dinsdag, september 11, 2018

Integriteit, minzaamheid, bescheidenheid

Integriteit, minzaamheid, bescheidenheid

Bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Johan Laeremans
Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw
aan Johan Laeremans
te Aalst op 5 juli 2017
Toespraak door prof. Matthias E. Storme

Hoogedelgestrenge heer burgemeester en schepenen, in wier stad en stadhuis wij opnieuw te gast zijn,
Hooggeachte heer en mevrouw Laeremans
en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
– een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
– prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
– acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

U zal onmiddellijk begrijpen waarom Johan Laeremans perfect aan deze criteria beantwoordt. Vandaag wordt de Orde voor de 35e maal uitgereikt. 35 moet zowat het aantal organisaties zijn waarvan Johan Laeremans een steunpilaar en duivel-doe-al is of was, of minstens toch de penningmeester en het uitgaande postkantoor. Er zijn weinig of geen nationale of Vlaams-Brabantse acties of komitees van de Vlaamse beweging sedert eind de jaren vijftig, waar Johan Laeremans niet een trekker of een duwer was. Dat is dus 60 jaar lang. En dat niet als aangestelde of vrijgestelde, maar naast een professioneel leven als leraar dat niet alleen bestaat uit les geven aan het Sint-Jan Berchmanscollege, maar eveneens een heel luik cultuur omvatte: als koordirecteur van het Brussels Knapenkoor, organisatie van Volkskunstgroep Nele, secretaris van Volleybal Tijl en dergelijke meer. Cultuur betekende voor Johan Laeremans en zijn Lieve en kinderen al die jaren niet cultuur consumeren, maar zelf cultuur maken met anderen.

Vorig jaar mochten we hier de honderdjarige Jan Verroken in de bloemetjes zetten en herdachten we de strijd rond de taalgrens en Leuven Vlaams. Het is ook in die strijd rond de taalgrens dat we Johan Laeremans het eerst nationaal naar buiten zien komen. Vanaf 1959 richtte hij mee het Komitee der Randgemeenten en het Vlaams Aktiekomiee Brussel en Taalgrens op, en werd er jawel de penningmeester van. Hij organiseerde mee de Marsen op Brussel en de strijd rond de randgemeenten. Hij werd actief in de Volksunie en werd er, jawel de penningmeester van, van 1964 tot het Egmontpact, evenals enkele jaren ondervoorzitter, waardoor hij de partij voorzat wanneer Frans van der Elst afwezig was. En jawel, ook bij de acties rond Leuven Vlaams vinden we Johan Laeremans terug, onder meer in de rol van de leraar die bij betogingen opgepakte leerlingen met zijn overtuigingskracht ging bevrijden uit de handen van de Brusselse politie. De jezuïeten vreesden dat St-Jan door zijn populariteit bij de leerlingen een Volksunieburcht aan het worden was.

Egmont

Na het Egmontpact verliet hij met vele anderen de Volksunie en was hij niet meer partijpolitiek actief. Maar dat betekende vooral nog meer inzet en werk voor de Beweging. Het begon met de petitie-actie tegen het Egmontpact nadat de socialistische partijvoorzitter Karel Van Miert had verklaard dat zolang er maar 7.000 en geen 70.000 tegenstanders opkwamen, hij er geen rekening mee hield …. het werden er dus meer dan 70.000 groene petitie-kaarten, die werden ingezameld. Huize Laeremans was toen zoals talloze malen nadien eigenlijk het nationaal postsorteercentrum Beatrijslaan. En natuurlijk was Johan Laeremans ook de penningmeester van het Egmontkomitee.
Na de Egmontbetogingen en val van het pact werd veel energie gestoken in het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen, met Johan Laeremans als, jawel, penningmeester, het Komitee der Randgemeenten, dat intussen al 30 jaar het kwartaalblad “De Zes” uitgeeft, de acties Waar Vlamingen THUIS zijn, de acties voor de splitsing van de Sociale Zekerheid, vele activiteiten van de Vlaamse Volksbeweging, de Tweedehands Boekenbeurs, die 35 jaar lang in Strombeek-Bever werd georganiseerd ten bate van de kas van Vlaamse verenigingen, met hoofdboekenwurm Johan Laeremans als inzamelaar, taxateur, prijszetter, reclamemaker en verkoper. Naast die boekenslag mocht Eigen Thuis in Grimbergen, een tehuis voor personen met een handicap, al die jaren sinds 1976 genieten van de opbrengst van een jaarlijkse marsepeinslag georganiseerd door Lieve en Johan Laeremans

