maandag, september 01, 2014

Mijmering over wetgever en regeerakkoord

Deze zomer is weer een tijd van regeerakkoorden en regeringsonderhandelingen. De Vlaamse regering is er, de federale zal allicht veel minder lang op zich laten wachten dan na de verkiezingen van 2010. Over de vraag of dat laatste vanuit Vlaams-nationaal oog- punt een goede zaak is of niet, kan men van mening verschillen. Politiek is niet zoals men soms zegt de kunst van het haalbare, maar wel de kunst om het wenselijke haalbaar te maken; over de strategie om het wenselijke waar alle Vlaams-nationalisten het ongeveer over eens zijn haalbaar te maken, kan men evenzeer van mening verschillen. 

Wel is het goed eraan te herinneren dat het regeringsloze tijdperk van vier jaar geleden vanuit democratisch oogpunt een zeer goede zaak is geweest.Voor het eerst in decennia kon een parlement grotendeels het werk doen waarvoor het verkozen is zonder te worden gedicteerd door een regering: de wetgeving verbeteren. Over de partijgrenzen heen is daar goed gebruik van gemaakt (bv. een nieuwe nationaliteitswet). Eens er een regering is, verliest het parlement vaak zijn tanden. Regeerakkoorden beperken vaak de marge voor wisselmeerderheden. Hoe dikker de regeringsbijbel, des te min- der kan het parlement zijn grondwettelijke taak vervullen. Artikel 34 van de Belgische Grondwet bepaalt dat alle machten uitgaan van de natie en worden uitgeoefend op de wijze door de Grondwet bepaald. In het stelsel van de Grondwet is het het parle- ment dat de wetten maakt en de regering die die uitvoert. Een regeerakkoord leidt er vaak toe dat het net omgekeerd is; de grondwettigheid van regeerakkoorden is dan ook zeer twijfelachtig. Niet dat we in dit land op een ongrondwettigheidje meer of minder kijken natuurlijk. Maar misschien mag er wel eens aan worden 
herinnerd.

Waar ook aan mag worden herinnerd is de grondgedachte achter de werkverdeling tussen parlement en regering, tussen een wetgevende en een uitvoerende macht. Die grondgedachte is dat de regel niet mag worden gemaakt door diegene die de regel moet toepassen in individuele gevallen. Dat is een belangrijke waarborg voor de burger: de regel mag niet eerst worden gemaakt in functie van een individueel geval; anders zou men in theorie wel gelijkheid voor de wet kennen, maar is die gelijkheid veeleer fictie. Daarom hoort het niet dat het parlement wetten maakt voor individuele gevallen. De burger heeft het recht een individuele beslissing steeds te laten toetsen aan een algemene norm, om te zien of de gelijkheid voor de wet is gerespecteerd. Dat wetten vaak worden gemaakt naar aanleiding van bestaande misstanden, is natuurlijk wel nor- maal. Een verantwoordelijke wetgever komt dan wel tussen, maar liefst toch met enige bezinning; de bedoeling moet daarbij steeds zijn om voor de toekomst een betere regel te hebben.

Ook de voorbije jaren werd er te vaak aan ‘overshooting’ gedaan, en ministers als Milquet waren gespecialiseerd in zo’n steekvlampolitiek (denk recent aan de ‘(anti)seksismewet’. Men zou denken dat dit minder in onze Vlaamse aard ligt, maar helaas zijn er ook aan Vlaamse zijde voorbeelden genoeg. Kunnen wij als burgers in onze acties en reacties daar misschien ook even bij stilstaan?
 

Deze column verscheen in Grondvest, september 2014, p. 5 (http://vvb.org/file?fle=4425).

