Een recent arrest brengt duidelijkheid over de verhouding tussen constitutionele grondrechten en supranationaal recht en kiest voor een dualistische benadering: de voorrang van een internationale verplichting op internationaal vlak doet geen afbreuk aan de judicial review van regel uitgevaardigd ter omzetting daarvan.
Weinigen hebben het gemerkt, maar op 7 september heeft het Grondwettelijk Hof een mijlpaalarrest geveld over de bescherming van de grondrechten tegen de inperking ervan door supranationale instellingen zoals de EU of de VN. Dat gebeurde natuurlijk in omzichtige bewoordingen, zonder frontaal tegen die instellingen in te gaan. Maar dat doet weinig afbreuk aan de waarde van dit arrest.
De zaak betrof een prejudiciële vraag over de Belgische wetgeving ter uitvoering van de Europese Kaderbesluiten inzake terrorismebestrijding en het Europees aanhoudingsbevel, in het bijzonder de Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, strekkende tot omzetting van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, nr. 2002/584/JBZ (1).
Aangezien het een lang arrest is, begin ik met de belangrijkste principiële overwegingen eruit aan te halen:
B.2.8.1. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat België een rechtsstaat is in die zin dat noch de constituerende delen noch de federale instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met de Grondwet, en dat de Grondwet een stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het toezicht op de grondwettigheid van wetgevende handelingen aan het Grondwettelijk Hof is opgedragen.
B.2.8.2. Verder mag de ratificatie van een international verdrag geen inbreuk maken op de in de Grondwet vastgestelde bevoegdheidsregeling en dus op de autonomie van het Belgische grondwettelijk rechtsbestel waarvan het Hof krachtens de hem door de Grondwet verleende bevoegdheid de eerbiediging verzekert.
B.2.8.3. De grondrechten vormen een integrerend deel van de Grondwet waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Het Hof laat zich daarbij leiden door de Grondwet zelf alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens die in de Belgische rechtsorde zijn gerecipieerd. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe.
B.2.8.4. Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de eerbiediging van de mensenrechten een vereiste is voor de grondwettigheid van elke overheidsbeslissing en dat beslissingen die onverenigbaar zijn met de eerbiediging van deze rechten, in de Belgische rechtsstatelijke rechtsorde niet toelaatbaar zijn.
B.2.8.5. Uit al het bovenstaande volgt dat ook bij een internationaal verdrag opgelegde verplichtingen geen afbreuk kunnen doen aan de grondwettelijke beginselen, waaronder het beginsel dat alle overheidsbeslissingen de grondrechten moeten eerbiedigen, wat een voorwaarde is voor hun grondwettigheid, die door het Hof dient te worden gecontroleerd in het kader van de krachtens de Grondwet ingerichte procedures.
B.2.8.6. Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat de door het Grondwettelijk Hof te verrichten grondwettigheidscontrole in een context als de onderhavige betrekking heeft op de internrechtelijke beslissing, in casu een wet, die ertoe strekt het krachtens een internationaal verdrag genomen Kaderbesluit uit te voeren, en niet op dit laatste als zodanig.
B.2.8.7. Wat meer bepaald een wetgevende handeling betreft die, zoals de litigieuze wet, beoogt uitvoering te geven aan een krachtens art. 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna EU-Verdrag) vastgesteld Kaderbesluit, kan het Grondwettelijk Hof in het kader van de door de Grondwet verleende exclusieve bevoegdheid dus niet de grondwettigheid van dit door de Europese Unie vastgestelde Besluit controleren, al was het maar om de verenigbaarheid ervan met de Europese Verdragen of met het jus cogens te onderzoeken.
B.2.8.8. Ook impliceert een arrest van dit Hof waarbij wordt vastgesteld dat een wetgevende handeling ter uitvoering van een dergelijk Kaderbesluit strijdig is met de Grondwet, niet dat wordt getornd aan de voorrang van dat Kaderbesluit op internationaalrechtelijk vlak.
B.2.8.9. Zo heeft het Hof reeds een wetsbepaling tot omzetting van een Europese Richtlijn nietig verklaard, na de grondwettigheid ervan te hebben gecontroleerd in het licht van de betrokken Richtlijn en een schending van grondwettelijke beginselen te hebben vastgesteld (arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008, vernietiging van een onderdeel van art. 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij artikel 30, 2° van de wet van 12 januari 2004).
B.3.0.3. Het is juist dat art. 34 van de Grondwet bepaalt dat “de uitoefening van bepaalde machten door een verdrag of door een wet kan worden opgedragen aan volkenrechtelijke instellingen”. Deze bepaling kan evenwel niet aldus worden opgevat dat zij een afwijking toestaat op de grondwettelijke rechten en vrijheden.
B.3.0.4. Art. 34 van de Grondwet biedt immers geenszins de mogelijkheid om de beginselen die behoren tot de grondslagen van de Belgische rechtsorde op de helling te zetten. Tot deze beginselen behoort het beginsel van de bescherming van de grondrechten, dat mede betrekking heeft op de controle door de Belgische rechter van de wettigheid van beslissingen van Belgische overheden, meer bepaald van hun verenigbaarheid met deze grondrechten.
B.3.0.6. Een vrijstelling van de litigieuze wet van iedere vorm van rechterlijke controle van de verenigbaarheid ervan met de grondrechten die haar oorsprong zou vinden in de vermeende absolute voorrang van de Kaderbesluiten van de Europese Unie waaraan deze wet uitvoering beoogt te geven, kan evenmin worden gebaseerd op de positie die de uit de Europese verdragen voortvloeiende verplichtingen zouden innemen in de hiërarchie van de normen in de Belgische rechtsorde.
B.3.0.8. De voorrang van het Europees gemeenschapsrecht op het interne recht strekt zich immers niet uit tot de Grondwet en tot de grondwettelijke rechten en vrijheden.
B.3.0.9. Deze uitlegging vindt steun in art. 142 van de Grondwet en de ter uitvoering ervan aangenomen Bijzondere Wet, krachtens dewelke ook wetten ter ratificatie van internationale verdragen inbegrepen de Europese Verdragen, door dit Hof aan de Grondwet kunnen worden getoetst.
B.3.1.6. De toetsing door het Hof van de grondwettigheid van een handeling van de wetgevende macht is immers in een rechtsgemeenschap de uitdrukking van een constitutionele garantie waarop een internationale overeenkomst geen inbreuk kan maken.
B.3.2.6. Uit het bovenstaande volgt dat het Grondwettelijk Hof overeenkomstig de hem bij de Grondwet verleende bevoegdheden de grondwettigheid van alle wetgevende handelingen, daaronder begrepen de wetten die, zoals de litigieuze wet, beogen uitvoering te geven aan krachtens art. 34 van het EU-Verdrag vastgestelde Kaderbesluiten, in beginsel volledig dient te toetsen aan de grondrechten die deel uitmaken van de Belgische Grondwet.
Samengevat stelt het Hof dus heel duidelijk dat binnen de Belgische rechtsorde de Grondwet, en met name de bepalingen inzake grondrechten, supreme law of the land zijn, waaraan geen afbreuk kan worden gedaan op grond van de zogenaamde voorrang van beslissingen van de Europese Unie of andere supranationale instellingen (zoals de Verenigde Naties).
In feite had het Grondwettelijk Hof dit reeds impliciet beslist in het arrest nr. 10/2008 (2) betreffende het beroepsgeheim van de advocaat, waarnaar in overweging B.2.8.9. verwezen wordt, maar zonder dat dit gebeurde in dergelijke principiële bewoordingen. Dat arrest hield immers enerzijds een grondwetsconforme interpretatie in van sommige bepalingen van de witwaswet (die duidelijk restrictiever was dan de interpretatie die het Hof van Justitie van de EG aan de overeenstemmende bepalingen van de Richtlijn gaf) en anderzijds de vernietiging van een bepaling die weliswaar niet letterlijk uit een Richtlijn was overgenomen, maar er toch door was opgelegd.
In de motivering van het arrest van 7 september gaat het Hof ook in tegen een zekere monistische doctrine, door het onderscheid te maken tussen enerzijds de gevolgen in de tussenstatelijke rechtsorde van een niet-nakoming door België van internationale afspraken en anderzijds de rang van een door de supranationale instelling opgelegde maatregel in de Belgische rechtsorde, met name ondergeschikt aan de Belgische Grondwet. Dit laatste gaat weliswaar in tegen een zekere doctrine van het Hof van cassatie, maar is eigenlijk de logica zelf in een grondwettelijke rechtsstaat: noch de wetgevende noch de uitvoerende macht heeft immers de bevoegdheid om zonder grondwetswijziging verdragen te sluiten of te ratificeren die rechtstreeks of onrechtstreeks (d.i. door de in uitvoering van een bevoegdheidsdelegatie genomen beslissingen) de Grondwet schenden. Deze positie werd eerder reeds door een reeks andere Grondwettelijke Hoven ingenomen (3) evenals door ons federaal parlement (4).
In concreto ging het om de bescherming van de persoonlijke vrijheid en met name de uitleg van het legaliteitsbeginsel in strafzaken. Het Kaderbesluit van 13 juni 2002 legt immers in een aantal gevallen de uitlevering op voor feiten die in het uitleverende land niet strafbaar zijn. Dit is uit het oogpunt van het legaliteitsbeginsel niet problematisch voor zover de feiten wel strafbaar zijn op de plaats waar ze gepleegd zijn. Maar het Kaderbesluit legt een uitlevering op voor feiten die gepleegd zijn in een derde land en waarvoor zowel de verzoekende staat als de uitleverende staat (per hypothese België) een extraterritoriale strafwet kennen, ook al zijn de feiten niet strafbaar waar ze gepleegd zijn (dat volgt a contrario uit de facultatieve uitzondering art. 4, lid 7 c). Het legt ook de regel op van art. 6, 5° van de omzettingswet, volgens dewelke er kan (weliswaar niet moet) uitgeleverd worden voor feiten die in een derde land gepleegd zijn, die daar niet strafbaar zijn en die ook in het uitleverende land niet onder een extraterritoriale strafwet vallen. Beide gevallen zijn in strijd met het legaliteitsbeginsel van art. 14 van de Grondwet en art. 7 van het EVRM: de feiten moeten immers strafbaar zijn op de plaats waar ze gepleegd worden.
Inderdaad kan men niet licht gaan over de aantasting van de grondwettelijke garanties door het Kaderbesluit. In de lijst van mogelijke misdrijven staan er enkele waarvoor de strafbaarstellingen in de verschillende Europese lidstaten sterk uiteenlopen, en waar de strafbaarstelling die men in sommige landen vindt in andere duidelijk in strijd zou zijn met de grondwettelijke vrijheden. Denken we maar aan de soms buitensporige strafbaarstellingen inzake racisme in sommige lidstaten of inzake medewerking aan beweerdelijk terroristische organisaties in bv. Spanje. Bovendien zijn de procedurele waarborgen voor de verdachten in sommige landen ook duidelijk zwakker dan in andere. Het Kaderbesluit maakt een uitlevering aan Spanje mogelijk van personen die verdacht worden van feiten die niet in Spanje zijn gepleegd en niet strafbaar zijn in het land waar ze gepleegd zijn. Het was dus absoluut noodzakelijk om paal en perk te stellen aan de extravagante uitleveringsmogelijkheden van het Kaderbesluit.
Het besproken arrest ligt hiermee ook in de concrete toepassing in de lijn van een eerder arrest van het Duitse Bundesverfassungsgericht d.d. 18 juli 2005 (5), dat inzake een verzoek tot uitlevering aan Spanje eveneens besliste dat een vermeend misdrijf in eigen land begaan niét door een vreemd gerecht kan worden beoordeeld, dat een burger voor zo'n gedraging niet mag worden onderworpen aan een strafprocedure in een vreemd land, in een andere taal, met een andere procedure, een cultureel verschillende context en/of een ander strafrecht.
Het editoriaal van het Duitse weekblad Die Zeit (6) had het toen fijntjes over de gevaren van een delocalisatie van de strafvervolging: "Schon jetzt ist es üblich geworden, des Terrorismus Verdächtigte nach Spanien abzuschieben, weil dort das Machtgefälle zwischen Anklägern und Beschuldigten steiler ist als hierzulande. Die Globalisierung lädt eben nicht nur Lohnarbeit und Kapital dazu ein, sich die günstigsten Standorte zu suchen, sondern offenbar auch die Strafverfolgungsbehörden. Doch was der Ökonomie billig, ist dem Rechtsstaat nicht in jedem Falle recht" (vertaling: Nu reeds is het gebruikelijk terrorismeverdachten naar Spanje af te schuiven, omdat de machtsverhouding tussen openbare aanklager en beschuldigde daar een stuk steiler is dan hier. De globalisering nodigt niet alleen arbeid en kapitaal uit om de goedkoopste lokalisatie te zoeken, maar ook de strafvervolgingsoverheid. Maar wat goedkoop is voor de economie, is daarom nog geen recht voor de rechtsstaat).
Beste lezer, het bovenstaande arrest van het Belgische Grondwettelijk Hof bestaat niet (7 september is een zondag), in tegenstelling tot het geciteerde arrest van het Duitse Grondwettelijk Hof. Maar de erin gemaakte redenering heb ik niet uitgevonden. Het betreft een parafrase van de motieven van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 3 september 2008 in de zaken Kadi en al Barakaat (nrs. C-402/05 en C-415/05 (7)). In dat arrest gaat het over de verhouding tussen het supranationale recht van de Verenigde Naties (internationaalrechtelijk bindende beslissingen van de Veiligheidsraad) en het Europees primair recht, wanneer een beslissing ter uitvoering van het eerste in strijd komt met de grondrechten die deel uitmaken van het primair recht. Het Hof van Justitie heeft terecht gekozen voor een voorrang van de “constitutionele” grondrechten boven de blinde uitvoering van de beslissingen van de Veiligheidsraad, en daarbij een ondermaats arrest van het Gerecht van eerste aanleg hervormd.
Nu heb ik er mijn twijfels over of het Hof van Justitie dezelfde consequentie aan de dag zou leggen, maar de Gulden Regel noopt ons ertoe om die redenering natuurlijk ook toe te passen op de verhouding tussen het Europees gemeenschapsrecht en nationale omzettingsbepalingen die strijdig zijn met de nationale Grondwet. En dus heb ik de overwegingen in die zin geparafraseerd. Het resultaat zijn de overwegingen die we zouden kunnen vinden in de arresten van ons Grondwettelijk Hof indien het die logica expliciet doortrekt.
Ons Grondwettelijk Hof heeft gelukkig nooit principieel de voorrang van het volkenrecht of het Europees recht op de Grondwet aanvaard, maar heeft de voorrang van de Grondwet anderzijds niet altijd even uitdrukkelijk of rechtlijnig verdedigd, wat des te meer noodzakelijk is nu het Hof van cassatie in deze dwaalt. Het witwasarrest van 10 januari 2008 gaat al sterk in die richting. Maar in arrest nr. 128/2007 van 10 oktober 2007 betreffende de genoemde Wet van 19 december 2003 werd het beroep tot vernietiging verworpen, onder meer door de redenering van het Hof van Justitie, dat tot geldigheid van het kaderbesluit besloot , gewoon door te trekken naar de omzettingswet. Evenwel is al gebleken dat de Belgische Grondwet in meerdere opzichten sterkere waarborgen bevat voor de rechten en vrijheden van de burger dan het Europees primair recht zoals het door het Hof van Justitie wordt uitgelegd. Arrest nr. 128/2007 ging m.i. dan ook wat kort door de bocht. Het valt te hopen dat het Grondwettelijk Hof, wanneer de kans zich aanbiedt, de redenering van het Hof van Justitie uit het arrest van 3 september zal doortrekken naar de verhouding tussen Grondwet en Europees recht en dat het Hof van Justitie zelf en al wie – terecht – het arrest van 3 september jl. toejuicht, zo consequent zullen zijn om de voorrang van de nationale Grondwet te erkennen.
Matthias E. Storme
(1) Eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32002F0584:NL:HTML
(2) Zie over het arrest 10/2008 (const-court.be/public/n/2008/2008-010n.pdf): J. STEVENS & G.-A. DAL, “Het arrest van het grondwettelijk Hof van 23 januari 2008 en de preventie van het witwassen: de ordes halen hun gelijk”, RW 2008-2009, p. 90 en v. (http://rwe.be/web/pdf/072_A0090.pdf)
(3) Onder meer in Duitsland, Tsjechië, Cyprus en met nuances Italië en Polen.
(4) Deze positie ligt ten grondslag aan de Bijzondere Wet tot wijziging van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, zie het Senaatsverslag, Stukken Senaat 2002-2003, nr. 2-897/6, op http://www.senaat.be/www/?MIval=/publications/viewPubDoc&TID=33617931&LANG=nl
(5) BverfG 18 juli 2005, 2 BvR 2236/04, http://www.bverfg.de/entscheidungen/rs20050718_2bvr223604.html en mijn commentaar op http://storme.be/meerwaardeduitsenationaliteit.html.
(6) Gero v. RANDOW, “Büffet gesperrt: Der Bürger muss wissen, woran er ist”, Die Zeit 18 juli 2005, http://www.zeit.de/2005/29/eu_haftbefehl_kommentar.
(7) http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=NL&Submit=rechercher&numaff=C-402/05, met persmededeling op http://curia.europa.eu/en/actu/communiques/cp08/aff/cp080060en.pdf.
Deze bijdrage verscheen licht ingekort in de Juristenkrant van 30 september 2008
Aanvulling: omdat sommige lezers blijkbaar nog niet door hebben dat de hierboven gefabriceerde "overwegingen" een nauwe parafraze zijn van overwegingen van het Hof van justitie, hierbij de oorspronkelijke overwegingen van het Hof van justitie:
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Europese Gemeenschap een rechtsgemeenschap is in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele basishandvest dat in het EG-Verdrag is belichaamd, en dat dit Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan het Hof is opgedragen (arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23).