Strijd

Natuurlijk zijn niet alle aspecten van de genoemde Vlaamse strijd doorheen die jaren vandaag nog even actueel; maar het is precies omdat de strijd voor de taalgrens en Leuven Vlaams in de jaren 60 werd gevoerd, dat die strijd grotendeels gestreden is – zij het nooit volledig, noch aan de taalgrens wat de verfransing of andere ontnederlandsing betreft, noch aan de universiteiten waar het gevaar veeleer de verengelsing is. De Vlaamse ziekteverzekering is er nog steeds niet, de taalfaciliteiten jammer genoeg nog wel. Brusselse megalomanie blijft claims leggen op Vlaams-Brabant, zoals de recente poging tot een Eurostadion, dat vanuit het zenuwcentrum Beatrijslaan Grimbergen vakkundig werd bestreden en onklaar gemaakt.
Over die Vlaamse strijd vandaag zal ik het verder niet hebben omdat schepen Van Overmeire en voorzitster An De Moor daarvoor in hun toespraken zowel de praktische prioriteiten vandaag als de filosofische onderbouw waarvan we moeten uitgaan overtuigend hebben behandeld. Ik zou dan ook willen terugkeren naar de persoon van Johan Laeremans en besluiten met een drietal eigenschappen van de gevierde.
Ten eerste integriteit. Enkel al het feit dat tientallen Vlaamse verenigingen al 50 jaar hun schatten of toch hun bankrekeningen, in handen gaven van Johan Laeremans vormt daarvan een sluitend bewijs.
Ten tweede minzaamheid en humor. Een ietwat droge humor met een tikje ironie, zeker ook met speldenprikken maar zonder gescheld noch louter geklaag. Leest U er maar de teksten van De Zes op na, waarin Johan Laeremans een zeer groot aandeel heeft: daarin wordt met veel de draak gestoken, maar het blijft lichtvoetig en fijnzinnig.
Ten derde bescheidenheid. Johan Laeremans probeerde nooit zelf in de schijnwerpers te staan maar vanuit de schaduw anderen in het licht te laten, stond vrij zelden op het podium maar veel erachter. Maar hier en nu moet ik hem toch verzoeken om op dit podium te komen, zodat we hem om alle redenen die hier vandaag zijn genoemd en vele anderen de Orde van de Vlaamse Leeuw kunnen uitreiken en ik hem het hieraan verbonden zilveren plaket kan overhandigen.

donderdag, juni 28, 2018

Een nieuw verbintenissenrecht: oude wijn in oude zakken


Eenn nieuw burgerlijk wetboek schrijf je niet om de vijf jaar, stelt Eric Dirix in maart 2018 in de Juristenkrant. Dat is inderdaad best zo, en om die reden is een nieuw burgerlijk wetboek maar zinvol als aan een aantal vereisten wordt voldaan. Als men de resultaten van de oefening tot nu toe onderzoekt - en ik baseer me op de versie die aan de Raad van State is voorgelegd, en het bijzonder kritische advies waaraan men volgens de wandelgangen slechts mondjesmaat hier en daar met lange tanden tegemoet zou komen - dan is aan die vereisten geenszins voldaan. 
Ik beperk me tot het verbintenissenrecht, omdat er alleen daarvoor al een advies van de Raad van State is, en omdat dat ook het meest problematisch is. Voor zowel de praktijk als de doctrine vergt het bijzonder veel energie om zich aan te passen aan een nieuw burgerlijk wetboek met een geheel nieuwe nummering. Men mag dat maar eisen wanneer de verbeteringen duidelijk opwegen tegen die inspanning. Een nieuw burgerlijk wetboek is niet gerechtvaardigd wanneer de verbeteringen die erin te vinden zijn even goed kunnen worden ingepast in het bestaande wetboek. Zo heeft men dat al meer dan 200 jaar gedaan; dit jaar bijvoorbeeld doet men dat met een nieuw erfrecht, en in zekere zin ook met de Pandwet van 2013 die dit jaar in werking is getreden (en de structuur van het BW intact heeft gelaten).
Het ontwerp verbintenissenrecht is uitdrukkelijk bedoeld, op enkele relatief belangrijke wijzigingen na, als een hercodificatie van het bestaande recht en niet als een nieuw verbintenissenrecht. Het bevat ontegensprekelijk een aantal inhoudelijke verbeteringen ten aanzien van het geldende recht, zoals een verdere uitwerking van de vertrouwensleer in verband met de totstandkoming van overeenkomsten, de nietigverklaring zonder tussenkomst van de rechter, of een concrete uitwerking van de inhoud van restitutieverbintenissen. Het bevat ook een reeks regels die volgens mij al de lege latagelden, maar waarover discussie bestaat, zodat het verantwoord is ze in het wetboek in te schrijven, zoals aanpassingsbevoegdheid door de rechter bij misbruik van omstandigheden, regels van schuldeiserverzuim, remedies bij tekortkoming op voorhand. Het bevat enkele vernieuwingen waarover men ernstig van mening kan verschillen of ze wel een verbetering zijn, zoals de imprevisieleer, maar waarvoor wel een hervorming van de wet nodig is als men die wil invoeren.

