een verloren heden. 

dinsdag, december 23, 2014

Gelijkheid is vrijheid, leugen is waarheid

(Deze column verscheen in Grondvest januari 2015)

Van 4 tot 6 december hield de Académie Royale de Belgique (die zichzelf nog steeds als de enige erfgenaam beschouwt van de aloude Academie van Maria Theresia en de Vlaamse Academie als enkel maar een jonge zus) een boeiend colloquium onder de titel “La liberté d’expression. Menacée ou menaçante ? Jusqu’ou penser,parler, écrire librement ?” (1) De belangstelling van uit Vlaanderen was jammer genoeg zeer beperkt, al moet er aan toegevoegd worden dat men omgekeerd ook geen moeite heeft gedaan en op 3 Arabische en 1 Hongaarse spreker na alle sprekers Franstaligen waren. Desalniettemin was het een erg boeiend colloquium waarvan ik hier overigens maar enkele elementen kan bespreken. Persoonlijk werd ik overigens hartelijk ontvangen door de organisator, prof. Hervé Hasquin, oud minister-president van de regering van de Communauté française de Belgique, van liberale signatuur.

Desondanks zal de lezer het me niet kwalijk nemen dat ik,  om redenen die hem wel snel duidelijk zullen zijn, zoals de titel reeds aankondig, mijn pijlen richt op één van de lezingen, namelijk die van Edouard Delruelle uit Luik, jaren onderdirecteur geweest van het bekende Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding, en hoogleraar filosofie in Luik. Onder de titel “Discours, violence, civilité” (2) hield hij een goed uitgekiend pleidooi voor de bestaande breidelwetten die de vrijheid van meningsuiting inperken, zoals de antiracismewet en de antidiscrimatiewet. Daarbij gebruikte hij drie ‘trucs’ om de vrijheid van meningsuiting in te perken, die een zeer goed voorbeeld geven van het soort redeneringen die een bepaalde linkerzijde hanteert.  

Op de eerste plaats rechtvaardigt hij de inperking van de vrijheid van meningsuiting door te stellen dat een hele categorie van uitingen gewoon geen meningssuitingen zijn, maar handelingen. Dat wordt verpakt met een saus uit de algemene taalwetenschap, die bepaalde vormen van taalgebruik “performatief” noemt (een bekende boek daarover is van J.L. Austin, How to do things withwords).(3) Een goed voorbeeld is “ik beloof”: daarmee “doet” men iets, namelijk zich verbinden – wat nog niet wil zeggen dat het niet tegelijk een mening kan uitdrukken. De taalkunde wordt hier echter misbruikt om te stellen dat haat en discriminatie geen meningen zijn omdat men er iets mee ‘doet’, namelijk aanzetten.

De tweede truc bestaat is stellen dat de vrijheid van meningsuiting in feite maar kan gebruikt worden als men daartoe de middelen heeft, dat  niet iedereen dezelfde middelen heeft, en dat er dus maar sprake kan zijn van vrijheid van meningsuiting voor zover iedereen in feite gelijke kansen heeft zijn mening te uiten. De vrijheid wordt gereduceerd tot een eis van gelijke kansen en daarmee eigenlijk afgeschaft onder het mom van het waarborgen van die vrijheid zelf. Het Ministerie van Waarheid uit Orwell’s 1984 zou het niet beter gekund hebben !

Als derde truc stelt Delruelle terecht dat er geen vrijheid van meningsuiting is wanneer mensen elkaar met geweld in plaats van woorden bejegenen. Vervolgens definieert hij geweld echter zo ruim dat elk taalgebruik dat hem niet zint een vorm van geweld wordt genoemd en dus buiten de vrijheid van meningsuiting valt. Ook hier kan het Ministerie van Waarheid nog wat van leren.


Gelukkig waren er op hetzelfde Colloquium ook sprekers die de politieke correctheid en aantasting van de vrijheid van meningsuiting fileerden, zoals onder meer de Franse specialiste grondwettelijk recht Anne-Marie le Pourhiet en de Hongaarse rechter in Straatsburg Andras Sajo, die de vinger op de ‘wonde’ legden door aan te tonen hoe de vrijheid afgeschaft wordt door ze afhankelijk te stellen van de gevoeligheden van de diverse toehoorders. Philippe Nemo tenslotte (de auteur van het mooie essay “Qu’est-ce que l’occident”, nog niet in het Nederlands te vinden), herinnerde eraan dat de wetenschap maar is kunnen opbloeien vanaf de twaalfde eeuw door de doctrine van Abelardus dat het recht, en zeker het strafrecht, zich enkel met daden van mensen mocht bezighouden en het oordeel over gedachten en intenties, hoe zondig ook, aan God diende te worden overgelaten (4). Waaruit nogmaals blijkt dat onze ‘Verlichte’ tijd weleens meer aan obscurantisme zou kunnen lijden dan die duistere Middeleeuwen.