282 Verder mag een internationale overeenkomst geen inbreuk maken op de in de Verdragen vastgestelde bevoegdheidsregeling en dus op de autonomie van het communautaire rechtsstelsel waarvan het Hof krachtens de hem bij artikel 220 EG verleende exclusieve bevoegdheid de eerbiediging verzekert, welke bevoegdheid het Hof overigens reeds als een van de grondslagen van de Gemeenschap heeft beschouwd (zie in die zin, advies 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. blz. I‑6079, punten 35 en 71, en arrest van 30 mei 2006, Commissie/Ierland, C‑459/03, Jurispr. blz. I‑4635, punt 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
283 Bovendien vormen de grondrechten volgens vaste rechtspraak een integrerend deel van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Het Hof laat zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (zie met name arrest van 26 juni 2007, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., C‑305/05, Jurispr. blz. I‑5305, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
284 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de eerbiediging van de mensenrechten een vereiste is voor de wettigheid van communautaire maatregelen (advies 2/94, reeds aangehaald, punt 34) en dat maatregelen die onverenigbaar zijn met de eerbiediging van deze rechten, in de Gemeenschap niet toelaatbaar zijn (arrest van 12 juni 2003, Schmidberger, C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
285 Uit al het bovenstaande volgt dat de bij een internationale overeenkomst opgelegde verplichtingen geen afbreuk kunnen doen aan de constitutionele beginselen van het EG-Verdrag, waaronder het beginsel dat alle communautaire maatregelen de grondrechten moeten eerbiedigen, wat een voorwaarde is voor hun wettigheid, die door het Hof dient te worden gecontroleerd in het kader van het door dit Verdrag in het leven geroepen volledige stelsel van rechtsmiddelen.
286 Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat de door de gemeenschapsrechter te verrichten wettigheidscontrole in een context als de onderhavige betrekking heeft op de gemeenschapshandeling die ertoe strekt de betrokken internationale overeenkomst uit te voeren, en niet op deze laatste als zodanig.
287 Wat meer bepaald een gemeenschapshandeling betreft die, zoals de litigieuze verordening, beoogt uitvoering te geven aan een krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties vastgestelde resolutie van de Veiligheidsraad, kan de gemeenschapsrechter in het kader van de bij artikel 220 EG verleende exclusieve bevoegdheid dus niet de wettigheid van deze door dit internationale orgaan vastgestelde resolutie controleren, al was het maar om de verenigbaarheid ervan met het jus cogens te onderzoeken.
288 Verder zou een eventueel arrest van een communautaire rechterlijke instantie waarbij wordt vastgesteld dat een gemeenschapshandeling ter uitvoering van een dergelijke resolutie strijdig is met een hogere norm van de communautaire rechtsorde niet impliceren dat wordt getornd aan de voorrang van deze resolutie op internationaalrechtelijk vlak.
289 Zo heeft het Hof reeds een besluit van de Raad tot goedkeuring van een internationale overeenkomst nietig verklaard, na de materiële wettigheid ervan te hebben gecontroleerd in het licht van de betrokken overeenkomst en een schending van een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, namelijk het algemene discriminatieverbod, te hebben vastgesteld (arrest van 10 maart 1998, Duitsland/Raad, C‑122/95, Jurispr. blz. I‑973).
Deze bepalingen kunnen evenwel niet aldus worden opgevat dat zij een afwijking toestaan van de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die in artikel 6, lid 1, EU als grondslagen van de Gemeenschap worden beschouwd.
304 Artikel 307 EG biedt immers geenszins de mogelijkheid om de beginselen die behoren tot de grondslagen van de communautaire rechtsorde op de helling te zetten. Tot deze beginselen behoort het beginsel van de bescherming van de grondrechten, dat mede betrekking heeft op de controle door de gemeenschapsrechter van de wettigheid van gemeenschapshandelingen, meer bepaald van hun verenigbaarheid met deze grondrechten.
306 Artikel 300, lid 7, EG bepaalt namelijk dat de akkoorden gesloten onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden, verbindend zijn voor de instellingen van de Gemeenschap en voor de lidstaten.
308 Deze voorrang op het gemeenschapsrecht zou zich evenwel niet uitstrekken tot het primaire recht, met name niet tot de algemene beginselen waarvan de grondrechten deel uitmaken.
309 Deze uitlegging vindt steun in lid 6 van artikel 300 EG, volgens hetwelk een internationaal akkoord niet in werking kan treden indien het Hof een afwijzend advies heeft uitgebracht over de verenigbaarheid ervan met het EG-Verdrag, tenzij dit akkoord vooraf wordt gewijzigd.
316 Zoals in de punten 281 tot en met 284 van het onderhavige arrest reeds in herinnering is gebracht, vormt de toetsing door het Hof van de geldigheid van een gemeenschapshandeling aan de grondrechten immers in een rechtsgemeenschap de uitdrukking van een uit het EG-Verdrag als autonoom rechtsstelsel voortvloeiende constitutionele garantie waarop een internationale overeenkomst geen inbreuk kan maken.
326 Uit het bovenstaande volgt dat de gemeenschapsrechter overeenkomstig de hem bij het EG-Verdrag verleende bevoegdheden de wettigheid van alle gemeenschapshandelingen, daaronder begrepen de gemeenschapshandelingen die, zoals de litigieuze verordening, beogen uitvoering te geven aan krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties vastgestelde resoluties van de Veiligheidsraad, in beginsel volledig dient te toetsen aan de grondrechten die behoren tot de algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
dinsdag, september 30, 2008
zaterdag, september 20, 2008
Inquisitionem esse delendam
Rond 21 augustus heeft Philippe Van den Abeele een gestoffeerde klacht ingediend tegen le Soir bij het zogenaamde eCentrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding", en dit in een persmededeling toegelicht.
Zoals we konden vermoeden, de antecedenten van dat Centrum kennende, heeft het zich weer eens "onbevoegd verklaard". Het had zich allicht beter onbekwaam verklaard .... Van den Abeele bericht ons met kopie van de brief: Klacht tegen Le Soir: uitlatingen niet aanvaardbaar, maar CGKR 'niet bevoegd'.
Dergelijke klachten zijn desondanks nuttig, omdat ze de hypocrisie en onbekwaamheid van het Centrum telkens opnieuw duidelijk maken.
Ik geef U dan ook de reactie die ik aan Van den Abeele meegaf:
"Het Centrum, bij Vlamingen beter bekend als de Inquisitie, meet al jaren met twee maten en twee gewichten. Het is er voor opgericht om met twee maten en twee gewichten te meten en dient zijn broodheren op dat punt met grote overtuiging. Het is voor mij evident dat de tegenstelling tussen Vlamingen en Walen vandaag een etnische tegenstelling is (ongeacht of ze dat vroeger ook al was), en voor etnische discriminatie is het Centrum wel degelijk bevoegd. Etniciteit heeft, zoals de wetenschap al decennia aanneemt, meer te maken met de overtuiging van een gemeenschappelijke afkomst (de zgn. imagined community van B. Anderson) dan met een reële historisch gemeenschappelijke afkomst (al zal bij het volledig ontbreken van het tweede het eerste allicht nooit ontstaan). Verder heeft etniciteit sterk te maken met gamie, d.w.z. met wie men huwelijkse of gelijkaardige relaties aangaat en kinderen heeft (wat in de volgende generatie natuurlijk een gemeenschappelijke afkomst schept). De haat jegens de Vlamingen en de daarmee verband houdende aanzetting tot geweld, waartegen de klacht is neergelegd, is geen haat en aanzetten die gebaseerd is op het individuele taalgebruik van de geviseerde personen, maar op het feit van behoren tot of zich beschouwen als deel van de groep of gemeenschap van de Vlamingen die collectief wordt gehaat. Dat het centrum niet bevoegd is voor zuivere taalkwesties, is dus naast de kwestie.
Zoals gezegd vind ik de hele antidiscriminatie- en racismewetgeving verwerpelijk, behalve wanneer het om aanzetten tot geweld gaat. Dat het Centrum zich bezighoudt met zowat elke onfatsoenlijke grap waarin de islam of het jodendom wordt vermeld, maar bij werkelijke haat en aanzetten tot geweld jegens Vlamingen systematisch weigert op te treden, bewijst het anti-Vlaamse karakter van de hele zaak. Vandaar mijn ceterum censeo 'inquisitionem esse delendam."
Zoals we konden vermoeden, de antecedenten van dat Centrum kennende, heeft het zich weer eens "onbevoegd verklaard". Het had zich allicht beter onbekwaam verklaard .... Van den Abeele bericht ons met kopie van de brief: Klacht tegen Le Soir: uitlatingen niet aanvaardbaar, maar CGKR 'niet bevoegd'.
Dergelijke klachten zijn desondanks nuttig, omdat ze de hypocrisie en onbekwaamheid van het Centrum telkens opnieuw duidelijk maken.
Ik geef U dan ook de reactie die ik aan Van den Abeele meegaf:
"Het Centrum, bij Vlamingen beter bekend als de Inquisitie, meet al jaren met twee maten en twee gewichten. Het is er voor opgericht om met twee maten en twee gewichten te meten en dient zijn broodheren op dat punt met grote overtuiging. Het is voor mij evident dat de tegenstelling tussen Vlamingen en Walen vandaag een etnische tegenstelling is (ongeacht of ze dat vroeger ook al was), en voor etnische discriminatie is het Centrum wel degelijk bevoegd. Etniciteit heeft, zoals de wetenschap al decennia aanneemt, meer te maken met de overtuiging van een gemeenschappelijke afkomst (de zgn. imagined community van B. Anderson) dan met een reële historisch gemeenschappelijke afkomst (al zal bij het volledig ontbreken van het tweede het eerste allicht nooit ontstaan). Verder heeft etniciteit sterk te maken met gamie, d.w.z. met wie men huwelijkse of gelijkaardige relaties aangaat en kinderen heeft (wat in de volgende generatie natuurlijk een gemeenschappelijke afkomst schept). De haat jegens de Vlamingen en de daarmee verband houdende aanzetting tot geweld, waartegen de klacht is neergelegd, is geen haat en aanzetten die gebaseerd is op het individuele taalgebruik van de geviseerde personen, maar op het feit van behoren tot of zich beschouwen als deel van de groep of gemeenschap van de Vlamingen die collectief wordt gehaat. Dat het centrum niet bevoegd is voor zuivere taalkwesties, is dus naast de kwestie.
Zoals gezegd vind ik de hele antidiscriminatie- en racismewetgeving verwerpelijk, behalve wanneer het om aanzetten tot geweld gaat. Dat het Centrum zich bezighoudt met zowat elke onfatsoenlijke grap waarin de islam of het jodendom wordt vermeld, maar bij werkelijke haat en aanzetten tot geweld jegens Vlamingen systematisch weigert op te treden, bewijst het anti-Vlaamse karakter van de hele zaak. Vandaar mijn ceterum censeo 'inquisitionem esse delendam."
Profetie en strategie
In de Standaard vanmorgen werd ik als volgt geciteerd (verkort, maar wel correct) in (Quid N-VA ?)
En dus is er weer ruimte voor de revolutionaire taal van N-VA. Taal die op het congres ongetwijfeld ook te horen zal zijn. Of zoals professor en N-VA-lid Matthias Storme het verwoordde:
‘De enige conclusie is dat er na 15 maanden nog niks is. Dat men hier in dit land op de een of ander manier toch zal moeten inzien dat het écht rien ne va plus is. We zullen toch manieren moeten zoeken waarop de gewesten en gemeenschappen de zaak overnemen. Zolang de Vlamingen blijven beweren dat ze zeker niets eenzijdigs zullen doen, staan we zwak, ontstellend zwak.’
Dit is inderdaad een basisbeginsel van onderhandelen: als een partij op voorhand zegt dat ze zeker nooit iets zal doen zonder het akkoord van de andere partij, is ze aan de "goodwill" (nou ja) van die andere partij overgeleverd. En dus zijn de commentatoren, à la Peter Vandermeersch in de Standaard, die steeds blijven herhalen dat onafhankelijkheid niet kan en niet mag, dat we geen separatisten zijn, dat er enkel een onderhandelde oplossing mogelijk is, dat ook over BHV onderhandeld zal moeten worden, rampzalig voor de Vlaamse belangen. In dezelfde krant is een commentator als Bart Sturtewagen , een stukje norser en zeker niet altijd sympathiserend met de flaminganten, ook in dit dossier een stuk lucider dan Vandermeersch die vooral graag aan zelfbewieroking doet en zich vooral boos maakt wanneer een beeld van Vlamingen schetst dat niet het zijne is, maar misschien wel iets reëler (ik alludeer natuurlijk op de ziedende reactie van Vandermeersch ("nous en avons marre") na de uitzending van Bye Bye Belgium, die zijn anti-identitaire zelfbeeld had verstoord).
Zo schreef Sturtewagen op 6 september jl. ("Opening gemaakt") terecht in een overigens optimistische commentaar: "(De Franstaligen) kunnen ook oordelen dat ze over de hele lijn gelijk hebben gehaald met hun catenaccio-tactiek en daaruit besluiten dat ze slechts ceremonieel aan het gesprek van gemeenschap tot gemeenschap moeten deelnemen. Dan plaatsen ze de Vlaamse onderhandelaars finaal voor de plicht om de stop eruit te trekken. Dan veroorzaken ze wat ze, met woorden althans, altijd hebben willen vermijden".
Ik heb niet gezegd dat de Vlaamse onderhandelaars nu de plicht hebben om in alle opzichten de stop eruit te trekken. Maar ze hebben wel de plicht om te zeggen dat de Vlaamse onafhankelijkheid inderdaad een mogelijk scenario is, en dat het bovendien ook een mogelijk scenario is om die uit te roepen zonder het akkoord van diegenen van wie men staatkundig afscheid neemt (zie ook K. Elst, "Onafhankelijkheid Moet Je Nemen", Brussels Journal 4 januari 2007). Op voorhand zeggen dat men dat niet zal doen is een profetie die zichzelf bevestigt en de mogelijkheid van onafhankelijkheid vernietigt, op voorhand zeggen dat men bereid is dat zonodig wel te doen zal de mogelijkheid daartoe al een stuk dichterbij brengen. En ze zal maken dat we onze aandacht richten op datgene waarop ze nu moeten richten: die stap ook effectief voorbereiden om ze te kunnen nemen wanneer het kairos daar zou zijn.
En het is niet omdat er op dit ogenblik geen meerderheid in het Vlaams Parlement zou te vinden zijn voor een dergelijke eenzijdige stap, dat diegenen die er wel voorstander van zijn, hun opinie daarover zouden moeten inslikken of, erger nog, moeten meedoen aan een cordon rond diegene die daar wel voorstander van zijn. Natuurlijk zullen we eerst een meerderheid van de Vlamingen moeten overtuigen, maar dat doet men niet door al op voorhand te zeggen dat men de eigen doelstelling niet echt ernstig neemt.
En dus is er weer ruimte voor de revolutionaire taal van N-VA. Taal die op het congres ongetwijfeld ook te horen zal zijn. Of zoals professor en N-VA-lid Matthias Storme het verwoordde:
‘De enige conclusie is dat er na 15 maanden nog niks is. Dat men hier in dit land op de een of ander manier toch zal moeten inzien dat het écht rien ne va plus is. We zullen toch manieren moeten zoeken waarop de gewesten en gemeenschappen de zaak overnemen. Zolang de Vlamingen blijven beweren dat ze zeker niets eenzijdigs zullen doen, staan we zwak, ontstellend zwak.’
Dit is inderdaad een basisbeginsel van onderhandelen: als een partij op voorhand zegt dat ze zeker nooit iets zal doen zonder het akkoord van de andere partij, is ze aan de "goodwill" (nou ja) van die andere partij overgeleverd. En dus zijn de commentatoren, à la Peter Vandermeersch in de Standaard, die steeds blijven herhalen dat onafhankelijkheid niet kan en niet mag, dat we geen separatisten zijn, dat er enkel een onderhandelde oplossing mogelijk is, dat ook over BHV onderhandeld zal moeten worden, rampzalig voor de Vlaamse belangen. In dezelfde krant is een commentator als Bart Sturtewagen , een stukje norser en zeker niet altijd sympathiserend met de flaminganten, ook in dit dossier een stuk lucider dan Vandermeersch die vooral graag aan zelfbewieroking doet en zich vooral boos maakt wanneer een beeld van Vlamingen schetst dat niet het zijne is, maar misschien wel iets reëler (ik alludeer natuurlijk op de ziedende reactie van Vandermeersch ("nous en avons marre") na de uitzending van Bye Bye Belgium, die zijn anti-identitaire zelfbeeld had verstoord).
Zo schreef Sturtewagen op 6 september jl. ("Opening gemaakt") terecht in een overigens optimistische commentaar: "(De Franstaligen) kunnen ook oordelen dat ze over de hele lijn gelijk hebben gehaald met hun catenaccio-tactiek en daaruit besluiten dat ze slechts ceremonieel aan het gesprek van gemeenschap tot gemeenschap moeten deelnemen. Dan plaatsen ze de Vlaamse onderhandelaars finaal voor de plicht om de stop eruit te trekken. Dan veroorzaken ze wat ze, met woorden althans, altijd hebben willen vermijden".
Ik heb niet gezegd dat de Vlaamse onderhandelaars nu de plicht hebben om in alle opzichten de stop eruit te trekken. Maar ze hebben wel de plicht om te zeggen dat de Vlaamse onafhankelijkheid inderdaad een mogelijk scenario is, en dat het bovendien ook een mogelijk scenario is om die uit te roepen zonder het akkoord van diegenen van wie men staatkundig afscheid neemt (zie ook K. Elst, "Onafhankelijkheid Moet Je Nemen", Brussels Journal 4 januari 2007). Op voorhand zeggen dat men dat niet zal doen is een profetie die zichzelf bevestigt en de mogelijkheid van onafhankelijkheid vernietigt, op voorhand zeggen dat men bereid is dat zonodig wel te doen zal de mogelijkheid daartoe al een stuk dichterbij brengen. En ze zal maken dat we onze aandacht richten op datgene waarop ze nu moeten richten: die stap ook effectief voorbereiden om ze te kunnen nemen wanneer het kairos daar zou zijn.
En het is niet omdat er op dit ogenblik geen meerderheid in het Vlaams Parlement zou te vinden zijn voor een dergelijke eenzijdige stap, dat diegenen die er wel voorstander van zijn, hun opinie daarover zouden moeten inslikken of, erger nog, moeten meedoen aan een cordon rond diegene die daar wel voorstander van zijn. Natuurlijk zullen we eerst een meerderheid van de Vlamingen moeten overtuigen, maar dat doet men niet door al op voorhand te zeggen dat men de eigen doelstelling niet echt ernstig neemt.
maandag, september 15, 2008
Wat literatuur ...
