maandag, februari 23, 2015

Tussen opgehemeld verleden en teveelbeloofde toekomst: een verloren heden ?

(deze bijdrage verscheen in Grondvest maart 2015)

De voorbije weken konden we genieten van enkele debatten rond zogenaamde radicalisering van jongeren, zowat de stempel gebruikt voor het gewelddadig jihadisme van eigen bodem. Er was terecht de vraag of radicaal wel het gepaste woord is: met radicaliteit als dusdanig is niets mis, het hangt ervan af waarin men radicaal is. Er wordt gedebatteerd over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in een rechtsstaat aanvaardbaar zijn en welke prijs aan privacy wij bereid zijn in te leveren voor beveiligingsmaatregelen. 

En er was natuurlijk het debat rond de ‘integratieparadox’ met als belangrijkste stem Marion van San. Haar onderzoeksconclusies werden wat te snel vereenvoudigd tot de stelling dat ‘jongeren’ des te meer radicaliseren naarmate ze beter maatschappelijk geïntegreerd zijn (school, werk, gemengde vriendenkring). Van San heeft dat ook geschreven, maar het blijft toch vooral interessant om de verklaringen die zij geeft te bespreken, alsook wat ze niet zegt. 

Beginnen we met het laatste: die zogenaamde radicalisering is in de meeste gevallen natuurlijk wel te vinden bij gebrek aan culturele integratie. Opleiding en werk garanderen blijkbaar nog helemaal geen culturele integratie, en dat zal natuurlijk niet beteren naarmate er luider wordt geclaimd dat eenieder zijn eigen taal en cultuur moet kunnen bewaren en daarvoor desnoods maar redelijke aanpassingen moeten worden gedaan in onze regels en gebruiken. Verder hoedt Van San zich ervoor de radicale opvattingen te benomen, die nu eenmaal in overgrote mate islamistische opvattingen zijn (al klopt het natuurlijk wel zo dat bij die ‘radicalen’ er ook ‘jongeren’ zijn die van thuis geen moslim zijn dan wel weinig religieus).

Van San zelf verklaart de radicalisering ondanks maatschappelijke integratie in de hierboven genoemde zin vanuit gevoelens van teleurstelling wanneer men ondanks opleiding en werk niet hogerop geraakt en vanuit stijgende verwachtingen die gekoesterd worden door jongeren en leiden tot een gevoel van discriminatie dat een stuk verder gaat dan de werkelijke discriminatie. Kortom, overspannen verwachtingen. En dan moeten we ook vragen welke factoren maken dat er overspannen verwachtingen zijn. Hoe worden die gekweekt of aangeleerd of minstens bevorderd ? Die overspanning is m.i. ten dele bepaald door de Westerse welvaartsstaat en gelijkheidsideologie en ten dele door de invloed van culturen die een claim op absolute waarheid formuleren. Als men opgevoed wordt met de idee dat men de heren van de schepping is, aan wie de enige echte ware tekst is bekendgemaakt, en alle andere volkeren in onwetendheid leven of de waarheid half vervalst hebben, en dan blijkt dat die andere volkeren wetenschappelijk en technologisch vaak een enorme voorsprong hebben, dan kan dat inderdaad tot zo’n overspanning leiden.

In 1977 verscheen van de hand van de Nederlandse psychiater en wijsgeer Jan Hendrik van den Berg, bekend voor zijn leer van de metabletica, die een groot deel van de moderne geschiedenis poogt te vatten als een geschiedenis van veranderingen in het collectief bewustzijn, het boek Gedane zaken; twee omwentelingen in de Westerse geestesgeschiedenis. Daarin voorspelde de auteur voor 2015 een wereldbrand die begint met een rassenstrijd, met name een strijd waardoor landen intern verdeeld zouden zijn. Hij is natuurlijk niet de enige die dat voorspeld heeft. Maar zijn verklaring wil ik in herinnering brengen: “Elk land heeft zijn teveelbeloofden”. En wat vooral teveel beloofd werd volgens Van den Berg was gelijkheid “zeg de mensen van Europa dat ze gelijk zijn en ze gaan elkaar allerbloedigst te lijf”.