(2) Vgl. eerder van deze auteur zijn "Eloge du politiquement correct", http://edouard-delruelle.be/eloge-du-politiquement-correct/http://edouard-delruelle.be/eloge-du-politiquement-correct/
(3) J.L. AUSTIN, How to do Things with Words: The William James Lectures delivered at Harvard University in 1955, 1962 (eds. J. O. Urmson and Marina Sbisà), Oxford: Clarendon Press, http://www.hup.harvard.edu/catalog.php?isbn=9780674411524
(4) uitgewerkt in Ph. NEMO, La régression intellectuelle de la France, http://texquis.com/texquis-essais/20-la-regression-intellectuelle-de-la-france-.html. Zie ook Ch. GAVE,  "Au secours Abélard, ils sont devenus fous !"http://www.contrepoints.org/2012/03/05/71868-au-secours-abelard-ils-sont-devenus-fous.

vrijdag, oktober 31, 2014

Het kwade verbieden als groter kwaad



Een verantwoord onderscheid

De voorbije week kwam ik in het oog van een kleine storm terecht naar aanleiding van mijn aanstelling door het Vlaams Parlement als lid van de Raad van Bestuur van het interfederaal gelijkekansencentrum. Ik voel geenszins de nood om op alles wat er gezegd is (en vaak beter niet gezegd was) te reageren. Wanneer men mij beschuldigt van een drogredenering en het ontbreken van elke morele basiskennis (1) moet dat wel.

Een deel van de commotie gaat terug op een rede die ik intussen bijna 10 jaar geleden hield onder de, toegegeven, provocerende titel „de fundamenteelste vrijheid: devrijheid om te discrimineren” (2), en die slechts door enkele van de critici daadwerkelijk werd gelezen. Deze rede is in zijn concrete uitwerking ten dele gedateerd en dient op meerdere punten te worden genuanceerd, wat ik overigens in latere teksten ook deed. Maar de kerngedachte blijf ik verdedigen, en die werd de voorbije week door geen enkele kritiek geraakt, ook niet door de vuurpijl waarmee Erwin Mortier mij toch zo graag in het zenit zou afschieten (3).

recht is geen moraal 

Die bestaat erin dat inzake discriminatie zoals in vele andere zaken men moet onderscheiden tussen recht en moraal, en dat goede wetten in een democratische rechtsstaat wel een morele basiskennis vereisen maar zeker niet zomaar mogen worden gecalqueerd op ethische en fatsoensnormen. Het gaat om twee visies op wetgeving. De visie die ik verwerp gaat uit ervan uit dat wet en staat wat moreel goed wordt geacht moet opleggen en wat onethisch wordt geacht verbieden. Een verschil maken tussen personen op basis van criteria die volgens het morele aanvoelen (althans van diegenen die van zichzelf beweren een morele basiskennis te hebben) fout zijn en niet redelijk verantwoord, moet in die visie door de wet worden verboden. Zero tolerance. Dit is een typisch kenmerk van totalitarisme. Met een soortgelijke redenering kan men ook de rechten van verdediging afschaffen. 

Daartegenover verdedig ik de visie die zich met vallen en opstaan gedurende 2000 jaar in het Westen heeft ontwikkeld, van de Griekse polis over het romeinse recht, het christendom, de reformatie en de verlichting, en die de grondslag vormt voor de democratische rechtsstaat: het goede opleggen en het onfatsoenlijke verbieden is in vele gevallen een groter kwaad dan het te tolereren, tolereren dat in het bijzonder gebeurt in de vorm van fundamentele vrijheden zoals de vrijheden van meningsuiting, religie, vereniging of onderwijs.

Niet dat er een tegenstrijdigheid is tussen recht en moraal; het is een tegenstelling tussen enerzijds een simplistische moraal en anderzijds een moraal die wel degelijk het onderscheid kent tussen het voorwerp van een moreel debat en het voorwerp van een goede wetgeving. Er zijn vele redenen waarom we een ethiek nodig hebt die dit onderscheidt begrijpt en waardeert; in dit kort bestek kan ik slechts enkele elementen aanbrengen voor wie bereid is na te denken.