Voor de lezer die erin geïnteresseerd is te weten waar ik me de laatste maanden op "rechtswetenschappelijk" gebied zoal mee beziggehouden heb (behalve les geven en syllabi voor mijn vakken bijwerken), hier enkele gegevens.
In januari verscheen eindelijk na vele jaren hard werk de "interim versie" van ons ontwerp voor een Gemeenschappelijk Referentiekader voor europees verbintenissenrecht: Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law - Draft Common Frame of Reference (DCFR), edited by Christian von Bar, Eric Clive and Hans Schulte-Nölke and Hugh Beale, Johnny Herre, Jérôme Huet, Peter Schlechtriem†, Matthias Storme, Stephen Swann, Paul Varul, Anna Veneziano and Fryderyk Zoll. Het is te vinden op http://www.storme.be/DCFRInterim.html. Het definitief ontwerp verschijnt begin 2009.
Verder ben ik er eindelijk in geslaagd om de uitgeschreven tekst van enkele lezingen op punt te stellen. Dat betreft op de eerste plaats een lezing over mensenrechten, die U elders op deze blog vindt: "Tegendraadse bedenkingen betreffende de invulling van de mensenrechten", een lezing uit februari 2008 aan de Universiteit Antwerpen in een lezingenreeks naar aanleiding van 60 jaar Universele verklaring voor de rechten van de mens (1948-2008).
Vervolgens de Engelse versie van een lezing aan de Karlsuniversiteit van Praag in december 2007 over nogal complexe vragen van privaatrecht: "The structure of the law on multiparty-situations in the Draft Common Frame of Reference". Het colloquium kaderde in een reeks colloquia die de uitwisseling van ideeën tussen juristen uit Tsjechië en andere Europese landen tot doel had in het kader van de hercodificatie van het Tsjechische burgerlijk wetboek. De tekst is nog niet elektronisch beschikbaar, maar zal ook wel op mijn thuisblad verschijnen.
Verder diende ik op een colloquium in Trier in maart stelling te nemen in een debat over de inhoud van het ontwerp voor een Gemeenschappelijk Referentiekader voor europees verbintenissenrecht, wat ik dan maar op de mij eigen scherpe manier heb gedaan ("trenchant" zei een Engelse luisteraar me achteraf). De tekst heet "Une question de principe(s) ? Réponse à quelques critiques à l’égard du projet provisoire de « Cadre commun de référence »", en is nu te lezen in ERA-Forum 2008 nr. 3 en op http://storme.be/ERA-ForumTrier2008.pdf.
Een update van een artikel over contractsvrijheid werd gepubliceerd in TSAR (Tydskrif vir die Suid-Afrikaanse Reg/Journal of South African law) 2008-2, p. 179-195. Het artikel is ook te vinden "Freedom of contract, mandatory and non-mandatory law in European contract law". De samenvatting luidt als volgt: Deze bijdrage ontstond in het debat dat in de Europese rechtswetenschap wordt gevoerd betreffende de noodzaak, de omvang en de inhoud van een uniform of minstens geharmoniseerd contractenrecht in Europa. Ze behandelt één enkel thema, namelijk de diverse vormen van regels die de contractsvrijheid beperken.
In een eerste deel wordt ingegaan op de vragen naar het nut of de noodzaak van een harmonisatie van dergelijke regels. Daarin wordt gepleit voor een uniforme modelwet die als uitgangspunt zou fungeren voor het nationale recht, maar de nationale wetgever de mogelijkheid laat daarvan af te wijken door middel van een uitdrukkelijke bepaling.
In een tweede deel wordt een overzicht gegeven van regels van die aard in het op 1 januari 2008 gepubliceerde ontwerp van Gemeenschappelijk Referentiekader voor een europees contractenrecht en kritisch ingegaan op sommige van die regels. In het bijzonder wordt ingegaan op de voorgestelde regel die de nietigheid uitspreekt van contracten voor zover dit vereist zou zijn ter bescherming van fundamentele rechtsbeginselen en vervolgens op de invoering van discriminatieverboden in het contractenrecht.
Verder heb ik een rapport dat ik met collega Heirbaut in 2006 in het Engels schreef over "De Belgische rechtstraditie" (voor het wereldcongres van de Academie voor rechtsvergelijking) in het Nederlands vertaald en bijgewerkt. De tekst is nu te vinden op http://storme.be/heirbaut&storme,debelgischerechtsraditie.pdf. De lezer moet wel weten dat de keuze van de behandelde themata grotendeels bepaald is geworden door de vragen die de auteur van het vergelijkend syntheserapport daartoe had gesteld; de vragenlijst is bijgevoegd. De oorspronkelijke Engelse versie is te vinden op http://www.storme.be/heirbautstorme.html. De aangevulde Nederlandse versie bevat wel nog wat "gevoelig" materiaal in verband met communautaire verhoudingen en juridische strategie, waarover ik het ook reeds had in mijn artikel "De Maskers Vallen Af: Het Gaat (ook) om Ordinaire Gebiedsroof" in juni jl.
Op 12 september gaf ik het syntheserapport op het Colloquium "Civiel beleid in België", Instituut voor rechtsgeschiedenis Universiteit Gent, over het beleid van meer bepaald het Belgische ministerie van justitie inzake wetgeving en privaatrecht van 1831 tot nu. Daarvan zal er wellicht nooit een uitgeschreven versie komen.
Verder was me gevraagd een artikel met enkele algemene kritische beschouwingen over contractenrecht te schrijven als voorwoord bij een bundel met de tekst van lezingen die gehouden worden op een Studiedag in gent op 23 oktober a.s.; de bundel verschijnt als nr. 2 van de jaargang 2008 van het tijdschrift voor privaatrecht en mijn voorwoord "Het contractsbegrip op dieet ?" is alvast in "preview" te vinden op http://www.storme.be/contractsbegripopdieet.pdf.
In januari verscheen eindelijk na vele jaren hard werk de "interim versie" van ons ontwerp voor een Gemeenschappelijk Referentiekader voor europees verbintenissenrecht: Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law - Draft Common Frame of Reference (DCFR), edited by Christian von Bar, Eric Clive and Hans Schulte-Nölke and Hugh Beale, Johnny Herre, Jérôme Huet, Peter Schlechtriem†, Matthias Storme, Stephen Swann, Paul Varul, Anna Veneziano and Fryderyk Zoll. Het is te vinden op http://www.storme.be/DCFRInterim.html. Het definitief ontwerp verschijnt begin 2009.
Verder ben ik er eindelijk in geslaagd om de uitgeschreven tekst van enkele lezingen op punt te stellen. Dat betreft op de eerste plaats een lezing over mensenrechten, die U elders op deze blog vindt: "Tegendraadse bedenkingen betreffende de invulling van de mensenrechten", een lezing uit februari 2008 aan de Universiteit Antwerpen in een lezingenreeks naar aanleiding van 60 jaar Universele verklaring voor de rechten van de mens (1948-2008).
Vervolgens de Engelse versie van een lezing aan de Karlsuniversiteit van Praag in december 2007 over nogal complexe vragen van privaatrecht: "The structure of the law on multiparty-situations in the Draft Common Frame of Reference". Het colloquium kaderde in een reeks colloquia die de uitwisseling van ideeën tussen juristen uit Tsjechië en andere Europese landen tot doel had in het kader van de hercodificatie van het Tsjechische burgerlijk wetboek. De tekst is nog niet elektronisch beschikbaar, maar zal ook wel op mijn thuisblad verschijnen.
Verder diende ik op een colloquium in Trier in maart stelling te nemen in een debat over de inhoud van het ontwerp voor een Gemeenschappelijk Referentiekader voor europees verbintenissenrecht, wat ik dan maar op de mij eigen scherpe manier heb gedaan ("trenchant" zei een Engelse luisteraar me achteraf). De tekst heet "Une question de principe(s) ? Réponse à quelques critiques à l’égard du projet provisoire de « Cadre commun de référence »", en is nu te lezen in ERA-Forum 2008 nr. 3 en op http://storme.be/ERA-ForumTrier2008.pdf.
Een update van een artikel over contractsvrijheid werd gepubliceerd in TSAR (Tydskrif vir die Suid-Afrikaanse Reg/Journal of South African law) 2008-2, p. 179-195. Het artikel is ook te vinden "Freedom of contract, mandatory and non-mandatory law in European contract law". De samenvatting luidt als volgt: Deze bijdrage ontstond in het debat dat in de Europese rechtswetenschap wordt gevoerd betreffende de noodzaak, de omvang en de inhoud van een uniform of minstens geharmoniseerd contractenrecht in Europa. Ze behandelt één enkel thema, namelijk de diverse vormen van regels die de contractsvrijheid beperken.
In een eerste deel wordt ingegaan op de vragen naar het nut of de noodzaak van een harmonisatie van dergelijke regels. Daarin wordt gepleit voor een uniforme modelwet die als uitgangspunt zou fungeren voor het nationale recht, maar de nationale wetgever de mogelijkheid laat daarvan af te wijken door middel van een uitdrukkelijke bepaling.
In een tweede deel wordt een overzicht gegeven van regels van die aard in het op 1 januari 2008 gepubliceerde ontwerp van Gemeenschappelijk Referentiekader voor een europees contractenrecht en kritisch ingegaan op sommige van die regels. In het bijzonder wordt ingegaan op de voorgestelde regel die de nietigheid uitspreekt van contracten voor zover dit vereist zou zijn ter bescherming van fundamentele rechtsbeginselen en vervolgens op de invoering van discriminatieverboden in het contractenrecht.
Verder heb ik een rapport dat ik met collega Heirbaut in 2006 in het Engels schreef over "De Belgische rechtstraditie" (voor het wereldcongres van de Academie voor rechtsvergelijking) in het Nederlands vertaald en bijgewerkt. De tekst is nu te vinden op http://storme.be/heirbaut&storme,debelgischerechtsraditie.pdf. De lezer moet wel weten dat de keuze van de behandelde themata grotendeels bepaald is geworden door de vragen die de auteur van het vergelijkend syntheserapport daartoe had gesteld; de vragenlijst is bijgevoegd. De oorspronkelijke Engelse versie is te vinden op http://www.storme.be/heirbautstorme.html. De aangevulde Nederlandse versie bevat wel nog wat "gevoelig" materiaal in verband met communautaire verhoudingen en juridische strategie, waarover ik het ook reeds had in mijn artikel "De Maskers Vallen Af: Het Gaat (ook) om Ordinaire Gebiedsroof" in juni jl.
Op 12 september gaf ik het syntheserapport op het Colloquium "Civiel beleid in België", Instituut voor rechtsgeschiedenis Universiteit Gent, over het beleid van meer bepaald het Belgische ministerie van justitie inzake wetgeving en privaatrecht van 1831 tot nu. Daarvan zal er wellicht nooit een uitgeschreven versie komen.
Verder was me gevraagd een artikel met enkele algemene kritische beschouwingen over contractenrecht te schrijven als voorwoord bij een bundel met de tekst van lezingen die gehouden worden op een Studiedag in gent op 23 oktober a.s.; de bundel verschijnt als nr. 2 van de jaargang 2008 van het tijdschrift voor privaatrecht en mijn voorwoord "Het contractsbegrip op dieet ?" is alvast in "preview" te vinden op http://www.storme.be/contractsbegripopdieet.pdf.
zaterdag, september 13, 2008
Tegendraadse bedenkingen betreffende de invulling van de mensenrechten
In het kader van een lezingenreeks aan de UA tijdens het voorbije jaar rond 60 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) werd ik gevraagd een soort repliek te geven op een lezing van prof. Eva Brems over de grondslag en de universaliteit van de mensenrechten. Beide teksten worden samen met de andere lezingen binnenkort in een boek gepubliceerd. Ik geef hieronder alvast de uitgeschreven versie van mijn "repliek". De tekst van prof. Brems is nog niet gepubliceerd, maar de meeste ideeën van prof. Brems hierover vinden we terug in haar eerdere publicaties, zoals bv. "Inclusieve universaliteit. Een theoretisch
en methodologisch kader om inzake mensenrechten universaliteit te verzoenen met diversiteit" in R&R (Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie) 2003 nr. 2 (1).
1. Mij is gevraagd om in deze cyclus enkele kritische bedenkingen te formuleren na de uiteenzetting van prof. BREMS over de "Grondslagen" van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Mensenrechten. Aangezien onze filosofische uitgangspunten nogal verschillend zijn, is dit meteen ook een goede test om na te gaan in hoeverre er over deze vraag inderdaad een "overlapping consensus" is. Dat er een overlapping consensus is, zal allicht niemand ontkennen, de vraag is evenwel hoe groot die overlapping consensus dan wel is.
Deze vraag wordt door collega BREMS evenwel in zekere zin uit de weg gegaan door te stellen dat een van de belangrijkste vragen betreffende de mensenrechten, namelijk de universaliteit ervan, geen empirisch gegeven is, maar een normatief element dat geen empirische fundering behoeft. De grondslag van de mensenrechten ligt dan evenwel niet meer in een voldoende consensus, maar in een akte van geloof. Collega BREMS spreekt van een "keuze" voor de universaliteit. Maar is er dan wel een overlappende consensus over die keuze? Of is die niet meer relevant. Of anders gezegd, wie heeft het recht om die keuze te maken, en wie is aan die keuze gebonden ("normatief") zonder ze zelf te maken ? Of bedoelt collega BREMS in dezelfde lijn ook te zeggen dat ook de overlapping consensus geen empirisch, maar een normatief gegeven is? Anders gezegd: maakt het eigenlijk wel iets uit in welke mate er daadwerkelijk een overlappende consensus is, of is enkel de overlappende consensus relevant van diegene die toch al dezelfde keuze maken en dus ongeveer hetzelfde denken ?
2. Ik ben het ermee eens dat de universaliteit van de mensenrechten een keuze is en dat we die keuze tot op zekere hoogte moeten maken (normatief). Maar de vraag blijft: tot waar. Uit het feit dat overal ter wereld een beroep wordt gedaan op de mensenrechten volgt volgens collega BREMS dat iedereen het erover eens is dat men dezelfde rechten wil voor alle mensen. Ik betwijfel dat ten zeerste. Daaruit kan men hoogstens afleiden dat er een voldoende consensus is over eenzelfde minimum aan rechten voor alle mensen, en dat is iets heel anders dan een consensus over dezelfde rechten tout court voor alle mensen.
Tegenover de overlapping consensus en de keuze zou ik dan ook een ander begrip willen plaatsen, dat minstens zo relevant is: mensenrechten zijn een "essentially contested concept"(2), zoals bv. ook "democratie", "vrijheid" en "gelijkheid". Een "essentially contested concept" is hier een concept waar iedereen achter staat maar over de concrete invulling waarvan men wel zeer verschillende opvattingen heeft. Dit sluit niet uit dat er een overlapping consensus kan zijn, maar moet ons waarschuwen voor de retorische truc die erin bestaan iedereen die zich beroept op het concept mensenrechten ook te verplichten om een bepaalde inhoud die aan dat begrip wordt gegeven te aanvaarden.
3. Voor de inhoud die men daarbij aan de mensenrechten geeft buiten die, m.i. vrij beperkte, overlapping consensus, is de "fundering" van de mensenrechten natuurlijk wel van belang. Naargelang de fundering zal men bepaalde beweerde mensenrechten ook effectief als mensenrechten erkennen of niet, en, belangrijker nog, zal men een op een andere manier voorrang geven aan het ene mensenrecht boven het andere. Het maakt voor de daadwerkelijke betekenis van de mensenrechten een heel verschil of men de mensenrechten beschouwt als rechten die slechts binnen de grenzen van de sharia kunnen gelden, dan wel als rechten die juist zonodig regels uit de sharia terzijde stellen…
Met andere woorden: het is niet zo dat er geen grondslag is voor de mensenrechten, dat het alles zou neerkomen op een akte van geloof en dat die akte in wezen steeds dezelfde inhoud zou hebben; het is integendeel zo dat er zeer verschillende grondslagen zijn, al kunnen die tot op zekere hoogte ook gecombineerd worden.
4. Het klopt dat de Universele Verklaring van 1948 geen uitgesproken keuze maakt tussen verschillende opvattingen; maar de tekst gaat wel degelijk uit van een opvatting over de menselijke natuur. Dit blijkt m.i. zeer duidelijk uit art. 1 van de U.V.R.M., dat stelt dat "[Alle mensen] zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen". Dit komt sterk overeen met beeld dat het christendom heeft van de menselijke natuur, van de mens als enerzijds een wezen begiftigd (wat ook een gever veronderstelt, God dus) met rede en anderzijds als kind van God ook een broeder of zuster van de andere kinderen van God. De menselijke natuur in de christelijke traditie heeft natuurlijk niet op de eerste plaats betrekking op hoe de mens is, maar welke bestemming hij heeft door die gift van de rede. Ik kan me voorstellen dat velen vandaag dit mensbeeld in art. 1 van de U.V.R.M. niet meer willen lezen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het er niet staat.
5. Wat nu de verschillende grondslagen voor de mensenrechten betreft, lijkt het me noodzakelijk de tegenstelling te zien tussen enerzijds een mythisch-hypothetische grondslag en anderzijds een historisch-empirische grondslag. Er is geen absolute tegenstelling in die zin dat er natuurlijk mengvormen en tussenposities bestaan, maar voor een bezinning over de mensenrechten is het onderscheid wel van groot belang.
De tweede opvatting zoekt de fundering voor de mensenrechten in de historische ervaring: door trial and error hebben mensen in concrete samenlevingen geleerd wat het belang is van een reeks fundamentele rechten en vrijheden en wat de gevolgen kunnen zijn van de miskenning ervan. De meest essentiële historische ervaringen hierin zijn de strijd tegen elke vorm van totalitarisme, de strijd tegen tirannie en allerlei vormen van machtsmisbruik. De fundamentele rechten en vrijheden zijn bevochten en vormen in hun historiciteit en beperktheid reële historische grondslagen van onze moderne democratisch-liberale samenlevingen.