In 2005 publiceerde Joods-Duitse historicus prof. Dan Diner een boek dat te weinig aandacht kreeg, over het politiek radicalisme in religieus gewaad in de islamitische wereld, namelijk ‘Verzegelde tijd. Over de stilstand in de islamitische wereld’ (Versiegelte Zeit, ook in Engelse vertaling: Lost in the sacred) waarin hij het onder meer heeft over de ‘onheilige alliantie’ tussen voormoderne opvattingen uit het Midden-Oosten (kort samengevat een opgeslotenheid in het sacrale) en een postmodern discours dat daartegenover veel te weinig kritisch is. Tussen een opgehemeld verleden en een teveelbeloofde toekomst ligt er dan veel te vaak een verloren heden. 

dinsdag, december 23, 2014

Gelijkheid is vrijheid, leugen is waarheid

(Deze column verscheen in Grondvest januari 2015)

Van 4 tot 6 december hield de Académie Royale de Belgique (die zichzelf nog steeds als de enige erfgenaam beschouwt van de aloude Academie van Maria Theresia en de Vlaamse Academie als enkel maar een jonge zus) een boeiend colloquium onder de titel “La liberté d’expression. Menacée ou menaçante ? Jusqu’ou penser,parler, écrire librement ?” (1) De belangstelling van uit Vlaanderen was jammer genoeg zeer beperkt, al moet er aan toegevoegd worden dat men omgekeerd ook geen moeite heeft gedaan en op 3 Arabische en 1 Hongaarse spreker na alle sprekers Franstaligen waren. Desalniettemin was het een erg boeiend colloquium waarvan ik hier overigens maar enkele elementen kan bespreken. Persoonlijk werd ik overigens hartelijk ontvangen door de organisator, prof. Hervé Hasquin, oud minister-president van de regering van de Communauté française de Belgique, van liberale signatuur.

Desondanks zal de lezer het me niet kwalijk nemen dat ik,  om redenen die hem wel snel duidelijk zullen zijn, zoals de titel reeds aankondig, mijn pijlen richt op één van de lezingen, namelijk die van Edouard Delruelle uit Luik, jaren onderdirecteur geweest van het bekende Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding, en hoogleraar filosofie in Luik. Onder de titel “Discours, violence, civilité” (2) hield hij een goed uitgekiend pleidooi voor de bestaande breidelwetten die de vrijheid van meningsuiting inperken, zoals de antiracismewet en de antidiscrimatiewet. Daarbij gebruikte hij drie ‘trucs’ om de vrijheid van meningsuiting in te perken, die een zeer goed voorbeeld geven van het soort redeneringen die een bepaalde linkerzijde hanteert.  

Op de eerste plaats rechtvaardigt hij de inperking van de vrijheid van meningsuiting door te stellen dat een hele categorie van uitingen gewoon geen meningssuitingen zijn, maar handelingen. Dat wordt verpakt met een saus uit de algemene taalwetenschap, die bepaalde vormen van taalgebruik “performatief” noemt (een bekende boek daarover is van J.L. Austin, How to do things withwords).(3) Een goed voorbeeld is “ik beloof”: daarmee “doet” men iets, namelijk zich verbinden – wat nog niet wil zeggen dat het niet tegelijk een mening kan uitdrukken. De taalkunde wordt hier echter misbruikt om te stellen dat haat en discriminatie geen meningen zijn omdat men er iets mee ‘doet’, namelijk aanzetten.

De tweede truc bestaat is stellen dat de vrijheid van meningsuiting in feite maar kan gebruikt worden als men daartoe de middelen heeft, dat  niet iedereen dezelfde middelen heeft, en dat er dus maar sprake kan zijn van vrijheid van meningsuiting voor zover iedereen in feite gelijke kansen heeft zijn mening te uiten. De vrijheid wordt gereduceerd tot een eis van gelijke kansen en daarmee eigenlijk afgeschaft onder het mom van het waarborgen van die vrijheid zelf. Het Ministerie van Waarheid uit Orwell’s 1984 zou het niet beter gekund hebben !