zaterdag, juli 26, 2014

Een West-Lothian conundrum* in Vlaanderen: de provincievrije steden

Bedenkingen bij de Vlaamse regeringsverklaring

Als Antwerpen en Gent straks 'provincievrij' worden, krijgen we dan 'provincie-arme' provincieraadsleden voor die beide steden? Matthias Storme staat stil bij een nieuw staatkundig curiosum.
In het Vlaams regeerakkoord staat te lezen dat de provincies afgeslankt worden: zij oefenen niet langer persoonsgebonden bevoegdheden uit en wat betreft de steden met meer dan 200 000 inwoners (dus Gent en Antwerpen) ’oefenen ze niet langer bovenlokale taken uit en nemen geen gebiedsgerichte initiatieven meer’. De tekst gaat verder: ‘de provincies zullen de opbrengsten die hun eigen belastingen genereren in steden met meer dan 200.000 inwoners, doorstorten aan die steden’. 
Antwerpen en Gent worden dus ‘provincievrij’ zoals sommigen reeds schreven. Dat is op zichzelf niet zo nieuw. In Duitsland zijn de grotere steden ook 'kreisfreie Städte’ die niet onder een Landkreis vallen, maar rechtstreeks onder het Land (deelstaat). Of, als we het perspectief wat veranderen: de grote steden Bremen en Hamburg zijn zelf deelstaten die rechtstreeks onder de Bund vallen (een statuut waarmee het Brussels Gewest een zekere gelijkenis zou vertonen, ware het niet dat er daar nog steeds 19 gemeenten zijn; alhoewel: de deelstaat Bremen bestaat ook uit twee gemeenten). Historische voorlopers van die 'kreisfreie’ steden waren de 'rijkssteden’, die niet aan een landsvorst onderworpen waren maar rechtstreeks deel uitmaakten van het Duitse Rijk.
Evenwel doet dit een interessante vraag rijzen, namelijk of de inwoners van Antwerpen en Gent dan nog kiesrecht kunnen hebben bij de provincieraadsverkiezingen. Weliswaar zegt het akkoord niet uitdrukkelijk dat deze twee steden geen deel meer uitmaken van de provincie, wellicht omdat dit krachtens art. 5 II en 6 van de grondwet een federale bevoegdheid is, maar de facto komt het daar op neer. Toch lijkt het grondwettig niet te kunnen om de inwoners van Gent en Antwerpen geen provincieraadsleden meer te laten verkiezen. Maar die leden zetelen dan wel in een raad waarvan de beslissingen niet gelden voor de gemeenten waaruit ze verkozen zijn. Dit lijkt te botsen met het basisbeginsel 'No representation without taxation’ (waarvan de keerzijde iets bekender is). De vraag die hier rijst is in het Verenigd Koninkrijk bekend geworden onder de naam 'West-Lothian conundrum’ (of West-Lothian question): de in het Britse Parlement (Westminster) gekozen volksvertegenwoordigers uit West-Lothian - een willekeurige kieskring uit Schotland - mogen in Westminster immers beraadslagen en stemmen over heel wat materies waarvoor in Schotland het Schotse Parlement bevoegd is, en beslissen dus mee over zaken die énkel voor Engeland en Wales gelden.
In België kenden we dit vraagstuk tot nu toe enkel door de fusie van Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, waarbij het Vlaams Parlement in het Brussels Gewest enkel persoonsgebonden bevoegdheden heeft en geen gewestbevoegdheden. Om die reden mogen de leden van het Vlaams Parlement die in Brussel verkozen zijn, niet meestemmen in gewestzaken. Als we dit doortrekken naar de provincievrije steden, zouden de provincieraadsleden uit die steden enkel nog mogen stemmen voor de heffing van de provinciebelasting, die immers ook in die steden zou worden geheven maar wel doorgestort. In alle andere materies zouden zij niet mogen deelnemen aan beraadslaging en stemming. Dat wordt voorwaar nog een kleinere opdracht dan die van onze nieuwe senatoren. We krijgen er in ieder geval weer een staatkundig curiosum bij.

* Een 'conundrum' is een haast onoplosbaar dilemma of raadseltje.

Deze bijdrage verscheen eerst in Doorbraak 25 juli 2014.