Daartegenover staat een opvatting die de grondslag van de mensenrechten aan de geschiedenis wil onttrekken, dan wel in een mythische beginperiode van die geschiedenis wil plaatsen. Dit is de lijn van bv. het contrat social van ROUSSEAU en de sluier van RAWLS. Er wordt gezocht naar een nulpunt waarin er (nog) geen posities zijn, naar eerste beginselen van waaruit door middel van de "natuurlijke rede" regels kunnen worden afgeleid. Het is in die zin dat de Amerikaanse Declaration of Independence spreekt van "truths we hold to be self-evident" en de Preambule van de Franse Déclaration des droits de l'Homme et du Citoyen van "des principes simples et incontestables". De tegenovergestelde opvatting gaat daarentegen uit van de artificial reason van de geschoolde jurist, onder meer verwoord door sir EDWARD COKE: “causes which concern life, or inheritance, or goods, or fortunes of (subjects) are not to be decided by natural reason, but by the artificial reason and judgment of law, which law is an act which requires long study and experience before a man can attain to the knowledge of it”(3). Het is in die lijn dat COKE een van de grondleggers was van de doctrine van judicial review die geleid heeft tot de grondwettigheidstoetsing in meer bepaald de Verenigde Staten.
6. In de lijn van de opvatting die mensenrechten ziet als door trial and error bevochten historische verworvenheden, wordt sterk de nadruk gelegd op de politieke gemeenschap waarin mensenrechten eerst bescherming vinden. Dat wil niet zeggen dat die rechten eerst ontstaan door de erkenning ervan in formele verklaringen of rechtsregels. Maar het betekent evenmin dat mensenrechten zouden bestaan buiten elke politieke gemeenschap om. Beiden gaan hand in hand: de mensenrechten hebben een politieke gemeenschap nodig om gerealiseerd te worden, maar omgekeerd is het slechts door de waarborging van dergelijke rechten dat een staat gelegitimeerd wordt tot rechtsstaat, dat een overheid legitimiteit verkrijgt. De eerste zijde hiervan werd onder meer door HANNAH ARENDT sterk gethematiseerd, vanuit de ervaringen met het totalitarisme van de 20e eeuw en de Tweede Wereldoorlog. Zij legt er sterk de nadruk op dat mensenrechten maar gelden juist wanneer mensen niet zomaar "mens" alleen zijn, maar wel degelijk leden van een concrete politieke gemeenschap veeleer dan een illusoire mensheidsgemeenschap. De mens die enkel maar mens is, tot niets anders behoort dan tot de menselijke soort, is eigenlijk geen mens meer (4). Bij ARENDT vinden we niet het vandaag modieuze pleidooi voor "inclusie", wel een pleidooi voor pluralisme en strijd tegen elke vorm van totalitarisme, gepaard met een strijd tegen het moderne nihilisme:
"Modern man has come to resent everything, even his own existence - to resent the very fact that he is not the creator of the universe and himself. In this fundamental resentment, he refuses to see rhyme or reason in the given world. (....) The alternative for this resentment, which is the psychological basis of contemporary nihilism, would be a fundamental gratitude for the few elementary things that are invariably given us, such as life itself, the existence of man and the world. (...) insight into the tremendous bliss that man was created with the power of recreation, that not a single man but Men inhabit the earth"(5).
7. De nadruk op de concrete politieke gemeenschap is geen ontkenning van de universaliteit van mensenrechten, maar wel een waarschuwing tegen verabsolutering van de concrete invulling van die mensenrechten. Het onderscheid vinden we treffende in de metafoor die de titel is van een boek van MICHAEL WALZER: "Thick and thin. Moral argument at home and abroad"(6). Natuurlijk zijn de mensenrechten universeel, maar het universele eraan is slechts een dun laagje; het krijgt maar "dikte", maar vlees en bloed in de niet-universele, historisch en culturele bepaalde invullingen die eraan gegeven worden in concrete samenlevingen. "Societies are necessarily particular because they have members and memories, members with memories not only of their own but also of their common life. Humanity by contrast, has members but no memory, and so it has no history and no culture, no customary practices, no familiar life-ways, no festivals, no shared understanding of social goods"(7).
8. Collega BREMS gaat ook uit van een opvatting die inhoudt dat in de concretsiering mensenrechten dienen te verschillen, maar wel in een radicaal andere zin. Zij gaat niet uit van de politieke of culturele gemeenschap als context waarin mensenrechten door trial and error worden geconcretiseerd, maar van een categorisering van mensen volgens een klassiek marxistisch schema in leden van dominante groepen en leden van niet-dominante groepen. Het resultaat van zo'n redenering is dat onder het mom van "equal rights" juist allerlei "special rights" worden geschapen: het gaat dan niet meer om mensenrechten, maar om vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten, rechten van allochtonen, enz.
De concretisering waar ik daartegenover voor pleit in de lijn van ARENDT verwerpt precies die abstracte categorieën waarin mensen in "aparte" vakjes en op basis van een "universele" natuurlijke rede "aparte" rechten worden toegekend, maar gaat uit van de onherleidbare veelvuldigheid van de mens. Maar vooral wordt daarbij de fundamentele vraag niet uit de weg gegaan wie dan wel bevoegd is om de concrete inhoud van de mensenrechten dwingend te bepalen: "Qui écrit les lois non écrites des dieux?", zoals CLAUDIO MAGRIS het formuleerde (8). Die vraag ontbreekt in de uiteenzetting van prof. BREMS.
9. Op die vraag bestaat er al evenmin een universeel geldig antwoord. Nationale tradities en constituties vertonen belangrijke verschillen op dit punt, zonder dat men kan zeggen dat het ene model democratisch zou zijn en het andere niet. In het Verenigd Koninkrijk geldt de supremacy of Parliament en heeft het democratisch verkozen parlement het laatste woord om zelfs bij gewone meerderheid welke regel dan ook te wijzigen. In Duitsland, de Verenigde Staten en een reeks andere landen is er een suprematie van de grondwet die slechts met bijzondere meerderheden kan worden gewijzigd, en waaraan wetten kunnen worden getoetst door de rechter (of dit nu een supreme court is dan wel een apart Grondwettelijk Hof). In Zwitserland komt het laatste woord toe aan de bevolking in het kader van een volksstemming of referendum. In alle gevallen zijn er bepaalde vormen van checks and balances, van verdeling van de macht over verschillende organen, ook wanneer een daarvan op een bepaald ogenblik het laatste woord heeft. En dat laatste woord komt in een democratie uiteindelijk rechtstreeks of onrechtstreeks toe aan het volk zelf. In een democratische rechtstaat is het daarbij natuurlijk ook belangrijk dat minderheden niet zomaar worden overgeleverd aan een dictatuur van de meerderheid. Maar het is even belangrijk dat de meerderheid van de bevolking niet word overgeleverd aan een dictatuur van experten waarvan de democratische legitimiteit meestal uiterst gering is. Wanneer grondrechten worden geconsacreerd in een formele grondwet die niet bij gewone meerderheid kan worden gewijzigd, dan is dit om te vermijden dat een loutere de meerderheid van de dag die grondrechten zou kunnen wijzigen. Maar men moet goed beseffen dat een commissie van experten of zelfs een college van rechters in dat geval nog over veel minder legitimiteit beschikken om onder het mom van interpretatie die grondrechten te wijzigen dan een gewone meerderheid in een verkozen parlement of in een volksstemming.
10. Het tegendeel wordt soms verdedigd met het argument dat rechters of experten de grondrechten niet inperken, maar alleen maar uitbreiden. Dit is evenwel een drogredenering die verbergt dat het toekennen van nieuwe rechten in de meeste gevallen een inperking van andere rechten of vrijheden betekent. Een inflatie aan rechten betekent omzeggens steeds een ontwaarding van de al bestaande rechten. En vaak betekent het ook een verdringing van andere soorten waarden, die niet in het concept van subjectief recht te vatten zijn. Er zijn ook andere fundamentele normen die een gelijke rang verdienen als grondrechten en daarom in een Grondwet op gelijke voet worden opgenomen. Een mensenrechtenverklaring daarentegen ontsnapt aan de verplichting om regels uit te vaardigen om het geheel ook te doen functioneren.
De toegenomen hoeveelheid aan mensenrechten heeft ook een ander fundamenteel probleem verscherpt: dat van de conflicten tussen grondrechten en opnieuw de vraag wie uiteindelijk in de beslechting daarvan het laatste woord heeft. Nu kan men wel een zekere hiërarchie tussen grondrechten opstellen, en zijn sommige rechten en vrijheden zeker fundamenteler dan andere. Maar een perfecte hiërarchie is onmogelijk: het is bij bijna alle grondrechten zo dat zij in sommige gevallen de voorrang moeten krijgen en in andere niet. Die afweging kan evenwel niet op het niveau van de principes zelf gebeuren. Zij vereist een concretisering die al evenmin in de principes zelf besloten ligt.
11. Laat ons weerstaan aan de gedachte dat er in de geschiedenis maar één "juiste" richting is waarin moreel correcte mensen kunnen marcheren, de kitsch van de "grote Mars" zoals MILAN KUNDERA die beschreef in zijn L'insoutenable légèreté de l'être (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, in de Engelse vertaling The Unbearable Lightness of Being, Part VI: “The Grand March”): "The Grand March is the splendid march on the road to brotherhood, equality, justice, happiness; it goes on and on, obstacles notwithstanding, for obstacles there must be if the march is to be the Grand March."
MICHAEL WALZER voegde eraan toe: “There is nothing to gain from the merger, for the chief value of all this marching lies in the particular experience of the marchers. There is no reason to think that they are all heading in the same direction. The claim that they must be heading in the same direction, that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example – so writes the Czech novelist Milan Kundera of leftist kitsch"(9).
Meer nog, de grondleggers van het constitutionalisme gingen van de tegenovergestelde opvatting uit: het is wel de opdracht van rechters om bestaande, doorheen de geschiedenis ontwikkelde, fundamentele rechten te beschermen tegen aantasting ervan door beslissingen van politieke organen en juist niet om bestaande rechten terzijde te stellen op basis van nieuw uitgevonden fundamentele rechten. De constitutionele bevoegdheid van de rechter bestaat er immers om de politieke macht te begrenzen binnen de perken van de grondwettelijke rechten en vrijheden, en niet om die aloude rechten en vrijheden aan te passen aan de waan van de dag.
(1)http://www.bju-tijdschriften.nl/index.php?module=articles&article_id=1557
(2) De uitdrukking werd bij mijn weten voor het eerst gebruikt door W. B. GALLIE, "Essentially Contested Concepts", Proceedings of the Aristotelian Society 1956, p.167 v.
(3) Uit Coke’s antwoord aan koning James I in de dialoog “Prohibitions del Roy”, opgenomen in COKE, Twelfth Reports (12 Co.Rep. 65), geciteerd door J.G.A. POCOCK, "Burke and the Ancient Constitution - a problem in the history of ideas", The Historical Journal 1960, p. 132.
(4) Zie de bespreking van H. Arendt's visie op dit punt door A. FINKIELKRAUT, L'ingratitude, Parijs,Gallimard, 1999, p. 120 v.
(5) H. ARENDT, The burden of our time, London, Secker & Warburg,1951, p. 438.
(6) Chicago, University of Notre Dame Press, 1994.
(7) M. WALZER, Thick and thin.Moral argument at home and abroad, Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1994, p. 8.
(8) Claudio MAGRIS, "Qui écrit les loix non écrites des dieuxé (1996), opgenomen in Utopie et désenchantement, Gallimard Parijs 2001, p. 327.
(9) M. WALZER, Thick and thin.Moral argument at home and abroad, Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1994, p. 8-9.
en methodologisch kader om inzake mensenrechten universaliteit te verzoenen met diversiteit" in R&R (Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie) 2003 nr. 2 (1).
1. Mij is gevraagd om in deze cyclus enkele kritische bedenkingen te formuleren na de uiteenzetting van prof. BREMS over de "Grondslagen" van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Mensenrechten. Aangezien onze filosofische uitgangspunten nogal verschillend zijn, is dit meteen ook een goede test om na te gaan in hoeverre er over deze vraag inderdaad een "overlapping consensus" is. Dat er een overlapping consensus is, zal allicht niemand ontkennen, de vraag is evenwel hoe groot die overlapping consensus dan wel is.
Deze vraag wordt door collega BREMS evenwel in zekere zin uit de weg gegaan door te stellen dat een van de belangrijkste vragen betreffende de mensenrechten, namelijk de universaliteit ervan, geen empirisch gegeven is, maar een normatief element dat geen empirische fundering behoeft. De grondslag van de mensenrechten ligt dan evenwel niet meer in een voldoende consensus, maar in een akte van geloof. Collega BREMS spreekt van een "keuze" voor de universaliteit. Maar is er dan wel een overlappende consensus over die keuze? Of is die niet meer relevant. Of anders gezegd, wie heeft het recht om die keuze te maken, en wie is aan die keuze gebonden ("normatief") zonder ze zelf te maken ? Of bedoelt collega BREMS in dezelfde lijn ook te zeggen dat ook de overlapping consensus geen empirisch, maar een normatief gegeven is? Anders gezegd: maakt het eigenlijk wel iets uit in welke mate er daadwerkelijk een overlappende consensus is, of is enkel de overlappende consensus relevant van diegene die toch al dezelfde keuze maken en dus ongeveer hetzelfde denken ?
2. Ik ben het ermee eens dat de universaliteit van de mensenrechten een keuze is en dat we die keuze tot op zekere hoogte moeten maken (normatief). Maar de vraag blijft: tot waar. Uit het feit dat overal ter wereld een beroep wordt gedaan op de mensenrechten volgt volgens collega BREMS dat iedereen het erover eens is dat men dezelfde rechten wil voor alle mensen. Ik betwijfel dat ten zeerste. Daaruit kan men hoogstens afleiden dat er een voldoende consensus is over eenzelfde minimum aan rechten voor alle mensen, en dat is iets heel anders dan een consensus over dezelfde rechten tout court voor alle mensen.
Tegenover de overlapping consensus en de keuze zou ik dan ook een ander begrip willen plaatsen, dat minstens zo relevant is: mensenrechten zijn een "essentially contested concept"(2), zoals bv. ook "democratie", "vrijheid" en "gelijkheid". Een "essentially contested concept" is hier een concept waar iedereen achter staat maar over de concrete invulling waarvan men wel zeer verschillende opvattingen heeft. Dit sluit niet uit dat er een overlapping consensus kan zijn, maar moet ons waarschuwen voor de retorische truc die erin bestaan iedereen die zich beroept op het concept mensenrechten ook te verplichten om een bepaalde inhoud die aan dat begrip wordt gegeven te aanvaarden.
3. Voor de inhoud die men daarbij aan de mensenrechten geeft buiten die, m.i. vrij beperkte, overlapping consensus, is de "fundering" van de mensenrechten natuurlijk wel van belang. Naargelang de fundering zal men bepaalde beweerde mensenrechten ook effectief als mensenrechten erkennen of niet, en, belangrijker nog, zal men een op een andere manier voorrang geven aan het ene mensenrecht boven het andere. Het maakt voor de daadwerkelijke betekenis van de mensenrechten een heel verschil of men de mensenrechten beschouwt als rechten die slechts binnen de grenzen van de sharia kunnen gelden, dan wel als rechten die juist zonodig regels uit de sharia terzijde stellen…
Met andere woorden: het is niet zo dat er geen grondslag is voor de mensenrechten, dat het alles zou neerkomen op een akte van geloof en dat die akte in wezen steeds dezelfde inhoud zou hebben; het is integendeel zo dat er zeer verschillende grondslagen zijn, al kunnen die tot op zekere hoogte ook gecombineerd worden.
4. Het klopt dat de Universele Verklaring van 1948 geen uitgesproken keuze maakt tussen verschillende opvattingen; maar de tekst gaat wel degelijk uit van een opvatting over de menselijke natuur. Dit blijkt m.i. zeer duidelijk uit art. 1 van de U.V.R.M., dat stelt dat "[Alle mensen] zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen". Dit komt sterk overeen met beeld dat het christendom heeft van de menselijke natuur, van de mens als enerzijds een wezen begiftigd (wat ook een gever veronderstelt, God dus) met rede en anderzijds als kind van God ook een broeder of zuster van de andere kinderen van God. De menselijke natuur in de christelijke traditie heeft natuurlijk niet op de eerste plaats betrekking op hoe de mens is, maar welke bestemming hij heeft door die gift van de rede. Ik kan me voorstellen dat velen vandaag dit mensbeeld in art. 1 van de U.V.R.M. niet meer willen lezen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het er niet staat.
5. Wat nu de verschillende grondslagen voor de mensenrechten betreft, lijkt het me noodzakelijk de tegenstelling te zien tussen enerzijds een mythisch-hypothetische grondslag en anderzijds een historisch-empirische grondslag. Er is geen absolute tegenstelling in die zin dat er natuurlijk mengvormen en tussenposities bestaan, maar voor een bezinning over de mensenrechten is het onderscheid wel van groot belang.
De tweede opvatting zoekt de fundering voor de mensenrechten in de historische ervaring: door trial and error hebben mensen in concrete samenlevingen geleerd wat het belang is van een reeks fundamentele rechten en vrijheden en wat de gevolgen kunnen zijn van de miskenning ervan. De meest essentiële historische ervaringen hierin zijn de strijd tegen elke vorm van totalitarisme, de strijd tegen tirannie en allerlei vormen van machtsmisbruik. De fundamentele rechten en vrijheden zijn bevochten en vormen in hun historiciteit en beperktheid reële historische grondslagen van onze moderne democratisch-liberale samenlevingen.
Daartegenover staat een opvatting die de grondslag van de mensenrechten aan de geschiedenis wil onttrekken, dan wel in een mythische beginperiode van die geschiedenis wil plaatsen. Dit is de lijn van bv. het contrat social van ROUSSEAU en de sluier van RAWLS. Er wordt gezocht naar een nulpunt waarin er (nog) geen posities zijn, naar eerste beginselen van waaruit door middel van de "natuurlijke rede" regels kunnen worden afgeleid. Het is in die zin dat de Amerikaanse Declaration of Independence spreekt van "truths we hold to be self-evident" en de Preambule van de Franse Déclaration des droits de l'Homme et du Citoyen van "des principes simples et incontestables". De tegenovergestelde opvatting gaat daarentegen uit van de artificial reason van de geschoolde jurist, onder meer verwoord door sir EDWARD COKE: “causes which concern life, or inheritance, or goods, or fortunes of (subjects) are not to be decided by natural reason, but by the artificial reason and judgment of law, which law is an act which requires long study and experience before a man can attain to the knowledge of it”(3). Het is in die lijn dat COKE een van de grondleggers was van de doctrine van judicial review die geleid heeft tot de grondwettigheidstoetsing in meer bepaald de Verenigde Staten.
