zondag, juli 14, 2019

Drie boeken over het conservatisme volgens Matthias Storme


 De drie beste boeken over het conservatisme volgens Matthias Storme

Interview afgenomen door Jelle Dehaen voor Knack en licht ingekort verschenen op  Knack online op 12 juli 2019: https://www.knack.be/nieuws/boeken/de-drie-beste-boeken-over-het-conservatisme-volgens-matthias-storme/article-longread-1486205.html


Hoewel Storme al jaren een van de belangrijkste conservatieve stemmen in Vlaanderen is, vond hij het niet eenvoudig om zijn drie favoriete boeken te kiezen. Maar dat ligt aan het conservatisme zelf.

Matthias Storme: Er is geen canon die het ware wezen van het conservatisme vormt. Meer nog, zo'n lijst van boeken zou strijdig zijn met de aard van conservatisme. Het is immers geen ideologie, geen catalogus van abstracte waarden. Wel hecht het conservatisme veel belang aan het concrete: omdat elke tijd met nieuwe problemen worstelt die andere oplossingen vereisen, kan het conservatisme vandaag niet hetzelfde zijn als vijftig jaar geleden.
Tegelijkertijd, en dat is paradoxaal, zoekt het conservatisme naar algemeen menselijke kenmerken die altijd en overal belangrijk zijn.  Alle conservatieven delen bepaalde inzichten, zoals de waardering voor het bestaande. In die zin lijkt een conservatief boek vandaag op eentje van tweeduizend jaar geleden.
Het eerste boek is Ondankbaarheid van de Franse filosoof Alain Finkielkraut. Hij is bijzonder omstreden bij onze zuiderburen.
Storme: Aanvankelijk was Finkielkraut nochtans populair bij het commentariaat. In zijn eerste boek had hij het over klassieke thema's zoals het antisemitisme en het ontstaan van totalitaire regimes. De eerste schok kwam toen hij op de VUB werd uitgenodigd voor een congres over de bange, blanke man. Eigenlijk was het een congres over open grenzen, maar Finkielkraut hield een lezing met als titel: 'Eloge des frontières” (Lof der grenzen). Daarin zei hij dat de Tweede Wereldoorlog niet werd veroorzaakt door te veel grenzen, maar door een gebrek aan respect voor morele en territoriale grenzen. Sindsdien is hij toch wat persona non grata  geworden. (lacht)
Waarom is Ondankbaarheidbelangrijk?
Storme:Finkelkraut heeft het over hybris. De hoogmoed om het verleden als een rijk van het kwade te zien. Mensen die dat doen, doen niet aan historiografie, maar aan pathologie. Er is een belangrijke stroming die met hun absolute waarden naar onze voorouders kijkt en hen als racistische en sekstische barbaren bestempelt. Maar door dat anti-racistische discours kun je andere culturen en tijden niet meer begrijpen. Finkelkraut bestrijdt die vorm van hoogmoed, en noemt dat een tolerantie die enkel zichzelf tolereert.
Waarom zouden anti-racisten andere culturen niet kunnen begrijpen?
Storme:Omdat ze zelfs niet de moeite doen om vorige generaties te begrijpen. Ze bekijken alles in morele zwart-wit termen. Maar als je dat doet, kun je de hele wereldliteratuur in de vuilnisbak kieperen. Al die auteurs deden immers dingen die normaal waren in hun tijd, maar die we nu niet meer zouden tolereren. Maar je moet een werk kunnen loskoppelen van zijn auteur, ook al bevalt zijn levenswandel je niet.
Het boek heetOndankbaarheid. Voor wat zijn we ondankbaar?
Storme: Voor alles wat we geërfd hebben van vorige generaties zonder dat we daarvoor gewerkt hebben. Dankbaarheid is een centrale deugd voor conservatieven. Daarmee gaan ze lijnrecht in tegen het moderne individualisme, dat doet alsof alles wat we hebben onze eigen verdienste is. Bovendien houdt dankbaarheid ook verplichtingen in, tegenover hen die ons iets geschonken hebben, maar ook tegenover volgende generaties. Zo moeten we de democratie niet enkel voor onszelf bewaren, maar ook voor wie na ons komt.
Waar zijn we niet meer dankbaar voor, waar we toch dankbaar voor zouden moeten zijn?
Storme: In de eerste plaats het leven zelf. De eerste rol die we moeten spelen is die van goed kind, goede echtgenoot en ouder.
Het klassieke conservatieve beeld is dat wij dwergen zijn op de schouders van reuzen. De mensheid heeft vooruitgang geboekt, maar dat hebben we slechts voor een klein deeltje aan onszelf te danken. Het grootste werk is door vorige generaties gedaan.
U zei al dat hedendaagse conservatieve boeken gestoeld zijn op dezelfde fundamentele inzichten als tweeduizend jaar geleden. Hebt u daarom als tweede boek gekozen voor de Ethica Nicomachea van de Griekse filosoof Aristoteles, die stierf in 332 v.Chr.?
Storme: Ik dacht zover mogelijk terug te gaan, naar een van de belangrijkste boeken van onze cultuur. Vandaag hebben wij het altijd over waarden. Maar waarden zijn zo abstract dat je er alles en niets mee kan bewijzen. Aristoteles blijft interessant, omdat hij een deugdenethiek verkondigt. Deugden zijn persoonlijke eigenschappen die je in staat stellen om het goede te doen. Ze zijn een soort van stuurmanskunst, het afwegen van wat je moet doen om een goed leven te leiden. Wie deugdzaam wil zijn, moet altijd een smal pad bewandelen tussen twee ondeugden. Zo houdt de moed het midden tussen de lafheid en de roekeloosheid. Of de tolerantie tussen de intolerantie en het opleggen van permissiviteit.
Volgens Aristoteles vereisen deugden karakter en inzicht. Kun je zonder een goede opvoeding deugdzaam zijn?
Storme:Het helpt als je goed opgevoed bent (lacht). Maar het is niet genoeg. Er zijn twee extreme mensopvattingen. Enerzijds heb je de Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau die geloofde dat de mens inherent goed is, maar dat de samenleving hem corrumpeert. Anderzijds zijn er pessimisten die geloven dat de mens door en door slecht is en enkel door discipline van de samenleving op het rechte pad kan gehouden worden.
Maar in het conservatisme is de mens ni ange, ni bête. De mens is geen engel, maar ook geen beest. Ik heb Aristoteles gekozen omdat hij die twee strekkingen verenigt: hij toont aan dat instituten belangrijk zijn voor het menselijk gedrag, maar ook dat de individuele moraal belangrijk is.
Met instituten bedoelt u de politiek?
Storme: Het gaat om veel meer. Er zijn allerlei niet-politieke instituten zoals het gezin en de familie die de deugd bevorderen.
Vertrouwen wij te veel op de politiek als de bron van alle oplossingen?
Storme: Absoluut. Wij zoeken ook voor alles een juridische oplossing. Maar eigenlijk moet het recht een kader bieden, waarin niet-juridische oplossingen het grootste deel van de problemen kunnen oplossen.
We sluiten af met Ressurrecting the Idea of a Christian Society van de Amerikaanse theoloog Russell Ronald Reno.  Hij pleit voor een reveil van het christendom om de Amerikaanse cultuur nieuw leven in te blazen.
Storme: Dit boek toont hoe het conservatisme vandaag levenskrachtig kan zijn. Ressurrecting the Idea of a Christian Society gaat over Amerika, maar veel is toepasbaar in West-Europa. Meer nog, het gaat over dingen die altijd en overal belangrijk zijn voor het algemeen goed, zoals solidariteit en de armen helpen. Daarnaast heeft Reno oog voor het hogere, zowel op spiritueel als op cultureel vlak.
Volgens Reno is het een van onze belangrijkste plichten om de zwakkeren te beschermen. Maar dat doe je niet met een individualistische moraal die alle oude belemmeringen wil afschaffen. Sommigen denken dat alle bestaande regels en wetten mensen beperken, maar het tegendeel is waar.
Het conservatisme wordt vaak vereenzelvigd met een hyperliberalisme in de stijl van de Amerikaanse president Ronald Reagan of de Britse premier Margaret Tatcher. Vandaag zien we de terugkeer van een ander rechts, dat oog heeft voor sociale bekommernissen.
Storme:Het conservatisme past zich aan de noden van de tijd aan en biedt een tegengewicht voor wat misloopt. Soms zal de staat te groot zijn en soms de vrije markt. Het conservatisme vindt dat de staat én de markt nuttig zijn, maar wantrouwt hen allebei.  De vrije markt is een bijzonder nuttig instrument, maar enkel zolang hij binnen zijn grenzen blijft. Als er echter allerlei dingen vermarkt worden die niet te koop zouden mogen zijn, is dat een probleem.
Wil Reno ons allemaal bekeren of pleit hij voor een meer algemeen spiritueel reveil?
Storme:Zijn boek is een poging om een aantal fundamentele culturele kenmerken van het christendom in ere te herstellen, zoals vrijheid in verantwoordelijkheid, bescherming van de “little platoons” (zoals Burke zei) zoals het gezin of de vereniging waarin solidariteit wordt beoefend, verwerping van zgn. nonjudgmentalism (“gij zult niet oordelen”). Maar zonder ook een spirituele component kan dat zuiver culturele christendom niet bestaan.
Is de Islam daarbij een bondgenoot?
Storme: De islam kan een bondgenoot zijn, maar is vaak een probleem. Vooral op wereldvlak is de interactie met de islam interessant, want zo kunnen we een beter begrip voor andere beschavingen krijgen. En ook in onze samenleving kan de omgang met de islam ons begrip voor spiritualiteit vergroten.
Toch ben ik sceptisch over de rol van de islam in onze eigen samenleving. In het DNA van de islam zitten bepaalde kenmerken die zo hard afwijken van onze christelijke cultuur dat het moeilijk wordt om hem te integreren. Denk bv. aan de onmogelijkheid van godsdienstvrijheid en geloofsafval, de onaantastbare positie van de tekst van de Koran en de hadith, de onmogelijkheid van een andere legitiem politiek gezag dan de islam, of de tribale opvattingen over het huwelijk (met alle gevolgen voor endogamie en de positie van de vrouw).

