maandag, april 29, 2013

Een rookgordijn rond het middenveld



Een van de belangrijke ingrepen in de eerste jaren na de Franse revolutie was de afschaffing van de 'corps intermédiaires', de vele instellingen van de samenleving die tussen de staat en het individu stonden en waarin het leven van de mensen was georganiseerd. De grotendeels corporatieve samenleving van het Ancien Régime werd vervangen door het primaat van de markt en van de politiek. Toch werd in de 19e eeuw een nieuw evenwicht gevonden tussen staat, markt en burgerlijke maatschappij (1). Dat berustte vooral op een scheiding van sferen: het domein van de markt (productie van goederen en diensten), dat van de overheid (inrichting van openbare diensten zoals rechtsbedeling, vrede en veiligheid) en dat van de burgerlijke samenleving (waarin burgers zich op vrijwillige basis konden verenigen en zo aan cultuur en zorg konden doen, aan zingeving en identiteit konden werken). Dit hield onder meer een scheiding in van kerk en staat, maar ook van markt en samenleving en van overheid en samenleving. De bekendste beschrijving van dit model is De Tocqueville's ‘democratie en Amérique’. Een levenskrachtige samenleving en democratische cultuur kunnen niet zonder een veelheid aan dergelijke verbanden van de burgerlijke samenleving. Wezenlijk daarbij is dat dergelijke organisaties juist niét levensbeschouwelijk neutraal moeten zijn en eigen niet-economische waarden kunnen uitdragen. Dat burgerverenigingen met een gelijkaardige levensbeschouwelijke grondslag zich met elkaar verbinden tot zuilen en er daarmee verzuiling ontstaat, leidt misschien tot ongewenste effecten, maar het verbieden ervan is enkel maar een grotere kwaal.

Hoe luid men vandaag ook roept over de scheiding van kerk en staat, van het ruimere plaatje waar die scheiding maar een onderdeel van is, blijft in België niet veel meer over. Ondanks periodieke oprispingen over het primaat van de politiek is de invloed van vele niet door algemeen stemrecht gelegitimeerde organisaties op de uitoefening van overheidstaken enorm gegroeid. De scheiding van staat en civil society heeft plaats gemaakt voor een vervlechting; een belangrijk deel van de taken en bevoegdheden die de overheid terecht of ten onrechte tot zich heeft getrokken, wordt mede uitgeoefend door private organisaties. Die waken er dan vooral over dat er geen nieuwe spelers (concurrenten) op hun markt komen. Alle kritische vragen over dit systeem worden onmiddellijk afgedaan als een aanval op ‘het middenveld’ en op de vele mensen die zich als ‘vrijwilligers’ inzetten voor sociale oogmerken. Daarmee wordt een rookgordijn opgetrokken om onder het mom van sociale waarden die vervlechting te beschermen te beschermen en tegelijk de echte bedreigingen voor de civil society aan het zicht te onttrekken.  Het échte ‘middenveld’ wordt gekortwiekt door het financieel afhankelijk te maken van de overheid en de financiering ervan te koppelen aan allerlei criteria die niet ideologisch neutraal zijn, en door het onderwerpen van private verenigingen aan verregaande antidiscriminatieregels.

(1) Zie mijn bijdrage "De juridisering van sociale verhoudingen van de negentiende eeuw tot vandaag",  in D. Heirbaut,  G. Martyn & R. Opsommer,  De rechtsgeschiedenis van de twintigste eeuw,  reeks Iuris Scripta Historica nr. XIX,  Brussel: Koninklijke Academie Wetenschappen Letteren en Schone Kunsten van België 2006 (ISBN 9065690271),  p. 27-75,  ook op http://www.storme.be/juridisering.html.

dinsdag, januari 29, 2013

Een gevaar voor ons land ?


Volgens de heer di Rupo is de N-VA een separatistische partij en dus "een gevaar voor ons land". Logisch, niet ? Separatisme betekent toch het einde van België als land, zoals het separatisme van 1830 een einde maakte aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ? Flaminganten zullen hierbij misschien als eerste reactie hebben in vraag te stellen over welk land we het dan wel hebben. Is België ons land wel, of is het Vlaanderen, of Nederland. En ze zouden kunnen concluderen dat het separatisme van vandaag geen gevaar is voor de Vlamingen zoals dat van 1830 geen gevaar was voor de Belgen. Ik zou er echter twee andere reflecties willen aan vastknopen.