6. In de lijn van de opvatting die mensenrechten ziet als door trial and error bevochten historische verworvenheden, wordt sterk de nadruk gelegd op de politieke gemeenschap waarin mensenrechten eerst bescherming vinden. Dat wil niet zeggen dat die rechten eerst ontstaan door de erkenning ervan in formele verklaringen of rechtsregels. Maar het betekent evenmin dat mensenrechten zouden bestaan buiten elke politieke gemeenschap om. Beiden gaan hand in hand: de mensenrechten hebben een politieke gemeenschap nodig om gerealiseerd te worden, maar omgekeerd is het slechts door de waarborging van dergelijke rechten dat een staat gelegitimeerd wordt tot rechtsstaat, dat een overheid legitimiteit verkrijgt. De eerste zijde hiervan werd onder meer door HANNAH ARENDT sterk gethematiseerd, vanuit de ervaringen met het totalitarisme van de 20e eeuw en de Tweede Wereldoorlog. Zij legt er sterk de nadruk op dat mensenrechten maar gelden juist wanneer mensen niet zomaar "mens" alleen zijn, maar wel degelijk leden van een concrete politieke gemeenschap veeleer dan een illusoire mensheidsgemeenschap. De mens die enkel maar mens is, tot niets anders behoort dan tot de menselijke soort, is eigenlijk geen mens meer (4). Bij ARENDT vinden we niet het vandaag modieuze pleidooi voor "inclusie", wel een pleidooi voor pluralisme en strijd tegen elke vorm van totalitarisme, gepaard met een strijd tegen het moderne nihilisme:
"Modern man has come to resent everything, even his own existence - to resent the very fact that he is not the creator of the universe and himself. In this fundamental resentment, he refuses to see rhyme or reason in the given world. (....) The alternative for this resentment, which is the psychological basis of contemporary nihilism, would be a fundamental gratitude for the few elementary things that are invariably given us, such as life itself, the existence of man and the world. (...) insight into the tremendous bliss that man was created with the power of recreation, that not a single man but Men inhabit the earth"(5).
7. De nadruk op de concrete politieke gemeenschap is geen ontkenning van de universaliteit van mensenrechten, maar wel een waarschuwing tegen verabsolutering van de concrete invulling van die mensenrechten. Het onderscheid vinden we treffende in de metafoor die de titel is van een boek van MICHAEL WALZER: "Thick and thin. Moral argument at home and abroad"(6). Natuurlijk zijn de mensenrechten universeel, maar het universele eraan is slechts een dun laagje; het krijgt maar "dikte", maar vlees en bloed in de niet-universele, historisch en culturele bepaalde invullingen die eraan gegeven worden in concrete samenlevingen. "Societies are necessarily particular because they have members and memories, members with memories not only of their own but also of their common life. Humanity by contrast, has members but no memory, and so it has no history and no culture, no customary practices, no familiar life-ways, no festivals, no shared understanding of social goods"(7).
8. Collega BREMS gaat ook uit van een opvatting die inhoudt dat in de concretsiering mensenrechten dienen te verschillen, maar wel in een radicaal andere zin. Zij gaat niet uit van de politieke of culturele gemeenschap als context waarin mensenrechten door trial and error worden geconcretiseerd, maar van een categorisering van mensen volgens een klassiek marxistisch schema in leden van dominante groepen en leden van niet-dominante groepen. Het resultaat van zo'n redenering is dat onder het mom van "equal rights" juist allerlei "special rights" worden geschapen: het gaat dan niet meer om mensenrechten, maar om vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten, rechten van allochtonen, enz.
De concretisering waar ik daartegenover voor pleit in de lijn van ARENDT verwerpt precies die abstracte categorieën waarin mensen in "aparte" vakjes en op basis van een "universele" natuurlijke rede "aparte" rechten worden toegekend, maar gaat uit van de onherleidbare veelvuldigheid van de mens. Maar vooral wordt daarbij de fundamentele vraag niet uit de weg gegaan wie dan wel bevoegd is om de concrete inhoud van de mensenrechten dwingend te bepalen: "Qui écrit les lois non écrites des dieux?", zoals CLAUDIO MAGRIS het formuleerde (8). Die vraag ontbreekt in de uiteenzetting van prof. BREMS.
9. Op die vraag bestaat er al evenmin een universeel geldig antwoord. Nationale tradities en constituties vertonen belangrijke verschillen op dit punt, zonder dat men kan zeggen dat het ene model democratisch zou zijn en het andere niet. In het Verenigd Koninkrijk geldt de supremacy of Parliament en heeft het democratisch verkozen parlement het laatste woord om zelfs bij gewone meerderheid welke regel dan ook te wijzigen. In Duitsland, de Verenigde Staten en een reeks andere landen is er een suprematie van de grondwet die slechts met bijzondere meerderheden kan worden gewijzigd, en waaraan wetten kunnen worden getoetst door de rechter (of dit nu een supreme court is dan wel een apart Grondwettelijk Hof). In Zwitserland komt het laatste woord toe aan de bevolking in het kader van een volksstemming of referendum. In alle gevallen zijn er bepaalde vormen van checks and balances, van verdeling van de macht over verschillende organen, ook wanneer een daarvan op een bepaald ogenblik het laatste woord heeft. En dat laatste woord komt in een democratie uiteindelijk rechtstreeks of onrechtstreeks toe aan het volk zelf. In een democratische rechtstaat is het daarbij natuurlijk ook belangrijk dat minderheden niet zomaar worden overgeleverd aan een dictatuur van de meerderheid. Maar het is even belangrijk dat de meerderheid van de bevolking niet word overgeleverd aan een dictatuur van experten waarvan de democratische legitimiteit meestal uiterst gering is. Wanneer grondrechten worden geconsacreerd in een formele grondwet die niet bij gewone meerderheid kan worden gewijzigd, dan is dit om te vermijden dat een loutere de meerderheid van de dag die grondrechten zou kunnen wijzigen. Maar men moet goed beseffen dat een commissie van experten of zelfs een college van rechters in dat geval nog over veel minder legitimiteit beschikken om onder het mom van interpretatie die grondrechten te wijzigen dan een gewone meerderheid in een verkozen parlement of in een volksstemming.
10. Het tegendeel wordt soms verdedigd met het argument dat rechters of experten de grondrechten niet inperken, maar alleen maar uitbreiden. Dit is evenwel een drogredenering die verbergt dat het toekennen van nieuwe rechten in de meeste gevallen een inperking van andere rechten of vrijheden betekent. Een inflatie aan rechten betekent omzeggens steeds een ontwaarding van de al bestaande rechten. En vaak betekent het ook een verdringing van andere soorten waarden, die niet in het concept van subjectief recht te vatten zijn. Er zijn ook andere fundamentele normen die een gelijke rang verdienen als grondrechten en daarom in een Grondwet op gelijke voet worden opgenomen. Een mensenrechtenverklaring daarentegen ontsnapt aan de verplichting om regels uit te vaardigen om het geheel ook te doen functioneren.
De toegenomen hoeveelheid aan mensenrechten heeft ook een ander fundamenteel probleem verscherpt: dat van de conflicten tussen grondrechten en opnieuw de vraag wie uiteindelijk in de beslechting daarvan het laatste woord heeft. Nu kan men wel een zekere hiërarchie tussen grondrechten opstellen, en zijn sommige rechten en vrijheden zeker fundamenteler dan andere. Maar een perfecte hiërarchie is onmogelijk: het is bij bijna alle grondrechten zo dat zij in sommige gevallen de voorrang moeten krijgen en in andere niet. Die afweging kan evenwel niet op het niveau van de principes zelf gebeuren. Zij vereist een concretisering die al evenmin in de principes zelf besloten ligt.
11. Laat ons weerstaan aan de gedachte dat er in de geschiedenis maar één "juiste" richting is waarin moreel correcte mensen kunnen marcheren, de kitsch van de "grote Mars" zoals MILAN KUNDERA die beschreef in zijn L'insoutenable légèreté de l'être (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, in de Engelse vertaling The Unbearable Lightness of Being, Part VI: “The Grand March”): "The Grand March is the splendid march on the road to brotherhood, equality, justice, happiness; it goes on and on, obstacles notwithstanding, for obstacles there must be if the march is to be the Grand March."
MICHAEL WALZER voegde eraan toe: “There is nothing to gain from the merger, for the chief value of all this marching lies in the particular experience of the marchers. There is no reason to think that they are all heading in the same direction. The claim that they must be heading in the same direction, that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example – so writes the Czech novelist Milan Kundera of leftist kitsch"(9).
Meer nog, de grondleggers van het constitutionalisme gingen van de tegenovergestelde opvatting uit: het is wel de opdracht van rechters om bestaande, doorheen de geschiedenis ontwikkelde, fundamentele rechten te beschermen tegen aantasting ervan door beslissingen van politieke organen en juist niet om bestaande rechten terzijde te stellen op basis van nieuw uitgevonden fundamentele rechten. De constitutionele bevoegdheid van de rechter bestaat er immers om de politieke macht te begrenzen binnen de perken van de grondwettelijke rechten en vrijheden, en niet om die aloude rechten en vrijheden aan te passen aan de waan van de dag.
(1)http://www.bju-tijdschriften.nl/index.php?module=articles&article_id=1557
(2) De uitdrukking werd bij mijn weten voor het eerst gebruikt door W. B. GALLIE, "Essentially Contested Concepts", Proceedings of the Aristotelian Society 1956, p.167 v.
(3) Uit Coke’s antwoord aan koning James I in de dialoog “Prohibitions del Roy”, opgenomen in COKE, Twelfth Reports (12 Co.Rep. 65), geciteerd door J.G.A. POCOCK, "Burke and the Ancient Constitution - a problem in the history of ideas", The Historical Journal 1960, p. 132.
(4) Zie de bespreking van H. Arendt's visie op dit punt door A. FINKIELKRAUT, L'ingratitude, Parijs,Gallimard, 1999, p. 120 v.
(5) H. ARENDT, The burden of our time, London, Secker & Warburg,1951, p. 438.
(6) Chicago, University of Notre Dame Press, 1994.
(7) M. WALZER, Thick and thin.Moral argument at home and abroad, Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1994, p. 8.
(8) Claudio MAGRIS, "Qui écrit les loix non écrites des dieuxé (1996), opgenomen in Utopie et désenchantement, Gallimard Parijs 2001, p. 327.
(9) M. WALZER, Thick and thin.Moral argument at home and abroad, Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1994, p. 8-9.
dinsdag, september 09, 2008
Franse ratten (bis)
Nu het oude spotlied "Fransche ratten, rold uw" matten" blijkbaar nog steeds een geschikte provocatie is van mensen die niets van nze vaderlandse geschiedenis kennen, heb ik nog wel enkele aanvullingen bij mijn eerder blogje "Fransche ratten: Vanhecke kent zijn klassiekers niet".
Ik dacht dat de uitdrukking rat voor de Fransen te maken had met het leegplunderen van de voorraden door de Franse troepen onder Napoleon. Het blijkt dat de uitdrukking toch nog een enigszins andere connoatatie moet hebben gehad. In het Woordnebeok der Nederlandse Taal wordt de uitdrukking "Franse rat" (met "Franse" erbij) in het bijzonder geduid te worden voor een avonturier of een gelukzoeker. Er zijn wel geen citaten van voor 1813. Maar voordien werd het woord rat ook al in die zin gebruikt, vaker ook als "kale rat". De Fransen beantwoordden blijkbaar in het bijzonder aan een voordien reeds gebruikte uitdrukking. De uitdrukking "kale rat" voor armoedzaaier vinden we alvast al in de 17en en 18e eeuw. En Conscience schreef in die lijn: "De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende, in België komen, en daer door uitwendige pracht … willen doen gelooven dat zy iets zyn, noemt men te Antwerpen … Ratten; maer dewyl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaem nu uitsluitelyk toe te eigenen aen de leden eener enkele groote natie". Met het laatste kan moeilijk iets anders dan Frankrijk bedoeld zijn. En de beschrijving van Conscience past in ieder geval vandaag nog steeds voor een bepaalde categorie franstaligen in de Gordel rond Brussel...
Ik dacht dat de uitdrukking rat voor de Fransen te maken had met het leegplunderen van de voorraden door de Franse troepen onder Napoleon. Het blijkt dat de uitdrukking toch nog een enigszins andere connoatatie moet hebben gehad. In het Woordnebeok der Nederlandse Taal wordt de uitdrukking "Franse rat" (met "Franse" erbij) in het bijzonder geduid te worden voor een avonturier of een gelukzoeker. Er zijn wel geen citaten van voor 1813. Maar voordien werd het woord rat ook al in die zin gebruikt, vaker ook als "kale rat". De Fransen beantwoordden blijkbaar in het bijzonder aan een voordien reeds gebruikte uitdrukking. De uitdrukking "kale rat" voor armoedzaaier vinden we alvast al in de 17en en 18e eeuw. En Conscience schreef in die lijn: "De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende, in België komen, en daer door uitwendige pracht … willen doen gelooven dat zy iets zyn, noemt men te Antwerpen … Ratten; maer dewyl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaem nu uitsluitelyk toe te eigenen aen de leden eener enkele groote natie". Met het laatste kan moeilijk iets anders dan Frankrijk bedoeld zijn. En de beschrijving van Conscience past in ieder geval vandaag nog steeds voor een bepaalde categorie franstaligen in de Gordel rond Brussel...
dinsdag, september 02, 2008
Eenzijdige ongenuanceerde kritiek leidt tot antisemitisme
Ziehier een opiniestuk uit de Standaard van 2 september 2008 dat ik gemeend heb mede te moeten ondertekenen.
Vrije meningsuiting is geen eenrichtingsverkeer, reageert het Platform voor faire meningsuiting. Wie in naam van de vrije meningsuiting kritiek geeft op Israël, moet het ook aandurven een pro-Israëlische stem aan het woord te laten, anders werkt hij het antisemitisme in de hand.
Het 'platform voor vrije meningsuiting' verspreidt een bericht met als titel 'Kritiek op Israël is geen antisemitisme'. Wij kunnen ons hierbij volmondig aansluiten. Het platform tracht in het bericht echter het publiek te misleiden, want vanuit officiële Joodse instanties of de Joodse pers zijn zulke beschuldigingen betrekkelijk zeldzaam. 'Ofschoon de kritiek op Israël vaak niet-proportioneel, misplaatst en soms manifest onjuist is, gaat het in de meeste gevallen niet om antisemitisme', schreef de directie van Joods Actueel onlangs nog in een opiniestuk (juli 2008). Dat privé-individuen op internetfora beschuldigingen de wereld insturen, reflecteert niet het standpunt van een hele groep. Wat wij wel stellen, is dat uit studies blijkt dat een eenzijdige en ongenuanceerde kritiek aan het adres van Israël leidt tot een stijgend antisemitisme. Om een concreet voorbeeld te geven, na een eenzijdige tv-reportage kon men op het internetforum van het bewuste programma onder meer lezen: 'Het is tijd dat iemand de Joden nog eens een lesje leert'. Of nog, 'ook bij ons in Antwerpen werkt iedereen voor de Joden'. 'Joden hebben alle macht en de media in handen, verschrikkelijk…'.
Een heleboel organisaties, die er een aparte wereldvisie op nahouden, zijn actief bij projecten waarbij de Joodse staat het keer op keer moet ontgelden. Daar is eigenlijk niets mis mee, we leven in een democratie en dragen vrije meningsuiting hoog in het vaandel. Wat echter niet kan, is die eenzijdige mening verkondigen als enige waarheid, zonder ook maar iemand van de andere kant aan bod te laten komen.
Toen onlangs in Gent een debat plaatsvond over het Midden-Oosten, werden zeven sprekers uitgenodigd die allen bekend staan om hun hevige kritiek op Israël. Twee weken voor het debat werd ook aan de 'andere kant' gevraagd om een spreker te sturen. Het zal duidelijk wezen dat één of zelfs twee sprekers tegen zeven als allesbehalve fair kan aanzien worden. Idem dito voor het project van CODIP om leraren te informeren over het Midden-Oostenconflict. Op de lijst allemaal namen van mensen die hun hevige kritiek op de Joodse staat niet onder stoelen of banken steken. Ook de 'beruchte' professor Ilan Pappé zou aanwezig zijn, een Israëlisch academicus die oproept zijn eigen land op alle mogelijke vlakken te boycotten. Nu mag het voor iedereen duidelijk zijn dat extreme meningen, zoals die van Pappé, slechts een minuscuul deel van de Israëlische stemmen vertegenwoordigen. Hoe zouden wij reageren indien N-VA en Vlaams Belang debatten zouden organiseren in het buitenland over de toekomst van het Belgisch staatsmodel? Zouden wij het dan pikken als dit als 'enige waarheid' en als stem van de modale Belg wordt voorgesteld?
Neen, op die debatavonden over Israël hoor je nooit iets over de talloze schendingen van mensenrechten door Arabische regimes, hoor je niet hoe Palestijnse leiders actief met de nazi's meewerkten aan de Jodenuitroeiing, over de Arabische regimes die de Palestijnen opriepen hun eigen land te verlaten in 1948 zodat ze het gebied konden platbombarderen, over de vele vredesconcessies van Israël (oprichting van de Palestijnse Autoriteit, terugtrekking uit Gaza) die steeds met geweld worden beantwoord, of over de meer dan één miljoen Arabieren die de Israëlische nationaliteit bezitten en er de beste scholing, gezondheidszorg en levenskwaliteit op na houden van de hele Arabische wereld.
Het platform voor de vrije meningsuiting schrijft dat de verschillende tegenacties 'een open debatcultuur in gevaar brengen'. Laat ons niet lachen. Het is nu toch duidelijk dat van een echt debat, tussen twee partijen, hier geen sprake is. Het is dan ook hoog tijd dat het platform zijn verantwoordelijkheid opneemt en 'alle' meningen aan bod laat komen, toch het minste wat je kunt verwachten van een platform voor vrije meningsuiting. Want enkel door de verschillende partijen rond de tafel te brengen, kunnen we vrede dichterbij brengen. Een eenzijdige houding gekoppeld aan een naïef begrip van de situatie is een element dat het probleem niet oplost, integendeel.