PS  Pas bij het herlezen merkte ik dat ik onbewust een Griek, een Jood en een roomse Christen heb gekozen: Athene, Jeruzalem, Rome ! Dat kan geen louter toeval zijn ;) 

maandag, juli 01, 2019

Drie methoden voor zwartmakerij

De voorbije weken, zowel voor als na de verkiezingen, mochten  “wij”  - nationalisten, flaminganten, conservatieven van onderling toch wel diverse pluimage - weer genieten van een vloed aan zwartmakerij, gaande van kreetjes op twitter tot op het eerste gezicht ernstig ogende opiniestukken. De grootste gemene deler van al die uitlatingen lijkt mij daarin te bestaan, dat de feiten of stellingen van de geviseerden, die als aanleiding worden genomen, omzeggens nooit als dusdanig worden beoordeeld, maar bijna systematisch maar een opstapje zijn voor grootse en vaak groteske beschuldigingen en waarschuwingen. Daarbij wordt zeer vaak gebruik gemaakt van bepaalde stijlfiguren en drogredeneringen, die meestal vormen zijn van wat men inde taalkunde een metonymie noemt (een betekenisverschuiving). Meer bepaald drie trucs komen daarbij zeer frequent voor.
De eerste is de etikettering, soms versterkt met het argument van het hellend vlak. Een handeling, opvatting of persoon die men wil zwartmaken krijgt als etiket een veel ruimere categorie waaronder men ook een andere handeling, opvatting of persoon kan onderbrengen die   Na de vreselijke lustmoord op een Antwerpse studente kon onze professionele seksismefanate het niet laten dit als seksisme te bestempelen, om op die manier alles wat zij seksisme acht voorwerp van dezelfde afkeer te laten zijn. Echter een moord aangrijpen om te waarschuwen voor zaken die daarmee moreel onvergelijkbaar zijn, enkel omdat men erin slaagt er één categorie voor te vinden is lijkenpikkerij. Andere “grievance”-etiketten zoals racisme, fascisme, kolonialisme, homofobie of andere woorden op fobie worden op dezelfde manier misbruikt. De belangrijkste reden voor hun gebruik vandaag is precies om een moreel “oordeel” dat afweegt en nuanceert en waar nodig onderscheid maakt, te vervangen door een morele veroordeling zonder proces. Etikettering moet ervoor zorgen dat het debat vooral niet gaat over het punt dat iemand gemaakt heeft, en waarover men wellicht legitiem van mening kan verschillen, en dat de spreker aldus gedelegitimeerd wordt door associatie en het debat erover onmogelijk wordt gemaakt. Een variante op deze perverse techniek zien we als iemand bv. op basis van wetenschappelijk onderzoek of concrete ervaring wijst op verschillen tussen bv. mannen en vrouwen: dat is onmiddellijk een bewijs dat die persoon een aanslag pleegt op de gelijkheid of minstens gelijkwaardigheid. Discriminatie veronderstelt echter dat men gelijke gevallen zonder redelijke rechtvaardiging ongelijk behandelt, wat natuurlijk een veel genuanceerdere afweging veronderstelt dan zo’n knuppelredenering.

Een tweede techniek bestaat erin, woorden, uitdrukkingen of ideeën te delegitimeren door te stellen dat die ooit in het verleden al eens door “foute” mensen werden gebruikt, of in foute boeken of betogen voorkwamen. Omdat er ooit een fascist het woorden “leugenpers” zou gebruikt hebben zou iedereen die vandaag over leugenpers spreekt een fascist zijn (zo Heimans en De Cock in de Standaard 17 juni). Zo vermijdt men natuurlijk de vraag of er in de pers fake newswordt verteld of niet. Of omgekeerd wordt de waardering voor bepaald cultureel erfgoed, waar een natie zich mee identificeert, zwartgemaakt met de stelling dat de bouw ervan ooit in het verleden mee gefinancierd werd met geld verkregen door kolonialisme, of op een wijze die vandaag illegaal zou zijn. 

De derde techniek bestaat erin een argumenten, klachten, ….te diaboliseren door de spreker het recht te ontzeggen die te gebruiken omdat hij of zij tot de verkeerde categorie behoort en daarom geen recht van spreken heeft, althans niet over dat onderwerp. De waarde van een argument of waarheid van een klacht is echter onafhankelijk van de persoon van de spreker. Dit is overigens ook een fundamenteel element van de “Verlichting".

Zijn dit strategieën die enkel aan de linkerzijde voorkomen ? Zeker niet alleen, maar toch wel in overgrote mate. Aan de rechterzijde zal men bv. ook wel eens het argument van het hellend vlak vinden. Het misbruik van abstracte categorieën met inzet van betekenisverschuivingen komt echter een stuk minder voor, al was het maar omdat bv. conservatieven van nature meer geneigd zijn naar en belang hechten aan het concrete eerder dan het abstracte, terwijl het soort links waarover het hier gaat vertrekt van de voorrang van het abstracte principe op de realiteit. Ook de tweede truc komt er veel minder voor, niet omdat men zijn geschiedenis minder goed kent, maar omdat de geschiedenis door de linkerzijde veel meer gezien en gebruikt wordt als een bron van kwaad waarmee dus moet worden gebroken. Ook de derde strategie komt als dusdanig veel vaker voor aan de linkerzijde, al vinden we aan alle zijden, dus ook aan de andere zijde, wel minder verregaande vormen ervan, zoals het verwijt van hypocrisie wanneer iemand niet leeft volgens de opvatting die men verkondigt, of het verwijt van wereldvreemdheid. Dat is echter nog een groot verschil met de linkse tendens om de waarde van een argument te laten afhangen van de trap die men in de hiërarchie van slachtofferschap kan innemen door zich met een slachtoffercategorie te identificeren.

Matthias Storme

(deze column verscheen in Grondvest 1 juli 2019 )


woensdag, maart 06, 2019

Neen, de taal(wet)strijd is niet voorbij

Het is bon ton om te beweren dat de strijd voor taalwetgeving niet meer actueel is, omdat enerzijds al wat de Nederlandstaligen in dat opzicht nodig hebben intussen al vele jaren is gerealiseerd, en anderzijds het Nederlands sterk genoeg zou staan om geen taalwetgeving nodig te hebben. Minstens het eerste lijkt alvast onjuist te zijn. Of liever: de verworvenheden van de taalwetgeving worden steeds meer op de helling gezet. In een aantal gevallen is dat door de kortzichtigheid van de Vlamingen. De verengelsing van het onderwijs is iets wat onze academici zelf organiseren, en door het Vlaams parlement, of toch sommige facties erin, wordt afgeremd. De taalwet in gerechtszaken, monument van de Vlaamse ontvoogding, werd in 2018 op ontwerp van justitieminister Geens “gerelativeerd”, misbruik makend van de commotie rond een of andere “procedurefout”, en de federale volksvertegenwoordigers zijn braaf gevolgd (1). Als gevolg daarvan kunnen procespartijen in beginsel in gelijk welke taal handelingen stellen in een procedure, zolang er niet een andere procespartij is die kan aantonen benadeeld te zijn. De rechter zou niet mogen ingrijpen - gelukkig zijn er nog rechters met de juiste reflexen die daartegen ingaan, en hierover volgt later dit jaar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Een heel stuk gevaarlijker - omdat ze niet door middel van een meerderheid in het eigen parlement kunnen worden teruggedraaid, zijn de aanvallen vanuit de Europese instellingen. Al vele jaren bestookt men ons vanuit de Raad van Europa om het Minderhedenverdrag te ratificeren. Dat is een draak van een tekst, zowel omdat er geen coherente visie achter zit of toch geen visie die rekening wil houden met de integriteit die kleinere cultuur- en taalgemeenschappen nodig hebben, als omdat het bijzonder onduidelijk is welke verplichtingen men precies aangaat door ratificatie. Dat laatste zet de deur open voor het mechanisme van “levende interpretatie” door nationale of supranationale rechters waarmee allerlei nieuwe verplichtingen worden opgelegd die helemaal niet werden beoogd bij ratificatie. Anders dan bij talloze andere verdragen of “instrumenten” (zie mijn vorige column “Het net waarin men democratieën vangt”), hebben de Vlamingen hier gelukkig wel steeds het gevaar gezien. 

