maandag, maart 30, 2009

"gemeenschapskeuze"

In recente discussies over de effecten van Vlaamse maatregelen zoals jobkorting en tijdskrediet op mensen die in het Vlaams Gewest wonen en in Brussel werken of omgekeerd brachten de termen subnationaliteit en gemeenschapskeuze terug in de media. Dit is vanzelfsprekend niet nieuw, en ik vind het een mooie gelegenheid om eraan te herinneren hoe en wanneer ik het woord "gemeenschapskeuze" als neologisme heb gemaakt. De term bedacht ik naar analogie met "taalkeuze", in een nota van 6 januari 1994 voor de werkgroep Brussel-Vlaanderen van het "Vierde Congres der Brusselse Vlamingen" 1994 (afgesloten 30 april 1994, onder de titel "Stad van een eeuw die komt"). Ik voeg hieronder de volledige tekst van de twee nota's die ik toen geschreven heb over dit probleem. De vragen zijn eigenlijk nog steeds dezelfde.

Heb ik het woord voor het eerst gebruikt ? Dat weet ik niet, maar ik had het in ieder geval zelf nog niet eerder elders gelezen. In 1994 en de daaropvolgende jaren heb ik als OVV-voorzitter het woord ook verder verspreid. Maar de idee is natuurlijk ouder.

Zonder dat het woord gebruikt werd kwam de gedachte terug in de bekende 5 Resoluties van het Vlaams Parlement van 1999: "Daarbij moeten de inwoners van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de vrije keuze bekomen om toe te treden tot het stelsel van de deelstaat Vlaanderen of van de Franstalige deelstaat, dat telkens zowel een regeling voor de inkomsten als voor de uitgaven bevat" (betreffende het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspakketten in de volgende staatshervorming, punt 2, over gezondheids- en gezinsbeleid).

Het woord zelf komt zeer expliciet voor in een nota van maart 2003 van de Boetfortgroep (die op 23 augustus 002 naar buiten kwam als Vlaamse studie) en drukkingsgroep binnen de CD&V) binnen de CVP in de zomer van 2002; we vinden het terug in een verslag in de Standaard van 7 maart 2003. Brigitte Grouwels (ook lid van de groep) heeft de term sindsdien herhaaldelijk gebruikt, en Steven Vanacker, toen nog niet federaal gerecupereerd, gebruikte hem ook in zijn voorstellen in juli 2005.

En nu dus pour la petite histoire mijn nota's van januari 1994.

1. Tekst van de nota van 6 januari 1994

1. Het vraagstuk van de subnationaliteit rijst slechts wanneer men autonomie wil geven aan bevolkingsgroepen die op éénzelfde territorium door elkaar leven. Zolang autonomie uitsluitend op territoriale basis wordt toegekend, en niet op grond van het toebehoren tot een bevolkingsgroep, komt het vraagstuk niet ter sprake. Vanuit Vlaams perspektief rijst dit probleem alleen te Brussel, gezien wij naar ik aanneem niet bereid zijn om in de rest van Vlaanderen autonomie toe te kennen aan andere bevolkingsgroepen (b.v. Franstaligen in de rand).

Voor zover alleen om Brusselse instellingen gaat, valt er zonder subnationaliteit te leven, al zou zij toch ook duidelijke voordelen kunnen hebben. Hebben we het over Brusselse instellingen, dan denken we vooreerst aan de verhouding tussen het Gewest en de Gemeeschapscommissies en tussen die Commissies onderling.

Het is van de mensen die vertrouwd zijn met de werking en problemen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie dat we moeten vernemen of zij gehinderd wordt door het feit dat er formeel geen onderscheid kan worden gemaakt tussen Vlamingen en Franstaligen te Brussel bij b.v. hun financiering, de toegang tot hun dienstverlening, e.d.m.


2. In de Belgische kontekst heeft het vraagstuk evenwel een ruimere draagwijdte, dit omwille van het naast elkaar bestaan van territoriale autonomie (de Gewesten) en persoonsgebonden autonomie (de Gemeenschappen), waarbij een Gemeenschap te maken krijgt met het grondgebied van méér dan één gewest. Dit is met name het geval met Vlaanderen en de Brusselse Vlamingen - probleem waarmee wij ons precies bezighouden - en, zij het wellicht afnemende mate, met Wallonië en de Franstalige Brusselaars.