Wouter de Vriendt van Groen! heeft dat goed begrepen. Hij heeft de hoofdredacteur van Joods Actueel uitgenodigd om het Israëlische standpunt uit te leggen tijdens een gespreksavond van Groen! nu woensdag in Oostende.
Michael Freilich (hoofdredacteur Joods Actueel), Benno Barnard (schrijver), Guy Kleinblatt (fotograaf), dominee Alexander Eberson, rabbijn Aaron Malinksy, Bart Stouten (Trialoog ), Kouky Frohman (presentator Klara/voorzitter Forum der Joodse organisaties), Terry Verbiest (journalist en parlementair medewerker), Geert Van Istendael (schrijver), Thierry Debels (auteur en journalist), Terry Davids (algemeen directeur Joods Actueel), André Gantman (jurist/auteur van 'Joods zijn is een avontuur'), Yves Van de Steen (eredirecteur Vlaams Parlement), Louis Davids (oprichter Belgisch-Israëlitisch Weekblad), Eli Ringer (erevoorzitter Forum der Joodse organisaties), Matthias Storme (hoogleraar, KU Leuven/UA), Lieve Schacht (historica), dr. René Trau (consulent Universitair Ziekenhuis Antwerpen), Herman Van Dormael (historicus), Diane Keyser (woordvoerder Forum der Joodse organisaties), Yves Weinberger (historicus), Sonja de Schaepdryver (ethica), Guido Joris (journalist), Leo Schumer (erevoorzitter B'nai B'rith Antwerpen), Silvain Salamon (auteur), dr. Rudi Roth (wikundige/natuurkundige), Marc Eyskens (minister van Staat), Paul Ambach (cultureel ambassadeur Vlaanderen), Marc van Roosbroeck (auteur), Koen Peeters (schrijver), Marc Cogen (hoogleraar UGent), Hugo van Minnebruggen (directeur website verzet.org), Kris Vleugels (voorzitter c'axcent), John Gelaude (kunstenaar), Kristel Monten (licentiaat ziekenhuiswetenschappen), David Vandeputte (voorzitter Christenen voor Israël België)
Vrije meningsuiting is geen eenrichtingsverkeer, reageert het Platform voor faire meningsuiting. Wie in naam van de vrije meningsuiting kritiek geeft op Israël, moet het ook aandurven een pro-Israëlische stem aan het woord te laten, anders werkt hij het antisemitisme in de hand.
Het 'platform voor vrije meningsuiting' verspreidt een bericht met als titel 'Kritiek op Israël is geen antisemitisme'. Wij kunnen ons hierbij volmondig aansluiten. Het platform tracht in het bericht echter het publiek te misleiden, want vanuit officiële Joodse instanties of de Joodse pers zijn zulke beschuldigingen betrekkelijk zeldzaam. 'Ofschoon de kritiek op Israël vaak niet-proportioneel, misplaatst en soms manifest onjuist is, gaat het in de meeste gevallen niet om antisemitisme', schreef de directie van Joods Actueel onlangs nog in een opiniestuk (juli 2008). Dat privé-individuen op internetfora beschuldigingen de wereld insturen, reflecteert niet het standpunt van een hele groep. Wat wij wel stellen, is dat uit studies blijkt dat een eenzijdige en ongenuanceerde kritiek aan het adres van Israël leidt tot een stijgend antisemitisme. Om een concreet voorbeeld te geven, na een eenzijdige tv-reportage kon men op het internetforum van het bewuste programma onder meer lezen: 'Het is tijd dat iemand de Joden nog eens een lesje leert'. Of nog, 'ook bij ons in Antwerpen werkt iedereen voor de Joden'. 'Joden hebben alle macht en de media in handen, verschrikkelijk…'.
Een heleboel organisaties, die er een aparte wereldvisie op nahouden, zijn actief bij projecten waarbij de Joodse staat het keer op keer moet ontgelden. Daar is eigenlijk niets mis mee, we leven in een democratie en dragen vrije meningsuiting hoog in het vaandel. Wat echter niet kan, is die eenzijdige mening verkondigen als enige waarheid, zonder ook maar iemand van de andere kant aan bod te laten komen.
Toen onlangs in Gent een debat plaatsvond over het Midden-Oosten, werden zeven sprekers uitgenodigd die allen bekend staan om hun hevige kritiek op Israël. Twee weken voor het debat werd ook aan de 'andere kant' gevraagd om een spreker te sturen. Het zal duidelijk wezen dat één of zelfs twee sprekers tegen zeven als allesbehalve fair kan aanzien worden. Idem dito voor het project van CODIP om leraren te informeren over het Midden-Oostenconflict. Op de lijst allemaal namen van mensen die hun hevige kritiek op de Joodse staat niet onder stoelen of banken steken. Ook de 'beruchte' professor Ilan Pappé zou aanwezig zijn, een Israëlisch academicus die oproept zijn eigen land op alle mogelijke vlakken te boycotten. Nu mag het voor iedereen duidelijk zijn dat extreme meningen, zoals die van Pappé, slechts een minuscuul deel van de Israëlische stemmen vertegenwoordigen. Hoe zouden wij reageren indien N-VA en Vlaams Belang debatten zouden organiseren in het buitenland over de toekomst van het Belgisch staatsmodel? Zouden wij het dan pikken als dit als 'enige waarheid' en als stem van de modale Belg wordt voorgesteld?
Neen, op die debatavonden over Israël hoor je nooit iets over de talloze schendingen van mensenrechten door Arabische regimes, hoor je niet hoe Palestijnse leiders actief met de nazi's meewerkten aan de Jodenuitroeiing, over de Arabische regimes die de Palestijnen opriepen hun eigen land te verlaten in 1948 zodat ze het gebied konden platbombarderen, over de vele vredesconcessies van Israël (oprichting van de Palestijnse Autoriteit, terugtrekking uit Gaza) die steeds met geweld worden beantwoord, of over de meer dan één miljoen Arabieren die de Israëlische nationaliteit bezitten en er de beste scholing, gezondheidszorg en levenskwaliteit op na houden van de hele Arabische wereld.
Het platform voor de vrije meningsuiting schrijft dat de verschillende tegenacties 'een open debatcultuur in gevaar brengen'. Laat ons niet lachen. Het is nu toch duidelijk dat van een echt debat, tussen twee partijen, hier geen sprake is. Het is dan ook hoog tijd dat het platform zijn verantwoordelijkheid opneemt en 'alle' meningen aan bod laat komen, toch het minste wat je kunt verwachten van een platform voor vrije meningsuiting. Want enkel door de verschillende partijen rond de tafel te brengen, kunnen we vrede dichterbij brengen. Een eenzijdige houding gekoppeld aan een naïef begrip van de situatie is een element dat het probleem niet oplost, integendeel.
Wouter de Vriendt van Groen! heeft dat goed begrepen. Hij heeft de hoofdredacteur van Joods Actueel uitgenodigd om het Israëlische standpunt uit te leggen tijdens een gespreksavond van Groen! nu woensdag in Oostende.
Michael Freilich (hoofdredacteur Joods Actueel), Benno Barnard (schrijver), Guy Kleinblatt (fotograaf), dominee Alexander Eberson, rabbijn Aaron Malinksy, Bart Stouten (Trialoog ), Kouky Frohman (presentator Klara/voorzitter Forum der Joodse organisaties), Terry Verbiest (journalist en parlementair medewerker), Geert Van Istendael (schrijver), Thierry Debels (auteur en journalist), Terry Davids (algemeen directeur Joods Actueel), André Gantman (jurist/auteur van 'Joods zijn is een avontuur'), Yves Van de Steen (eredirecteur Vlaams Parlement), Louis Davids (oprichter Belgisch-Israëlitisch Weekblad), Eli Ringer (erevoorzitter Forum der Joodse organisaties), Matthias Storme (hoogleraar, KU Leuven/UA), Lieve Schacht (historica), dr. René Trau (consulent Universitair Ziekenhuis Antwerpen), Herman Van Dormael (historicus), Diane Keyser (woordvoerder Forum der Joodse organisaties), Yves Weinberger (historicus), Sonja de Schaepdryver (ethica), Guido Joris (journalist), Leo Schumer (erevoorzitter B'nai B'rith Antwerpen), Silvain Salamon (auteur), dr. Rudi Roth (wikundige/natuurkundige), Marc Eyskens (minister van Staat), Paul Ambach (cultureel ambassadeur Vlaanderen), Marc van Roosbroeck (auteur), Koen Peeters (schrijver), Marc Cogen (hoogleraar UGent), Hugo van Minnebruggen (directeur website verzet.org), Kris Vleugels (voorzitter c'axcent), John Gelaude (kunstenaar), Kristel Monten (licentiaat ziekenhuiswetenschappen), David Vandeputte (voorzitter Christenen voor Israël België)
vrijdag, juli 04, 2008
Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Frans-Jos Verdoodt
Toespraak door prof. Matthias E. Storme
Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw
te Kortrijk op 28 juni 2008
Hoogedelgestrenge Heer burgemeester in wiens stede wij te gast zijn,
Hooggeachte laureaat en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Hooggeachte Dames en Heren vertegenwoordigers van het volk in onze diverse Staten
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !
De Orde van de Vlaamse leeuw wordt toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.
Eerstdaags worden ook Gulden Sporen uitgereikt voor culturele uitstraling en voor economische uitstraling. De Orde die wij vandaag uitreiken is de 25e op rij.
Vandaag is het vooreerst mijn droeve plicht U in herinnering te brengen wie ons het voorbije jaar ontvallen is: stichtend voorzitter van de Orde mr. Piet Blomme alsook de drager van de Orde prof. em. Jan Briers.
Vandaag is het echter ook en vooral een moment van vreugde en feest. Vandaag eren we Frans-Jos Verdoodt.
Waarde laureaat, U zal het me niet kwalijk nemen dat ik de schare luisteraars niet ga inwijden in de vele studies die U verrichtte, in uw rijke onderwijsloopbaan van secundair onderwijs over hogeschool tot Universiteit Antwerpen, in de vele verantwoordelijkheden en activiteiten in verenigingen uit de Vlaamse Beweging en daarbuiten – tot en met de recente Gravensteengroep - , in uw talrijke publicaties gaande van geschiedwetenschap over essayistiek tot poëzie.
In Frans-Jos Verdoodt eren we vandaag vooreerst de medestichter – in 1984 – en twintigjarenlange directeur van het ADVN, het archief- en documentatiecentrum over het Vlaams-nationalisme, tevens archief- en documentatiecentrum voor Nationale Bewegingen.
Onder zijn leiding is dit centrum van nul begonnen uitgebouwd tot een bijzonder rijk archief. Frans-Jos Verdoodt is daarvoor persoonlijk tienduizenden kilometers per jaar rondgereden om mensen aan te spreken, op te sporen, te overtuigen, archieven te ordenen en over te brengen. Het was hem ook nooit te min om zelf de handen uit de mouwen te steken. We hebben nog samen een deel van het archief van de eerste secretaris van de Orde van de Vlaamse Leeuw, Dries Caluwaerts zaliger, in zijn auto ingeladen.
Het ADVN is niet alleen een rijk archief maar ook een belangrijke onderzoeksinstelling geworden.
Ik denk aan het onderzoek in de diepte, met name van allerlei aspecten van het Vlaams-nationalisme in het bijzonder en de geschiedenis van Vlaanderen in de Nieuwste Tijden in het algemeen, zowel op politiek, sociaal, economisch als cultureel vlak.
Ik denk ook aan het onderzoek in de breedte, met name over het lot van Vlamingen overal in de wereld, maar ook de studie van Nationale bewegingen elders in de wereld.
Zelf groot aanhanger zijnde van de comparatieve methode in de rechtswetenschap, kan ik slechts de lof zingen van Verdoodt’s inspanningen ter bevordering van de comparatieve studie van het nationalisme en de nationale bewegingen.
Een beetje meer comparatieve zin zou overigens ook het politieke debat vandaag deugd doen. En dat geldt zowel voor flaminganten die te weinig over de grenzen van Vlaanderen kijken als voor de belgicistische, francofone of internationale uitspraken waarmee zij botsen, en die Vlaamse opinies of beleidslijnen criminaliseren die in comparatief perspectief elders in de wereld vaak volstrekt normaal zijn in het kader van een nationale staat. Het blijft mijn overtuiging dat men ons taalbeleid niet zal respecteren zolang de taalgrens niet echt een staatsgrens is.
Het is een van de vele verdiensten van Frans-Jos Verdoodt dat hij de studie heeft vooruitgestuwd van de wijze waarop vergelijkbare problemen zich elders in de wereld ontwikkelen en al dan niet opgelost worden.
In Frans-Jos Verdoodt eren we natuurlijk ook de historicus die zovele aspecten van de Vlaamse Beweging en de Vlaamse geschiedenis van de 19e en 20e eeuw zelf in zijn geschriften heeft uitgediept. Ook hier wordt de studie in de breedte over nationalisme gekoppeld aan vele studies in meer lokale diepten. Voor het eerste denk ik zowel aan het meer wetenschapspopulariserende “Van Ambiorix tot het (con)federalisme” (1) en de meer specialistische werken als “Nationale Bewegingen in België” (2) of Natie en democratie (3); voor het tweede bijvoorbeeld aan de studies over de gebroeders Daens (4), Louis Paul Boon (5), Hector Plancquaert (6) of Frans van der Elst (7).
Frans-Jos Verdoodt is ook een historicus die ervoor gezorgd heeft dat vele andere jonge en oude Vlaamse historici, beroeps zowel als amateurs, op dit domein onderzoek konden verrichten en publiceren. Het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen, waarvan hij redactiesecretaris is sinds 1994, speelt daarin een toonaangevende rol en getuigt van een ruime diversiteit in thematiek en opvattingen.
In het voorwoord van het jongste nummer van Wetenschappelijke Tijdingen parafraseert hij een zin uit Robert Musil’s Der Mann ohne Eigenschaften: “een vluchteling kon slechts een nieuw leven bouwen met de stenen die hij ergens anders had uitgebroken” (8).
Het is een sleutelzin in een tijd van migratie en andere identiteitsproblemen. Werk en bedrijvigheid van Frans-Jos Verdoodt getuigen van de worsteling met noties en invullingen van nationale en andere identiteiten. Maar het heeft me natuurlijk getroffen dat Frans-Jos Verdoodt zijn jongste voorwoord ook als titel een zin uit Der Mann ohne Eigenschaften meegaf. Het is immers een boek dat een fin de régime beschrijft, de crisis van Kakanië, de “k. und k.”, dit is kaiserliche und königliche dubbelmonarchie.
De lectuur ervan is zeer nuttig in deze tijd waarin we ook het fin de régime meemaken van de staat waarin we vandaag nog leven. Misschien moet ik daarbij ook herinneren aan een andere zin uit hetzelfde boek, die vandaag ook voor Vlaanderen geldt: “Das Unglück ist unser Stehenbleiben beim vorletzten Schritt” (9). Ik vrees dat we blijven hangen in een “staat zonder eigenschappen” , waarvan de politiek correcte toonzetters zouden willen dat de Vlamingen ook een “volk zonder eigenschappen” blijven, een volk dat geen identiteit mag hebben vermits die per definitie …. kneuterig is.
Vandaag de dag zijn er opnieuw politiek correcte historici die proberen aan te tonen dat Vlaanderen een uitvinding is van de Vlaamse Beweging is, die allicht zomaar uit het niets een land en volk zal hebben gecreëerd … wat wel een hele bijzondere prestatie zou zijn overigens voor een beweging die niet aan de macht was. Maar historische correctheid (10) is iets anders – en het is niet omdat de Vlaamse Beweging zoals elke beweging zaken uitvergroot of accentueert dat er geen reële sociale en culturele grondslag voor aanwezig is, niet ook een “National identification from below” (11).
Natuurlijk, “Geschiedenis is nooit geschiedenis”, zoals de titel van het boek luidt aan de hand waarvan FJV de geschiedenis van de 19e en 20 eeuw doceerde (12). Inderdaad, enerzijds verandert de kijk op het verleden voortdurend. Anderzijds blijft de geschiedenis ons steeds begeleiden, soms leren, soms behoeden, soms achtervolgen. Het verleden bepaalt steeds mee het heden, zij het dat de blik van het heden naar het verleden ten dele bepaald wordt door onze kijk op de toekomst maar die ook mee bepaalt. Alleen mogen we die blik “voorwaarts” niet uitsluitend door het verleden of althans een bepaalde kijk daarop laten bepalen. We moeten niet enkel erfgenamen zijn, maar ook erflaters, en dit veronderstelt een telkens opnieuw herdenken van het geërfde om het herdacht door te geven. Wanneer Frans-Jos Verdoodt schrijft dat “onze wereld voortdurend opnieuw verbouwd moet worden” (13) dan lees ik dat niet in de zin van afbraak maar van renovatie.
Wat ik zei over geschiedenis in het algemeen geldt bij uitstek voor het oorlogsverleden. Dat Frans-Jos Verdoodt een bijzondere interesse heeft voor het oorlogsverleden kan men hem moeilijk ten kwade duiden….. Hij is er van kleinsaf sterk door getekend en zal het me wel niet kwalijk nemen wanneer ik stel dat hij tot vandaag worstelt met het oorlogsverleden en de historiografische omgang ermee.
In “Geschiedenis is nooit geschiedenis”, waarschuwt hij tegen “regressieve causaliteit”. Dit fenomeen werd door Jean-Marie Domenach “la suspicion rétro-active” genoemd (14). Dit gevaar is natuurlijk des te groter ten aanzien van de meest dramatische periodes uit onze geschiedenis, althans zolang die nog relatief dichtbij liggen.
Dat men alles moet begrijpen in zijn tijd betekent natuurlijk niet dat men alles kan goedpraten. Begrijpen en zelfs vergeven zijn niet hetzelfde als vergeten. Frans-Jos Verdoodt heeft samen met enkele anderen zijn nek uitgestoken onder de slogan “Voorwaarts maar niet vergeten” (15).