woensdag, mei 21, 2014

Neem Europa zijn open debat niet af

Minder macht voor de lidstaten, meer macht voor het Europees Parlement: dat is het heersend discours in het aanschijn van de Europese verkiezingen. Matthias Storme is het daar niet mee eens. ‘Meer Europa’ over precies die thema’s waarover grote onenigheid bestaat, dreigt tot een polarisering op zijn Amerikaans te leiden.
-------
De voorbije weken werd er uitvoerig voor gepleit om de voorzitter van de Europese Commissie door de fracties van het Europees Parlement te laten bepalen. Die fracties hebben elk hun kandidaat naar voor geschoven en het zou, zo zegt men, een kaakslag voor de democratie zijn als niet een van de Spitzenkandidaten de opvolger van José Manuel Barroso wordt.
Ook wordt ervoor gepleit om de Europese besluitvorming meer te politiseren. Die besluitvorming wordt nu door velen als te technocratisch beschouwd en/of te veel bepaald door de nationale politieke opinies. Die politisering zou dan moeten leiden naar een meer Europees politiek debat, een Europese publieke opinie. En zo zou het argument worden gecounterd dat het zwaartepunt van de democratie best bij de naties blijft liggen, omdat daar ook het democratisch debat plaatsvindt.
Om meerdere redenen vind ik dat niet zulke goede ideeën. Tot vandaag is er in het Europees Parlement niet echt een meerderheid en een oppositie zoals we die in Vlaanderen, België en vele andere parlementaire democratieën kennen. In dat parlement wordt er daardoor veel meer met een open geest gedebatteerd en zien we bij de stemmingen steeds wisselende meerderheden.
En zo hoort het eigenlijk in een democratie. In landen waar er duidelijk een meerderheid en een oppositie zijn, verliest het parlement een groot deel van zijn macht, zoals de nationale politiek duidelijk bewijst. Merkwaardig genoeg is de enige periode in de laatste vijftig jaar waarin het Belgische parlement ‘normaal’ functioneerde, die van de grote regeringscrisis van 2010-12. Zolang er nog geen meerderheid en oppositie waren, kon het parlement echt zijn rol spelen, en toen zijn er belangrijke wetten door het parlement zelf gemaakt (zoals een nieuwe nationaliteitswet). Sinds er een ‘normale’ regering is, is het parlement weer grotendeels gedegradeerd tot stemmachine van kabinetsontwerpen.
Maar weinig democratieën hebben geen last van dat fenomeen: Zwitserland, waar de regering wel door het parlement wordt verkozen maar uit omzeggens alle partijen bestaat (de zogenaamdeKonkordanzdemokratie) en de VS, waar de regering geen meerderheid in het parlement (Congress) moet hebben (omdat zij door een rechtstreeks verkozen president wordt samengesteld) en gedurende vele decennia over de partijgrenzen van Democraten en Republikeinen heen wetten werden gemaakt. En ook het huidige Europese Parlement dus. Het zou dan ook zeer jammer zijn om dat te zien verloren gaan.
Technische regeltjes
De politisering waarvoor men pleit, houdt vaak ook in dat men de rol van de lidstaten wil terugdringen. ‘Zuiver’ Europese instellingen als Commissie en vooral Parlement zouden meer te zeggen moeten hebben over de grote politieke en sociale vragen, klinkt het. Europa zou zich daarop moeten profileren, in plaats van als economische regulator massa’s technische regeltjes over ons uit te storten (waarvan Hendrik Vos haarfijn het nut al verdedigde, DS 14 mei ).
Maar dan zouden Commissie en Parlement meer macht krijgen over net die vragen waarover onze samenlevingen verdeeld zijn en waarover vooral de Europese samenleving als geheel sterk verdeeld is.
Hier dreigt een tweede gevaar, een waarvan de jongste jaren in de VS al duidelijk werd wat de gevolgen kunnen zijn. Als we de rol van de lidstaten terugschroeven in die zaken waarover de Europese samenleving verdeeld is, riskeren we een Europa te scheppen dat zoals de VS diep politiek verdeeld is. Precies door de grote maatschappelijke en politieke thema’s naar Washington te verschuiven, is dat land meer verdeeld dan ooit tevoren: er zijn ‘rode staten’ (Republikeinen) en ‘blauwe staten’ (Democraten) en die praten niet meer met elkaar. In het Congres wordt er ook niet meer over de partijgrenzen heen gepraat, want omzeggens elk thema wordt een federaal campagnethema.
Europeanisering
Dit is geen pleidooi voor Europese ‘achterkamertjespolitiek’, integendeel. We moeten juist het open debat in het Europees Parlement veiligstellen. Waar anderzijds wél nood aan is, is een ‘europeanisering’ van de nationale parlementen, zoals onder meer Mark Elchardus (DS 17 mei) bepleit: de nationale parlementen (en bij ons zijn dat ook de deelstaatparlementen) moeten meer betrokken worden bij de besluitvorming van de lidstaten over en in de Europese Unie en moeten er meer tijd en middelen voor inzetten. Dat is veel en veel belangrijker dan een overtrokken aandacht voor Spitzenkandidaten voor de Europese Commissie.

Matthias Storme. Gewoon hoogleraar (KU Leuven) en medestichter van het European Law Institute. Doceerde jarenlang Europees recht. Kandidaat voor het Europees Parlement voor N-VA.

Deze bijdrage verscheen in De Standaard van 21 mei 2014: http://www.standaard.be/cnt/dmf20140520_01112849

