woensdag, maart 06, 2019

Neen, de taal(wet)strijd is niet voorbij

Het is bon ton om te beweren dat de strijd voor taalwetgeving niet meer actueel is, omdat enerzijds al wat de Nederlandstaligen in dat opzicht nodig hebben intussen al vele jaren is gerealiseerd, en anderzijds het Nederlands sterk genoeg zou staan om geen taalwetgeving nodig te hebben. Minstens het eerste lijkt alvast onjuist te zijn. Of liever: de verworvenheden van de taalwetgeving worden steeds meer op de helling gezet. In een aantal gevallen is dat door de kortzichtigheid van de Vlamingen. De verengelsing van het onderwijs is iets wat onze academici zelf organiseren, en door het Vlaams parlement, of toch sommige facties erin, wordt afgeremd. De taalwet in gerechtszaken, monument van de Vlaamse ontvoogding, werd in 2018 op ontwerp van justitieminister Geens “gerelativeerd”, misbruik makend van de commotie rond een of andere “procedurefout”, en de federale volksvertegenwoordigers zijn braaf gevolgd (1). Als gevolg daarvan kunnen procespartijen in beginsel in gelijk welke taal handelingen stellen in een procedure, zolang er niet een andere procespartij is die kan aantonen benadeeld te zijn. De rechter zou niet mogen ingrijpen - gelukkig zijn er nog rechters met de juiste reflexen die daartegen ingaan, en hierover volgt later dit jaar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Een heel stuk gevaarlijker - omdat ze niet door middel van een meerderheid in het eigen parlement kunnen worden teruggedraaid, zijn de aanvallen vanuit de Europese instellingen. Al vele jaren bestookt men ons vanuit de Raad van Europa om het Minderhedenverdrag te ratificeren. Dat is een draak van een tekst, zowel omdat er geen coherente visie achter zit of toch geen visie die rekening wil houden met de integriteit die kleinere cultuur- en taalgemeenschappen nodig hebben, als omdat het bijzonder onduidelijk is welke verplichtingen men precies aangaat door ratificatie. Dat laatste zet de deur open voor het mechanisme van “levende interpretatie” door nationale of supranationale rechters waarmee allerlei nieuwe verplichtingen worden opgelegd die helemaal niet werden beoogd bij ratificatie. Anders dan bij talloze andere verdragen of “instrumenten” (zie mijn vorige column “Het net waarin men democratieën vangt”), hebben de Vlamingen hier gelukkig wel steeds het gevaar gezien. 

Vanuit het Europees Parlement is zopas een nieuwe aanval ingezet op het territorialiteitsbeginsel. In het kader van de samenwerking op het gebied van justitie heeft de EU in 2007 een verordening uitgevaardigd (Vo. 1393/2007, voortbouwend op een oudere Verordening) betreffende de grensoverschrijdenden kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten (3). Deze Verordening bepaalt ook in welke taal een akte, zoals bijvoorbeeld een dagvaarding, moet worden ter kennis gebracht. In de huidige versie van deze regelgeving kan de bestemmeling de akte enkel weigeren indien deze niet gesteld is in een taal die hij begrijpt noch in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van kennisgeving. Destijds hebben wij er goed op gelet dat territorialiteitsbeginsel hierbij een doorslaggevend belang behoudt: het is in onze Gewesten niet voldoende dat in een andere officiële taal van België wordt kennisgegeven, als dat niet de officiële taal van dat Gewest is. Wie zich ergens vestigt, moet er ook voor zorgen dat hij in de taal van die plaats kan worden aangesproken. Of zoals een oude Duitse rechtsspreuk stelt: Wo sich der Esel wälzt, da muss er Haare lassen. Maar neen, op 13 februari heeft een grote meerderheid van het Europees Parlement – tegen het voorstel van de Europese Commissie in - beslist dat in de nieuwe versie van deze Verordening moet staan dat men een akte in de officiële taal van de plaats kan weigeren wanneer men die individueel niet begrijpt (vanuit België stemde enkel de N-VA tegen) (4). Dit komt er opnieuw op neer dat men privilegies toekent aan wie zich niet integreert door de taal te kennen van de plaats waar men woont. En opnieuw is de eerbied van de Europese Unie voor “constitutionele identiteit” van ons land niet te bespeuren. De “Raad” zou dit nog kunnen tegenhouden, maar dit veronderstelt dat de federale regering daar het been stijf houdt en voldoende bondgenoten vindt, terwijl diezelfde regeringspartijen in het Europees Parlement voor deze aanval op het territorialiteitsbeginsel hebben gestemd … O Nederlands, let op uw saeck!