Vanuit het Europees Parlement is zopas een nieuwe aanval ingezet op het territorialiteitsbeginsel. In het kader van de samenwerking op het gebied van justitie heeft de EU in 2007 een verordening uitgevaardigd (Vo. 1393/2007, voortbouwend op een oudere Verordening) betreffende de grensoverschrijdenden kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten (3). Deze Verordening bepaalt ook in welke taal een akte, zoals bijvoorbeeld een dagvaarding, moet worden ter kennis gebracht. In de huidige versie van deze regelgeving kan de bestemmeling de akte enkel weigeren indien deze niet gesteld is in een taal die hij begrijpt noch in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van kennisgeving. Destijds hebben wij er goed op gelet dat territorialiteitsbeginsel hierbij een doorslaggevend belang behoudt: het is in onze Gewesten niet voldoende dat in een andere officiële taal van België wordt kennisgegeven, als dat niet de officiële taal van dat Gewest is. Wie zich ergens vestigt, moet er ook voor zorgen dat hij in de taal van die plaats kan worden aangesproken. Of zoals een oude Duitse rechtsspreuk stelt: Wo sich der Esel wälzt, da muss er Haare lassen. Maar neen, op 13 februari heeft een grote meerderheid van het Europees Parlement – tegen het voorstel van de Europese Commissie in - beslist dat in de nieuwe versie van deze Verordening moet staan dat men een akte in de officiële taal van de plaats kan weigeren wanneer men die individueel niet begrijpt (vanuit België stemde enkel de N-VA tegen) (4). Dit komt er opnieuw op neer dat men privilegies toekent aan wie zich niet integreert door de taal te kennen van de plaats waar men woont. En opnieuw is de eerbied van de Europese Unie voor “constitutionele identiteit” van ons land niet te bespeuren. De “Raad” zou dit nog kunnen tegenhouden, maar dit veronderstelt dat de federale regering daar het been stijf houdt en voldoende bondgenoten vindt, terwijl diezelfde regeringspartijen in het Europees Parlement voor deze aanval op het territorialiteitsbeginsel hebben gestemd … O Nederlands, let op uw saeck!

(1) Wijziging van artikel 40 Taalwet gerechtszaken door artikel 5 van de Wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde van 25 mei 2018, Belgisch Staatsblad 30 mei 2018
(2) Zie bv. mijn redevoering "Wat is er mis aan het minderhedenverdrag", Toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw 2005 aan Leo Peeters en de burgemeesters van Halle-Vilvoorde (20 maart 2005), op http://storme.be/StormeredeVlaamseleeuw2005.pdf, ook in Het Verbond, april 2005, 2-9.




donderdag, januari 31, 2019

A Call for Modesty and Comity

(Editorial European Review of Private law 2019 no. 1)

In this first issue of the 27th volume, we deal mainly with contract & consumer law and the eternal tension between national diversity and uniformization. But other recent events also oblige us to reflect on this tension more generally. Comparative law is the study of similarities and differences in law; it may lead to the conclusion that different nations, regions or communities reach the same result through different ways, but also that problems can be tackled with really different solutions, sometimes hidden under appearances of similarity. One of the most important things it teaches us is a sense of pluralism and a form of modesty. Not that comparative law necessarily implies some form of non-judgmentalism and forbids us to evaluate different rules and solutions and deem some better than others – or at least better for a given society where a solution is more appropriate than another, without imposing it on others. Jeder soll nach seiner Fasson selig werden, as Frederick the Great taught us, but every comparatist may evaluate these different ways to salvation. International private law is by its very nature accepting this pluralism and accepts, at least within certain limits, the application of the rules of other legal orders and promotes different forms of cooperation between these orders. Whatever the precise positive meaning of role of comitas gentium may be (see the contribution of Schultz and Mitchenson in issue 3 of the ERPL of 2018), the general idea of comity is the essence of international private law. It is a central idea of modern conflict of law doctrine that courts apply and interpret foreign law when its application is indicated by their conflict of laws rules. It is an equally central feature of contemporary international private law that courts of one jur- isdiction recognize and enforce decisions by courts of another jurisdiction, even if those courts interpret the law of the first juridiction – and this however good, bad or ugly’ the interpretation is (to quote judge Elena Kagan in a Supreme Court decision on recognition of arbitral awards, Oxford Health Plan v. Sutter).

However, this idea of comity seems increasingly suppressed in the European Union. When the Rome Convention on the law applicable to contractual obliga- tions was converted in a Regulation, the possibility to apply foreign mandatory rules out of respect for what another country regards crucial to safeguard its public interests, was strictly limited (in Art. 9 para. 3). Most EU countries reject ex antethe choice of a foreign court unless it is clear that such court is bound to apply the first countrys overriding mandatory provisions (see e.g. the Virginia agency case, BGH 5 September 2012) whereas American law shows more comity. The rejection even amounts to paranoia in several opinions and decisions of the ECJ in recent years, in which it tries to assert an absolute monopoly on the interpretation of EU law: in Opinion 2/13, the ECJ rejected an accession of the EU to the European Convention in Human Rights; in C-62/14, the dialogue with the German Constitutional Court was laughed away (Gauweiler OMT-case); in C-284/16 (Achmea v. Slovakia) the ECJ rejected Investment arbitration where an EU Member State is involved; in C-619/18R (Commission/Poland), the fact that Polish Courts also apply EU law has been abused to dictate a coup détat on Poland, treating the Polish Constitution as a rag-paper. In all these cases, the idea that other institutions may ever have a different interpretation of EU law seems unbearable for the Court. EU law first’ seems to overtrump America first. Rather than this entrenchment in unassailability, not unsurprisingly leading to forms of counter-entrenchment as Brexit, we need a renewed sense of comity, dialogue between judicial and parliamentary institutions, and acceptance of the idea that in fundamental questions no single institution should have the last word.

Let the reader meanwhile enjoy the contributions on the notion of consumer contracts, information duties in consumer contracts, remedies for inequality on contracts, enforcement of consumer law, new trends in the regulation of the legal profession, and on extraterritorial jurisdiction on merger control (dealing i.a. with comity as an appropriate instrument to balance jurisdiction).

Matthias E. Storme Co-editor in Chief

Staatsgreep in Polen door het Hof van Justitie

Uit een interview in de Juristenkrant nr. 381 (januari 2019), p. 7 door bart Nelissen en Wouter Suenens over HvJ C-619/18 R 17 december 2018 - Commissie t. Polen(1)

Volgens Storme kadert de ordonnantie veelal in een uitgesproken intolerant, en homogeniserend beleid vanwege het Hof: ‘Het betreft hier een voorbeeld van unbegrenzte Auslegung, met een knipoog naar het boek van B. Ruthers. Vanuit het feit dat de Poolse gerechten ook EU-recht moeten toepassen, leidt men immers af dat het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om alle Poolse wetten ter- zijde te stellen die zouden maken dat volgens het Hof de Poolse rechtbanken niet meer on- partijdig zouden zijn samengesteld. Voorts ziet men de verlaging van de pensioenleeftijd als een dusdanige aantasting van de onafhankelijkheid van gerechten dat Polen daarmee prima facie - we zijn in kort geding - het EU-recht zou schenden. Vervolgens eigent het Hof zich het recht toe om Polen te verplichten al die rechters ‘voorlopig’ terug in dienst te nemen en Polen te verbieden nieuwe rechters te benoemen, én eigent het Hof zich het recht toe Polen te verplichten daarover maandelijks verslag uit te brengen. Dat alles met een hooghartig ter- zijde schuiven van het feit dat die maatregelen strijdig zijn met de Poolse grondwet, waarbij zelfs niet eens de moeite wordt gedaan om na te gaan of de constitutionele identiteit van de lidstaat hier wel wordt geëerbiedigd.' Nog volgens Storme verraadt de uitspraak een fundamentele paranoia vanwege het Hof dat krampachtig vasthoudt aan een monopolie, en daarmee overstijgt de problematiek de betrokken Centraal-Europese regio: ‘Het arrest van het Hof van Justitie hangt natuurlijk samen met andere standpunten, zo onder meer het advies tegen de ratificatie van het EVRM door de EU, want het EHRM zou het monopolie van het Hof van Justitie kunnen bedreigen, en het arrest Achmea (2) waarbij internationale investeringsarbitrage strijdig werd verklaard met het 
EU-recht - tegen het advies van advocaat-generaal Wathelet in overigens, ere wie ere toekomt. Het gaat dus niet alleen over Oost-Europa, al is natuurlijk het onbegrip over de staats- en maatschappijopvattingen die daar leven bijzonder groot’, aldus nog Storme, die benadrukt dat het in wezen gaat om een problematische verhouding met diversiteit: ‘Op de keper beschouwd zijn al die arresten symptomatisch voor een absolute weigering van juridisch pluralisme, dus van een bijzonder hegemonische opvatting over het EU-recht: het overrulet de Grondwet, verzet zich tegen het EVRM, ver- werpt volkenrechtelijke arbitrage,... En tegenover Oost-Europa gaat het ook om een afwijzing van ideologisch pluralisme’, klinkt het.