donderdag, mei 01, 2014

Zelfbeschikkingsrecht is moeilijk in te vullen

Professor Matthias Storme, hoogleraar in de rechten aan de KU Leuven is advocaat, oud-voorzitter van het OVV en kandidaat bij de Europese verkiezingen. Storme is bekend in de Vlaamse beweging en heeft tijdens het internationaal symposium in Gent een uitstekende beeld opgehangen over zelfbeschikkingsrecht voor volkeren.Wij spraken met hem op zijn kantoor aan de Coupure in Gent.
Grondvest: Is zelfbeschikkingsrecht een mensenrecht?
Storme: ‘Het internationaal zelfbeschikkingsrecht voor volkeren is een algemeen beginsel, maar er is discussie over de draagwijdte ervan. Iedereen is het eens over het principe, maar niet over de invulling. Er zijn verdragen en uitspraken van internationale rechtscolleges. De enge interpretatie roept tegen ons dat het zelfbeschikkingsrecht enkel diende voor de dekolonisatie.Vele instanties interpreteren het ruimer; als het recht op secessie of separatisme. Er is geen “wereldautoriteit” om zich daarover uit te spreken. We zien echter toch dat veel documenten – die gezag hebben in internationaal recht – het zelfbeschikkingsrecht toch uitwerken en erkennen. Het bekendste voorbeeld uit de geschiedenis is Amerika, en dichter bij ons het “Plakkaat van Verlatinghe” waarbij in 1581 Filips II werd afgezet.’
Hoe kan Vlaanderen zich beroepen op het zelfbeschikkingsrecht?
‘Zelfbeschikkingsrecht is moeilijk in te vullen omdat we moeten definiëren wat een volk is, welke kritische massa je moet hebben om recht op secessie te hebben.Wat speelt er mee? Of er een regering, een parlement, een grondgebied is. Dan is het niet zo moeilijk om te zien dat Vlaanderen, Catalonië, Baskenland en Schotland daaraan voldoen. Anderen zeggen dat er sprake moet zijn van verdrukking, bijvoorbeeld de Kosovaren die door de Serven werden verdrukt. De Vlamingen worden niet verdrukt, maar we slagen er niet in om de politiek te voeren die we nodig hebben.’
Hoe ontstaan nieuwe staten?
‘Veelal ontstaat een staat en wordt ze achteraf erkend, zoals België en Kosovo. Ook de Baltische Staten hebben zich zo onafhankelijk van Rusland verklaard. Er is geen kant-en-klaar scenario. Er zijn wel enkele criteria die een rol spelen en die bepalen of een secessie lukt of niet. Met een louter moreel principe kom je er niet, maar de kans dat het slaagt, hangt toch ook af van het feit of men het kan legitimeren. Het is niet alleen een machtsspel. Een meer voor de hand liggend scenario is enerzijds dat je kan aantonen dat je een meerderheid van de bevolking mee hebt. Anderzijds zijn er ook geslaagde afscheidingen waar men daarvan nooit zeker is ge- weest, maar van het geschikte moment gebruik maakte. De Grieken noemden dat “kairos”. Een momentum kan zich ook aandienen als niet iedereen voor is, maar als er minder tegen zijn.’
Kan een referendum hierover in Vlaanderen?
‘Een referendum is niet verboden maar kan alleen maar raadgevend zijn.Voor een bindend referendum moet je eerst de grondwet wijzigen. Voor Franstalig België heeft men het consultief referendum ingevoerd, maar de Vlaamse par tijen zijn tegen, ook de N-VA. Het is meestal de overtuiging dat politici hun verantwoordelijkheid moeten nemen en niet moeten laten afhangen van populaire stem- mingen. Anderzijds kan je ook zeggen dat het Vlaams Parlement voldoende representatief is.’
Hoe staat Europa tegenover zelfbeschikkingsrecht?
‘Dat gaan we pas weten als er een eerste onafhankelijkheidsverklaring is. Het zou wel interessant zijn als de Schotten op 18 september ‘yes’ zeggen; dan moet de EU er wel een antwoord op bieden. In het Verenigd Koninkrijk hebben ze al aangekondigd bereid te zijn de uitslag van het referendum te aanvaarden. In Vlaanderen ligt een afscheiding – zonder de Belgische staat volledig op te doeken – nu nog niet op tafel. De verhouding met Europa zou volledig moeten worden uitgeklaard. De EU is één van de grote redenen om te streven naar zelfbeschikking, het is belangrijk om inspraak te hebben in Europa. De deelstaten hebben nu omzeggens geen inspraak. Europa is eigenlijk de push- en pullfactor; het is dé reden waarom de staatshervorming noodzakelijk is. Een Europa van deelstaten maakt geen einde aan het vrij verkeer. De EU maakt een secessie enerzijds onschadelijk en anderzijds bijna noodzakelijk. Er is een duidelijke band tussen de ontwikkelingen in de EU en de radicalisering in Vlaanderen. De huidige lidstaten hebben geen enkele interesse om dat debat te openen. Voor bijvoorbeeld Spanje is het zelfs problematisch. Voor anderen heeft gelukkig voor hen de afscheiding plaatsgevonden voor de aansluiting bij de EU, dit is het geval met 7 van de 28 lidstaten: Letland, Estland, Litouwen,Tsjechië, Slovakije, Slovenië en Kroatië. Als je verder teruggaat in de tijd dan is de meerderheid van de Europese lidstaten ontstaan uit een secessie.’ 
(gepubliceerd in Grondvest mei 2014, http://vvb.org/file?fle=1191)

zondag, december 15, 2013

Diepgang - interview met Matthias Storme in De Wijzer

Overgenomen uit De Wijzer, tijdschrift van de Nieuwe Filosofische Kring (Leuven), 201-14 nr. 2 -  http://nfk.be/wijzer/2013-2014/deWijzer%202.pdf.