Hogere standaard
Maar dat alles verantwoordt nog geen nieuw BW, en kan perfect gedaan worden door aanpassing van het bestaande BW zonder de hele structuur en nummering te veranderen. Om dat laatste te verantwoorden, moet men aan een hogere standaard voldoen. Wil men vandaag een nieuw BW invoeren, met een nieuwe structuur en nummering, dan mag legitiem worden verwacht dat die structuur en inhoud ook echt hedendaags is en niet blijft vastzitten in 19e-eeuwse voorstellingen en metaforen. Dan mag legitiem worden verwacht dat men daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij de dominante Europese voorbeelden en niet vasthoudt aan de misgroeiingen en koterijen die we in de overgeleverde wetgeving en doctrine kennen. Dan mag legitiem worden verwacht dat men niet enkel de relatief ‘simpele’ leerstukken herschrijft zoals de totstandkoming, geldigheid, nakoming en niet-nakoming van overeenkomsten, maar ook voldoende grondig moderniseert in de meer complexe vraagstukken, zoals meerpartijenverhoudingen of schuldvergelijking. Met name in die twee onderwerpen blijft men bij verouderde concepten en onderscheidingen, zoals het onderscheid tussen hoofdelijkheid en in solidum, of de passieve ondeelbaarheid, of achterhaalde regels over schuldvergelijking, het behouden van de aanvaarding van een derdenbeding door de begunstigde als een foutief criterium voor onherroepelijkheid (waarbij lid 5 en 6 van het desbetreffende artikel elkaar overigens tegenspreken), en meer algemeen het behoud van de foute verwoording van de zogenaamde relativiteit van overeenkomsten enz. Ook bij de klassieke onderwerpen als totstandkoming houdt men vast aan concepten waarvan al lang is aangetoond dat ze geen consistentie bezitten, zoals voorwerp en oorzaak van een overeenkomst. Of nutteloze categorieën zoals de ‘oneigenlijke contracten'. Erger is dat men niet alleen de achterhaalde regels van het BW behoudt, maar een reeks nieuwe fouten invoegt. In een aantal gevallen gaat het om de veralgemening van regels uit gelegenheidsarresten van het Hof van Cassatie, die als algemene regel gewoon onjuist zijn en ons recht nodeloos ingewikkelder maken in plaats van het te verbeteren, zoals - naast andere voorbeelden - een regel alsof de nakoming van de ene verbintenis niet als voorwaarde voor de opeisbaarheid van een andere verbintenis zou kunnen worden bedongen (wat eigenlijk het beding van eigendomsvoorbehoud totaal miskent), of regels over een zogenaamd wegvallen van het voorwerp. In andere gevallen gaat het om de invoering van fouten die er nog niet waren in wet of rechtspraak, zoals de poging om alle zogenaamde rechtstreekse vorderingen - die onderling fundamenteel verschillen - in het procrustesbed van één enkele regeling te willen persen, of het grotendeels afschaffen van de externe werking van een door de schuldenaar bedongen cessieverbod. Bijzonder problematisch is de invoering, wellicht om zuiver ideologische redenen, van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, die tot een explosie van rechtstreekse aansprakelijkheidsvorderingen tegen niet enkel onderaannemers en dienstverleners, maar ook bestuurders van vennootschappen en zo kan leiden; weliswaar wil men die hulppersoon of andere medecontractant in de volgende schakel de mogelijkheid geven zich te beroepen op exoneratiebedingen uit het 'hoofdcontract', maar dat is natuurlijk de foute remedie: de dienstverlener moet zich op zijn eigen exoneratiebeding en enkel daarop kunnen beroepen;. En aangezien het probleem ook niet beperkt is tot exoneratiebedingen kan men daar best gewoon het huidige samenloopverbod behouden of zelfs nog versterken.

Structurele gebreken
Dat de rechtszekerheid gediend zou zijn met het in andere woorden herschrijven van de 'koterijen' van ons recht, wordt in het advies van de Raad van State onderuit gehaald. Terecht stelt de Raad dat bij een hercodificatie die niet bedoeld is als een echte vernieuwing, men de verwoording van een regel enkel mag wijzigen als men ook de inhoud van de regel wil wijzigen. De auteurs verwarren daarentegen te vaak een wetboek met een schoolboek door een veel te uitgesponnen tekst waar men absoluut het scheermes van Ockham op zou mogen toepassen (en dus veel overbodigs wegsnoeien, met name bij de zogenaamde definities). De Pandwet uit 2013, toen wel geschreven door Eric Dirix himself, bevatte een aantal vormelijke gebreken maar was inhoudelijk een zeer degelijke vernieuwing en in een veel beknoptere stijl.
Daarbij komt dat het ontwerp-BW zware structurele gebreken kent. De belangrijkste ervan berusten op twee weliswaar in ons land traditionele verwarringen, maar precies het soort waaraan een nieuw BW een einde zou moeten maken: enerzijds de verwarring tussen overeenkomst en verbintenis en anderzijds de verwarring tussen verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke vragen. Wat het eerste betreft: zou het geen tijd worden om de overeenkomst als rechtshandeling en de contractuele verbintenis als rechtsgevolg of rechtsverhouding uit elkaar te houden? Of in te zien dat een voorkeurrecht geen soort overeenkomst maar een soort recht is?
En wat het tweede betreft: kunnen wij echt nog in de wereld naar buiten komen met een wetboek waarin nergens een hoofdstuk of afdeling te vinden is waarin de regels over eigendomsoverdracht in eigenlijke zin worden geëxpliciteerd (titelvereiste of causaal karakter, consensueel karakter van de levering als uitvoering van de verbintenis, beschikkingsbevoegdheid gecorrigeerd door de regels van derdenbescherming)? Wordt het geen tijd om de regels over conflicten over de eigendom van onlichamelijke goederen te zien als een probleem van goederenrecht dat volgens gelijkaardige regels wordt opgelost als bij lichamelijke goederen? Zodat men één consistent systeem zou hebben in plaats van het herhalen van regels die enkel de cessie en inpandgeving kennen en geen oplossing bieden voor conflicten met delegatie, subrogatie, zogenaamde rechtstreekse vorderingen of schuldvergelijking? Door die verwarring zijn sommige vragen zelfs zowel in het verbintenissenrecht als het goederenrecht geregeld door tegenstrijdige bepalingen, zoals het gevolg van een actio paulianavoor derde-verkrijgers.