Afronden doet de hoogleraar met een snedige opmerking over wederzijdse loyaliteit en de nood aan historisch besef: ‘De basisidee achter het feit dat nationale gerechten ook EU-recht toepassen is natuurlijk een idee van wederzijdse samenwerking en loyaliteit; op basis daarvan zou deze beoordeling van de Poolse gerechten door het Hof van Justitie maar kunnen voor zover omgekeerd ook de Poolse gerechten het Hof zouden kunnen beoordelen en censureren. Misschien moet Polen nu maar de Europese rechters afzetten wegens partijdigheid tegen Polen? Als het Hof op een Polexit wil aansturen, moet het zo voortdoen, denk ik. Maar dan achteraf niet komen klagen als de Polen eruit stappen zoals de Engelsen, die het ook beu waren door vreemde rechters te worden geregeerd... Laat ons overigens een van de motieven van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring niet vergeten: ‘He has combined with others to subject us to a Jurisdiction foreign to our Constitution, and unacknowledged by our Laws; giving his Assent to their Acts of pretended Legislation.’

(1) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-619/18
(2) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-284/16

vrijdag, december 28, 2018

Het net waarin men democratieën vangt


Reeds vele jaren stijgt in ons land zoals in vele anderen Europese landen het ongenoegen over de in bepaalde opzichten steeds verdergaande inperking van de bevoegdheid van de parlementaire democratie door uitspraken van internationale of nationale rechtscolleges. Enerzijds is het vanzelfsprekend noodzakelijk dat onafhankelijke rechters ook beslissingen van de overheid kunnen toetsen aan de wet en onwettige beslissingen nietig verklaren, en nuttig wanneer ze ook wetten kunnen terzijde schuiven die fundamentele vrijheden inperken. Een grondwet dient nu eenmaal juist ook om de bevoegdheid van de overheid om die vrijheden te beperken in te perken. Maar rechtscolleges zijn sinds enkele decennia ook steeds verder gegaan in het uitvinden van bijkomende mensenrechten die in grote mate niet die vrijheden beschermen, maar ze steeds meer ook zijn gaan inperken. Nu heeft de crisis rond het Migratiecompact van de VN bij velen ook doen inzien dat dat rechterlijk activisme vaak niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een heel netwerk aan activiteiten van internationale instellingen en niet-gouvernementele lobby's om overal ter wereld een governanceop te leggen, volkeren te onderwerpen aan een tansnationaal management dat zich van de mensenrechten bedient als een krachtig wapen om eenieder in de pas te doen lopen. 

Het gaat daarbij overigens helemaal niet alleen om migratie, maar ook om tal van andere elementen van een zogenaamd liberale ideologie (die met klassiek liberalisme weinig te maken heeft, behalve een zekere overlap waar het om vrijhandel gaat). Het netwerk is ook bijzonder actief inzake het promoten van allerlei bijzondere rechten van diverse zogenaamde minderheden, inzake het opleggen van een bevolkingspolitiek, systemen van opvoeding en familie, het opruimen van sociale en culturele excepties tegen veralgemeende vrijhandel  in goederen zowel als diensten, e.d.m. Een overkoepelend en steeds weerkerend thema daarbij is de strijd tegen discriminatie. 

Die machtsgreep geschiedt grotendeels sluipend en stap voor stap, en gebruikt hoofdzakelijk andere instrumenten dan die van de klassieke internationale samenwerking (door middel van verdragen) en gebruikt daarvoor de meest uiteenlopende benamingen, als resolutie, compact, verklaring, principes, modelwetten, richtlijnen, aanbevelingen, charter, framework, en diverse andere termen die het allemaal onschadelijk moeten doen lijken en maken dat de burger door de bomen het bos niet meer ziet. Het komt er immers op neer volkeren en staten te verbinden aan allerlei verplichtingen die niét bij verdrag zijn aangegaan of minstens veel verder worden uitgebreid dan ooit bij verdrag is toegezegd. Dit vereist internationale bureaucratie die allerlei vormen van visitatie en monitoring uitvoert, en de actieve medewerking van internationale en nationale rechtscolleges. Met verwijzing naar internationale 'standaarden' worden ideologische en politieke keuzes opgelegd waarover samenlevingen verdeeld zijn en die elke generatie dus opnieuw in alle vrijheid moet kunnen maken. Met name maatregelen waartegen bij de bevolking grote weerstand bestaat en die in een normale democratische procedure niet gehaald worden, worden aldus tersluiks doorgeduwd. Wanneer een land uitdrukkelijk geweigerd heeft een bepaald verdrag te ratificeren, of daarbij een belangrijke reserve heeft gemaakt (zoals België deed om de vrijheid van meningsuiting te blijven waarborgen tegen de inperkingen ervan door het verdrag inzake rassendiscriminatie), wordt die weigering aldus omzeild. Niet enkel de inhoudelijke regels die voorgesteld worden zijn daarbij gevaarlijk, minstens evenzeer het opzetten van allerlei procedures, instellingen en bureaucratieën die de greep naar de macht mogelijk maken. Allerlei resoluties en principes vereisen daarbij de oprichting van nationale instellingen zoals bv. mensenrechteninstituten (denk aan de "Principes van Parijs") of justitieraden die als Trojaanse paarden de macht van parlementen moeten inperken en de klassieke scheiding der machten ondergraven. 

Opvallend is ook het pseudowetenschappelijk karakter van deze ideologie: standaard slogans als “open method”, “benchmarking”, “monitoring”, “leerproces” doen alsof het hier om een wetenschappelijke vraag gaat, wat moet legitimeren dat er geen ruimte is voor politieke keuzes, dat volkeren niet meer hun eigen keuzes mogen maken en er integendeel 'objectieve' criteria gelden om te toetsen hoe volkeren zich moeten gedragen en moeten worden geregeerd. Dit is de negatie van de Verlichting en integendeel een sluipende soumission. De wereld wordt behandeld als een onderneming, waar iedereen verantwoording moet afleggen aan het management over de middelen en resultaten, en wie in de pas loopt promotie kan krijgen en wie stout is de roe. Het meest cynische is wellicht de transparantie die geëist wordt van de traditionele instellingen die hiertegen weerstand bieden. Die eis van transparantie moet de illusie van vrijheid ophouden, maar het gaat om geen andere transparantie dan die van een groot net waarin men gevangen en verstrikt zit, maar wel door de mazen heen kan kijken. Hopelijk beginnen onze medemensen en onze politici nu ook zoveel inzicht in deze mechanismen te krijgen dat ze er ook iets tegen doen en de idealen van democratie en volkssoevereiniteit nog kunnen redden.

dinsdag, september 11, 2018

Integriteit, minzaamheid, bescheidenheid

Integriteit, minzaamheid, bescheidenheid

Bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Johan Laeremans
Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw
aan Johan Laeremans
te Aalst op 5 juli 2017
Toespraak door prof. Matthias E. Storme

Hoogedelgestrenge heer burgemeester en schepenen, in wier stad en stadhuis wij opnieuw te gast zijn,
Hooggeachte heer en mevrouw Laeremans
en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
– een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
– prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
– acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

U zal onmiddellijk begrijpen waarom Johan Laeremans perfect aan deze criteria beantwoordt. Vandaag wordt de Orde voor de 35e maal uitgereikt. 35 moet zowat het aantal organisaties zijn waarvan Johan Laeremans een steunpilaar en duivel-doe-al is of was, of minstens toch de penningmeester en het uitgaande postkantoor. Er zijn weinig of geen nationale of Vlaams-Brabantse acties of komitees van de Vlaamse beweging sedert eind de jaren vijftig, waar Johan Laeremans niet een trekker of een duwer was. Dat is dus 60 jaar lang. En dat niet als aangestelde of vrijgestelde, maar naast een professioneel leven als leraar dat niet alleen bestaat uit les geven aan het Sint-Jan Berchmanscollege, maar eveneens een heel luik cultuur omvatte: als koordirecteur van het Brussels Knapenkoor, organisatie van Volkskunstgroep Nele, secretaris van Volleybal Tijl en dergelijke meer. Cultuur betekende voor Johan Laeremans en zijn Lieve en kinderen al die jaren niet cultuur consumeren, maar zelf cultuur maken met anderen.