Een open samenleving respecteert een verscheidenheid aan opvattingen, ook morele opvattingen over wat in een concreet geval een fatsoenlijke dan wel onethische keuze is. Ze erkent dat moreel handelen vrijheid vereist, dat de mens eerst in vrijheid moreel kan handelen(4). Ze beseft dat er ruimte moet zijn voor twijfel in plaats van de morele zekerheid die de waarheid in pacht heeft. Ze ziet in dat het beter is om door een verscheidenheid aan preferenties toe te laten méér kansen te scheppen voor mensen dan door het opleggen van gelijke preferenties aan iedereen een collectieve verarming te organiseren.

vage rechtsnorm

In een rechtsstaat beseft men dat er een hemelsbreed verschil is tussen de morele aansprakelijkheid waarbij burgers elkaar aanspreken op hun al dan niet fatsoenlijk handelen, en de verantwoording die een burger verplicht kan worden in een juridische procedure af te leggen. Dat laatste is uitermate problematisch wanneer de rechtsnorm (verbod van onverantwoord onderscheid) uitermate vaag is en zeer subjectief kan worden ingevuld naargelang wie erover moet oordelen. 

In een op fundamentele vrijheden gegronde rechtsstaat ziet men in dat wanneer een burger gebruik maakt van zo’n fundamentele vrijheid, hij voor een onderscheid dat hij maakt tussen personen in rechte géén andere verantwoording hoeft af te leggen dan dat hij van zijn vrijheid gebruik maakt, ook al kan – en moet – hij als persoon door medeburgers moreel ter verantwoording worden geroepen. De vrijheid als dusdanig is een voldoende rechtvaardiging voor die keuze, ook al houdt die een ongelijke behandeling in. In die zin is de vrijheid om te discrimineren, d.w.z. zich niet in rechte te moeten verantwoorden voor een ongelijke behandeling, de kern van elk van die fundamentele vrijheden. 

Dat is een politieke keuze, zeker, maar het alternatief is dat die vrijheden enkel nog in naam bestaan en volledig uitgehold worden. Dat sluit niet uit dat er, anders dan in de bv. de vrijheid van meningsuiting, gradaties zijn in de economische vrijheid: de weigering iemand te bedienen in het geval van een massaproduct is, zoals de Duitse wetgever terecht heeft ingezien, van een heel andere aard (men kan dat een een negatieve keuze noemen) dan de vrijheid om te beslissen aan wie men iets geeft waarvan er maar 1 exemplaar is (een positieve keuze).

Meer kansen geven aan meer mensen vereist juist de versterking van die vrijheden, maatregelen om nieuwkomers toegang te verschaffen tot de markten, om minderheidsgroepen de mogelijkheid te geven zich op discriminerende wijze zelf te organiseren, een billijk belastingsysteem dat compenseert wie sociale risico’s draagt en wie extra verantwoordelijkheid opneemt beloont. Quota zijn daarbij in sommige gevallen een kleiner kwaad dan een discriminatieverbod dat eleutherofobie (angst voor de vrijheid) blootlegt.

En o ja, de lezer zal zelf wel de drogredenering ontdekt hebben bij Farid Zhanoun ("Een brood is geen taxichauffeur", dS 28 oktober 2014), die waar ik het heb over discriminatie tussen bakkers wegens hun politieke overtuiging, mij verwijt het over het onderscheid tussen bruin en wit brood te hebben.

(1) F. ZHANOUN, "Een boord is geen taxichauffeur", de Standaard 28 oktober 2014, http://www.standaard.be/cnt/dmf20141027_01345076.
(3) Erwin MORTIER, "Ik ga Laurette Onkelinx gelijk geven", De Morgen 27 oktober 2014, http://www.demorgen.be/binnenland/ik-ga-laurette-onkelinx-gelijk-geven-a2102600/
(4) Vgl. F.C. von SAVINY: "Das Recht dient der Sittlichkeit, aber nicht indem es ihr Gebot vollzieht, sondern indem es die freye Entfaltung ihrer, jedem einzelnen Willen innewohnenden Kraft sichert" (Das System des heutigen Römischen Rechts, I, p. 331).

Deze bijdrage verscheen licht ingekort in De Standaard 30 oktober 2014 (http://www.standaard.be/cnt/dmf20141030_01351575)
 
Locations of visitors to this page