Enerzijds voorwaarts: we mogen het maatschappelijk debat vandaag niet laten domineren door 12 en eigenlijk voor ons maar 5 duistere jaren uit de eerste helft van de vorige eeuw. Dag aan dag beleven we nochtans in de politiek-ideologische vertogen de “reductio ad Hitlerum” (16) … Dit reductionisme is een aanfluiting van de comparatieve methode en van elke geschiedschrijving. Het niet vergeten mag niet alleen maar in functie staan van de behoeften en strategieën van vandaag …
Anderzijds blijft het steeds opnieuw nodig zich te bezinnen aan de hand van het verleden. Een cynicus als Schopenhauer schreef wel dat de geschiedenis maar één ding leert, nl. dat de mensen uit de geschiedenis niets geleerd hebben (17). Dit mag ons niet tegenhouden om toch te proberen. Ook hier geldt het motto van onze Vader des Vaderlands: “Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre ni de réussir pour persévérer”. Daarom was het zinvol om op de Ijzerbedevaart van 2000 een pardon uit te spreken; ik heb dat altijd begrepen als een pardon tegenover het tribunaal van de geschiedenis zelf.
De inspanningen van FJV om in het reine te komen werden zeker niet altijd beloond en overigens ook zowel van links als rechts verkeerd gebruikt. De moed en de integriteit die hij daarbij betoonde stonden in dienst van verzoening zowel als waarheid. Ik kan het dan ook niet laten om deze toespraak te beëindigen met twee strofen uit Jan Engelman’s:
Ballade van de waarheid
Wanneer de Waarheid niet meer wordt gezeid,
gelijkt de ziel een landschap zonder regen:
de grond versmacht, de bloei is vóór den tijd
verdord, verschrompeld en de lucht staat tegen,
Als een rivier, die alles rijk bevloeit
en voortstroomt langs de zelfgebaande wegen,
zóó is de Waarheid, vrij en onbesnoeid -
maar leugen staat den Nederlander tegen.
Oranje bond den strijd met Philips aan
en liet gelaten een rebel zich heeten,
voor Waarheid is een volk toen opgestaan,
voor Waarheid en de vrijheid van geweten.
Zoo menig held van 't lieve, lage land
heeft voor zijn heeren ongelijk gekregen:
hij nam zijn lot, hij bleef zijn zaak verpand -
want leugen staat den Nederlander tegen.
Om al deze redenen hebben wij U de Orde van de Vlaamse Leeuw toegekend en verzoek ik U het hieraan verbonden zilveren plaket in ontvangst te nemen.
1 Uitg. Davidsfonds Leuven 2004.
2 Uitg. Universitas Antwerpen 2005
3 Natie en democratie/ Nation et démocratie 1890-1921, co-redactie F.J. VERDOODT, Koninlijke Vlaamse Academie van België voor Letteren Wetenschappen en Kunsten, Brussel 2008.
4 O.a. De zaak-Daens, Een priester tussen kerk en democratie, Davidsfonds Leuven, 1e uitg. 1993; Het Daensisme in het arrondissement Aalst, 1974; Kerk en christen-democratie. De Katholieke Kerk tegenover de christen-democratie in België, inzonderheid tegenover de door haar als dissident beschouwde priester Adolf Daens en diens medestanders (1890-1907), doctoraatsverhandeling Gent 1988, bekroond met de Priester Daensprijs 1990.
5 Boon-bibliografie, 1984
6 Hector Plancquaert, licentiaatsverhandeling geschiedenis uhttp://www.blogger.com/img/gl.link.gifniversiteit Gent 1976, bekroond met de provinciale prijs voor geschiedenis van Oost-Vlaanderen.
7 Frans Van der Elst, 1976
8 F-J VERDOODT in WT 2008 / 1 p. (3) 4 met verwijzing naar de nederlandse uitgave van 1988: R. MUSIL, De man zonder eigenschappen, Amsterdam 1988, I p. 132.
9 In de Duitse uitgave van Rowohlt 2002, I p. 713.
10 Met een knipoog naar het boek van Jean SEVILLIA, Historiquement correct. Pour en finir avec le passé unique, Editions Perrin, Parijs 2003.
11 Deze vraag stond centraal in het in samenwerking met het ADVN georganiseerde Colloquium National identification from below. Europe from the late 18th century to the end of the First World War, Universietit Gent 7 en 8 maart 2008. Verslag door L. BOEVA in H-Soz-u-Kult 10.04.2008, .
12 Academia Press Gent, 1e uitgave 1993, jongste uitgave 2001.
13 “Voorwoord” in Wetenschappelijke Tijdingen 2006 nr. 2 p. 83.
14 J.M. DOMENACH, "La suspicion rétroactive", in Catholica 1995, (57) 58. Ik heb dit reeds besproken in de toespraak die ik hield bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs aan het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen op 14 november 1998: “De verhouding tussen een beweging en haar geschiedenis: een bewogen verhouding ? “, verschenen in TEKOS (Teksten, kommentaren en studies) nr. 93 (1999), p. 8-12, ook op http://www.storme.be/WT.html: “de geschiedschrijving gebruiken als een afrekening met het heden, wanneer men huidige per¬so¬nen, groepen of gedachten verdacht gaat maken door ze te associëren met zaken uit het verleden, die op hun beurt veroordeeld worden op grond van de gevolgen die ze historisch zouden gehad hebben, gebruik makend van een simplistisch monocausale visie op de geschiedenis”.
15 Op de eerste plaats met het “manifest” onder die titel uit september 1999. Op 9 juni 2001 werd onder dezelfde titel een Colloquium gehouden in het gebouw van het Vlaams Parlement, waarvan de bijdragen werde gepubliceerd door F.J. VERDOODT (red.), Voorwaarts maar niet vergeten, Academia Press Gent 2001. De zaak werd m.i. verprutst door de Vlaamse politici die er misbruik van wilden maken voor hun actuele politieke besognes, met name in de Resolutie goedgekeurd op 20 maart 2002, Stukken Vl. Parl., nr. 997 (2001-2002) -. Ik heb mijn kritiek op die Resolutie verwoord in de rede “Gebruik en misbruik van geschiedenis”, Opsomerlezing 2002 georganiseerd door het VVA, Kortrijk 27 april 2002, Vivat Academia 2002, nr. 115 (juni), p. 61-69, ook op http://www.storme.be/opsomer2002-storme.html. Kritiek ook bij Bart DE WEVER, "Maak geen misbruik van geschiedenis", de Standaard 27 februari 2002.
16 De uitdrukking komt van de joods-amerikaanse (uit nazi-Duitsland gevluchte) filosoof Leo STRAUSS, meer bepaald in Natural Right and History, University of Chicago Press 1953. Strauss hekelt daarmee iedereen die zijn tegenstanders probeert te discrediteren door gelijkenissen in te roepen tussen één of meerdere van hun ideeën en het nazisme.
17 Althans, de uitspraak wordt aan Schopenhauer toegeschreven. Wellicht gaat ze eerder terug op de zin van HEGEL “Aus der Geschichte der Völker können wir lernen, dass die Völker aus der Geschichte nichts gelernt haben, oder auf Grund daraus abgeleiteter Prinzipien handelten”.
Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw
te Kortrijk op 28 juni 2008
Hoogedelgestrenge Heer burgemeester in wiens stede wij te gast zijn,
Hooggeachte laureaat en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Hooggeachte Dames en Heren vertegenwoordigers van het volk in onze diverse Staten
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !
De Orde van de Vlaamse leeuw wordt toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.
Eerstdaags worden ook Gulden Sporen uitgereikt voor culturele uitstraling en voor economische uitstraling. De Orde die wij vandaag uitreiken is de 25e op rij.
Vandaag is het vooreerst mijn droeve plicht U in herinnering te brengen wie ons het voorbije jaar ontvallen is: stichtend voorzitter van de Orde mr. Piet Blomme alsook de drager van de Orde prof. em. Jan Briers.
Vandaag is het echter ook en vooral een moment van vreugde en feest. Vandaag eren we Frans-Jos Verdoodt.
Waarde laureaat, U zal het me niet kwalijk nemen dat ik de schare luisteraars niet ga inwijden in de vele studies die U verrichtte, in uw rijke onderwijsloopbaan van secundair onderwijs over hogeschool tot Universiteit Antwerpen, in de vele verantwoordelijkheden en activiteiten in verenigingen uit de Vlaamse Beweging en daarbuiten – tot en met de recente Gravensteengroep - , in uw talrijke publicaties gaande van geschiedwetenschap over essayistiek tot poëzie.
In Frans-Jos Verdoodt eren we vandaag vooreerst de medestichter – in 1984 – en twintigjarenlange directeur van het ADVN, het archief- en documentatiecentrum over het Vlaams-nationalisme, tevens archief- en documentatiecentrum voor Nationale Bewegingen.
Onder zijn leiding is dit centrum van nul begonnen uitgebouwd tot een bijzonder rijk archief. Frans-Jos Verdoodt is daarvoor persoonlijk tienduizenden kilometers per jaar rondgereden om mensen aan te spreken, op te sporen, te overtuigen, archieven te ordenen en over te brengen. Het was hem ook nooit te min om zelf de handen uit de mouwen te steken. We hebben nog samen een deel van het archief van de eerste secretaris van de Orde van de Vlaamse Leeuw, Dries Caluwaerts zaliger, in zijn auto ingeladen.
Het ADVN is niet alleen een rijk archief maar ook een belangrijke onderzoeksinstelling geworden.
Ik denk aan het onderzoek in de diepte, met name van allerlei aspecten van het Vlaams-nationalisme in het bijzonder en de geschiedenis van Vlaanderen in de Nieuwste Tijden in het algemeen, zowel op politiek, sociaal, economisch als cultureel vlak.
Ik denk ook aan het onderzoek in de breedte, met name over het lot van Vlamingen overal in de wereld, maar ook de studie van Nationale bewegingen elders in de wereld.
Zelf groot aanhanger zijnde van de comparatieve methode in de rechtswetenschap, kan ik slechts de lof zingen van Verdoodt’s inspanningen ter bevordering van de comparatieve studie van het nationalisme en de nationale bewegingen.
Een beetje meer comparatieve zin zou overigens ook het politieke debat vandaag deugd doen. En dat geldt zowel voor flaminganten die te weinig over de grenzen van Vlaanderen kijken als voor de belgicistische, francofone of internationale uitspraken waarmee zij botsen, en die Vlaamse opinies of beleidslijnen criminaliseren die in comparatief perspectief elders in de wereld vaak volstrekt normaal zijn in het kader van een nationale staat. Het blijft mijn overtuiging dat men ons taalbeleid niet zal respecteren zolang de taalgrens niet echt een staatsgrens is.
Het is een van de vele verdiensten van Frans-Jos Verdoodt dat hij de studie heeft vooruitgestuwd van de wijze waarop vergelijkbare problemen zich elders in de wereld ontwikkelen en al dan niet opgelost worden.
In Frans-Jos Verdoodt eren we natuurlijk ook de historicus die zovele aspecten van de Vlaamse Beweging en de Vlaamse geschiedenis van de 19e en 20e eeuw zelf in zijn geschriften heeft uitgediept. Ook hier wordt de studie in de breedte over nationalisme gekoppeld aan vele studies in meer lokale diepten. Voor het eerste denk ik zowel aan het meer wetenschapspopulariserende “Van Ambiorix tot het (con)federalisme” (1) en de meer specialistische werken als “Nationale Bewegingen in België” (2) of Natie en democratie (3); voor het tweede bijvoorbeeld aan de studies over de gebroeders Daens (4), Louis Paul Boon (5), Hector Plancquaert (6) of Frans van der Elst (7).
Frans-Jos Verdoodt is ook een historicus die ervoor gezorgd heeft dat vele andere jonge en oude Vlaamse historici, beroeps zowel als amateurs, op dit domein onderzoek konden verrichten en publiceren. Het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen, waarvan hij redactiesecretaris is sinds 1994, speelt daarin een toonaangevende rol en getuigt van een ruime diversiteit in thematiek en opvattingen.
In het voorwoord van het jongste nummer van Wetenschappelijke Tijdingen parafraseert hij een zin uit Robert Musil’s Der Mann ohne Eigenschaften: “een vluchteling kon slechts een nieuw leven bouwen met de stenen die hij ergens anders had uitgebroken” (8).
Het is een sleutelzin in een tijd van migratie en andere identiteitsproblemen. Werk en bedrijvigheid van Frans-Jos Verdoodt getuigen van de worsteling met noties en invullingen van nationale en andere identiteiten. Maar het heeft me natuurlijk getroffen dat Frans-Jos Verdoodt zijn jongste voorwoord ook als titel een zin uit Der Mann ohne Eigenschaften meegaf. Het is immers een boek dat een fin de régime beschrijft, de crisis van Kakanië, de “k. und k.”, dit is kaiserliche und königliche dubbelmonarchie.
De lectuur ervan is zeer nuttig in deze tijd waarin we ook het fin de régime meemaken van de staat waarin we vandaag nog leven. Misschien moet ik daarbij ook herinneren aan een andere zin uit hetzelfde boek, die vandaag ook voor Vlaanderen geldt: “Das Unglück ist unser Stehenbleiben beim vorletzten Schritt” (9). Ik vrees dat we blijven hangen in een “staat zonder eigenschappen” , waarvan de politiek correcte toonzetters zouden willen dat de Vlamingen ook een “volk zonder eigenschappen” blijven, een volk dat geen identiteit mag hebben vermits die per definitie …. kneuterig is.
Vandaag de dag zijn er opnieuw politiek correcte historici die proberen aan te tonen dat Vlaanderen een uitvinding is van de Vlaamse Beweging is, die allicht zomaar uit het niets een land en volk zal hebben gecreëerd … wat wel een hele bijzondere prestatie zou zijn overigens voor een beweging die niet aan de macht was. Maar historische correctheid (10) is iets anders – en het is niet omdat de Vlaamse Beweging zoals elke beweging zaken uitvergroot of accentueert dat er geen reële sociale en culturele grondslag voor aanwezig is, niet ook een “National identification from below” (11).
Natuurlijk, “Geschiedenis is nooit geschiedenis”, zoals de titel van het boek luidt aan de hand waarvan FJV de geschiedenis van de 19e en 20 eeuw doceerde (12). Inderdaad, enerzijds verandert de kijk op het verleden voortdurend. Anderzijds blijft de geschiedenis ons steeds begeleiden, soms leren, soms behoeden, soms achtervolgen. Het verleden bepaalt steeds mee het heden, zij het dat de blik van het heden naar het verleden ten dele bepaald wordt door onze kijk op de toekomst maar die ook mee bepaalt. Alleen mogen we die blik “voorwaarts” niet uitsluitend door het verleden of althans een bepaalde kijk daarop laten bepalen. We moeten niet enkel erfgenamen zijn, maar ook erflaters, en dit veronderstelt een telkens opnieuw herdenken van het geërfde om het herdacht door te geven. Wanneer Frans-Jos Verdoodt schrijft dat “onze wereld voortdurend opnieuw verbouwd moet worden” (13) dan lees ik dat niet in de zin van afbraak maar van renovatie.
Wat ik zei over geschiedenis in het algemeen geldt bij uitstek voor het oorlogsverleden. Dat Frans-Jos Verdoodt een bijzondere interesse heeft voor het oorlogsverleden kan men hem moeilijk ten kwade duiden….. Hij is er van kleinsaf sterk door getekend en zal het me wel niet kwalijk nemen wanneer ik stel dat hij tot vandaag worstelt met het oorlogsverleden en de historiografische omgang ermee.
In “Geschiedenis is nooit geschiedenis”, waarschuwt hij tegen “regressieve causaliteit”. Dit fenomeen werd door Jean-Marie Domenach “la suspicion rétro-active” genoemd (14). Dit gevaar is natuurlijk des te groter ten aanzien van de meest dramatische periodes uit onze geschiedenis, althans zolang die nog relatief dichtbij liggen.
Dat men alles moet begrijpen in zijn tijd betekent natuurlijk niet dat men alles kan goedpraten. Begrijpen en zelfs vergeven zijn niet hetzelfde als vergeten. Frans-Jos Verdoodt heeft samen met enkele anderen zijn nek uitgestoken onder de slogan “Voorwaarts maar niet vergeten” (15).
Enerzijds voorwaarts: we mogen het maatschappelijk debat vandaag niet laten domineren door 12 en eigenlijk voor ons maar 5 duistere jaren uit de eerste helft van de vorige eeuw. Dag aan dag beleven we nochtans in de politiek-ideologische vertogen de “reductio ad Hitlerum” (16) … Dit reductionisme is een aanfluiting van de comparatieve methode en van elke geschiedschrijving. Het niet vergeten mag niet alleen maar in functie staan van de behoeften en strategieën van vandaag …
Anderzijds blijft het steeds opnieuw nodig zich te bezinnen aan de hand van het verleden. Een cynicus als Schopenhauer schreef wel dat de geschiedenis maar één ding leert, nl. dat de mensen uit de geschiedenis niets geleerd hebben (17). Dit mag ons niet tegenhouden om toch te proberen. Ook hier geldt het motto van onze Vader des Vaderlands: “Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre ni de réussir pour persévérer”. Daarom was het zinvol om op de Ijzerbedevaart van 2000 een pardon uit te spreken; ik heb dat altijd begrepen als een pardon tegenover het tribunaal van de geschiedenis zelf.
De inspanningen van FJV om in het reine te komen werden zeker niet altijd beloond en overigens ook zowel van links als rechts verkeerd gebruikt. De moed en de integriteit die hij daarbij betoonde stonden in dienst van verzoening zowel als waarheid. Ik kan het dan ook niet laten om deze toespraak te beëindigen met twee strofen uit Jan Engelman’s:
Ballade van de waarheid
Wanneer de Waarheid niet meer wordt gezeid,
gelijkt de ziel een landschap zonder regen:
de grond versmacht, de bloei is vóór den tijd
verdord, verschrompeld en de lucht staat tegen,
Als een rivier, die alles rijk bevloeit
en voortstroomt langs de zelfgebaande wegen,
zóó is de Waarheid, vrij en onbesnoeid -
maar leugen staat den Nederlander tegen.
Oranje bond den strijd met Philips aan
en liet gelaten een rebel zich heeten,
voor Waarheid is een volk toen opgestaan,
voor Waarheid en de vrijheid van geweten.