Vorig jaar mochten we hier de honderdjarige Jan Verroken in de bloemetjes zetten en herdachten we de strijd rond de taalgrens en Leuven Vlaams. Het is ook in die strijd rond de taalgrens dat we Johan Laeremans het eerst nationaal naar buiten zien komen. Vanaf 1959 richtte hij mee het Komitee der Randgemeenten en het Vlaams Aktiekomiee Brussel en Taalgrens op, en werd er jawel de penningmeester van. Hij organiseerde mee de Marsen op Brussel en de strijd rond de randgemeenten. Hij werd actief in de Volksunie en werd er, jawel de penningmeester van, van 1964 tot het Egmontpact, evenals enkele jaren ondervoorzitter, waardoor hij de partij voorzat wanneer Frans van der Elst afwezig was. En jawel, ook bij de acties rond Leuven Vlaams vinden we Johan Laeremans terug, onder meer in de rol van de leraar die bij betogingen opgepakte leerlingen met zijn overtuigingskracht ging bevrijden uit de handen van de Brusselse politie. De jezuïeten vreesden dat St-Jan door zijn populariteit bij de leerlingen een Volksunieburcht aan het worden was.

Egmont

Na het Egmontpact verliet hij met vele anderen de Volksunie en was hij niet meer partijpolitiek actief. Maar dat betekende vooral nog meer inzet en werk voor de Beweging. Het begon met de petitie-actie tegen het Egmontpact nadat de socialistische partijvoorzitter Karel Van Miert had verklaard dat zolang er maar 7.000 en geen 70.000 tegenstanders opkwamen, hij er geen rekening mee hield …. het werden er dus meer dan 70.000 groene petitie-kaarten, die werden ingezameld. Huize Laeremans was toen zoals talloze malen nadien eigenlijk het nationaal postsorteercentrum Beatrijslaan. En natuurlijk was Johan Laeremans ook de penningmeester van het Egmontkomitee.
Na de Egmontbetogingen en val van het pact werd veel energie gestoken in het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen, met Johan Laeremans als, jawel, penningmeester, het Komitee der Randgemeenten, dat intussen al 30 jaar het kwartaalblad “De Zes” uitgeeft, de acties Waar Vlamingen THUIS zijn, de acties voor de splitsing van de Sociale Zekerheid, vele activiteiten van de Vlaamse Volksbeweging, de Tweedehands Boekenbeurs, die 35 jaar lang in Strombeek-Bever werd georganiseerd ten bate van de kas van Vlaamse verenigingen, met hoofdboekenwurm Johan Laeremans als inzamelaar, taxateur, prijszetter, reclamemaker en verkoper. Naast die boekenslag mocht Eigen Thuis in Grimbergen, een tehuis voor personen met een handicap, al die jaren sinds 1976 genieten van de opbrengst van een jaarlijkse marsepeinslag georganiseerd door Lieve en Johan Laeremans

Strijd

Natuurlijk zijn niet alle aspecten van de genoemde Vlaamse strijd doorheen die jaren vandaag nog even actueel; maar het is precies omdat de strijd voor de taalgrens en Leuven Vlaams in de jaren 60 werd gevoerd, dat die strijd grotendeels gestreden is – zij het nooit volledig, noch aan de taalgrens wat de verfransing of andere ontnederlandsing betreft, noch aan de universiteiten waar het gevaar veeleer de verengelsing is. De Vlaamse ziekteverzekering is er nog steeds niet, de taalfaciliteiten jammer genoeg nog wel. Brusselse megalomanie blijft claims leggen op Vlaams-Brabant, zoals de recente poging tot een Eurostadion, dat vanuit het zenuwcentrum Beatrijslaan Grimbergen vakkundig werd bestreden en onklaar gemaakt.
Over die Vlaamse strijd vandaag zal ik het verder niet hebben omdat schepen Van Overmeire en voorzitster An De Moor daarvoor in hun toespraken zowel de praktische prioriteiten vandaag als de filosofische onderbouw waarvan we moeten uitgaan overtuigend hebben behandeld. Ik zou dan ook willen terugkeren naar de persoon van Johan Laeremans en besluiten met een drietal eigenschappen van de gevierde.
Ten eerste integriteit. Enkel al het feit dat tientallen Vlaamse verenigingen al 50 jaar hun schatten of toch hun bankrekeningen, in handen gaven van Johan Laeremans vormt daarvan een sluitend bewijs.
Ten tweede minzaamheid en humor. Een ietwat droge humor met een tikje ironie, zeker ook met speldenprikken maar zonder gescheld noch louter geklaag. Leest U er maar de teksten van De Zes op na, waarin Johan Laeremans een zeer groot aandeel heeft: daarin wordt met veel de draak gestoken, maar het blijft lichtvoetig en fijnzinnig.
Ten derde bescheidenheid. Johan Laeremans probeerde nooit zelf in de schijnwerpers te staan maar vanuit de schaduw anderen in het licht te laten, stond vrij zelden op het podium maar veel erachter. Maar hier en nu moet ik hem toch verzoeken om op dit podium te komen, zodat we hem om alle redenen die hier vandaag zijn genoemd en vele anderen de Orde van de Vlaamse Leeuw kunnen uitreiken en ik hem het hieraan verbonden zilveren plaket kan overhandigen.

donderdag, juni 28, 2018

Een nieuw verbintenissenrecht: oude wijn in oude zakken


Eenn nieuw burgerlijk wetboek schrijf je niet om de vijf jaar, stelt Eric Dirix in maart 2018 in de Juristenkrant. Dat is inderdaad best zo, en om die reden is een nieuw burgerlijk wetboek maar zinvol als aan een aantal vereisten wordt voldaan. Als men de resultaten van de oefening tot nu toe onderzoekt - en ik baseer me op de versie die aan de Raad van State is voorgelegd, en het bijzonder kritische advies waaraan men volgens de wandelgangen slechts mondjesmaat hier en daar met lange tanden tegemoet zou komen - dan is aan die vereisten geenszins voldaan. 
Ik beperk me tot het verbintenissenrecht, omdat er alleen daarvoor al een advies van de Raad van State is, en omdat dat ook het meest problematisch is. Voor zowel de praktijk als de doctrine vergt het bijzonder veel energie om zich aan te passen aan een nieuw burgerlijk wetboek met een geheel nieuwe nummering. Men mag dat maar eisen wanneer de verbeteringen duidelijk opwegen tegen die inspanning. Een nieuw burgerlijk wetboek is niet gerechtvaardigd wanneer de verbeteringen die erin te vinden zijn even goed kunnen worden ingepast in het bestaande wetboek. Zo heeft men dat al meer dan 200 jaar gedaan; dit jaar bijvoorbeeld doet men dat met een nieuw erfrecht, en in zekere zin ook met de Pandwet van 2013 die dit jaar in werking is getreden (en de structuur van het BW intact heeft gelaten).
Het ontwerp verbintenissenrecht is uitdrukkelijk bedoeld, op enkele relatief belangrijke wijzigingen na, als een hercodificatie van het bestaande recht en niet als een nieuw verbintenissenrecht. Het bevat ontegensprekelijk een aantal inhoudelijke verbeteringen ten aanzien van het geldende recht, zoals een verdere uitwerking van de vertrouwensleer in verband met de totstandkoming van overeenkomsten, de nietigverklaring zonder tussenkomst van de rechter, of een concrete uitwerking van de inhoud van restitutieverbintenissen. Het bevat ook een reeks regels die volgens mij al de lege latagelden, maar waarover discussie bestaat, zodat het verantwoord is ze in het wetboek in te schrijven, zoals aanpassingsbevoegdheid door de rechter bij misbruik van omstandigheden, regels van schuldeiserverzuim, remedies bij tekortkoming op voorhand. Het bevat enkele vernieuwingen waarover men ernstig van mening kan verschillen of ze wel een verbetering zijn, zoals de imprevisieleer, maar waarvoor wel een hervorming van de wet nodig is als men die wil invoeren.