Matthias Storme is professor aan de faculteit rechten, lid van de N-VA en zetelt sinds begin dit jaar in de Gentse gemeenteraad. Zijn bachelor in de rechten combineerde hij met een bachelor wijsbegeerte en voor zijn master in de wijsbegeerte trok Storme naar de prestigieuze Yale University. Als professor aan de faculteit rechten lijkt zijn filosofische carrière niet meer te primeren. Storme merkt op dat het gewoon niet mogelijk meer zou zijn om bij te blijven met de ontwikkelingen nu, en de advocatenmop die hij vertelt bevestigt het vermoeden dat rechten sterk op de voorgrond is komen treden.
Waarom koos u voor twee opleidingen?
Vanaf mijn eerste jaar in Antwerpen heb ik geprobeerd beide opleidingen wat te combineren. In het eerste jaar ging dat nog vlot, maar vanaf het tweede jaar legde ik de vakken filosofie af in tweede zit. Toch haalde ik zon der problemen gelijktijdig mijn kandidaturen in de rechten en de wijsbegeerte. Vervolgens ben ik naar Leuven getrokken om daar
de licentie Rechten te volgen. Ook in Leuven
probeerde ik om naast de rechten nog wat
ruimte vrij te maken voor de licentie wijsbegeerte. Echter, nog voor ik de tijd had gevonden om mijn thesis wijsbegeerte te schrijven kreeg ik de kans om in de VS te studeren. Zo ben ik in Yale beland, waar ik dat jaar mijn master filosofie heb behaald.
Filosofie studeren in Amerika leek toen een nogal gekke keuze. Wat mij aantrok aan de VS was
haar universitaire cultuur. Wie destijds verder ging studeren in Duitsland of Frankrijk
liep immers vaak verloren. Je kon daar toen
allerlei vakken volgen, maar hoe je uiteindelijke diploma er zou uitzien was vaak een
raadsel. De structuur die opleidingen op het
continent vaak ontbeerden was daarentegen
één van de troeven van Amerikaanse opleidingen. Bovendien hoefde ik het (toen al
hoge) inschrijvingsgeld niet te betalen.
Was u toen al veel bezig met het politieke luik van de filosofie?
Het klinkt misschien merkwaardig, maar op dat moment was ik niet zo bezig met de praktisch toepasbare filosofie. Het grootste doel van mijn studie was om een soort filosofische Bildung op te bouwen. Ik las daarom vooral grote namen uit de geschiedenis van de filosofie. Daarnaast was ik ook gebeten door de hermeneutiek, en vooral het werk van Gadamer. Het dieper lezen van allerlei soorten teksten en het blootleggen van allerlei interpretatiemethodes kan verschillende deeldomeinen van ons kennen met elkaar verbinden. Yale was trouwens een goede plaats om je in zo’n zaken te verdiepen. De universiteit van Yale is immers een baken van continentale filosofie in een land waar analytische filosofie domineert.
Directe democratie
U bent vandaag politiek erg actief. Zo schrijft u meermaals opiniestukken, zetelt u in de gemeenteraad voor N-VA, en zit u als ideoloog zelfs in de partijtop. Horen professoren wel thuis in de politiek, en zo ja, hoe weten ze beide functies te combineren?
Dat is een lastige vraag. Ik denk dat professoren die politiek actief zijn zeker een meerwaarde kunnen bieden. In Vlaanderen heerst er echter een grote koudwatervrees als het over politiek engagement gaat. Neutraliteit wordt in Vlaanderen fout voorgesteld. Zo kraait er geen haan naar wanneer mensen politieke - zelfs extreme - ideeën verkondigen. Zodra ze echter een partijkaart bezitten zouden ze niet meer in aanmerking mogen komen voor allerlei functies. Dat vind ik echt absurd. Waarom gaan we niet meer voor transparantie? Zo weten we ten minste waar iemand met zo’n functie daadwerkelijk voor staat.
Natuurlijk moet het combineren van beide functies ook praktisch haalbaar zijn. Tegenwoordig eisen vrijwel alle functies veel tijd en energie op. Daarom impliceert politiek activisme ook altijd een evenwichtsoefening. Je job werpt ook altijd een paar politieke beperkingen op. Toch is politiek engagement nutteloos als men niet een minimum aan loyaliteit weet op te brengen. Zelf vind ik dat ik die balans wel goed weet te leggen.
U zegt dat professoren zich niet mogen verschuilen achter een valse neutraliteit. Van professoren in het politieke metier, en van technocraten in het algemeen, wordt ook gezegd dat ze zich verschuilen achter hun ‘expertise’. Zo stelt de technocraat niet alleen zijn kennis, maar ook de politieke keuzes die hieruit zouden moeten volgen voor als absoluut. Een juiste analyse?
We moeten hier eerst even het onderscheid maken tussen verschillende vakgebieden. Bij sommige problemen zijn de keuzes die moeten gemaakt worden in veel grotere mate politieke keuzes dan in andere. Geen enkel domein waar de overheid optreedt, is vrij van politieke keuzes en te reduceren tot expertise en technocratie, maar er zijn gradatieverschillen. Om die keuzemogelijkheden duidelijk vorm te geven is voorafgaand een hele hoop expertise nuttig. Politiek is kiezen, maar vooral ook weten wat we kiezen. Politiek actieve experts kunnen dan net de brug vormen tussen kennis en politiek!
Anderzijds mag men politieke keuzes niet verstoppen achter die expertise. In een democratie moet politiek juist de mogelijkheid geven om ook alternatieve keuzes te maken. Daarom heb ik het helemaal niet voor
de consensusdemocratie die bij ons vaak gepredikt wordt. Nu zijn er ook wel goede voorbeelden van consensusdemocratie. Neem
Zwitserland: een regering waarin al jaren elke
partij zetelt, en die consensus bereikt, met
daarnaast een onafhankelijk democratisch
samengesteld parlement dat haar functie van controle met vuur uitoefent. In België dient de parlementaire meerderheid enkel om het tussen de regeringspartijen bereikte compromis te bekrachtigen. Daarom zou een directere vorm van democratie ook niet misstaan. Daarmee ga ik wel in tegen de standpunten van mijn eigen partij.
Directe democratie: denkt u dan aan referenda of vooral aan sterke lokale besturen?
Beiden. De gemeentelijke autonomie mag veel groter worden in België, al vergt dat wel tijd. Referenda moeten trouwens ook wat herdacht worden. Zo mag de vraag van een referendum niet worden opgelegd van bovenaf. Dat kleurt de discussie meteen in het voordeel van de politici. Laten we flexibele referenda houden. Ook hier kunnen we ons baseren op het Zwitsers model. Daar kunnen in het referendum meerdere oplossingen tegelijk ter stemming worden voorgelegd, die door verschillende groepen (burgers, middenveld, politici) worden gesteld.
Daarnet zei u nog dat mensen wat vaker de partijkaart mogen trekken. Hoe verzoent u dit idee met directe democratie?