Nederlands
Ook is het Nederlands van het ontwerp ondermaats. De zinsconstructies zijn houterig, en meermaals grammaticaal fout, het gebruik van een/de en enkelvoud/meervoud gebeurt vaak op Franse en niet op Nederlandse manier. Veel te vaak gaat het om letterlijk vertaald Frans, zodat de Vlamingen weer eens slechts vertaalde medeburgers zijn.
Inhoudelijk en nog meer qua verwoording en consistentie doet het ontwerp in vele opzichten onder voor Europese voorbeelden zoals de Lando-beginselen, Acquis-beginselen of Draft Common Frame of Reference. Die modellen worden weliswaar als inhoudelijke inspiratie ingeroepen, maar slagen er in om met veel minder woorden en in een veel coherentere terminologie en duidelijker structuur, uiteindelijk meer te zeggen. Minister Geens zou ons land een veel grotere dienst bewijzen door gewoon die modellen over te nemen dan absoluut zijn naam te willen verbinden aan een tekst waarmee ik alvast nooit de geschiedenis zou willen ingaan en mijn Europese collegae niet mee onder ogen durf komen. 

Matthias E. Storme is gewoon hoogleraar aan de KU Leuven.
Deze bijdrage verscheen in de Juristenkrant van 28 juni 2018.

dinsdag, april 24, 2018

Matthias Storme over discriminatie op de private huurmarkt

Op  1 maart 2018 werd ik gehoord in een hoorzitting van het Vlaams Parlement over - discriminatie bij - de toegang tot de private huurmarkt

De beeldopname van de zitting kan gevonden worden op https://www.youtube.com/watch?time_continue=4&v=YFkZaJojeno.

Hieronder volgt een samenvatting van mijn uiteenzetting, zoals opgenomen in het officieel verslag (docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1389044).

Matthias Storme, hoogleraar KU Leuven en UA, komt net van een evaluatiecommissie over de federale Antidiscriminatiewet. Dat oplossingen voor macroziektes gereduceerd worden tot microsymptoombestrijding vindt hij een risico. Op de huurmarkt zijn er inderdaad grote problemen, mensen vinden soms moeilijk een woning en bepaalde soorten huurders hebben daar meer problemen mee dan andere. De vraag is of een meer repressieve toepassing van de Antidiscrimina- tiewet daar iets kan aan verhelpen. Volgens de spreker kan dat slechts deels, vooral omdat een groot deel van de private huurmarkt closed shop is. Dat betekent dat een verhuurder, anders dan een bakker, per definitie iedereen afwijst behalve één persoon. Als er een overaanbod is, wat vooralsnog niet zo is, zeker niet aan betaalbare woningen, verandert de situatie. Bij grootschalige commerciële verhuurders ligt de zaak ook helemaal anders. Precies om die grote verschillen, zijn er landen waar de wetgever een onderscheid maakt. In het Duitse recht is er een fundamenteel verschil tussen grote en kleine spelers. Voor verhuurders van meer dan 50 woningen gelden strengere antidiscriminatieregels. In principe is de antidiscriminatiewetgeving niet van toepassing op de andere verhuurders.
Een onderscheid maken tussen preselectie en selectie verschuift het probleem. Er worden dan wel meer mensen uitgenodigd voor een bezoek, maar uiteindelijk wordt er slechts één aanvaard. Eigenlijk is het dus symptoombestrijding om strenger toe te zien op de eerste fase.

Het Gelijkekansendecreet en de antidiscriminatiewetgeving buigen zich over de vraag wat geoorloofde selectie, een legitiem onderscheid is en wat discriminatie. De spreker ziet een viertal selectiecriteria om een huurder te kiezen. 

Huurders worden vooreerst geweigerd wegens een reëel of vermeend gebrek aan solvabiliteit. Aan het eerste kan de Antidiscriminatiewet niets doen, aan het tweede misschien. Aan een gebrek aan solvabiliteit kan de overheid op andere, allicht betere manieren wel iets doen, zoals er ook in de conceptnota staan. Solvabiliteit is meer dan enkel het huidige inkomen, het omvat ook het toekomstige inkomen, de waarborg enzovoort. De spreker wijst op een tweespalt: het lijkt een goede zaak om de waarborg zo klein mogelijk te houden, maar een kleinere waarborg beperkt de kansen van net die mensen waarvan de verhuurder twijfels heeft bij de solvabiliteit. Wegens de privacywetgeving en economische wetmatigheden is het moeilijk voor individuele verhuurders om aan informatie te komen. Dat zorgt voor information shortcuts: bij gebrek aan echte informatie, gaan verhuurders voort op vooroordelen.