Ten eerste: een gevaar voor een land. Ik kan me moeilijk voorstellen dat di Rupo bedoelde dat het separatisme een gevaar is voor het land in de zin van het grondgebied, de weiden als wiegende zeeën, de vlakten der heide, de dorpen en steden, de stromen, welige velden en wouden. Is het separatisme een natuurramp, die overstromingen veroorzaakt, een klimaatcatastrofe, een aardbeving ? Of is het een kracht die dorpen en steden vernielt en ons materieel erfgoed, zoals de oorlog heeft gedaan, maar meer nog de naoorlogse architecten en bouwpromotoren ? Die ons leefmilieu vernietigt ?  Dat het separatisme een gevaar voor het land wordt genoemd wijst integendeel op een perverse verwarring tussen een land, die eeuwige voedingsbodem voor mensen en volkeren ongeacht de politieke structuren, en een politiek regime of staatsstructuur. De eerste blijft heus wel liggen wanneer de tweede verdwijnt. Natuurlijk mag men rustig discussiëren over de vraag welke politieke structuur beter is voor welvaart en welzijn van de bewoners van dat land, van die streken, dropen en steden, en die discussie wordt in dit blad al vele jaren gevoerd. Wat di Rupo doet, is echter precies die discussie kortsluiten, uitschakelen, door als axioma voorop te stellen dat een opsplitsing van de staat per definitie nadelig is voor het welzijn van de bewoners - of moet ik zeggen onderdanen -.

Ten tweede: wat schuilt achter het "ons" van di Rupo. Men verwijt Vlaams-nationalisten – meestal ten onrechte – dat zij enkel hun eigen soort als Vlamingen zouden beschouwen. Kan men hier niet hetzelfde zeggen. Van wie is dat land dan wel, wanneer de regering niet eens een meerderheid heeft in Vlaanderen ? Is het land enkel van diegenen die de huidige staatsstructuur wensen te behouden ? Reeds in drie periodes in de geschiedenis van deze staat werden burgers die hierover anders dachten inderdaad door de eigen overheid (en niet slechts door een bezetter) van hun burgerrechten beroofd. Daarvan wil ik di Rupo niet verdenken, maar ook vandaag geldt toch dat wij te vaak naar het woord van Ludo Abicht, slechts vertaalde medeburgers zijn (1), die in een slecht vertaald Nederlands geregeerd worden. Zeggen dat het separatisme een gevaar is voor ons land hanteert nog steeds een ons dat geen recht wil doen aan een geëmancipeerd Vlaanderen.

Op dit punt is er overigens niets nieuws onder de zon: precies honderd jaar gelden schreef de Henegouwse volksvertegenwoordiger Emile Buisset in de Revue de Belgique in zijn bijdrage "Le Français, langue nationale de la Belgique"(1) een hoofdstukje onder de titel "Le Flamingantisme. Péril national" ...



(1)  L. ABICHT, De herinnering is een vorm van hoop, p. 21

(2) 45. Revue de Belgique nr. 18 van 15 september 1913, p. 71 v.







vrijdag, november 09, 2012

Het voorstel voor een Handvest voor Vlaanderen: een testimonium paupertatis ?


1. De erkenning van fundamentele vrijheden en regels om die vrijheden te waarborgen, op de eerste plaats tegen de overheid, zijn een van de essentiële, indien niet het meest essentiële bestanddeel van een “freiheitlich-demokratische Grundordnung”, zoals de Duitsers dat zo mooi zeggen. In de loop der geschiedenis heeft die erkenning diverse vormen aangenomen, grofweg van de erkenning ervan in een handvest of charter zoals dat van Kortenberg, dit jaar 700 jaar geleden of de Magna Carta van 1215, tot de erkenning ervan in een grondwet die een volk zichzelf geeft. Vanuit democratisch oogpunt is er natuurlijk een groot verschil tussen het door een vorst octroyeren van vrijheden in een charter en de handeling waarmee een volk zichzelf, al dan niet via haar volksvertegenwoordigers, een grondwet geeft.