Als derde truc stelt Delruelle terecht dat er geen vrijheid van meningsuiting is wanneer mensen elkaar met geweld in plaats van woorden bejegenen. Vervolgens definieert hij geweld echter zo ruim dat elk taalgebruik dat hem niet zint een vorm van geweld wordt genoemd en dus buiten de vrijheid van meningsuiting valt. Ook hier kan het Ministerie van Waarheid nog wat van leren.


Gelukkig waren er op hetzelfde Colloquium ook sprekers die de politieke correctheid en aantasting van de vrijheid van meningsuiting fileerden, zoals onder meer de Franse specialiste grondwettelijk recht Anne-Marie le Pourhiet en de Hongaarse rechter in Straatsburg Andras Sajo, die de vinger op de ‘wonde’ legden door aan te tonen hoe de vrijheid afgeschaft wordt door ze afhankelijk te stellen van de gevoeligheden van de diverse toehoorders. Philippe Nemo tenslotte (de auteur van het mooie essay “Qu’est-ce que l’occident”, nog niet in het Nederlands te vinden), herinnerde eraan dat de wetenschap maar is kunnen opbloeien vanaf de twaalfde eeuw door de doctrine van Abelardus dat het recht, en zeker het strafrecht, zich enkel met daden van mensen mocht bezighouden en het oordeel over gedachten en intenties, hoe zondig ook, aan God diende te worden overgelaten (4). Waaruit nogmaals blijkt dat onze ‘Verlichte’ tijd weleens meer aan obscurantisme zou kunnen lijden dan die duistere Middeleeuwen.

(2) Vgl. eerder van deze auteur zijn "Eloge du politiquement correct", http://edouard-delruelle.be/eloge-du-politiquement-correct/http://edouard-delruelle.be/eloge-du-politiquement-correct/
(3) J.L. AUSTIN, How to do Things with Words: The William James Lectures delivered at Harvard University in 1955, 1962 (eds. J. O. Urmson and Marina Sbisà), Oxford: Clarendon Press, http://www.hup.harvard.edu/catalog.php?isbn=9780674411524
(4) uitgewerkt in Ph. NEMO, La régression intellectuelle de la France, http://texquis.com/texquis-essais/20-la-regression-intellectuelle-de-la-france-.html. Zie ook Ch. GAVE,  "Au secours Abélard, ils sont devenus fous !"http://www.contrepoints.org/2012/03/05/71868-au-secours-abelard-ils-sont-devenus-fous.

vrijdag, oktober 31, 2014

Het kwade verbieden als groter kwaad



Een verantwoord onderscheid

De voorbije week kwam ik in het oog van een kleine storm terecht naar aanleiding van mijn aanstelling door het Vlaams Parlement als lid van de Raad van Bestuur van het interfederaal gelijkekansencentrum. Ik voel geenszins de nood om op alles wat er gezegd is (en vaak beter niet gezegd was) te reageren. Wanneer men mij beschuldigt van een drogredenering en het ontbreken van elke morele basiskennis (1) moet dat wel.

Een deel van de commotie gaat terug op een rede die ik intussen bijna 10 jaar geleden hield onder de, toegegeven, provocerende titel „de fundamenteelste vrijheid: devrijheid om te discrimineren” (2), en die slechts door enkele van de critici daadwerkelijk werd gelezen. Deze rede is in zijn concrete uitwerking ten dele gedateerd en dient op meerdere punten te worden genuanceerd, wat ik overigens in latere teksten ook deed. Maar de kerngedachte blijf ik verdedigen, en die werd de voorbije week door geen enkele kritiek geraakt, ook niet door de vuurpijl waarmee Erwin Mortier mij toch zo graag in het zenit zou afschieten (3).