(1) Wijziging van artikel 40 Taalwet gerechtszaken door artikel 5 van de Wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde van 25 mei 2018, Belgisch Staatsblad 30 mei 2018
(2) Zie bv. mijn redevoering "Wat is er mis aan het minderhedenverdrag", Toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw 2005 aan Leo Peeters en de burgemeesters van Halle-Vilvoorde (20 maart 2005), op http://storme.be/StormeredeVlaamseleeuw2005.pdf, ook in Het Verbond, april 2005, 2-9.




donderdag, januari 31, 2019

A Call for Modesty and Comity

(Editorial European Review of Private law 2019 no. 1)

In this first issue of the 27th volume, we deal mainly with contract & consumer law and the eternal tension between national diversity and uniformization. But other recent events also oblige us to reflect on this tension more generally. Comparative law is the study of similarities and differences in law; it may lead to the conclusion that different nations, regions or communities reach the same result through different ways, but also that problems can be tackled with really different solutions, sometimes hidden under appearances of similarity. One of the most important things it teaches us is a sense of pluralism and a form of modesty. Not that comparative law necessarily implies some form of non-judgmentalism and forbids us to evaluate different rules and solutions and deem some better than others – or at least better for a given society where a solution is more appropriate than another, without imposing it on others. Jeder soll nach seiner Fasson selig werden, as Frederick the Great taught us, but every comparatist may evaluate these different ways to salvation. International private law is by its very nature accepting this pluralism and accepts, at least within certain limits, the application of the rules of other legal orders and promotes different forms of cooperation between these orders. Whatever the precise positive meaning of role of comitas gentium may be (see the contribution of Schultz and Mitchenson in issue 3 of the ERPL of 2018), the general idea of comity is the essence of international private law. It is a central idea of modern conflict of law doctrine that courts apply and interpret foreign law when its application is indicated by their conflict of laws rules. It is an equally central feature of contemporary international private law that courts of one jur- isdiction recognize and enforce decisions by courts of another jurisdiction, even if those courts interpret the law of the first juridiction – and this however good, bad or ugly’ the interpretation is (to quote judge Elena Kagan in a Supreme Court decision on recognition of arbitral awards, Oxford Health Plan v. Sutter).

However, this idea of comity seems increasingly suppressed in the European Union. When the Rome Convention on the law applicable to contractual obliga- tions was converted in a Regulation, the possibility to apply foreign mandatory rules out of respect for what another country regards crucial to safeguard its public interests, was strictly limited (in Art. 9 para. 3). Most EU countries reject ex antethe choice of a foreign court unless it is clear that such court is bound to apply the first countrys overriding mandatory provisions (see e.g. the Virginia agency case, BGH 5 September 2012) whereas American law shows more comity. The rejection even amounts to paranoia in several opinions and decisions of the ECJ in recent years, in which it tries to assert an absolute monopoly on the interpretation of EU law: in Opinion 2/13, the ECJ rejected an accession of the EU to the European Convention in Human Rights; in C-62/14, the dialogue with the German Constitutional Court was laughed away (Gauweiler OMT-case); in C-284/16 (Achmea v. Slovakia) the ECJ rejected Investment arbitration where an EU Member State is involved; in C-619/18R (Commission/Poland), the fact that Polish Courts also apply EU law has been abused to dictate a coup détat on Poland, treating the Polish Constitution as a rag-paper. In all these cases, the idea that other institutions may ever have a different interpretation of EU law seems unbearable for the Court. EU law first’ seems to overtrump America first. Rather than this entrenchment in unassailability, not unsurprisingly leading to forms of counter-entrenchment as Brexit, we need a renewed sense of comity, dialogue between judicial and parliamentary institutions, and acceptance of the idea that in fundamental questions no single institution should have the last word.

Let the reader meanwhile enjoy the contributions on the notion of consumer contracts, information duties in consumer contracts, remedies for inequality on contracts, enforcement of consumer law, new trends in the regulation of the legal profession, and on extraterritorial jurisdiction on merger control (dealing i.a. with comity as an appropriate instrument to balance jurisdiction).