Zo begint het Duitse Grundgesetz onder meer met de zin: 
     “das Deutsche Volk hat sich kraft seiner verfassungsgebenden Gewalt dieses Grundgesetz gegeben”. 
Nog een stuk mooier is de preambule van de Zwitserse Bundesverfassung: 
    “Im Namen Gottes des Allmächtigen! Das Schweizervolk und die Kantone, in der Verantwortung gegenüber der Schöpfung, im Bestreben, den Bund zu erneuern, um Freiheit und Demokratie, Unabhängigkeit und Frieden in Solidarität und Offenheit gegenüber der Welt zu stärken, im Willen, in gegenseitiger Rücksichtnahme und Achtung ihre Vielfalt in der Einheit zu leben, im Bewusstsein der gemeinsamen Errungenschaften und der Verantwortung gegenüber den künftigen Generationen, gewiss, dass frei nur ist, wer seine Freiheit gebraucht, und dass die Stärke des Volkes sich misst am Wohl der Schwachen, geben sich folgende Verfassung”.

Het Vlaamse volk is jammer genoeg nog niet in staat zichzelf een grondwet te geven. Daartoe moet immers ofwel Vlaanderen buiten het kader van de Belgische Grondwet treden ofwel een fundamentele omvorming van die Grondwet bekomen. Heeft het zin om dan als deelstaat die geen constitutieve autonomie heeft op het gebied van de fundamentele rechten en vrijheden dan maar een Ersatzdocument op te stellen in de vorm van een “resolutie” onder de naam “Handvest voor Vlaanderen”? Heeft dat zin wanneer men bovendien op geen enkele wijze de inhoud daarvan wil bepalen, maar enkel maar een verklaring van vazalliteit kan afleggen door overname van wat op een hoger niveau gedicteerd wordt ? Sta me toe om daarover in een hommage aan een collega die nooit een vazal is geweest mijn twijfels te uiten.

2. Naar aanleiding van het Feest van de Vlaamse gemeenschap op 11 juli 2011 publiceerde de partij van de Vlaamse Minister-president een brochure onder de titel “Vlaanderen deelstaat van België”[1] met daarin een voorstel van resolutie van het Vlaams Parlement (hierna ook “Voorstel” genoemd) waarvan de inhoud luidt dat het Parlement “de bijgevoegde tekst van “Handvest voor Vlaanderen” als basisdocument voor Vlaanderen voor(stelt)”. Dat “Handvest” bestaat uit een lange preambule die nergens ook maar iets van de kracht van de Zwitserse of Duitse vertoont, en 120 artikelen. Die 120 artikelen zouden moeten “bepalen waar Vlaanderen voor staat en welke de rechten en vrijheden zijn die in de Vlaamse samenleving gewaarborgd worden”, maar zij zijn letterlijk overgenomen uit de Belgische Grondwet en het Charter van Grondrechten van de Europese Unie.

3. Vanuit juridisch oogpunt is een dergelijke resolutie een draak. De tekst beweert een “belangrijk politiek engagement” te vormen. Een engagement van wie ? Van het Vlaams Parlement, of van de partijen die de resolutie stemmen ? Verschilt dat dan van een partij- of verkiezingsprogramma dat ook politieke engagementen bevat ? Een resolutie kan op elk ogenblik gewijzigd worden door het Parlement – of erger: hoeft zelfs niet gewijzigd te worden opdat men een andere keer het tegenovergestelde zou stellen of doen, aangezien een resolutie geen enkele rechtskracht heeft. Men maakt Vlaanderen als politieke gemeenschap en als rechtsstaat belachelijk door de grondslag ervan in een document zonder enige rechtskracht te leggen.

4. De bedoeling lijkt te zijn om in het buitenland, en jegens de Europese instellingen, het “blazoen op te poetsen”. Nog afgezien van het feit dat men blijkbaar het blazoen als vazal voor zijn Europese soeverein wil oppoetsen, geschiedt datgene wat men hier beoogt niet door ronkende verklaringen af te leggen, maar enerzijds door bindende instrumenten vast te stellen in de geëigende rechtsvorm (Grondwet, decreten, ratificaties) en anderzijds door het beleid dat men concreet voert (waaronder ook de concrete toepassing of realisatie van de beginselen die men vooropstelt, en met name van de grondvrijheden). Herinneren we ons niet meer dat de grondwet die op papier de meest schitterende bescherming van rechten en vrijheden inhield de Sovjet-Grondwet was ?