Hogere standaard
Maar dat alles verantwoordt nog geen nieuw BW, en kan perfect gedaan worden door aanpassing van het bestaande BW zonder de hele structuur en nummering te veranderen. Om dat laatste te verantwoorden, moet men aan een hogere standaard voldoen. Wil men vandaag een nieuw BW invoeren, met een nieuwe structuur en nummering, dan mag legitiem worden verwacht dat die structuur en inhoud ook echt hedendaags is en niet blijft vastzitten in 19e-eeuwse voorstellingen en metaforen. Dan mag legitiem worden verwacht dat men daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij de dominante Europese voorbeelden en niet vasthoudt aan de misgroeiingen en koterijen die we in de overgeleverde wetgeving en doctrine kennen. Dan mag legitiem worden verwacht dat men niet enkel de relatief ‘simpele’ leerstukken herschrijft zoals de totstandkoming, geldigheid, nakoming en niet-nakoming van overeenkomsten, maar ook voldoende grondig moderniseert in de meer complexe vraagstukken, zoals meerpartijenverhoudingen of schuldvergelijking. Met name in die twee onderwerpen blijft men bij verouderde concepten en onderscheidingen, zoals het onderscheid tussen hoofdelijkheid en in solidum, of de passieve ondeelbaarheid, of achterhaalde regels over schuldvergelijking, het behouden van de aanvaarding van een derdenbeding door de begunstigde als een foutief criterium voor onherroepelijkheid (waarbij lid 5 en 6 van het desbetreffende artikel elkaar overigens tegenspreken), en meer algemeen het behoud van de foute verwoording van de zogenaamde relativiteit van overeenkomsten enz. Ook bij de klassieke onderwerpen als totstandkoming houdt men vast aan concepten waarvan al lang is aangetoond dat ze geen consistentie bezitten, zoals voorwerp en oorzaak van een overeenkomst. Of nutteloze categorieën zoals de ‘oneigenlijke contracten'. Erger is dat men niet alleen de achterhaalde regels van het BW behoudt, maar een reeks nieuwe fouten invoegt. In een aantal gevallen gaat het om de veralgemening van regels uit gelegenheidsarresten van het Hof van Cassatie, die als algemene regel gewoon onjuist zijn en ons recht nodeloos ingewikkelder maken in plaats van het te verbeteren, zoals - naast andere voorbeelden - een regel alsof de nakoming van de ene verbintenis niet als voorwaarde voor de opeisbaarheid van een andere verbintenis zou kunnen worden bedongen (wat eigenlijk het beding van eigendomsvoorbehoud totaal miskent), of regels over een zogenaamd wegvallen van het voorwerp. In andere gevallen gaat het om de invoering van fouten die er nog niet waren in wet of rechtspraak, zoals de poging om alle zogenaamde rechtstreekse vorderingen - die onderling fundamenteel verschillen - in het procrustesbed van één enkele regeling te willen persen, of het grotendeels afschaffen van de externe werking van een door de schuldenaar bedongen cessieverbod. Bijzonder problematisch is de invoering, wellicht om zuiver ideologische redenen, van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, die tot een explosie van rechtstreekse aansprakelijkheidsvorderingen tegen niet enkel onderaannemers en dienstverleners, maar ook bestuurders van vennootschappen en zo kan leiden; weliswaar wil men die hulppersoon of andere medecontractant in de volgende schakel de mogelijkheid geven zich te beroepen op exoneratiebedingen uit het 'hoofdcontract', maar dat is natuurlijk de foute remedie: de dienstverlener moet zich op zijn eigen exoneratiebeding en enkel daarop kunnen beroepen;. En aangezien het probleem ook niet beperkt is tot exoneratiebedingen kan men daar best gewoon het huidige samenloopverbod behouden of zelfs nog versterken.

Structurele gebreken
Dat de rechtszekerheid gediend zou zijn met het in andere woorden herschrijven van de 'koterijen' van ons recht, wordt in het advies van de Raad van State onderuit gehaald. Terecht stelt de Raad dat bij een hercodificatie die niet bedoeld is als een echte vernieuwing, men de verwoording van een regel enkel mag wijzigen als men ook de inhoud van de regel wil wijzigen. De auteurs verwarren daarentegen te vaak een wetboek met een schoolboek door een veel te uitgesponnen tekst waar men absoluut het scheermes van Ockham op zou mogen toepassen (en dus veel overbodigs wegsnoeien, met name bij de zogenaamde definities). De Pandwet uit 2013, toen wel geschreven door Eric Dirix himself, bevatte een aantal vormelijke gebreken maar was inhoudelijk een zeer degelijke vernieuwing en in een veel beknoptere stijl.
Daarbij komt dat het ontwerp-BW zware structurele gebreken kent. De belangrijkste ervan berusten op twee weliswaar in ons land traditionele verwarringen, maar precies het soort waaraan een nieuw BW een einde zou moeten maken: enerzijds de verwarring tussen overeenkomst en verbintenis en anderzijds de verwarring tussen verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke vragen. Wat het eerste betreft: zou het geen tijd worden om de overeenkomst als rechtshandeling en de contractuele verbintenis als rechtsgevolg of rechtsverhouding uit elkaar te houden? Of in te zien dat een voorkeurrecht geen soort overeenkomst maar een soort recht is?
En wat het tweede betreft: kunnen wij echt nog in de wereld naar buiten komen met een wetboek waarin nergens een hoofdstuk of afdeling te vinden is waarin de regels over eigendomsoverdracht in eigenlijke zin worden geëxpliciteerd (titelvereiste of causaal karakter, consensueel karakter van de levering als uitvoering van de verbintenis, beschikkingsbevoegdheid gecorrigeerd door de regels van derdenbescherming)? Wordt het geen tijd om de regels over conflicten over de eigendom van onlichamelijke goederen te zien als een probleem van goederenrecht dat volgens gelijkaardige regels wordt opgelost als bij lichamelijke goederen? Zodat men één consistent systeem zou hebben in plaats van het herhalen van regels die enkel de cessie en inpandgeving kennen en geen oplossing bieden voor conflicten met delegatie, subrogatie, zogenaamde rechtstreekse vorderingen of schuldvergelijking? Door die verwarring zijn sommige vragen zelfs zowel in het verbintenissenrecht als het goederenrecht geregeld door tegenstrijdige bepalingen, zoals het gevolg van een actio paulianavoor derde-verkrijgers.

Nederlands
Ook is het Nederlands van het ontwerp ondermaats. De zinsconstructies zijn houterig, en meermaals grammaticaal fout, het gebruik van een/de en enkelvoud/meervoud gebeurt vaak op Franse en niet op Nederlandse manier. Veel te vaak gaat het om letterlijk vertaald Frans, zodat de Vlamingen weer eens slechts vertaalde medeburgers zijn.
Inhoudelijk en nog meer qua verwoording en consistentie doet het ontwerp in vele opzichten onder voor Europese voorbeelden zoals de Lando-beginselen, Acquis-beginselen of Draft Common Frame of Reference. Die modellen worden weliswaar als inhoudelijke inspiratie ingeroepen, maar slagen er in om met veel minder woorden en in een veel coherentere terminologie en duidelijker structuur, uiteindelijk meer te zeggen. Minister Geens zou ons land een veel grotere dienst bewijzen door gewoon die modellen over te nemen dan absoluut zijn naam te willen verbinden aan een tekst waarmee ik alvast nooit de geschiedenis zou willen ingaan en mijn Europese collegae niet mee onder ogen durf komen. 

Matthias E. Storme is gewoon hoogleraar aan de KU Leuven.
Deze bijdrage verscheen in de Juristenkrant van 28 juni 2018.

dinsdag, april 24, 2018

Matthias Storme over discriminatie op de private huurmarkt

Op  1 maart 2018 werd ik gehoord in een hoorzitting van het Vlaams Parlement over - discriminatie bij - de toegang tot de private huurmarkt

De beeldopname van de zitting kan gevonden worden op https://www.youtube.com/watch?time_continue=4&v=YFkZaJojeno.

Hieronder volgt een samenvatting van mijn uiteenzetting, zoals opgenomen in het officieel verslag (docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1389044).

Matthias Storme, hoogleraar KU Leuven en UA, komt net van een evaluatiecommissie over de federale Antidiscriminatiewet. Dat oplossingen voor macroziektes gereduceerd worden tot microsymptoombestrijding vindt hij een risico. Op de huurmarkt zijn er inderdaad grote problemen, mensen vinden soms moeilijk een woning en bepaalde soorten huurders hebben daar meer problemen mee dan andere. De vraag is of een meer repressieve toepassing van de Antidiscrimina- tiewet daar iets kan aan verhelpen. Volgens de spreker kan dat slechts deels, vooral omdat een groot deel van de private huurmarkt closed shop is. Dat betekent dat een verhuurder, anders dan een bakker, per definitie iedereen afwijst behalve één persoon. Als er een overaanbod is, wat vooralsnog niet zo is, zeker niet aan betaalbare woningen, verandert de situatie. Bij grootschalige commerciële verhuurders ligt de zaak ook helemaal anders. Precies om die grote verschillen, zijn er landen waar de wetgever een onderscheid maakt. In het Duitse recht is er een fundamenteel verschil tussen grote en kleine spelers. Voor verhuurders van meer dan 50 woningen gelden strengere antidiscriminatieregels. In principe is de antidiscriminatiewetgeving niet van toepassing op de andere verhuurders.
Een onderscheid maken tussen preselectie en selectie verschuift het probleem. Er worden dan wel meer mensen uitgenodigd voor een bezoek, maar uiteindelijk wordt er slechts één aanvaard. Eigenlijk is het dus symptoombestrijding om strenger toe te zien op de eerste fase.