Het probleem komt vooral ter sprake door de voortdurende geldhonger van de Franse Gemeenschap. Dit werd zopas nog raak geschetst door D. Achten in de Standaard van 5 januari 1994 : "Telkens als (...) de Franse Gemeenschap op nieuwe problemen stuit, wordt er niet overgegaan tot besparingen, maar begeeft men zich naar de federale overheid voor een refinancement". Vervolgens ontvangt Vlaanderen ongevraagd kompensaties en kan de Vlaamse regering zich met nog minder kopzorgen wijden aan het uitgeven van geld".

Anders gezegd : het ontbreken van een effektieve fiskale bevoegdheid van de Gemeenschappen leidt tot voortdurende verhoging van de federale belastingdruk. België blijft aldus de weg opgaan van een steeds grotere afroming van het land door de overheid, ongeacht of de Vlaamse meerderheid in dit land wat wel wil of niet. Dergelijk beleid kan maar omgebogen worden door de Franse Gemeenschap te dwingen zelf financiële verantwoordelijkheid te dragen. Nu kan men evenwel van de Walen niet eisen dat zij bijdragen tot de Franse Gemeenschap in een mate waarin de Franstalige Brusselaars dat niet moeten doen. Dit veronderstelt dus dat de Franse Gemeenschap bevoegd moet zijn om te Brussel belastingen te heffen. Anderzijds is het voor Vlaanderen onaanvaardbaar dat de Vlaamse Brusselaars moeten betalen voor de Franse Gemeenschap. U kent de oplossing : Alle Brusselaars worden gelijk belast, maar de opbrengst wordt verdeeld over de Gemeenschappen volgens een verdeelsleutel (in casu 80/20). Dit betekent evenwel dat men dezelfde verderfelijke politiek weliswaar niet meer voor heel België, maar dan toch nog voor Brussel toepast. M.a.w. de Vlaamse Brusselaars, en Vlaanderen meer in het algemeen, hebben er geen enkel voordeel bij om zuiniger te zijn. Zuinigheid wordt niet beloond, uitgeven niet bestraft. De enige mogelijkheid om hieraan een einde te maken, is eenieder te verplichten te kiezen voor de ene of de andere Gemeenschap, m.a.w. de subnationaliteit.

Wat zijn de risiko's van dergelijk systeem ?

Het meest bekende risiko is het risiko dat maar weinig Brusselaars zouden kiezen voor de Vlaamse Gemeenschap, en dat de Franstaligen daarin een argument zouden vinden om te klagen over oververtegenwoordiging van de Vlaamse Brusselaars e.d.m.

Zoals ik eerder schreef, meen ik dat wij hiervoor geen schrik mogen hebben, mits wij kunnen garanderen dat de keuze van de Brusselaar voor de Vlaams/Nederlandse subnationaliteit hem/haar een volwaardige dienstverlening verzekert. Een fiskaal voordeel verbinden aan die keuze door ervoor te zorgen dat de Vlaamse Gemeenschapsbelastingen lager liggen dan die van de Franstaligen kan natuurlijk ook steeds helpen om twijfelaars over te halen .... Dit alles veronderstelt natuurlijk toch wel een soort verborgen subsidiëring van de Vlaamse Brusselaars door het Vlaams Gewest, al moet die wellicht niet hoog oplopen, gezien de bestedingsijver van de Franse Gemeenschap.

Daarmee verwant is de vraag of er niet een hele groep Brusselaars is, die zich nog Vlaming noch franstalige voelen, en die niet te snel mogen afgestoten of opgeschrikt worden. Dit kan eventueel opgelost worden door de mogelijkheid open te laten dat inwoners "bicommunautair" kiezen (mits de financiële gevolgen daarvan 50/50 bedragen !). Dergelijke mogelijkheid kan misschien ook problemen veroorzaken, waar ik op dit ogenblik geen zicht op heb, en die afhankelijk zijn van de vraag waarvoor men de keuze allemaal enst te gebruiken (m.b. voor andere dan fiskale beslissingen).