Het tweede criterium van verhuurders is zorgvuldigheid. De verhuurder wil overlast voor zichzelf of eventuele andere huurders vermijden en tracht in te schatten hoe zorgvuldig de huurder met zijn eigendom zal omgaan. Dat is een vager criterium waar vooroordelen nog een grotere rol kunnen spelen en het nog moeilijker is om informationshortcuts te vermijden. China heeft het plan opgevat om voor elke inwoner een socialekredietscore bij te houden, een beetje vergelijkbaar met wat in de Verenigde Staten bestaat over de solvabiliteit. De FICO credit score, de kredietwaardigheidsscore, informatie over de leningen en achterstallen van elke burger, kan gewoon online worden geraadpleegd. Kortom, hoe meer een huurder beschermd is, hoe groter het risico voor de verhuurder. Bij kortetermijncontracten speelt dat minder en er is ook een groot verschil tussen een individuele verhuurder en een massaspeler. Van massaspelers mag terecht verwacht worden dat zij de bluts met de buil nemen: de goede en de slechte risico’s houden elkaar in evenwicht, net als in de ruimtelijke ordening sociale lasten gelegd worden op grote projecten waar dat op kleine niet kan. Hoewel dat een normale reflex is, hanteert de wetgever dat onderscheid niet op het vlak van antidiscriminatie.

Het derde selectiecriterium is taal. 

Het vierde criterium hangt samen met het tweede, namelijk het woonklimaat, de wooncontext. Op basis van vooroordelen, gezinssamenstelling enzovoort. maken de verhuurders een inschatting van het woonklimaat, de leefstijl van de kandidaat. Cru zegt de spreker dat het misschien niet altijd zinloos is een wat hij apartheidspolitiek noemt, te voeren. Hij verwijst naar de hoorzitting van februari 2005 over het doctoraal proefschrift van Bob Cools, oud-burgemeester van Antwerpen, dat ging over leefstijlwonen in de sociale huisvesting. Bob Cools pleit daarin voor woonblokken voor bejaarden, voor gezinnen met kinderen enzovoort. Zo zouden verhuurders bepaalde selectiecriteria kunnen hanteren in functie van de wooncontext. Als dat in de sociale huisvesting legitiem is, is het dat a fortiori in de private huurmarkt. Voor studentenhuisvesting hanteren grote steden al dergelijke apartheidspolitiek. Het Gentse stadsbestuur doet er alles aan om de sociale mix tussen studenten en gezinnen onmogelijk te maken. De spreker vindt dat overdreven en is er in de gemeenteraad hard tegen tekeer gegaan. Daar het ook hier deels over reële, deels over vermeende problemen gaat, is het zinvol na te gaan hoe aan de verhuurder reële informatie ter beschikking te stellen.

Discriminatie vaststellen, verloopt heel anders bij grote dan bij individuele verhuurders. Bij grote verhuurders kan worden nagegaan of het huurderspubliek representatief is. Bij individuele verhuurders kan dat niet worden vastgesteld. Het willen vaststellen op zich is merkwaardig genoeg zelf ook al op vooroordelen gebaseerd. Hij twijfelt aan de mogelijkheid daarover een effectieve wetgeving op te stellen.

In de nondiscriminatiewetgeving staat de mogelijkheid om statistieken te gebruiken als bewijs van discriminatie. Dat zegt echter niets over een individueel geval, omgekeerd moet de wetgever niet verbaasd zijn dat verhuurders zich dan ook op statistisch materiaal beroepen om foute criteria te hanteren, als informationshortcuts, bijvoorbeeld dat mensen met een laag inkomen statistisch grotere wanbetalers zijn dan mensen met een hoog inkomen. In zekere zin is dat een toepassing van het voorzorgsbeginsel dat in de Grondwet staat: als je niet weet of het schadelijk is of niet, neem dan geen risico. Dat gebeurt in milieuzaken, maar ligt blijkbaar moeilijker in andere domeinen.
De spreker concludeert dat het om ethische en morele redenen zaak is de preselectie discriminatievrij te krijgen, hoewel hij bij private verhuurders twijfelt aan de effectiviteit van dat ingrijpen. Dat zorgt ervoor dat meer mensen de kans krijgen om niet geselecteerd te worden. Of dergelijk toezicht ook best praktijktesten omvat, daarover zal hij zich niet uitspreken. Streng zijn op de preselectie is maar zinvol als individuele verhuurders nadien het recht op selectie wordt gegarandeerd. In het andere geval, zullen zij er alles aan doen om de preselectie te vervalsen, bijvoorbeeld door geen publiciteit te maken. Dat is de zogenaamde‘psythocratie’, de macht van het oorgefluister. Om een open markt te garanderen en de eerste fase zo discriminatievrij mogelijk te houden, moet de selectie nadien dus vrij zijn.

De antidiscriminatiewetgeving is voor de spreker totaal ongeschikt voor individuele closedshopgevallen. Voor individuele verhuurders werkt zelfregulering niet, om redenen die al genoemd zijn. De kwestie is of het vertrekpunt correct is:moet het wel werken, heeft het wel zin. Voor wie de wetgeving wel zinvol is, de grote spelers, is de kans dat zelfregulering werkt ook vrij groot. Hij zegt iets anders dan CIB Vlaanderen maar het gelijkheidsbeginsel vereist dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld worden.

zondag, april 22, 2018

De toekomst van het rechtsonderwijs en het advocatenberoep

In februari kreeg minister Geens het rapport over de toekomst van het advocatenberoep uit handen van 2 advocaten die hij daartoe de opdracht had gegeven. Het is te vinden op https://justitie.belgium.be/sites/default/files/rapporttoekomstadvocatuurrapportavenirprofessiond_avocatfinal.pdf. Het bevat fundamenteel verkeerde opvattingen over het rechtsonderwijs en over de opleiding die advocaten dienen te krijgen. Ik geef hier dan ook de reactie die ik inzond bij de Minister en de balies. De rechtsfaculteit van leuven heeft in overleg met de andere rechtsfaculteiten eveneens een repliek geschreven die spoedig ook online komt.

a. Hervormde beroepsopleiding. Voorstel is : na universiteit 4 maanden voor men de stage mag beginnen.