Weliswaar zou men concrete decreten en handelingen van de Vlaamse overheid inderdaad kunnen toetsen en afmeten aan zo’n beginselverklaring, maar aangezien die beginselverklaring beweert enkel beginselen te bevatten die reeds geldend recht zijn, worden de decreten en handelingen in geval van betwisting nu reeds getoetst aan die hogere normen. Dat gebeurt – en moet gebeuren - door de organen die daarvoor bevoegd zijn, nl. de rechtscolleges (en voor decreten op de eerste plaats door het Vlaams Parlement zelf, en subsidiair door het Grondwettelijk Hof), al dan niet aangevuld met een bevoegdheid, zoals in Skandinavië, voor ambtenaren om zelfstandig lagere normen buiten toepassing te laten als ze strijdig zijn met hogere normen – een beginsel dat bij ons traditioneel niet wordt aanvaard.

5. Als het erom gaat duidelijk te stellen dat de Vlaamse overheid er zich toe engageert ook bepaalde op een ander niveau vastgestelde grondrechtencatalogi te respecteren, kan dat beter gebeuren door art. 8 tot 58 van het Voorstel te vervangen door één enkele zin, zoals:
Vlaanderen erkent en beschermt binnen de hem toekomende bevoegdheden de rechten en vrijheden bepaald in de federale Grondwet en in de internationale Verdragen waarbij Vlaanderen rechtstreeks of onrechtstreeks partij is en waarmee het bevoegde parlement heeft ingestemd”.

Los van het feit dat het geheel misplaatst is om te spreken van “ambitie” wanneer die er enkel in lijkt te bestaan om een akte van geloof af teleggen in normen aan de totstandkoming waarvan men niet heeft mogen participeren en niet om zichzelf een grondwet te geven, of minstens eigen accenten te leggen, is het ook simplistisch te denken dat men door het cumulatief overnemen en in elkaar schuiven van de bepalingen inzake rechten en vrijheden van de Belgische Grondwet en het Handvest van grondrechten van de EU een getrouw beeld geeft van het geheel van de voor Vlaanderen op dit ogenblik bindende bepalingen inzake mensenrechten. Dergelijke bindende bepalingen vinden we immers onder meer ook in het EVRM, alsmede in andere geratificeerde instrumenten zoals het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, het Verdrag inzake rassendicriminatie (mét de voorbehouden die België heeft gemaakt inzake vrijheid van meningsuiting natuurlijk). Ook vanuit een pedagogisch oogmerk (in één document samenbrengen wat nu reeds geldt doch verspreid is over vele documenten) is dit een miskleun.

6. Bovendien is precies de keuze voor het EU-Handvest nu net de verkeerde keuze. Immers, het EU-Handvest bevat de rechten die de Unie erkent en handhaaft binnen haar bevoegdheidsdomein en heeft dus een heel ander statuut dan bv. het Europees verdrag voor de rechten van de Mens dat bepalingen inhoudt die betrekking hebben op de hele rechtsorde van de verdragspartijen, zowel de federale bevoegdheidsdomeinen als de deelstatelijke domeinen. Art. 6 van het VEU (Verdrag Europese Unie) bepaalt immers dat “De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen”. Het gaat dus om regels die énkel gelden voor enerzijds de Unie,  en anderzijds de lidstaten en hun deelstaten voor zover zij handelen in de omzetting of de uitvoering van het Europees recht. Daarbuiten hebben de bepalingen van het EU-Handvest in Vlaanderen géén rechtskracht. Weliswaar proberen sommige instanties op sluipende wijze dit Handvest te laten gelden in materies waar de EU niet bevoegd is, maar dat zou juist een reden moeten zijn om aan die sluipende centralsiering juist niet mee te doen. De bepalingen van het EVRM daarentegen en van andere geratificeerde verdragen (waarvan hoger enkele genoemd zijn) hebben wél rechtskracht in Vlaanderen maar zijn desondanks niet opgenomen in het voorstel. Men kan bedenkingen hebben bij de interpretatie van het EVRM door het Hof in Straatsburg, maar de overname daarvan houdt in ieder geval een minder grote afstand van autonomie in.

Waar de bepalingen van het EU-Handvest vérder gaan dan die van het EVRM en de Belgische grondwet, gaat het om rechten die de lege lata enkel gelden binnen het bevoegdheidsdomein van de Unie. Die rechten ook intern volledig laten gelden is een ideologische keuze die me  in dit document “stoemelings” maakt en die helemaal niet evident is en noch veel minder apolitiek zoals men beweert. Het is een belangrijke inperking van de democratie om het Vlaams Parlement impliciet het recht te ontzeggen om op domeinen waar Vlaanderen bevoegd is en niet de Europese Unie, het Vlaams Parlement te verplichten om dezelfde grondbeginselen te hanteren die geschreven werden voor de activiteiten van de EU binnen het bevoegdheidsdomein van de EU.