Het Gelijkekansendecreet en de antidiscriminatiewetgeving buigen zich over de vraag wat geoorloofde selectie, een legitiem onderscheid is en wat discriminatie. De spreker ziet een viertal selectiecriteria om een huurder te kiezen. 

Huurders worden vooreerst geweigerd wegens een reëel of vermeend gebrek aan solvabiliteit. Aan het eerste kan de Antidiscriminatiewet niets doen, aan het tweede misschien. Aan een gebrek aan solvabiliteit kan de overheid op andere, allicht betere manieren wel iets doen, zoals er ook in de conceptnota staan. Solvabiliteit is meer dan enkel het huidige inkomen, het omvat ook het toekomstige inkomen, de waarborg enzovoort. De spreker wijst op een tweespalt: het lijkt een goede zaak om de waarborg zo klein mogelijk te houden, maar een kleinere waarborg beperkt de kansen van net die mensen waarvan de verhuurder twijfels heeft bij de solvabiliteit. Wegens de privacywetgeving en economische wetmatigheden is het moeilijk voor individuele verhuurders om aan informatie te komen. Dat zorgt voor information shortcuts: bij gebrek aan echte informatie, gaan verhuurders voort op vooroordelen.

Het tweede criterium van verhuurders is zorgvuldigheid. De verhuurder wil overlast voor zichzelf of eventuele andere huurders vermijden en tracht in te schatten hoe zorgvuldig de huurder met zijn eigendom zal omgaan. Dat is een vager criterium waar vooroordelen nog een grotere rol kunnen spelen en het nog moeilijker is om informationshortcuts te vermijden. China heeft het plan opgevat om voor elke inwoner een socialekredietscore bij te houden, een beetje vergelijkbaar met wat in de Verenigde Staten bestaat over de solvabiliteit. De FICO credit score, de kredietwaardigheidsscore, informatie over de leningen en achterstallen van elke burger, kan gewoon online worden geraadpleegd. Kortom, hoe meer een huurder beschermd is, hoe groter het risico voor de verhuurder. Bij kortetermijncontracten speelt dat minder en er is ook een groot verschil tussen een individuele verhuurder en een massaspeler. Van massaspelers mag terecht verwacht worden dat zij de bluts met de buil nemen: de goede en de slechte risico’s houden elkaar in evenwicht, net als in de ruimtelijke ordening sociale lasten gelegd worden op grote projecten waar dat op kleine niet kan. Hoewel dat een normale reflex is, hanteert de wetgever dat onderscheid niet op het vlak van antidiscriminatie.

Het derde selectiecriterium is taal. 

Het vierde criterium hangt samen met het tweede, namelijk het woonklimaat, de wooncontext. Op basis van vooroordelen, gezinssamenstelling enzovoort. maken de verhuurders een inschatting van het woonklimaat, de leefstijl van de kandidaat. Cru zegt de spreker dat het misschien niet altijd zinloos is een wat hij apartheidspolitiek noemt, te voeren. Hij verwijst naar de hoorzitting van februari 2005 over het doctoraal proefschrift van Bob Cools, oud-burgemeester van Antwerpen, dat ging over leefstijlwonen in de sociale huisvesting. Bob Cools pleit daarin voor woonblokken voor bejaarden, voor gezinnen met kinderen enzovoort. Zo zouden verhuurders bepaalde selectiecriteria kunnen hanteren in functie van de wooncontext. Als dat in de sociale huisvesting legitiem is, is het dat a fortiori in de private huurmarkt. Voor studentenhuisvesting hanteren grote steden al dergelijke apartheidspolitiek. Het Gentse stadsbestuur doet er alles aan om de sociale mix tussen studenten en gezinnen onmogelijk te maken. De spreker vindt dat overdreven en is er in de gemeenteraad hard tegen tekeer gegaan. Daar het ook hier deels over reële, deels over vermeende problemen gaat, is het zinvol na te gaan hoe aan de verhuurder reële informatie ter beschikking te stellen.

Discriminatie vaststellen, verloopt heel anders bij grote dan bij individuele verhuurders. Bij grote verhuurders kan worden nagegaan of het huurderspubliek representatief is. Bij individuele verhuurders kan dat niet worden vastgesteld. Het willen vaststellen op zich is merkwaardig genoeg zelf ook al op vooroordelen gebaseerd. Hij twijfelt aan de mogelijkheid daarover een effectieve wetgeving op te stellen.

In de nondiscriminatiewetgeving staat de mogelijkheid om statistieken te gebruiken als bewijs van discriminatie. Dat zegt echter niets over een individueel geval, omgekeerd moet de wetgever niet verbaasd zijn dat verhuurders zich dan ook op statistisch materiaal beroepen om foute criteria te hanteren, als informationshortcuts, bijvoorbeeld dat mensen met een laag inkomen statistisch grotere wanbetalers zijn dan mensen met een hoog inkomen. In zekere zin is dat een toepassing van het voorzorgsbeginsel dat in de Grondwet staat: als je niet weet of het schadelijk is of niet, neem dan geen risico. Dat gebeurt in milieuzaken, maar ligt blijkbaar moeilijker in andere domeinen.
De spreker concludeert dat het om ethische en morele redenen zaak is de preselectie discriminatievrij te krijgen, hoewel hij bij private verhuurders twijfelt aan de effectiviteit van dat ingrijpen. Dat zorgt ervoor dat meer mensen de kans krijgen om niet geselecteerd te worden. Of dergelijk toezicht ook best praktijktesten omvat, daarover zal hij zich niet uitspreken. Streng zijn op de preselectie is maar zinvol als individuele verhuurders nadien het recht op selectie wordt gegarandeerd. In het andere geval, zullen zij er alles aan doen om de preselectie te vervalsen, bijvoorbeeld door geen publiciteit te maken. Dat is de zogenaamde‘psythocratie’, de macht van het oorgefluister. Om een open markt te garanderen en de eerste fase zo discriminatievrij mogelijk te houden, moet de selectie nadien dus vrij zijn.

De antidiscriminatiewetgeving is voor de spreker totaal ongeschikt voor individuele closedshopgevallen. Voor individuele verhuurders werkt zelfregulering niet, om redenen die al genoemd zijn. De kwestie is of het vertrekpunt correct is:moet het wel werken, heeft het wel zin. Voor wie de wetgeving wel zinvol is, de grote spelers, is de kans dat zelfregulering werkt ook vrij groot. Hij zegt iets anders dan CIB Vlaanderen maar het gelijkheidsbeginsel vereist dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld worden.

zondag, april 22, 2018

De toekomst van het rechtsonderwijs en het advocatenberoep

In februari kreeg minister Geens het rapport over de toekomst van het advocatenberoep uit handen van 2 advocaten die hij daartoe de opdracht had gegeven. Het is te vinden op https://justitie.belgium.be/sites/default/files/rapporttoekomstadvocatuurrapportavenirprofessiond_avocatfinal.pdf. Het bevat fundamenteel verkeerde opvattingen over het rechtsonderwijs en over de opleiding die advocaten dienen te krijgen. Ik geef hier dan ook de reactie die ik inzond bij de Minister en de balies. De rechtsfaculteit van leuven heeft in overleg met de andere rechtsfaculteiten eveneens een repliek geschreven die spoedig ook online komt.

a. Hervormde beroepsopleiding. Voorstel is : na universiteit 4 maanden voor men de stage mag beginnen.

Twee fundamentele kritieken:

1. Het vraagstuk van het sociaal statuut van de kandidaat is een ernstig probleem, dat de auteurs van het rapport alleen maar vrijblijvend doorschuiven. Het is echt niet ernstig om dit voorstel voor beroepsopleiding te doen en wat het sociaal statuut betreft te zeggen dat het “niet onmogelijk is” om een oplossing te vinden. 