Een tweede risiko zou daarin kunnen liggen dat de Franstaligen overal in Vlaanderen, en meer bepaald in de rand, ook het recht zouden eisen te kiezen voor de Franse subnationaliteit.

Vooreerst moet het m.i. mogelijk zijn de keuzemogelijkheid te beperken tot Brussel 19 door het voor te stellen als de oplossing van een typisch Brussels probleem.

Doch men kan ook de vraag stellen of het verschaffen van een keuze aan alle Belgen of inwoners van België, waar ze ook wonen, voor de Vlamingen nadelig zou zijn. Vooreerst zouden zeker ook per¬sonen gedomicilieerd in Wallonië voor de Vlaamse Gemeenschap kiezen - al moeten we ons over het aantal daarvan geen illusies maken. Verder moet die mogelijkheid natuurlijk impliceren dat b.v. het franstalig onderwijs in de faciliteitengemeenten in Vlaanderen door de franstaligen zal moeten betaald worden, en omgekeerd het Vlaamse schooltje in Komen door de Vlaamse Gemeenschap (wat in feite toch al gebeurt). Hetzelfde moet natuurlijk gebeuren voor alle andere franstalige instellingen in Vlaanderen. Ik ben niet zeker of de Franstalige Gemeenschap in die voorwaarden wel vragende partij zal zijn voor de territoriale uitbreiding van de keuzemogelijkheid.

Een derde risiko betreft de vraag of andere minderheidsgroepen (migranten) niet evenzeer de keuzemogelijkheid zouden eisen. Doch dit is een meer algemeen probleem, dat in concreto niet rijst zolang er geen kulturele autonomie wordt toegekend aan dergelijke minderheidsgroepen.

"Subnationaliteit" is overigens m.i. in de konkrete omstandigheden waar het om gaat wellicht geen geschikte term. Het is beter hem niet te gebruiken, ook al om voor buitenstaanders te nationalistische bijklanken te vermijden. Hij is bovendien onjuist in de mate waarin ook niet-Belgen, gedomicilieerd in België of minstens belastingplichtig in België, voor de keuze gesteld worden. Het is echter moeilijk een goed Nederlands woord te vinden voor dergelijke keuze van "Zugehörigkeit" of "appartenance" aan een Gemeenschap. Naar analogie van taalkeuze (b.v. in gerechtelijke procedures) kan men misschien van gemeenschapskeuze spreken.

2. Tekst van de aanvullende nota (na bespreking van de vorige) van 12 januari 1994

Uit de diskussie vorige maandag en de nota van de Heer Peeters is m.i. gebleken dat de besproken vraag rijst m.b.t. een vijftal kategorieën van rechtsgevolgen.

Een pragmatische aanpak vraagt dat wij nagaan of het wenselijk is :
1° voor elk van de kategorieën over te gaan tot een aanpassing of minstens verduidelijking van de kriteria in de zin van een gemeenschpaskeuze of -nationaliteit
2° de verschillende kategorieën rechtsgevolgen aan elkaar te koppelen.

Bij de beantwoording hiervan ga ik ervan uit dat het probleem beperkt blijft tot het Brussels Gewest, zodat ik b.v. ook de vraag niet moet stellen of franstalige Brusselaars een keuze moeten maken voor de francofonie, voor Wallonië, of voor een franstalig Brusselschap (trouwens, uiteindelijk moeten zij daar zelf over oordelen).

a) fiskaliteit van de Gemeenschappen : hier wordt de situatie spoedig onhoudbaar. Op dit ogenblik bestaat er geen kriterium. Anderzijds is het natuurlijk ondenkbaar dat de keuze die iemand maakt tussen de ene of de andere Gemeenschap voor fiskale redenen voor het overige geen konsekwenties zou hebben voor zijn rechtspositie. Op grond van het beginsel "no taxation without representation"
moet deze keuze samenvallen met een opdeling in kieskolleges.