7. Dat het EU-Handvest een verkeerde keuze is blijkt ook duidelijk uit een reeks bepalingen die door de auteurs van het Voorstel zeer secuur mee zijn overgenomen, maar waarvan een opname in een Vlaamse Grondwet bijzonder betwistbaar is, en in ieder geval een heel andere inhoud geeft aan dezelfde woorden. Dat geldt in het bijzonder voor art. 46 van het voorgestelde Handvest: “Vlaanderen eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”. Dit heeft een totaal andere inhoud dan de bepaling waaruit dit gekopieerd is, nl. “De Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”. Dat laatste ligt in de lijn van art. 3 VEU: “De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed” en art. 4 lid 2 VEU: “De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur”. Maar het is natuurlijk iets heel anders om in een grondwet van de Unie te bepalen dat de Unie de meertaligheid van de Unie erkent, dan wel in een Vlaamse grondwet te schrijven dat Vlaanderen de meertaligheid van Vlaanderen erkent .....

Men kan de zaak ook niet rechttrekken door gewoon die bepalingen eruit te gooien, want dan moet men er eigenlijke alle bepalingen uitgooien die geen betrekking hebben op Vlaamse bevoegdheden en waar de federale overheid exclusief bevoegd is om op te treden.

8. Ook bij andere bepalingen is het resultaat vrij onzinnig; ik geef alvast twee voorbeelden.

Een eerste voorbeeld is de omzetting van art. 9 EU-Handvest in art. 22 Voorstel: Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens het geldend recht dat de uitoefening van deze rechten beheerst.” Deze tekst is onbegrijpelijk. Ik zie natuurlijk wel dat men geprobeerd heeft iets te doen met art. 9 Handvest: “Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen”, maar die omzetting is krakkemikkig en betekenisloos. Welke juridische inhoud en draagwijdte heeft het voor Vlaanderen dat in zijn “Handvest” zo’n regel staat ? Dan had men beter art. 23 van het BuPo-Verdrag overgenomen, dat evenens bindend is voor Vlaanderen, en het volgende bepaalt:
“1.Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.
2. Het recht van mannen en vrouwen van huwbare leeftijd een huwelijk aan te gaan en een gezin te stichten wordt erkend.
3. Geen huwelijk wordt gesloten zonder de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen”.
Of maakt men ook hier stoemelings ideologische keuzes door het rechtskrachtige art. 23 BuPO niét over te nemen ?

Het tweede voorbeeld is de omzetting van art. 16 EU-Handvest in art. 42 Voorstel: “De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het geldende recht”. Dit is opnieuw juridisch nietszeggend. Het geldende recht is per definitie recht dat geldt en erkend wordt. Zeggen dat het geldende recht geldt of erkend wordt is dus een zinloze uitspraak. Zeggen dat men iets maar erkent voor zover het geldend recht is, is nietszeggend.

9. Een ander fundamenteel probleem dat zich voordoet, en zich evenzeer zou voordoen indien  men ervoor zou kiezen in plaats van het EU-Handvest het EVRM als uitgangspunt te nemen, is dat geen recht wordt gedaan aan de aparte rol en positie die enerzijds de bepalingen uit de Grondwet en anderzijds die uit supranationale verdragen innemen in de rechtsorde. De verhouding tussen een Grondwet en een internationaal menserechtenverdrag kan niet zomaar een optelsom worden gevat.

Ten eerste is er onbetwist het beginsel dat wanneer de Grondwet een hogere bescherming biedt van bepaalde rechten, daaraan géén afbreuk wordt gedaan door het EVRM of het EU handvest. Dat staat ook te lezen in  art. 53 EU-Handvest, dat men poogt om te zetten in art. 57 Vlaams Voorstel. Dat art. 57 nu stelt: “Geen enkele bepaling uit dit Handvest kan afbreuk doen aan de bescherming van de grondrechten, zoals die bepaald is in de federale Grondwet en in de voor Vlaanderen bindende internationale verdragen.” Maar dat staat in een tekst waarin men tegelijkertijd alle bepalingen uit die federale grondwet (alsook die uit het EU-Handvest) gekopieerd heeft – en waarbij uit de tekst niet blijkt welke bepalingen uit die grondwet afkomstig zijn en dus een hoger beschermingsniveau kunnen bieden.