Dat is een lastige vraag. Wat België eigenlijk mist is een degelijk publiek debat. Enkel in Angelsaksische en Scandinavische landen bestaat er zo’n debatcultuur. In Yale heb ik gezien hoe dat wel kan. Er waren daar allerlei debatingclubs onder studenten waarin men met evenveel vuur pro en contra kon verdedigen. Zo krijgt iedereen een duidelijk beeld van de problematiek. Ik ben overigens hier in Leuven ook zo’n debatclub gestart voor studenten met ongeveer hetzelfde ritueel als in de VS. Schrijf maar dat elke student die daarin interesse heeft, zich mag aanmelden (lacht)!
Overdreven formalisering
Ligt het gebrek aan debat niet in de Belgische cultuur van bescheidenheid?
Ik denk dat die Belgische cultuur vooral lijdt onder het trauma van jarenlange overheersing. Eeuwenlang hadden andere landen het in onze gebieden voor het zeggen. Daarom schuwen wij ideeën zelf duidelijk te verkondigen. Bovendien is onze communautaire situatie hiervoor ook allerminst geschikt. In een federale staat met maar twee grote partijen zal nooit een volwaardig debat ontstaan. Zo’n staat is gedoemd disfunctioneel te blijven.
Geldt er in België dan misschien een te grote cultuur van ‘betutteling’? Ervaart u dit zelf als prof.?
Zeker. Zo stoor ik me enorm aan alle formele vereisten i.v.m. ‘ICTS – fiches’. Dat is zo’n overgeformaliseerde bedoening. Zo mag ik geen punten aftrekken voor schrijffouten, als ik niet eerst in die fiche schrijf dat mijn studenten in behoorlijk Nederlands moeten kunnen schrijven. Waar zijn we mee bezig! Dat formalisme is ontstaan doordat steeds meer studenten procedures aangaan tegen hun professoren. Dat probleem los je echter niet op door jezelf als universiteit te betonneren in regels. Wij moeten net een duidelijke stem vormen tegen die overdreven formalisering. Dat is een onderdeel van onze maatschappelijke opdracht.
Als we verder gaan op het thema van betutteling: komen mensen, en met name studenten, te weinig op voor hun rechten?
Ja, maar dat is niet steeds aan henzelf te wijten. Allereerst zijn de studies die de studenten volgen duidelijk zwaarder geworden dan vroeger. Dat is zeker zo op de rechtenfaculteit. Anderzijds missen studenten parate kennis die ze vroeger wel hadden, waarmee ik niet wil zeggen dat ze minder getalenteerd zijn dan vroeger. Bovendien heeft er ook een sociologische verandering plaatsgevonden; de hedendaagse student zoekt meer afleiding op kot. De verstrooiing van computer, tv, e.d. heeft de student zeker veranderd.
Toch zal een student zich vandaag zeker nog engageren. Maar hij verschilt van de oude student doordat die laatste zich langer voor iets kon inzetten, terwijl de hedendaagse student ‘s anderendaags al aan wat anders denkt. Ook bestaat er een zekere angst om zich te binden, en vooral als daar niets duidelijks tegenover staat. En vanuit de premisse dat men zich niet wilt binden ontstaat er
ook een zekere desinteresse. Waarom zou
een student zich verdiepen in de programma’s van politieke partijen, als hij tegelijkertijd tot geen enkele van die partijen wil
behoren?
Zouden studenten zich niet eerder gewoon moeilijker kunnen vinden in bestaande ideologieën? Denkt de hedendaagse student niet veel verdeelder en over partijgrenzen
heen?
Als ze zich niet kunnen vinden in bestaande ideeën of groepen bestaat er nog altijd de mogelijkheid om zelf een groep te vormen. De oude student zou proberen zo’n ‘politiek gat in de markt’ te vullen. De hedendaagse student doet dat klaarblijkelijk niet. Ik blijf dus bij mijn standpunt.
Progressief conservatisme
Uzelf identificeert zich met het Conservatisme. Wat is Conservatisme, en zijn conservatief en progressief twee elkaar uitsluitende termen?
Allereerst bestaat er natuurlijk niet één vorm van conservatisme; er zijn zoveel soorten conservatisme als er conservatieven zijn. Het is ook zeker geen ideologie met vaststaande geloven, regels, of toekomstbeelden. Het is veeleer een soort levensbeschouwing. Conservatisme vertrekt daarom vanuit een scepsis voor het vooruitgangsgeloof, en vooral vanuit een scepsis voor absolute ideeën.
Dat klinkt misschien wat vreemd, want conservatisme heeft zelf ook een soort absolute waarheid. Voor conservatisme ontbreekt er geen absolute waarheid, maar ze is nooit volledig uit te drukken. De conservatief gelooft in een natuurlijke orde, maar denkt niet dat de mens deze orde ooit volledig zal kennen. Daarom hecht een conservatief net zoveel waarde aan het verleden. Immers, wat in het verleden ligt kunnen we wel trachten te plaatsen in een grotere orde. Door die ervaring aan te leren, kunnen we hoger geraken, als dwergen op schouders van reuzen. Enkel dankzij het werk van vorige generaties zijn we vandaag in staat vooruitgang te boeken. De conservatief erkent dat hij met zijn eigen verstand onmogelijk alles zelf had kunnen bereiken. Vanuit onze dankbaarheid voor het geschenk van de traditie volgt het respect.
Maar als de absolute waarheid onbekend is, en we ons enkel kunnen baseren op traditie, waarin ligt dan de toekomst? Hoe kan een conservatief actief werken aan de toekomst?
Tja, voor mij is de wereld een kosmos. Die kan vervolgens op verschillende manieren gepercipieerd worden. Zo heeft elke cultuur een uniek perspectief op de absolute waarheid. Vandaar ook dat de conservatief de verscheidenheid van culturen zo graag wilt behouden. Wij zijn dus niet gekant tegen andere culturen, maar willen ze net, samen met de onze, beschermen. Het gevaar van de multiculturele maatschappij is dat ze een soort eenheidsworst wordt.
Om terug te komen op die toekomst; het religieuze element van het conservatisme gaat natuurlijk net hier over. Wat is de bestemming van de mens? In een religieuze traditie is dat gemakkelijker te formuleren. In een seculier conservatisme gaat dat wat moeilijker.
Toch heeft de N-VA net voor een slogan gekozen waarin verandering centraal staat. Wat is die kracht van verandering?
Wat hier wordt bedoeld is dat er ook verandering nodig is om net het essentiële te bewaren. Het gaat om een herdenken. Dat betekent respect betonen voor wat was, maar ook opnieuw denken over wat kan komen. Een prachtige metafoor voor wat ik hiermee wil zeggen is het boek ‘Le bateau de thésée’ van S. Ferret. In de mythe van de Griek Theseus legt een schip een lange tocht af. In de loop van de tocht moet elk onderdeel echter worden gerepareerd of vervangen. Op het einde van de tocht is geen enkel onderdeel nog origineel, maar toch is het nog hetzelfde schip. Dat is de kracht van verandering. En zo’n verandering is ook nodig in Vlaanderen, want anders dreigt het Vlaamse schip stilletjes onder te gaan.