recht is geen moraal 

Die bestaat erin dat inzake discriminatie zoals in vele andere zaken men moet onderscheiden tussen recht en moraal, en dat goede wetten in een democratische rechtsstaat wel een morele basiskennis vereisen maar zeker niet zomaar mogen worden gecalqueerd op ethische en fatsoensnormen. Het gaat om twee visies op wetgeving. De visie die ik verwerp gaat uit ervan uit dat wet en staat wat moreel goed wordt geacht moet opleggen en wat onethisch wordt geacht verbieden. Een verschil maken tussen personen op basis van criteria die volgens het morele aanvoelen (althans van diegenen die van zichzelf beweren een morele basiskennis te hebben) fout zijn en niet redelijk verantwoord, moet in die visie door de wet worden verboden. Zero tolerance. Dit is een typisch kenmerk van totalitarisme. Met een soortgelijke redenering kan men ook de rechten van verdediging afschaffen. 

Daartegenover verdedig ik de visie die zich met vallen en opstaan gedurende 2000 jaar in het Westen heeft ontwikkeld, van de Griekse polis over het romeinse recht, het christendom, de reformatie en de verlichting, en die de grondslag vormt voor de democratische rechtsstaat: het goede opleggen en het onfatsoenlijke verbieden is in vele gevallen een groter kwaad dan het te tolereren, tolereren dat in het bijzonder gebeurt in de vorm van fundamentele vrijheden zoals de vrijheden van meningsuiting, religie, vereniging of onderwijs.

Niet dat er een tegenstrijdigheid is tussen recht en moraal; het is een tegenstelling tussen enerzijds een simplistische moraal en anderzijds een moraal die wel degelijk het onderscheid kent tussen het voorwerp van een moreel debat en het voorwerp van een goede wetgeving. Er zijn vele redenen waarom we een ethiek nodig hebt die dit onderscheidt begrijpt en waardeert; in dit kort bestek kan ik slechts enkele elementen aanbrengen voor wie bereid is na te denken.

Een open samenleving respecteert een verscheidenheid aan opvattingen, ook morele opvattingen over wat in een concreet geval een fatsoenlijke dan wel onethische keuze is. Ze erkent dat moreel handelen vrijheid vereist, dat de mens eerst in vrijheid moreel kan handelen(4). Ze beseft dat er ruimte moet zijn voor twijfel in plaats van de morele zekerheid die de waarheid in pacht heeft. Ze ziet in dat het beter is om door een verscheidenheid aan preferenties toe te laten méér kansen te scheppen voor mensen dan door het opleggen van gelijke preferenties aan iedereen een collectieve verarming te organiseren.

vage rechtsnorm

In een rechtsstaat beseft men dat er een hemelsbreed verschil is tussen de morele aansprakelijkheid waarbij burgers elkaar aanspreken op hun al dan niet fatsoenlijk handelen, en de verantwoording die een burger verplicht kan worden in een juridische procedure af te leggen. Dat laatste is uitermate problematisch wanneer de rechtsnorm (verbod van onverantwoord onderscheid) uitermate vaag is en zeer subjectief kan worden ingevuld naargelang wie erover moet oordelen. 

In een op fundamentele vrijheden gegronde rechtsstaat ziet men in dat wanneer een burger gebruik maakt van zo’n fundamentele vrijheid, hij voor een onderscheid dat hij maakt tussen personen in rechte géén andere verantwoording hoeft af te leggen dan dat hij van zijn vrijheid gebruik maakt, ook al kan – en moet – hij als persoon door medeburgers moreel ter verantwoording worden geroepen. De vrijheid als dusdanig is een voldoende rechtvaardiging voor die keuze, ook al houdt die een ongelijke behandeling in. In die zin is de vrijheid om te discrimineren, d.w.z. zich niet in rechte te moeten verantwoorden voor een ongelijke behandeling, de kern van elk van die fundamentele vrijheden. 

Dat is een politieke keuze, zeker, maar het alternatief is dat die vrijheden enkel nog in naam bestaan en volledig uitgehold worden. Dat sluit niet uit dat er, anders dan in de bv. de vrijheid van meningsuiting, gradaties zijn in de economische vrijheid: de weigering iemand te bedienen in het geval van een massaproduct is, zoals de Duitse wetgever terecht heeft ingezien, van een heel andere aard (men kan dat een een negatieve keuze noemen) dan de vrijheid om te beslissen aan wie men iets geeft waarvan er maar 1 exemplaar is (een positieve keuze).