2. Fundamenteler denk ik dat het voorstel een ernstige stap achteruit is ten aanzien van het huidige systeem van de stage. Het huidige systeem is “duaal leren”, dat wil zeggen terwijl men het beroep uitoefent krijgt men ook theoretisch/praktische bijscholing door lessen met examen. In onze samenleving wordt er in vele sectoren voor gepleit om dit duale leren in te voeren (dat een van dé succesfactoren is van de Duitse economie). en de balie zou dit succesrijke model nu afschaffen ? Een 4 maanden beroepsopleiding met lessen vooraleer men enige praktijk heeft, is écht geen verbetering.  Wat men aan deontologie zou kunnen leren zonde praktijkervaring, leert men nu reeds aan de universiteit, en hetzelfde geldt voor procesrecht. Daar nog eens een tweede theoretische cursus procesrecht en deontologie aan toevoegen is nutteloos. Die cursussen tijdens de stage laten lopen, zodat er wisselwerking is met de praktijk, zoals nu kan natuurlijk wel een meerwaarde betekenen. Het voorstel miskent bovendien de grote verscheidenheid in de taken en activiteiten van de advocaat vandaag: het behoudt een verouderd beeld van het advocatenberoep alsof dat in wezen uit procesrecht zou bestaan, nog los van de vraag of men in die cursus wel alle takken van procesrecht aan bod laat komen. 


b. Beroepsvoorbereidend tweede masterjaar

Dit voorstel is nog een heel stuk onzinniger dan het eerste.

Ten eerste is het onverantwoord om de tweejarige masteropleiding te concentreren in 1 jaar. Dit is een zeer ernstige verschraling van de rechtenopleiding en getuigt van een zeer provincialistische reflex. Het ontneemt de toekomstige juristen een hele reeks mogelijkheden om de geest te verruimen, diversere kennis en vaardigheden op te doen, buitenlandse ervaring op te doen. 
Ten tweede getuigt dit van een gevaarlijk hokjesdenken, dat ervan uitgaat dat er een reeks juridische beroepen zijn en dat voor elk van die beroepen er een bepaalde beroepsgeschiktheid kan en moet worden aangeleerd (in één enkel tweede masterjaar).  Het miskent zowel de eenheid als de verscheidenheid van het beroep van jurist. Op de eerste plaats is de verscheidenheid binnen de activiteiten en taken van de advocaat zo groot dat een opleiding die het mogelijk maakt daaraan recht te doen tegelijk een opleiding is die ook aan andere juridische beroepen of professionele uitwegen recht te doen. Sommige advocaten hebben bijna precies dezelfde kennis als vaardigheden nodig als bedrijfsjuristen andere als notarissen, en het rapport geeft zelf toe dat de kennis en vaardigheden voor advocaten en magistraten in wezen dezelfde zijn. Ook hebben juristen in onze samenleving veel meer taken te vervullen en veel meer beroepsuitwegen dan enkel maar de geconsulteerde “corporaties” (balie, gerechstdeurwaarders, notariaat, bedrijfsjuristen, magistratuur). Juristen spelen ook een grote rol in de ambtenarij, internationale organisaties, non-profitsector, politiek, universiteiten en andere wetenschappelijke onderzoeksinstellingen, enz….. Het is compleet verouderd hokjesdenken om het tweede masterjaar te zien als een “beroepsvoorbereidend jaar” in de vakjes van enkele klassieke juridische beroepen. De huidige afstudeerrichtingen aan onze rechtsfaculteiten met een major en een minor in bepaalde disciplines zijn dan ook véél zinvoller dan een omvorming ervan tot een reeks parallelle richtingen rechtspraktijk zonder enige wetenschappelijke onderbouwing. Een jurist die zich als advocaat in strafrecht wil specialiseren heeft meer aan een vak criminologie dan aan vakken advocatuur die niets met strafrecht te maken hebben, een advocaat die graag een commerciële praktijk wil uitbouwen heeft meer aan vakken waarin ook juristen die het bedrijfsleven willen ingaan geïnteresseerd zijn, en een advocaat die vooral administratief recht wil doen heeft meer aan een aantal niet-baliegerelateerde vakken publiekrecht dan aan privaat procesrecht. In de logica van het rapport zou men overigens geen 
Maar er is meer. De auteurs zien niet in of willen niet inzien wat de decanen van de rechtsfaculteiten allicht beter hebben begrepen, namelijk dat de rechtenopleiding wel degelijk een beroepsopleiding is maar wel voor het beroep van jurist, en dat er een fundamentele gemeenschappelijkheid is aan het beroep van jurist, dat de specificiteiten van beroepen als magistraat, advocaat of bedrijfsjurist overstijgt. Het ethos en de beroepseer van de jurist, zoals in de advocateneed mede verwoord, moet in wezen gelden voor alle juridische beroepen : "geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik naar eer en geweten niet geloof rechtvaardig te zijn”. 

De tegengestelde corporatistische opvatting van de juridische beroepen die de rapporteurs aanhangen, bedreigt ook de mobiliteit van de juristen tussen de verschillende subberoepen. Het is geen goede zaak voor de samenleving wanneer juristen geen carrièreswitch kunnen maken omdat hun diploma slechts tot één van die subberoepen toegang geeft. Advocaten moeten magistraat kunnen worden, en omgekeerd, maar niet enkel dat.

Matthias Storme

donderdag, maart 15, 2018

Een consumentenrecht voor kleinere taalgemeenschappen ?


In de loop van de voorbije decennia vonden er in het recht van alle Europese landen grondige wijzigingen plaats door de invoering van dwingende regels ter bescherming van zgn. zwakkere categorieën van personen. De belangrijkste voorbeelden zijn het arbeidsrecht, waarin de werknemer beschermd wordt tegen de werkgever, en het consumentenrecht, waarin de consument beschermd wordt tegen de professionele wederpartij. Een van de grondbeginselen van de Europese Unie is overigens het garanderen van een hoog niveau van consumentenbescherming (zie bv. art. 38 Handvest van grondrechten) (1). Daarnaast werd ook in vele verhoudingen tussen burgers onderling een discriminatieverbod ingevoerd. Dat verbod geldt echter slechts in één richting: aanbieders van goederen of diensten en werkgevers mogen niet discrimineren in hun keuzes, maar de afnemers en werknemers zijn daardoor in hun keuze niet beperkt. Het Grondwettelijk Hof (arrest van 12 februari 2009)(2) billijkte dit onderscheid door te stellen dat in die verhoudingen het de aanbieder of werkgever is die zich in een machtspositie bevindt: dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen op de markt van goederen en diensten inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren. Het feit dat in bepaalde soorten verhoudingen de ene partij altijd geacht wordt sterker te staan dan de andere (zonder dat dit in concreto moet worden nagegaan) rechtvaardigt dus een uitvoerige bescherming van de typisch zwakkere partij.

Wat als we die redenering nu ook eens zouden toepassen op taalverhoudingen ? Bij conflicten tussen talen of inzake taalgebruik is er immers ook altijd een taal die typisch in een machtiger positie staat dan de andere. De toepassing van dezelfde redenering zou dan betekenen dat de kleinere taal in zo’n conflict beschermd wordt. Op die gebieden waar zo’n bescherming geldt, is het dan enkel de spreker van de kleinere taal die een keuzevrijheid heeft. Dit is een heel andere redenering dan diegene dan aan de grondslag ligt van het zogenaamde Minderhedenverdrag van de Raad van Europa (1995)(3), dat géén rekening houdt met de algemene machtspositie van de talen in kwestie. Dat gebeurt met name wel in de Verklaring van Barcelona van 1996 (Universele verklaring inzake taalrechten)(4) en het daarop voortbouwende Manifest van Girona van 2011 (5). Daarin gaat het veeleer over de collectieve rechten van taalgemeenschappen, onder meer op een territorium waarin hun taal de - of minstens een - officiële taal, gebruikt wordt in het onderwijs, e.d.m. De beste manier op een minderheid te beschermen is in het algemeen inderdaad een territoriale autonomie (wat niet wil zeggen dat die oplossing altijd en in alle omstandigheden de beste is).

Dat spoort ook met de Europese regels inzake consumentenbescherming in grensoverschrijdende situaties. De basisregel (te vinden in de zogenaamde Rome-I-Verordening inzake toepasselijk recht en Brussel-I-Verordening inzake rechtsmacht) is dat in die gevallen een consument niet kan beroofd worden van de bescherming die hij thuis geniet (6)(7). Dat geldt niet meer wanneer de consument zelf het initiatief neemt om naar een ander land te trekken en daar goederen of diensten te kopen: dan gelden de lokale regels. Zo ook moeten de taalrechten van de kleinere taalgemeenschap beschermd worden bij taalconflicten, tenzij een taalspreker zich zelf buiten het territorium van die taal begeeft. In de eigen streek moet die voorrang behouden, of het nu gaat om het Nederlands tegenover het Frans of Engels, het Catalaans tegenover het Castiliaans Spaans, het Corsicaans tegenover het Frans, en dit ook wanneer die vanuit een ander taalgebied wordt aangesproken.

Wanneer dit soort bescherming normaal wordt gevonden wanneer het over de materiële behoeften van het dagelijks leven gaat, geldt dat dan niet nog met meer recht wanneer het gaat om iets wat voor ons menszijn zo bepalend is als de taalbehoeften ?

(6) Rome-I-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2008/593/2008-07-24, art. 6
(7) Brussel-Ibis-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj, art. 17-18

(deze column verscheen in Grondvest en op Doorbraak)


 
Locations of visitors to this page