Twee fundamentele kritieken:

1. Het vraagstuk van het sociaal statuut van de kandidaat is een ernstig probleem, dat de auteurs van het rapport alleen maar vrijblijvend doorschuiven. Het is echt niet ernstig om dit voorstel voor beroepsopleiding te doen en wat het sociaal statuut betreft te zeggen dat het “niet onmogelijk is” om een oplossing te vinden. 

2. Fundamenteler denk ik dat het voorstel een ernstige stap achteruit is ten aanzien van het huidige systeem van de stage. Het huidige systeem is “duaal leren”, dat wil zeggen terwijl men het beroep uitoefent krijgt men ook theoretisch/praktische bijscholing door lessen met examen. In onze samenleving wordt er in vele sectoren voor gepleit om dit duale leren in te voeren (dat een van dé succesfactoren is van de Duitse economie). en de balie zou dit succesrijke model nu afschaffen ? Een 4 maanden beroepsopleiding met lessen vooraleer men enige praktijk heeft, is écht geen verbetering.  Wat men aan deontologie zou kunnen leren zonde praktijkervaring, leert men nu reeds aan de universiteit, en hetzelfde geldt voor procesrecht. Daar nog eens een tweede theoretische cursus procesrecht en deontologie aan toevoegen is nutteloos. Die cursussen tijdens de stage laten lopen, zodat er wisselwerking is met de praktijk, zoals nu kan natuurlijk wel een meerwaarde betekenen. Het voorstel miskent bovendien de grote verscheidenheid in de taken en activiteiten van de advocaat vandaag: het behoudt een verouderd beeld van het advocatenberoep alsof dat in wezen uit procesrecht zou bestaan, nog los van de vraag of men in die cursus wel alle takken van procesrecht aan bod laat komen. 


b. Beroepsvoorbereidend tweede masterjaar

Dit voorstel is nog een heel stuk onzinniger dan het eerste.

Ten eerste is het onverantwoord om de tweejarige masteropleiding te concentreren in 1 jaar. Dit is een zeer ernstige verschraling van de rechtenopleiding en getuigt van een zeer provincialistische reflex. Het ontneemt de toekomstige juristen een hele reeks mogelijkheden om de geest te verruimen, diversere kennis en vaardigheden op te doen, buitenlandse ervaring op te doen. 
Ten tweede getuigt dit van een gevaarlijk hokjesdenken, dat ervan uitgaat dat er een reeks juridische beroepen zijn en dat voor elk van die beroepen er een bepaalde beroepsgeschiktheid kan en moet worden aangeleerd (in één enkel tweede masterjaar).  Het miskent zowel de eenheid als de verscheidenheid van het beroep van jurist. Op de eerste plaats is de verscheidenheid binnen de activiteiten en taken van de advocaat zo groot dat een opleiding die het mogelijk maakt daaraan recht te doen tegelijk een opleiding is die ook aan andere juridische beroepen of professionele uitwegen recht te doen. Sommige advocaten hebben bijna precies dezelfde kennis als vaardigheden nodig als bedrijfsjuristen andere als notarissen, en het rapport geeft zelf toe dat de kennis en vaardigheden voor advocaten en magistraten in wezen dezelfde zijn. Ook hebben juristen in onze samenleving veel meer taken te vervullen en veel meer beroepsuitwegen dan enkel maar de geconsulteerde “corporaties” (balie, gerechstdeurwaarders, notariaat, bedrijfsjuristen, magistratuur). Juristen spelen ook een grote rol in de ambtenarij, internationale organisaties, non-profitsector, politiek, universiteiten en andere wetenschappelijke onderzoeksinstellingen, enz….. Het is compleet verouderd hokjesdenken om het tweede masterjaar te zien als een “beroepsvoorbereidend jaar” in de vakjes van enkele klassieke juridische beroepen. De huidige afstudeerrichtingen aan onze rechtsfaculteiten met een major en een minor in bepaalde disciplines zijn dan ook véél zinvoller dan een omvorming ervan tot een reeks parallelle richtingen rechtspraktijk zonder enige wetenschappelijke onderbouwing. Een jurist die zich als advocaat in strafrecht wil specialiseren heeft meer aan een vak criminologie dan aan vakken advocatuur die niets met strafrecht te maken hebben, een advocaat die graag een commerciële praktijk wil uitbouwen heeft meer aan vakken waarin ook juristen die het bedrijfsleven willen ingaan geïnteresseerd zijn, en een advocaat die vooral administratief recht wil doen heeft meer aan een aantal niet-baliegerelateerde vakken publiekrecht dan aan privaat procesrecht. In de logica van het rapport zou men overigens geen 
Maar er is meer. De auteurs zien niet in of willen niet inzien wat de decanen van de rechtsfaculteiten allicht beter hebben begrepen, namelijk dat de rechtenopleiding wel degelijk een beroepsopleiding is maar wel voor het beroep van jurist, en dat er een fundamentele gemeenschappelijkheid is aan het beroep van jurist, dat de specificiteiten van beroepen als magistraat, advocaat of bedrijfsjurist overstijgt. Het ethos en de beroepseer van de jurist, zoals in de advocateneed mede verwoord, moet in wezen gelden voor alle juridische beroepen : "geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik naar eer en geweten niet geloof rechtvaardig te zijn”. 