Matthias E. Storme Co-editor in Chief

Staatsgreep in Polen door het Hof van Justitie

Uit een interview in de Juristenkrant nr. 381 (januari 2019), p. 7 door bart Nelissen en Wouter Suenens over HvJ C-619/18 R 17 december 2018 - Commissie t. Polen(1)

Volgens Storme kadert de ordonnantie veelal in een uitgesproken intolerant, en homogeniserend beleid vanwege het Hof: ‘Het betreft hier een voorbeeld van unbegrenzte Auslegung, met een knipoog naar het boek van B. Ruthers. Vanuit het feit dat de Poolse gerechten ook EU-recht moeten toepassen, leidt men immers af dat het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om alle Poolse wetten ter- zijde te stellen die zouden maken dat volgens het Hof de Poolse rechtbanken niet meer on- partijdig zouden zijn samengesteld. Voorts ziet men de verlaging van de pensioenleeftijd als een dusdanige aantasting van de onafhankelijkheid van gerechten dat Polen daarmee prima facie - we zijn in kort geding - het EU-recht zou schenden. Vervolgens eigent het Hof zich het recht toe om Polen te verplichten al die rechters ‘voorlopig’ terug in dienst te nemen en Polen te verbieden nieuwe rechters te benoemen, én eigent het Hof zich het recht toe Polen te verplichten daarover maandelijks verslag uit te brengen. Dat alles met een hooghartig ter- zijde schuiven van het feit dat die maatregelen strijdig zijn met de Poolse grondwet, waarbij zelfs niet eens de moeite wordt gedaan om na te gaan of de constitutionele identiteit van de lidstaat hier wel wordt geëerbiedigd.' Nog volgens Storme verraadt de uitspraak een fundamentele paranoia vanwege het Hof dat krampachtig vasthoudt aan een monopolie, en daarmee overstijgt de problematiek de betrokken Centraal-Europese regio: ‘Het arrest van het Hof van Justitie hangt natuurlijk samen met andere standpunten, zo onder meer het advies tegen de ratificatie van het EVRM door de EU, want het EHRM zou het monopolie van het Hof van Justitie kunnen bedreigen, en het arrest Achmea (2) waarbij internationale investeringsarbitrage strijdig werd verklaard met het 
EU-recht - tegen het advies van advocaat-generaal Wathelet in overigens, ere wie ere toekomt. Het gaat dus niet alleen over Oost-Europa, al is natuurlijk het onbegrip over de staats- en maatschappijopvattingen die daar leven bijzonder groot’, aldus nog Storme, die benadrukt dat het in wezen gaat om een problematische verhouding met diversiteit: ‘Op de keper beschouwd zijn al die arresten symptomatisch voor een absolute weigering van juridisch pluralisme, dus van een bijzonder hegemonische opvatting over het EU-recht: het overrulet de Grondwet, verzet zich tegen het EVRM, ver- werpt volkenrechtelijke arbitrage,... En tegenover Oost-Europa gaat het ook om een afwijzing van ideologisch pluralisme’, klinkt het.


Afronden doet de hoogleraar met een snedige opmerking over wederzijdse loyaliteit en de nood aan historisch besef: ‘De basisidee achter het feit dat nationale gerechten ook EU-recht toepassen is natuurlijk een idee van wederzijdse samenwerking en loyaliteit; op basis daarvan zou deze beoordeling van de Poolse gerechten door het Hof van Justitie maar kunnen voor zover omgekeerd ook de Poolse gerechten het Hof zouden kunnen beoordelen en censureren. Misschien moet Polen nu maar de Europese rechters afzetten wegens partijdigheid tegen Polen? Als het Hof op een Polexit wil aansturen, moet het zo voortdoen, denk ik. Maar dan achteraf niet komen klagen als de Polen eruit stappen zoals de Engelsen, die het ook beu waren door vreemde rechters te worden geregeerd... Laat ons overigens een van de motieven van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring niet vergeten: ‘He has combined with others to subject us to a Jurisdiction foreign to our Constitution, and unacknowledged by our Laws; giving his Assent to their Acts of pretended Legislation.’

(1) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-619/18
(2) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-284/16
 
Locations of visitors to this page