Nog erger is dat men in art. 56 lid 2 Voorstel schrijft: “Voor zover deze titel rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van Vlaanderen een ruimere bescherming biedt.” De combinatie van de eerste en tweede zin is niet werkbaar, want men heeft geen Vlaamse Grondwet die een ruimere bescherming zou kunnen bieden en men heeft de bepalingen uit de Belgische Grondwet die een hogere bescherming kunnen bieden net op gelijke voet geplaatst als de andere in dit Voorstel, en daarmee dus ook onderworpen aan de interpretatieregel van art. 56 lid 2 – d.w.z. dat de verderreikende rechten in de Belgische grondwet op de eerste plaats moeten uitgelegd worden op het mogelijks lagere niveau van het EVRM !

10. Laat me enkele voorbeelden geven waarbij dit Voorstel dus een inperking van grondrechten zou betekenen, omdat het beschermingsniveauvan het EU-Handvest m.i. lager ligt dan dat van de Belgische Grondwet:
a) de godsdienstvrijheid: de vrijheid van interne organisatie van religieuze gemeenschappen is enkel door de grondwet gewaarborgd;
b) de vrijheid van onderwijs is in de Grondwet veel ruimer dan in het EVRM of het EU-Handvest;
c) de specifieke waarborgen voor de vrijheid van meningsuiting in art. 25 Grondwet (verbod van censuur en andere preventieve maatregelen, cascade-immuniteit, recht op een jury) ontbreken in het EVRM en het EU-Handvest. Het recht op een jury ontbreekt overigens ook in het Voorstel !
d) de vrijheid van vreedzame vergadering is in de Belgische Grondwet een stuk sterker dan in het EVRM, het EU-handvest en in dit Voorstel;
e) de vrijheid van vereniging is in de Belgische Grondwet een stuk sterker dan in het EVRM en het EU-Handvest  en is in art. 25 a van het Voorstel zelfs sterk afgezwakt vergeleken met de Grondwet ! Zo worden in art. 25 a de beperkingen op de vrijheid van vergadering ook toepasselijk verklaard op de vrijheid van vereniging ! De Grondwet daarentegen verbiedt elke preventieve maatregel inzake vrijheid van vereniging.

11. Hierbij moet men bedenken dat zeer vele conflicten tussen grondrechten onderling niét kunnen worden opgelost door middel van het beginsel dat men voorrang geeft aan het hoogste beschermingsniveau. Bij een conflict tussen grondrechten betekent een hogere bescherming voor het ene recht juist bijna altijd een inperking van het andere recht. Door alle rechten op gelijke voet op te nemen ongeacht of ze uit de Grondwet komen dan wel uit het EU-Handvest of een ander internationaal instrument, vermindert men dus noodzakelijk de bescherming van die rechten die in de Belgische grondwet juist sterker worden beschermd, zoals met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging, godsdienst en onderwijs. Dit in elkaar schuiven van teksten is dus ideologisch allesbehalve neutraal maar een inperking van de klassieke vrijheidsrechten ten gunste van andere ideologische opvattingen.

12. Nog erger is dat men in de tekst ook enkele bepalingen uit het EU-Handvest heeft overgenomen die niet alleen indruisen tegen de Belgische Grondwet, maar zelfs een hele reeks vrijheden zeer zwaar inperken. Met name de opname van art. 54 EU-Handvest in art. 58 van het voorstel is onaanvaardbaar. Deze bepaling, waarvoor terecht niets gelijkaardigs is te vinden in de Belgische Grondwet (noch bv. in de Duitse en al zeker niet in de Amerikaanse), luidt in het Voorstel: 
   “Geen van de bepalingen uit deze titel mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten met als doel de in deze titel erkende rechten en vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door deze titel is toegestaan.“