De tegengestelde corporatistische opvatting van de juridische beroepen die de rapporteurs aanhangen, bedreigt ook de mobiliteit van de juristen tussen de verschillende subberoepen. Het is geen goede zaak voor de samenleving wanneer juristen geen carrièreswitch kunnen maken omdat hun diploma slechts tot één van die subberoepen toegang geeft. Advocaten moeten magistraat kunnen worden, en omgekeerd, maar niet enkel dat.

Matthias Storme

donderdag, maart 15, 2018

Een consumentenrecht voor kleinere taalgemeenschappen ?


In de loop van de voorbije decennia vonden er in het recht van alle Europese landen grondige wijzigingen plaats door de invoering van dwingende regels ter bescherming van zgn. zwakkere categorieën van personen. De belangrijkste voorbeelden zijn het arbeidsrecht, waarin de werknemer beschermd wordt tegen de werkgever, en het consumentenrecht, waarin de consument beschermd wordt tegen de professionele wederpartij. Een van de grondbeginselen van de Europese Unie is overigens het garanderen van een hoog niveau van consumentenbescherming (zie bv. art. 38 Handvest van grondrechten) (1). Daarnaast werd ook in vele verhoudingen tussen burgers onderling een discriminatieverbod ingevoerd. Dat verbod geldt echter slechts in één richting: aanbieders van goederen of diensten en werkgevers mogen niet discrimineren in hun keuzes, maar de afnemers en werknemers zijn daardoor in hun keuze niet beperkt. Het Grondwettelijk Hof (arrest van 12 februari 2009)(2) billijkte dit onderscheid door te stellen dat in die verhoudingen het de aanbieder of werkgever is die zich in een machtspositie bevindt: dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen op de markt van goederen en diensten inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren. Het feit dat in bepaalde soorten verhoudingen de ene partij altijd geacht wordt sterker te staan dan de andere (zonder dat dit in concreto moet worden nagegaan) rechtvaardigt dus een uitvoerige bescherming van de typisch zwakkere partij.

Wat als we die redenering nu ook eens zouden toepassen op taalverhoudingen ? Bij conflicten tussen talen of inzake taalgebruik is er immers ook altijd een taal die typisch in een machtiger positie staat dan de andere. De toepassing van dezelfde redenering zou dan betekenen dat de kleinere taal in zo’n conflict beschermd wordt. Op die gebieden waar zo’n bescherming geldt, is het dan enkel de spreker van de kleinere taal die een keuzevrijheid heeft. Dit is een heel andere redenering dan diegene dan aan de grondslag ligt van het zogenaamde Minderhedenverdrag van de Raad van Europa (1995)(3), dat géén rekening houdt met de algemene machtspositie van de talen in kwestie. Dat gebeurt met name wel in de Verklaring van Barcelona van 1996 (Universele verklaring inzake taalrechten)(4) en het daarop voortbouwende Manifest van Girona van 2011 (5). Daarin gaat het veeleer over de collectieve rechten van taalgemeenschappen, onder meer op een territorium waarin hun taal de - of minstens een - officiële taal, gebruikt wordt in het onderwijs, e.d.m. De beste manier op een minderheid te beschermen is in het algemeen inderdaad een territoriale autonomie (wat niet wil zeggen dat die oplossing altijd en in alle omstandigheden de beste is).

Dat spoort ook met de Europese regels inzake consumentenbescherming in grensoverschrijdende situaties. De basisregel (te vinden in de zogenaamde Rome-I-Verordening inzake toepasselijk recht en Brussel-I-Verordening inzake rechtsmacht) is dat in die gevallen een consument niet kan beroofd worden van de bescherming die hij thuis geniet (6)(7). Dat geldt niet meer wanneer de consument zelf het initiatief neemt om naar een ander land te trekken en daar goederen of diensten te kopen: dan gelden de lokale regels. Zo ook moeten de taalrechten van de kleinere taalgemeenschap beschermd worden bij taalconflicten, tenzij een taalspreker zich zelf buiten het territorium van die taal begeeft. In de eigen streek moet die voorrang behouden, of het nu gaat om het Nederlands tegenover het Frans of Engels, het Catalaans tegenover het Castiliaans Spaans, het Corsicaans tegenover het Frans, en dit ook wanneer die vanuit een ander taalgebied wordt aangesproken.

Wanneer dit soort bescherming normaal wordt gevonden wanneer het over de materiële behoeften van het dagelijks leven gaat, geldt dat dan niet nog met meer recht wanneer het gaat om iets wat voor ons menszijn zo bepalend is als de taalbehoeften ?