Meer kansen geven aan meer mensen vereist juist de versterking van die vrijheden, maatregelen om nieuwkomers toegang te verschaffen tot de markten, om minderheidsgroepen de mogelijkheid te geven zich op discriminerende wijze zelf te organiseren, een billijk belastingsysteem dat compenseert wie sociale risico’s draagt en wie extra verantwoordelijkheid opneemt beloont. Quota zijn daarbij in sommige gevallen een kleiner kwaad dan een discriminatieverbod dat eleutherofobie (angst voor de vrijheid) blootlegt.

En o ja, de lezer zal zelf wel de drogredenering ontdekt hebben bij Farid Zhanoun ("Een brood is geen taxichauffeur", dS 28 oktober 2014), die waar ik het heb over discriminatie tussen bakkers wegens hun politieke overtuiging, mij verwijt het over het onderscheid tussen bruin en wit brood te hebben.

(1) F. ZHANOUN, "Een boord is geen taxichauffeur", de Standaard 28 oktober 2014, http://www.standaard.be/cnt/dmf20141027_01345076.
(3) Erwin MORTIER, "Ik ga Laurette Onkelinx gelijk geven", De Morgen 27 oktober 2014, http://www.demorgen.be/binnenland/ik-ga-laurette-onkelinx-gelijk-geven-a2102600/
(4) Vgl. F.C. von SAVINY: "Das Recht dient der Sittlichkeit, aber nicht indem es ihr Gebot vollzieht, sondern indem es die freye Entfaltung ihrer, jedem einzelnen Willen innewohnenden Kraft sichert" (Das System des heutigen Römischen Rechts, I, p. 331).

Deze bijdrage verscheen licht ingekort in De Standaard 30 oktober 2014 (http://www.standaard.be/cnt/dmf20141030_01351575)

donderdag, oktober 30, 2014

De ene eerbetuiging is de andere niet

Matthias Storme kijkt met gemengde gevoelens terug naar de investituur van de federale regering, dat door francobelgische oprispingen een andere wending heeft gekregen dan had gemoeten. 
Investituurdebat in de Kamer. Zo heet met een geleerd woord het debat over de regeringsverklaring voor de vertrouwensstemming over een nieuwe regering. De eerste Belgische regering met de N-VA. De eerste Belgische regering waarin een Vlaams-nationale partij de sterkste partner is (al uit zich dat door de grendelgrondwet natuurlijk niet in het aantal ambten). Op dezelfde dag twee relletjes rond een persoon die in zijn jonge jaren betrokken was bij een misdadige organisatie en op latere leeftijd een respectabel politicus was. Beiden hebben zich bekeerd tot de parlementaire democratie en hun eerdere politieke methode in hun handelen afgezworen. Geen van beiden zou echt publiekelijk zijn jeugdzonden veroordeeld hebben. Je zou denken aan het woord van Mitterrand 'men verloochent zijn verleden niet, maar men verandert, en daarmee is alles gezegd'.