De gevolgen zijn drastisch. Dat betekent immers bijvoorbeeld dat de vrijheid van meningsuiting niét het recht inhoudt om te ageren voor een verdere beperking van een van de in de cataloog opgenomen grondrechten. Wanneer men deze tekst aanneemt heeft men dus bv. niét het recht om ervoor te pleiten dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon (art. 30 c Voorstel) geen grondrecht meer zou zijn. Wanneer men deze tekst aanneemt, heb ik niet meer de vrijheid van meninsguiting om te stellen dat de overheid zich wél mag moeien met de benoeming van de “bedienaren van de eredienst” (bv. ook imams) (art. 23 c Voorstel), dat de openbare scholen géén keuze moeten aanbieden tussen een der erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer (art. 27 a lid 4 Voorstel), dat het leerplichtonderwijs niet kosteloos moet zijn (art. 27 c lid 1 Voorstel), dat de “morele of religieuze opvoeding” niet te laste van de gemeenschap moet zijn (art 27 c lid 2 Voorstel), dat er beperkingen zouden moeten kunnen zijn aan het recht van EU-burgers om hier werk te zoeken of diensten te verrichten (art. 30 b Voorstel), dat arbeidsbemiddeling niet kosteloos zou moeten zijn (art. 33 Voorstel), dat intellectuele eigendom niet moet beschermd worden (art. 43 b Voorstel), dat het stemrecht voor EU-burgers uit andere lidstaten moet worden afgeschaft (art. 45 lid 1 Voorstel), dat het discriminatieverbod tussen burgers onderling moet worden afgeschaft (art. 15 Voorstel), dat Vlaanderen géén taalverscheidenheid moet respecteren (art. 46 Voorstel). Willen we echt het uiten van al die meningen verbieden ??

13. Enkele van de belangrijkste grondrechten ontbreken totaal, nl. omzeggens alle grondrechten die met rechtsbescherming door de rechter te maken hebben. De Belgische Grondwet omvat in dit verband veel meer waarborgen dan enkel maar wat in art. 19 van het Voorstel is opgenomen.

14. Een andere zwakheid die uit de gekozen ineenschuiftechniek volgt, is dat in een hele reeks artikelen wordt gesproken van een regeling door de “wetgevende macht” in plaats van “bij wet” c.q. ”decreet”. Dit is problematisch om 2 redenen:
- ten eerste vanuit de functie van een grondwet of handvest: een grondwet dient om de bevoegdheden en de beperkingen daaraan te bepalen van de entiteit waarvoor het een grondwet is; iets zeggen over de bevoegdheidsverdeling tussen de machten in een andere entiteit is ultra vires en geheel misplaatst in een grondwet. Hetzelfde geldt voor deze in een resolutie verstopte pseudo-grondwet.
- in vele bepalingen die overgenomen werden betekent de uitdrukking “bij wet” veel meer en ook ten dele iets anders dan “door de wetgevende macht”. Wanneer een instrument zegt dan een grondrecht enkel “bij wet” kan worden beperkt, betekent dit dat dit moet gebeuren door middel van een algemeen geldende regel (wet in materiële zin) die kenbaar is voor de burger en rechtszekerheid biedt. Die vereisten gaan volledig verloren als men “bij wet” vervangt door “door de wetgevende macht”. Door die wijziging zou het Parlement bv. een massa “Individualgesetze” kunnen vellen, decreten voor individuele personen of gevallen.

15. Meer algemeen zie ik het nut niet in van een niet-bindend document dat niets anders doet dan bepalingen kopiëren uit bindende documenten, waarbij men in de overgrote meerderheid van de gevallen ook niet eens de bevoegdheid heeft om die bepalingen zelf vast te stellen.

Ik kan wel het nut inzien van een ontwerp voor een Vlaamse grondwet zoals die er zou kunnen uitzien na de onafhankelijkheid van Vlaanderen, of na de omvorming van België tot confederatie (of zelfs maar na de uitvoering van de 5 resoluties van het Vlaams Parlement uit 1999). Maar als Vlaams Parlement eerst (in 1999, maar toch herbevestigd en nooit herroepen) een reeks resoluties stemmen die belangrijke hervormingen en bevoegdheidsoverdrachten opeisen en nadien een resolutie stemmen waarbij men zich “plechtig engageert” om binnen de nu bestaande Belgische Grondwet te blijven is als een hond die met de staart tussen de benen afdruipt.

Het huidige voorstel is het volkomen tegendeel van een volk dat zichzelf een grondwet geeft; het is een karikatuur van een Grondwet. Immers, de inhoud is helemaal niet autonoom bepaald, maar volledig heteronoom. Dat wordt gemotiveerd met de overweging dat het een “belangrijk politiek signaal” is dat erin bestaat dat Vlaanderen “de eerste deelstaat (zou zijn)  die het Handvest van de Grondrechten van de EU als referentiekader erkent en opneemt in zijn beleidskader”. De keuze voor dat Europees Handvest zou een apolitieke keuze zijn, en de politieke keuzes overstijgen die in de vroegere voorstellen in verband met een Vlaamse grondwet in het Vlaams Parlement voorkomen. Ik meen hierboven te hebben aangetoond dat het document uitermate ideologische keuzes bevat, en dat die keuzes niet in de lijn liggen van de klassieke vrijheidsrechten.