vrijdag, november 01, 2013

Onverteerbaar


In George Orwell's bekende boek "1984" wordt de hoofdrol gespeeld door Winston Smith, die werkt voor het Minister van Waarheid (MiniTrue). Zijn belangrijkste taak bestaat erin, historische kranten te herschrijven om de inhoud ervan conform te maken aan de hedendaagse partijlijn van de Party geleid door Big Brother. Hij vernietigt de oude kranten en vervangt ze door nieuwe, dus vervalste, "oude" kranten. Op die wijze worden de burgers beroofd van hun geschiedenis, en kunnen historische "onpersonen" uit de geschiedenis gewist worden. Zoals de Amerikaanse jurist Charles G. Mills onlangs schreef, zou Winston Smith de oude kranten vandaag zelfs niet meer moeten vernietigen om ze te vervalsen. Steeds meer periodieke publicaties verschijnen niet meer op papier. De webversie kan constant vervalst worden, omzeggens zonder sporen na te laten. Auteurs kunnen onder druk gezet worden om een gepubliceerde tekst aan te passen zonder dat de lezer de oorspronkelijke versie nog kan terugvinden. De Belgische inquisitie genaamd CGKR heeft dit al meermaals gedaan. Klassieke werken die naar de normen van sommigen vandaag incorrect zijn, zoals de verhalen van Pippi Langkous, Tom Sawyer, de werken van Shakespeare, of omzeggens elk belangrijk werk uit de literatuurgeschiedenis, kunnen aangepast worden "ad usum delphini" zonder dat de jongeren dit ooit te weten komen. Daardoor worden niet enkel individuele teksten vervalst, maar ons collectief geheugen als beschaving.

Meer nog, het ongewijzigd behouden van teksten is een van de grondpijlers van de Westerse beschaving. De Franse wijsgeer en historicus Rémi Brague(1)  heeft dat pregnant beschreven in zijn essay voor de  honderdste verjaardag van H.G. Gadamer, met als titel (vertaald uit het Duits) “Inclusie en vertering – twee modellen van culturele toeëigening”(1), waarin hij aantoont hoe belangrijk het geweest is dat historische teksten (literaire, religieuze, juridische, e.d.m.) ongewijzigd werden doorgegeven zodat ze door elke generatie opnieuw konden worden gelezen, geciteerd, geïnterpreteerd en becommentarieerd. Tegenover dit model van inclusie plaatst hij het model van digestie, waarbij de oorspronkelijke tekst verteerd wordt, eruit gehaald wordt wat men nuttig acht om de rest weg te werpen (zo bv. de omgang met de bronnen uit de oudheid door de islamitische wetenschappers in de Middeleeuwen). Door die werkwijze gaat het origineel verloren en er is ook geen “renaissance” door herlezing van de bronnen meer mogelijk.