Het loutere trekken van de parallel zal voor de goegemeente allicht schandalig zijn, als U weet over wie het gaat: Nelson Mandela en Bob Maes. In Kortrijk vond een N-VA gemeenteraadslid het geen goed idee een plein naar Mandela te vernomen, omdat hij betrokken was bij een terroristische organisatie. In de federale vond vindt de franco-belgische oppositie het een hysterisch huilconcert waard dat Bob Maes op zijn verjaardag het privébezoek kreeg van een N-VA-minister en staatssecretaris omdat hij betrokken was bij het collaborerende VNV. Publieke verering in steen gehouwen enerzijds, een private verjaardagswens anderzijds. Je zou denken dat het eerste toch eerder betwistbaar zou moeten zijn dan het tweede, het eerste eerder te veel van het goede is dan het tweede. Bovendien lijkt het er toch wel op dat Mandela veel verregaander persoonlijk bij terreurdaden betrokken was dan Maes. Natuurlijk zijn de verdiensten voor een zekere pacificatie na zijn bekering van Mandela ook een stuk belangrijker.
Maar de echte redenen voor de wel zeer uiteenlopende maten en gewichten zijn natuurlijk andere. Gewelddaden uit een 'linkse' periode blijven je niet achtervolgen eens je het geweld verlaten hebt, zolang je ideologisch maar correct bent en blijft. 'Rechtse' ideologische opvattingen, zelfs zonder dat er geweld is gebruikt, blijven je achtervolgen, zolang je je niet tot de andere zijde hebt bekeerd. De  pseudowetenschappelijke basis wordt gelegd door auteurs die natuurlijk niet kijken naar wat een persoon werkelijk gedaan heeft maar die zich wel in allerlei bochten wringen om vreselijke opvattingen te detecteren die achter een braaf masker zouden schuilgaan.

Dat is de eerste wijze waarop twee maten en gewichten worden gehanteerd. In België komt daarbovenop nog een tweede methode, waarbij een vergelijkbaar schema wordt gebruikt om Belgische c.q. Vlaamse daden en opvattingen te beoordelen of te laten meespelen. De maat die men hanteert hangt af van de graad van nuttigheid die iemand vertoont om de franco-belgische privilegies te helpen bestendigen, of toch minstens de linkse meerderheid in franco-belgië. Wie braaf meedoet, moet zich zolang over jeudgzonden niet teveel zorgen maken. Zolang men de 'jaren dertig' (is dat niet de periode van de genocide in onder meer Oekraïene?) ziet als een onuitputtelijke bron van schuld die omgezet wordt in transferten naar een francobelgisch Danaïdenvat is er geen probleem. Maar o wee als men dat spelletje niet meespeelt. Dan vallen de echte maskers af. Onder het mom van de bestrijding van de haat wordt de haat ten volle geëtaleerd. De haat jegens de Vlamingen heeft vele gezichten, maar er is er een dat ons allen de komende jaren toch wel het meest zal bijblijven. U mag raden wie.

(Deze bijdrage verscheen in Grondvest november 2013)

maandag, oktober 27, 2014

Matthias Storme krijgt zitje in Gelijkekansencentrum

Interview door peter de Lobel verschenen in De Standaard van 27 oktober 2014, (http://www.standaard.be/cnt/dmf20141026_01343482).