Kortom, in plaats van symbool te staan voor de autonomie van Vlaanderen, staat zo’n Handvest symbool voor vazalliteit. Misschien is het daarom dat het handvest heet zoals de door vorsten geoctroyeerde charters en geen grondwet. In plaats van de uitdrukking te zijn van eigen politieke keuzes, is het uitdrukking van de onmacht om zelf politieke keuzes te maken. Een testimonium paupertatis.



[1] http://nieuwsbrief.cdenv.be/sites/cdenv/files/boekje_vlaanderen_web1.pdf, intussen licht gewijzigd in de vorm van een ontwerp-resolutie voor het Vlaams Parlement d.d. 30 mei 2012, http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2011-2012/g1643-1.pdf.  Zie ook de toelichting “Meerwaarde van het handvest voor Vlaanderen”, http://www.politics.be/persmededelingen/29778 en de parlementaire fiche op http://www.vlaamsparlement.be/Proteus5/showParlInitiatief.action?id=672430.


Deze tekst verscheen in J. DE MOT & B. DEPOORTER (red.), Liber amicorum Boudewijn Bouckaert, die Keure Brugge / U. Gent oktober 2012.

woensdag, oktober 31, 2012

De EU als hoofdoorzaak van het separatisme



 Een referendum over de onafhankelijkheid van Schotland in 2014, vervroegde verkiezingen in Catalonië die uitdrukkelijk de onafhankelijkheid tot thema hebben. Na het uiteenvallen van de multinationale landen in Europa buiten de Europese Unie lijkt er ook schot te komen in hetzelfde fenomeen bij de resterende multinationale staten binnen die EU. 

Het zal ons dus niet verwonderen als binnenkort ook het gehoon en gehuil weer luider wordt dat deze landen net zoals Vlaanderen hobbitiseren, en dat het om een tegennatuurlijke tendens zou gaan, die ingaat tegen de Europese gedachte en richting van de geschiedenis. Nochtans leidt een nuchtere analyse van de beweegredenen en het succes van deze separatistische bewegingen m.i. tot de volgende conclusie: het proces van Europese integratie is wellicht de hoofdoorzaak van dit separatisme. En om het in modieuze termen te zeggen: Europa is zowel de push als de pull-factor van het separatisme. Of anders gezegd: enerzijds heeft de Europese integratie de belangrijkste argumenten tegen het opsplitsen van België en tutti quanti tenietgedaan, anderzijds maakt de Europese Unie de opsplitsing juist omzeggens noodzakelijk.

Wat waren de belangrijkste argumenten tegen opsplitsing ? Dat men nieuwe grenzen zou scheppen, en dat toch niet opgaat om het vrij verkeer van personen of diensten tussen Vlaanderen en Wallonië (of Engeland en Schotland) te gaan hinderen door nieuwe grenzen. De europese integratie heeft het belang van de grezen tussen de lidstaten sterk verminderd; het zijn precies de nadelige effecten van staatsgrenzen die grotendeels zijn afgebouwd, terwijl de positieve betekenis van staatsgrenzen bij de natiestaten in Europa daarbij toch minstens ten dele is behouden.

Omgekeerd is de Europese Unie politiek zo belangrijk geworden en heeft zij zoveel zeggenschap over interne aangelegenheden dat het voor een volk van wezenlijk belang is om inspraak te geven in de Unie. En de enige manier om als volk echt inspraak te hebben, is nu eenmaal ervoor te zorgen dat men een lidstaat is, en niet zomaar ergens een onvolwaardig onderdeel van een lidstaat. Vlaanderen en Wallonië hebben geen stemrecht in Europa, en waar al eens een deelstaatminister aan tafel mag zitten mag hij of zij enkel meestemmen wanneer het daarbij het "Belgische" standpunt wordt vertegenwoordigd. Zijn Vlaanderen en Wallonië het oneens, dan heeft geen van beide stemrecht.

In dit licht is het juist de ontwikkeling in Schotland en Catalonië die de natuurlijke gang van zaken is. En zoals onze lezers wel weten, hebben de Vlamingen, die in het Belgische carcan nog veel meer onder culturele en economische druk worden gezet, minstens zoveel redenen om dat voorbeeld te volgen.
 
Locations of visitors to this page