b) elektoraal. Op dit ogenblik bestaan gescheiden lijsten te Brussel voor de gewestverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement. Er bestaan evenwel geen gescheiden kiezers¬lijs¬ten. De keuze van de burger blijft ook op dit punt geheim. Dit is evenwel reeds anders te Komen en Voeren, waar kiezers die voor de andere gemeenschap willen kiezen, hun stem in een ander kiesbureau (in een andere gemeente) moeten uitbrengen. De keuze voor nederlands- dan wel franstalige lijsten is daar dan ook geen geheime keuze meer. M.i. is het dan ook mogelijk om de burger te verplichten te kiezen voor inschrijving in de nederlandstalige dan wel franstalige kiezers¬lijsten, inschrijving waaraan tevens de onderwerping aan de desbetreffende gemeenschaps¬belas¬tingen dient te worden gekoppeld. Logisch gevolg hiervan is natuurlijk dat het aantal zetels van de taalgroepen in de Brusselse Gewestraad (tevens de twee Gemeenschapskommisses) op voorhand wordt vastgelegd aan de hand van het aantal inschrijvingen op de twee kiezerslijsten. Anderzijds is een splitsing van de kiezerslijsten m.i. ook de enige mogelijkheid om te komen tot een asymmetrische (in plaats van territoriale) splitsing van het kiesarrondissement - voor zover dit onze voorkeur zou wegdragen.

c) onderwijs. Het onderwijs wordt gefinancierd (althans na de overgangsperiode) op basis van het aantal leerlingen (de lat van Coens), en dus niet met eigen inkomsten van de Gemeenschappen. Tegen dergelijke financieringswijze zijn er m.i. op dit ogenblik geen bezwaren. Ik acht het weinig zinvol te Brussel, waar de financiering van het onderwijs dus ook gebeurt op grond van het aantal leerlingen, een andere regeling in te voeren, door b.v. de kosteloosheid van het onderwijs te koppelen aan de elektorale en fiskale keuze voor de Vlaamse Gemeenschap. Bij dergelijke koppeling hebben ij op dit ogenblik niets te winnen.

d) openbaar ambt. De verdeling van funkties in het openbaar ambt gebeurt op basis van de taalrol. Daarbij is de taal van het diploma van doorslaggevende betekenis. Voor het openbaar ambt op federaal niveau, Brussels gewestelijk niveau, Brussels gemeentelijk niveau en bikommunautair niveau zie ik geen reden om dit te wijzigen (wat de Brusselse gemeenten betreft onde voorbehoud van hun afschaffing, cfr. brief Dr. Rampelberg) (hoogstens de bestaande reglementering verstrengen en de achterpoortjes dichten). Anders zouden we precies de mogelijkheid scheppen voor nederlandsonkundigen om op de nederlandse taalrol benoemd te worden mits zij maar elektoraal en fiskaal voor de Vlaamse gemeenschap kiezen. Wel zou voor funkties in Vlaamse administraties eventueel bijkomend kunnen geëist worden dat dergelijke keuze is gemaakt.

e) verhoudingen met de administratie, ev. ook gerecht. Het doorvoeren van een gemeenschapskeuze te Brussel voor alle verhoudingen van de burger met genoemde tweetalige overheden lijkt mij wel zin¬vol. Een verregaande optie daarvoor wordt beschreven in de brief van Dr. Rampelberg, met daarbij in zekere zin de afschaffing van de Brusselse gemeenten en overheveling van hun bevoegdheden naar Brussels Hoofdstedelijk niveau (gewest c.q. gemeenschapskommissies c.q. gemeenschappelijke gemeenschapskommissie). Een overheveling van persoonsgebonden bevoegdheden van de Brusselse gemeenten naar de gemeenschapskommissies veronderstelt inderdaad dat de elektoraal-fiskale keuze ook een keuze inhoudt t.a.v. de onderworpenheid aan de ene of de andere Gemeenschapscommissie.

f) persoonsgebonden materies, inb. eventueel de sociale zekerheid. Een communautarisering van het gezondheidswezen (ziekteverzekering), van de kinderbijslagen en eventueel andere takken van de sociale zekerheid is onmogelijk zonder gemeenschapskeuze (nationaliteit) te Brussel. Zoniet wordt de "federalisering" automatisch een federalisering op basis van de gewesten. Het lijkt me vrij evident dat de keuze hierbij moet samenvallen met de fiskaal-elektorale keuze voor een gemeenschap.

1 opmerking:

Rudi zei

Matthias, hartelijk dank. Vele elementen zijn bijzonder nuttig voor de huidige open OVV werkgroep Brussel.

 
Locations of visitors to this page