(6) Rome-I-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2008/593/2008-07-24, art. 6
(7) Brussel-Ibis-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj, art. 17-18

(deze column verscheen in Grondvest en op Doorbraak)


woensdag, december 27, 2017

Risico op grensoverschrijding of risico op verdorring ?



Op de begrafenis van de heer Ernest Krings, eertijds procureur-generaal bij het Hof van cassatie, werd in herinnering gebracht dat hij, toen hij benoemd werd tot magistraat, zijn auto verkocht en tijdens zijn hele beroepsloopbaan autoloos is gebleven, omdat hij vond dat een magistraat moest vermijden ooit in een situatie te komen waarin hij een verkeersovertreding zou begaan of erger een ongeval veroorzaken. Velen zullen dit een voorzichtigheid vinden die van een magistraat niet kan worden verwacht. Nochtans veroordelen we - of althans sommigen, media inbegrepen, vaak mensen in onze samenleving omdat ze zich in een situatie begeven hebben waarin ze zouden kunnen fouten begaan, al hebben ze geen enkele fout begaan. Is het dan toch een fout om zich in een situatie te begeven waarin men een fout zou kunnen begaan ? In onze samenleving zijn er alvast talloze regels die het ons verbieden om dingen te doen die geen schade veroorzaken, maar ons toch verboden worden opdat we niet in een situatie zouden komen waar we onopzettelijk schade veroorzaken. De meeste verkeersregels zijn daar overigens al een voorbeeld van. In de rijke joodse ethische en juridische traditie, waarin me ervan uitgaat dat er een welbepaald aantal geboden en verboden voortvloeien uit de Torah (dus van goddelijke oorsprong zijn), ontwikkelde men “gezeirah”, regels die mensenwerk zijn maar uitgevaardigd om te vermijden dat men onopzettelijk een goddelijke regel zou overtreden. Zij vormen een “hekken” rond de Torah. In die rabbijnse traditie was men wel zo verstandig te bepalen dat het niet nodig is bovendien nog eens een hekken rond dat hekken te zetten, een gezeirah in het kwadraat …. Wat niet belet dat ook sommige ‘eenvoudige’ gezeirah vrij problematisch zijn, zoals de volgende. Om de sabbatsrust te eerbiedigen mag men geen vuur maken, en dus geen elektriciteitsschakelaar bedienen; wat ertoe leidde om liften permanent heen en weer te laten gaan op sabbat, wat in het licht van de ratio van de sabbatsrust wellicht toch enkel maar erger is...

Voor allerlei activiteiten en beroepen gelden er steeds meer voorzorgsregels, procedures om fouten te vermijden. Daardoor wordt echter het risico groter dat men verantwoordelijkheid nemen beperkt tot het afvinken van een lijstje van voorzorgsmaatregelen. Risicovermijding wordt de hoogste norm. In Amerika worden ouders al gestraft als ze kinderen alleen laten rondlopen. Bij ons worden artsen door het slijk gesleurd als ze onconventioneel proberen patiënten te redden die anders ten dode zijn opgeschreven. 

De Brits-Hongaarse socioloog Frank Furedi schreef pregnante boeken over deze vorm van angstcultuur en de "moraliteit van lage verwachtingen" die daarmee gepaard gaat: een ethiek die het nemen van risico schuwt en zelfs veroordeelt. Nu kan het naar omstandigheden zeer hoogstaand moreel gedrag zijn om zich zo te gedragen dat men niemand in gevaar brengt, maar als algemene maatschappelijke norm is dat dodelijk, niet enkel voor de vrijheid maar ook voor vele andere maatschappelijke voordelen. Daarvan worden we ook beroofd door te strenge aansprakelijkheidsregels, die maken dat niemand bepaalde zaken nog op zich wil nemen. Of te strenge non-discriminatieregels, die ertoe aanzetten dingen zo te organiseren dat men contact met potentiële klagers vermijdt. Of vage strafbaarstellingen van bepaalde meningsuitingen die een “chilling effect” hebben op de vrijheid van meningsuiting, waarbij mensen het niet meer riskeren bepaalde zaken ter sprake te brengen. Het gaat overigens niet enkel om rechtsregels. De macht van media, zowel traditionele als sociale, om mensen te maken en te kraken, leidt tot een bij wijlen ongezonde discipline. Dat betreft enerzijds het buiten proportie opblazen van dagelijkse zonden. Maar anderzijds gaat het ook vaak gewoon om ordinaire verdachtmakingen: mensen die zich laten zien met "foute vrienden" worden al vermoed foute deals te hebben gesloten. Belangenvermenging is natuurlijk een reëel bestaand probleem ook in onze samenleving, en een wijze politicus zal de gezeirah eerbiedigen om, zoals een oude volkswijsheid luidt, de kat niet bij de melk te zetten. Zoals men ook van journalisten en andere mag verwachten dat zij waar nodig de gepaste afstand houden. Maar een hysterische bewaking van de grenzen van normaal gedrag met bestraffing van ook het lichtste grensoverschrijdend gedrag, leidt er enkel maar toe dat aan de binnenzijde van die grens van normaal gedrag er een veel te brede zone onbruikbaar en dor wordt.

(Dit verschijnt ook in Grondvest januari 2018)


 
Locations of visitors to this page