Matthias Storme wordt bestuurder in het Interfederaal Gelijkekansencentrum. Dezelfde Storme die ooit vóór discriminatie pleitte? Jawel. ‘Ik pleitte nooit voor het recht op discriminatie, maar wel voor de vrijheid om te discrimineren.’ Als die vrijheid er niet is, dan kunnen we ons hele rechtssysteem overboord gooien, waarschuwt hij.
Uitgerekend professor Matthias Storme (KU Leuven), de man die discrimineren als een fundamentele vrijheid ziet – uitgerekend hem – stuurt de N-VA naar de raad van bestuur van het Interfederaal Gelijkekansencentrum. Sabotage! zeggen zijn tegenstanders onomwonden. ‘Ik zie het probleem niet, hoor’, zegt Storme. ‘Het is tijd om daar de pensée unique wat te doorbreken. Du choc des idées jaillit la lumière.’
Leg eens uit hoe u het daar gaat laten botsen?
‘De wettelijke definitie van discriminatie is een ongelijke behandeling waarvoor men zich niet rechtvaardigt. Terwijl het net een fundamentele vrijheid is om niet elk gebruik van je fundamentele vrijheden te moeten rechtvaardigen. Dat neemt niet weg dat er beperkingen kunnen zijn aan die fundamentele vrijheden. Maar die beperking mag niet zijn dat je elk gebruik van die vrijheden moet rechtvaardigen. Dan kom je op zeer gespannen voet met het grondwettelijke concept van vrijheden. Dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden, kan dan weer wel zo’n beperking zijn. Helaas zijn veel mensen blijkbaar niet in staat om een aantal basisbegrippen te begrijpen.’
En daar lijkt u wel schik in te hebben, in wat polemiek over misbegrepen uitspraken.
‘Als ik me over elke dommigheid die er gezegd wordt, zou moeten opwinden, ik zou binnen de zes maanden overlijden aan een hartinfarct. Veel reacties zijn van een idioot simplisme, bewust of onbewust. Blijkbaar vinden veel mensen het te moeilijk om wat langer te luisteren. Terwijl ik veel van die dingen eerder al gezegd heb, onder meer in een lezing in 2005, die blijkbaar niemand de moeite vindt om...’
Toch wel. U wijst daarin op het onderscheid in discriminatie door de overheid en burgers. Die eerste groep mag dat niet, de tweede wel.
‘Dat is inderdaad een fundamenteel verschil. De overheid mag niet discrimineren en moet voor elke ongelijke behandeling een verantwoording geven, omdat de wet ook geldt voor wie er niet mee instemt. Maar met een uitbreiding naar privépersonen omdat ze in een machtspositie zouden staan, heb ik wel een probleem. Want wat is een machtspositie? Volgens het Grondwettelijk Hof gaat het om zowat elke dienstverlener of verkoper. In Duitsland bekijkt men dat anders. Daar deelt men op in Massengeschäfte(grote handelszaken, red.) die een publiek aanbod doen en persoonlijke transacties. Een onderneming of een eigenaar die honderd woningen verhuurt, valt onder die discriminatiewetgeving. Maar bij een louter persoonlijke transactie geldt dat niet. Dat is een voorbeeld dat het overwegen waard is.’
Zonder discriminatie is er ook geen zingeving, zorg en solidariteit mogelijk, zegt u. Het zijn dat soort dingen die u bedoelt als u pleit voor discriminatie.
‘Pas op, ik pleitte nooit voor het recht op discriminatie, maar voor de vrijheid om te discrimineren. Als je liefde en vriendschap moet verantwoorden, worden ze waardeloos.’
En daar is de discriminatie zelf dus gerechtvaardigd.
‘Wanneer discriminatie gerechtvaardigd is en wanneer niet, daarover kan men van mening verschillen. Maar men kan niet zeggen dat je alleen mag discrimineren als je je kan rechtvaardigen. Dat botst op de fundamentele vrijheden. Dan kan je het hele rechtssysteem overboord gooien en vervangen door die ene zin: je wordt gestraft als je iets doet wat je niet kan rechtvaardigen.’
‘Discriminatie door klanten is bijvoorbeeld door geen enkele wet verboden, zo stelt ook het Grondwettelijk Hof. En dat is zinvol. Nu is er discussie over mensen die alleen een blanke taxichauffeur zouden willen. Maar als de klant niet mag kiezen, dan mag je binnen de kortste keren ook niet meer kiezen of je je brood bij een rode of een blauwe bakker koopt.’
‘Men bekijkt discriminatie altijd onmiddellijk als iets negatiefs, terwijl, als je lang genoeg doorvraagt, je bij iedereen op dit soort discriminatie stoot. Het is de slang die in haar eigen staart bijt.’
Welke discriminatieproblemen ziet u zelf nog?
‘Er zit een contradictie in groepsdenken. Dat men discriminatie van een individu te vaak doortrekt naar een bepaalde groep waartoe dat individu behoort, is geen goede zaak. Want omgekeerd gaat zo’n individu dan uit van extra rechten omdat het tot die groep behoort.’
‘In Frankrijk heeft men bijvoorbeeld quota opgelegd over het aantal gehandicapte werknemers dat een bedrijf in dienst moet hebben. Maar, voldoe je daar als bedrijf niet aan, dan moet je een bepaald bedrag storten in een apart fonds dat ten goede komt aan de bedrijven die het wel goed doen. Dat is een zinvolle maatregel om gelijke kansen te geven op basis van een individueel nadeel.’
 
Locations of visitors to this page