Beste lezer, dit is de laatste column die U van mij nog gedrukt kan lezen in het tijdschrift Doorbraak. De online archieven van dit tijdschrift zijn eerder al met één muisknop uitgeveegd en verdwenen. Misschien moet u het nummer van november 2013 met deze column toch maar bewaren als aandenken aan tijden toen het geschrevene nog een zekere permanentie had en niet aan de grillen van de webmeester was overgeleverd.

(2) “Inklusion und Verdauung. Zwei Modelle kultureller Aneignung”, in Hermeneutische Wege, Hans-Georg Gadamer zum Hunderdsten, Mohr Tübingen 2000, 295 v., in het Frans verschenen als “Inclusion et digestion. Deux modèles d’appropriation culturelle”, overgenomen in de bundel Au moyen du moyen âge. Philosophies médiévales en chrétienté, judaïsme et islam, coll. Champs essais, Ed. de la transparence, Chatou 2006, 263 v.

(column in Doorbraak november 2013)



woensdag, augustus 28, 2013

Pervers categorisch denken en spreken



Dat taal een belangrijk wapen is in politieke en ideologische strijd weten we natuurlijk al sinds de oudheid. Toch wil ik hier kort wat licht laten schijnen over een specifiek mechanisme van misleiding dat vandaag schering en inslag is, en dat we categorisch taalgebruik kunnen noemen: meningen of handelingen die in vele opzichten zeer uiteenlopend zijn maar vanuit een zeer specifiek perspectief een gemeenschappelijk kenmerk hebben, worden steevast in één categorie ondergebracht en wel onder de noemer van het meest verwerpelijke uit die categorie. Vele termen voor verwerpelijke gedachten of of gedragingen worden bewust overgedragen op andere gedachten en gedragingen om die als even erg te kunnen bestempelen en te eisen dat de strijd ertegen even hard wordt gevoerd.

Bij sommige voorbeelden is er nog een redelijk verband, zoals de uitbreiding van het begrip “geweld” naar psychisch geweld”, hoewel dat laatste dan zo ruim wordt gebruikt dat elke proportie wel zoek geraakt. Een evident voorbeeld is de term discriminatie, die het mogelijk maakt elk niet correct gemotiveerd onderscheid maken in dezelfde categorie van verwerpelijkheid te steken. Wanneer men een moord, foltering, geweldpleging, diefstal, enzovoort niet meer op de eerste plaats zo noemt, maar op de eerste plaats bestempelt als racisme, seksisme, homofobie, enzovoort, dan zegt me daarmee eigenlijk dat enerzijds een identieke daad als moord, foltering enz. met een ander oogmerk minder erg is, en anderzijds dat elke racistische, seksistische, enz. gedraging tot dezelfde categorie behoort en dus in wezen even erg is als die moord. 

Meer nog: het etiket wordt gebruikt opdat de toehoorder niet meer zou durven vragen wat er eigenlijk precies gebeurd is: de beschuldigde is veroordeeld nog voor men de feiten kent. Als iemand eenmaal “dader” is (bv. pedofiel) en een andere “slachtoffer’, dan is daarmee blijkbaar alles gezegd en wordt het obsceen geacht om nog nuances te maken en niet alles op een hoop te gooien. Want jawel, er zijn gradaties van geweld, gradaties van pedofilie, gradaties van homofobie, en het is pervers ze telkens onder één noemer te brengen, zoals het pervers is om de zogenaamde besnijdenis van meisjes met dezelfde term te benoemen als die van jongens.  Die gradaties verwerpen als ‘relativering’ is niet minder categoriek dan  de uitroep ‘fraude is fraude’ - of ‘misdrijf is misdrijf” - en de stelling dat elk misdrijf even hard moet vervolgd worden. Zero-tolerantie alom ! Waarom niet ineens de doodstraf in plaats van een GAS-boete ?

Vergelijkbaar misbruik is er ook te vinden met termen als nationalisme of (anti)-verlichting: al wie op minstens één punt een nationalistisch credo deelt wordt op één lijn gesteld met de slechtste vertegenwoordiger van die categorie, en al wie ook maar op één punt afwijkt van een bepaalde definitie van verlichting is  dus ontmaskerd als de anti-verlichting in vlees en bloed.

En tot slot, eerlijk is eerlijk: het is ook misleidend om over ‘de’ monarchie en ‘de’ republiek te spreken, alsof het democratiegehalte van een staatsvorm op de eerste plaats daarvan afhangt.  Laat ons dat categorisch denken bestrijden, zij het toch ook met nuance.
 
Locations of visitors to this page