Zoo menig held van 't lieve, lage land
heeft voor zijn heeren ongelijk gekregen:
hij nam zijn lot, hij bleef zijn zaak verpand -
want leugen staat den Nederlander tegen.
Om al deze redenen hebben wij U de Orde van de Vlaamse Leeuw toegekend en verzoek ik U het hieraan verbonden zilveren plaket in ontvangst te nemen.
1 Uitg. Davidsfonds Leuven 2004.
2 Uitg. Universitas Antwerpen 2005
3 Natie en democratie/ Nation et démocratie 1890-1921, co-redactie F.J. VERDOODT, Koninlijke Vlaamse Academie van België voor Letteren Wetenschappen en Kunsten, Brussel 2008.
4 O.a. De zaak-Daens, Een priester tussen kerk en democratie, Davidsfonds Leuven, 1e uitg. 1993; Het Daensisme in het arrondissement Aalst, 1974; Kerk en christen-democratie. De Katholieke Kerk tegenover de christen-democratie in België, inzonderheid tegenover de door haar als dissident beschouwde priester Adolf Daens en diens medestanders (1890-1907), doctoraatsverhandeling Gent 1988, bekroond met de Priester Daensprijs 1990.
5 Boon-bibliografie, 1984
6 Hector Plancquaert, licentiaatsverhandeling geschiedenis uhttp://www.blogger.com/img/gl.link.gifniversiteit Gent 1976, bekroond met de provinciale prijs voor geschiedenis van Oost-Vlaanderen.
7 Frans Van der Elst, 1976
8 F-J VERDOODT in WT 2008 / 1 p. (3) 4 met verwijzing naar de nederlandse uitgave van 1988: R. MUSIL, De man zonder eigenschappen, Amsterdam 1988, I p. 132.
9 In de Duitse uitgave van Rowohlt 2002, I p. 713.
10 Met een knipoog naar het boek van Jean SEVILLIA, Historiquement correct. Pour en finir avec le passé unique, Editions Perrin, Parijs 2003.
11 Deze vraag stond centraal in het in samenwerking met het ADVN georganiseerde Colloquium National identification from below. Europe from the late 18th century to the end of the First World War, Universietit Gent 7 en 8 maart 2008. Verslag door L. BOEVA in H-Soz-u-Kult 10.04.2008, .
12 Academia Press Gent, 1e uitgave 1993, jongste uitgave 2001.
13 “Voorwoord” in Wetenschappelijke Tijdingen 2006 nr. 2 p. 83.
14 J.M. DOMENACH, "La suspicion rétroactive", in Catholica 1995, (57) 58. Ik heb dit reeds besproken in de toespraak die ik hield bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs aan het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen op 14 november 1998: “De verhouding tussen een beweging en haar geschiedenis: een bewogen verhouding ? “, verschenen in TEKOS (Teksten, kommentaren en studies) nr. 93 (1999), p. 8-12, ook op http://www.storme.be/WT.html: “de geschiedschrijving gebruiken als een afrekening met het heden, wanneer men huidige per¬so¬nen, groepen of gedachten verdacht gaat maken door ze te associëren met zaken uit het verleden, die op hun beurt veroordeeld worden op grond van de gevolgen die ze historisch zouden gehad hebben, gebruik makend van een simplistisch monocausale visie op de geschiedenis”.
15 Op de eerste plaats met het “manifest” onder die titel uit september 1999. Op 9 juni 2001 werd onder dezelfde titel een Colloquium gehouden in het gebouw van het Vlaams Parlement, waarvan de bijdragen werde gepubliceerd door F.J. VERDOODT (red.), Voorwaarts maar niet vergeten, Academia Press Gent 2001. De zaak werd m.i. verprutst door de Vlaamse politici die er misbruik van wilden maken voor hun actuele politieke besognes, met name in de Resolutie goedgekeurd op 20 maart 2002, Stukken Vl. Parl., nr. 997 (2001-2002) -. Ik heb mijn kritiek op die Resolutie verwoord in de rede “Gebruik en misbruik van geschiedenis”, Opsomerlezing 2002 georganiseerd door het VVA, Kortrijk 27 april 2002, Vivat Academia 2002, nr. 115 (juni), p. 61-69, ook op http://www.storme.be/opsomer2002-storme.html. Kritiek ook bij Bart DE WEVER, "Maak geen misbruik van geschiedenis", de Standaard 27 februari 2002.
16 De uitdrukking komt van de joods-amerikaanse (uit nazi-Duitsland gevluchte) filosoof Leo STRAUSS, meer bepaald in Natural Right and History, University of Chicago Press 1953. Strauss hekelt daarmee iedereen die zijn tegenstanders probeert te discrediteren door gelijkenissen in te roepen tussen één of meerdere van hun ideeën en het nazisme.
17 Althans, de uitspraak wordt aan Schopenhauer toegeschreven. Wellicht gaat ze eerder terug op de zin van HEGEL “Aus der Geschichte der Völker können wir lernen, dass die Völker aus der Geschichte nichts gelernt haben, oder auf Grund daraus abgeleiteter Prinzipien handelten”.
woensdag, juni 25, 2008
Ierland-EU for dummies
Net zoals na het afstemmen van het ontwerp van Europese Grondwet door de bevolking van Frankrijk en Nederland mochten we de voorbije dagen na het afstemmen van de als Verdrag van Lissabon vermomde Grondwet in Ierland weer reacties horen die vooral van onbeschaamdheid getuigen. De "verwende egoïstische" en "domme" Ieren zouden nu alle andere volkeren van Europa gijzelen en die schitterende toekomst die het verdrag van Lissabon aan Europa zal verlenen proberen te verhinderen. De wapens worden klaargemaakt om een klein volk als het Ierse dan maar door chantage op de knieën te brengen. Want het kan toch niet dat één land alles blokkeert, nietwaar. Desnoods moet dat er dan maar uit gegooid worden, toch ?
Mag ik het misschien toch maar even in andere termen uitleggen ?
Stel dat je enkele bedrijven hebt die al jaren samenwerken; ze hebben daartoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten die niet altijd gemakkelijk functioneert maar alvast tot behoorlijke resultaten heeft geleid. De CEO's van de grootste bedrijven vinden echter dat het allemaal niet genoeg is en sturen aan op een verkapte fusie. Er worden vergaderingen belegd voor alle CEO's om ze onder druk te zetten tot zo'n akkoord te komen. De aandeelhouders hebben hierin natuurlijk geen inspraak. De CEO's hebben geen mandaat gekregen van hun respectievelijke aandeelhouders. Twee van hen zijn zelfs al eens uitdrukkelijk teruggefloten door hun aandeelhouders, en hebben dan gevraagd om de fusie een andere naam te geven, partnership of iets anders dat wat zoeter klinkt. Onder de bekende druk om toch maar tot een akkoord te komen gaan de CEO's allemaal overstag en tekenen ze een principeakkoord. De meeste CEO's schakelen vervolgens de aandeelhouders gewoon uit. Ze zorgen ervoor dat de Algemene Vergadering gewoon niet kan samenkomen. Maar één enkele CEO speelt het spel correct en roept de algemene vergadering (AV) wel samen. Het voorstel wordt weggestemd. De AV wil gewoon de bestaande samenwerking voortzetten.
Elke normale jurist zal zeggen dat die AV niets anders vraagt dan dat de overeenkomst die werkelijk gesloten is, de samenwerkingsovereenkomst van jaren geleden, daartoe het vanzelfsprekende recht heeft. Als een contractspartij gewoon bij de bestaande overeenkomst blijft, en de andere die partij dwingen om die te veranderen, dan zij het de anderen die contractbreuk plegen.
Een heel kleine minderheid van aandeelhouders die de fusie tegenhoudt ? Neen, een meerderheid van het bedrijf dat niet wil fuseren. Dat is perfect hun recht. Wat onrecht is, is dat de aandeelhouders van de andere bedrijven de mond wordt gesnoerd. Zij mogen zelfs niet eens stemmen. Dus is de stand niet 26 tegen 1, maar wel 0 tegen 1, of misschien correcter nog 2 tegen 3 (Spanje en Luxemburg tegen Frankrijk, Nederland en Ierland: de enige landen die een referendum hebben gehouden).
En kom nu niet zeggen dat de mensen om de verkeerde redenen neen gestemd hebben. Dan kan ik met nog veel meer argumenten zeggen dat al die "leiders" om de verkeerde redenen gekozen zijn bij de jongste verkiezingen. Bovendien dient dat argument alleen maar om de mensen dom te houden. Als dat niet de bedoeling is, dan is er maar één remedie: meer referenda. En wel telkens als er voldoende handtekeningen ingezameld worden, en niet alleen wanneer de Elyzeese heersers of andere paladijnen het nuttig achten.
Bij voorkeur natuurlijk met een stemming per thema en niet over alles tegelijk zoals bij het Verdrag van Lissabon. Het is natuurlijk al te gemakkelijk om het volk te verwijten dat ze niet alles begrepen hebben als je ze maar één vraag voorlegt over alles tegelijk. Splits de vraagstelling op in plaats van hypocriet te stellen dat men tegen alles neen zegt omdat men slechts tegen één ding neen wil zeggen. Zo herinner ik me dat Dehaene zich enkele jaren terug tegen een referendum over de Europese Grondwet verzette omdat de mensen zouden tegenstemmen omdat ze tegen de toetreding van Turkije zijn. Wel, laat ze dan apart stemmen over die toetreding in plaats van hen ondemocratisch die mogelijkheid te ontzeggen en alles maar verder door de strot te jagen.
Laat Europa eerst maar een stuk transparanter, democratischer en minder verspillend worden vooraleer het nieuwe bevoegdheden krijgt. En laten we ons - wanneer er nog eens over democratie en bescherming van minderheden gesproken wordt - goed herinneren welke journalisten en politici er niet voor terugschrikken chantage in te zetten jegens de Ieren.
Mag ik het misschien toch maar even in andere termen uitleggen ?
Stel dat je enkele bedrijven hebt die al jaren samenwerken; ze hebben daartoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten die niet altijd gemakkelijk functioneert maar alvast tot behoorlijke resultaten heeft geleid. De CEO's van de grootste bedrijven vinden echter dat het allemaal niet genoeg is en sturen aan op een verkapte fusie. Er worden vergaderingen belegd voor alle CEO's om ze onder druk te zetten tot zo'n akkoord te komen. De aandeelhouders hebben hierin natuurlijk geen inspraak. De CEO's hebben geen mandaat gekregen van hun respectievelijke aandeelhouders. Twee van hen zijn zelfs al eens uitdrukkelijk teruggefloten door hun aandeelhouders, en hebben dan gevraagd om de fusie een andere naam te geven, partnership of iets anders dat wat zoeter klinkt. Onder de bekende druk om toch maar tot een akkoord te komen gaan de CEO's allemaal overstag en tekenen ze een principeakkoord. De meeste CEO's schakelen vervolgens de aandeelhouders gewoon uit. Ze zorgen ervoor dat de Algemene Vergadering gewoon niet kan samenkomen. Maar één enkele CEO speelt het spel correct en roept de algemene vergadering (AV) wel samen. Het voorstel wordt weggestemd. De AV wil gewoon de bestaande samenwerking voortzetten.
Elke normale jurist zal zeggen dat die AV niets anders vraagt dan dat de overeenkomst die werkelijk gesloten is, de samenwerkingsovereenkomst van jaren geleden, daartoe het vanzelfsprekende recht heeft. Als een contractspartij gewoon bij de bestaande overeenkomst blijft, en de andere die partij dwingen om die te veranderen, dan zij het de anderen die contractbreuk plegen.
Een heel kleine minderheid van aandeelhouders die de fusie tegenhoudt ? Neen, een meerderheid van het bedrijf dat niet wil fuseren. Dat is perfect hun recht. Wat onrecht is, is dat de aandeelhouders van de andere bedrijven de mond wordt gesnoerd. Zij mogen zelfs niet eens stemmen. Dus is de stand niet 26 tegen 1, maar wel 0 tegen 1, of misschien correcter nog 2 tegen 3 (Spanje en Luxemburg tegen Frankrijk, Nederland en Ierland: de enige landen die een referendum hebben gehouden).
En kom nu niet zeggen dat de mensen om de verkeerde redenen neen gestemd hebben. Dan kan ik met nog veel meer argumenten zeggen dat al die "leiders" om de verkeerde redenen gekozen zijn bij de jongste verkiezingen. Bovendien dient dat argument alleen maar om de mensen dom te houden. Als dat niet de bedoeling is, dan is er maar één remedie: meer referenda. En wel telkens als er voldoende handtekeningen ingezameld worden, en niet alleen wanneer de Elyzeese heersers of andere paladijnen het nuttig achten.
Bij voorkeur natuurlijk met een stemming per thema en niet over alles tegelijk zoals bij het Verdrag van Lissabon. Het is natuurlijk al te gemakkelijk om het volk te verwijten dat ze niet alles begrepen hebben als je ze maar één vraag voorlegt over alles tegelijk. Splits de vraagstelling op in plaats van hypocriet te stellen dat men tegen alles neen zegt omdat men slechts tegen één ding neen wil zeggen. Zo herinner ik me dat Dehaene zich enkele jaren terug tegen een referendum over de Europese Grondwet verzette omdat de mensen zouden tegenstemmen omdat ze tegen de toetreding van Turkije zijn. Wel, laat ze dan apart stemmen over die toetreding in plaats van hen ondemocratisch die mogelijkheid te ontzeggen en alles maar verder door de strot te jagen.
Laat Europa eerst maar een stuk transparanter, democratischer en minder verspillend worden vooraleer het nieuwe bevoegdheden krijgt. En laten we ons - wanneer er nog eens over democratie en bescherming van minderheden gesproken wordt - goed herinneren welke journalisten en politici er niet voor terugschrikken chantage in te zetten jegens de Ieren.
donderdag, juni 05, 2008
Mevrouw Badinter wil in uw plaats beslissen welke eigenschappen van uw bruid relevant zijn
Veel poeha vorige week over een vonnis van de burgerlijke rechtbank in Rijsel van 1 april 2008 (1): die had op verzoek van een echtgenoot zijn huwelijk nietig verklaarde wegens dwaling of bedrog "omtrent een wezenlijke eigenschap" omdat zijn vrouw bij het huwelijk verzwegen had dat ze geen maagd meer was. Een islamitische echtgenoot, ja, maar dit is juridisch irrelevant. Nadat dit vonnis publiek werd door publicatie in de Recueil Dalloz van 22 mei 2008 (2) verontwaardigde reacties alom ...
Bij wijze van voorbeeld de reactie van Elisabeth Badinter:
"Je suis ulcérée par la décision du tribunal d’accepter de juger ça parce que la sexualité des femmes est une affaire privée et libre en France, absolument libre (…)".
Vandaag verscheen er in Le Monde een artikel dat de zaken toch een beetje in het juiste perspectief zet en duidelijk maakt dat de uitroep van Badinter nonsens is: Anne Chemin, "Les paradoxes du jugement de Lille" (3).
Anne Chemin wijst er zeer terecht op dat dit vonnis volledig past in de liberale logica die het huwelijk uitsluitend in termen van (volgehouden) vrije keuze van de partners ziet. De nietigverklaring was gebaseerd op art. 180 burgerlijk wetboek: ""S'il y a eu erreur dans la personne ou sur les qualités essentielles de la personne, l'autre époux peut demander la nullité du mariage". Dit artikel werd in 1975 ingevoerd samen met het recht op echtscheiding door ondelringe toestemming. Beide bepalingen zijn duidelijk geïnspireerd door de tendens tot liberalisering van huwelijk en echtscheiding, die het huwelijk meer en meer als een gewoon contract ziet. Wel, als het een contract is, dan is dat contract nietig in geval van bedrog of verschoonbare dwaling van één der partijen betreffende elk element dat door die partij bij weten van de tegenpartij subjectief als wezenlijk werd beschouwd.
In de negentiende eeuw werd het huwelijk nog niet als een gewoon contract beschouwd maar als een essentiële instelling van de samenleving; dan gold de regel "en mariage, trompe qui peut", wat wil zeggen (ja, dames en heren, enkel wil zeggen) dat verzwijging bij het aangaan van het huwelijk geen grond tot nietigheid was.
In casu heeft de rechtbank vastgesteld dat beide partijen het erover eens waren dat dit element voor één der contractspartijen subjectief wezenlijk was en dat het verzwegen was; in de "moderne" opvatting van het huwelijk past dit vonnis dus perfect.
Wanneer de socialistische mw. Badinter dan uitroept dat dit in strijd is met de idee dat "la sexualité des femmes est une affaire privée et libre en France" (ook van les hommes, neem ik aan), dan Boer pas op uw Ganzen. Want eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat de staat moet beslissen dat bepaalde motieven bij het sluiten van een huwelijk géén rol meer zouden mogen spelen. Eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat een bruidegom de bruiloft niet zou mogen weigeren omwille van het sexuele verleden van de bruid, want dat is een zogezegde privézaak. Door de staat te laten beslissen dat dit een privézaak is, wordt het private karakter echter juist geperverteerd. Eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat het hoger belang van de linkse ideologie inzake sexualiteit meebrengt dat partners het recht hebben elkaar te bedriegen (en bedriegen betekent natuurlijk zonder het akkoord van de andere partij, anders is het geen bedrog).
Ook anderen roepen vandaag in naam van de strijd tegen 'archaïsche opvattingen" dat de wet zou moeten verbieden dat het sexuele verleden van de partner nog door de andere partner als een wezenlijke eigenschap zou mogen worden beschouwd. Kortom, de staat zal voor U wel beslissen met welke kenmerken U bij de keuze van uw partner nog rekening mag houden en met welke niet.
Wanneer ik enkele jaren gelden al schreef dat de hele ideologie van de antidiscriminatie er op een dag toe zal leiden dat men niet meer mag discrimineren bij de keuze van een levenspartner (http://www.doorbraak.org/doorbraak/pdf/0202.pdf), werd ik uitgescholden voor een fantast. Wel, aan de reacties op het Rijselse vonnis te lezen, zijn we er wel akelig dichtbij aan het komen.
(1) te lezen op http://blog.dalloz.fr/blogdalloz/files/Lille.pdf)
(2) (D. 2008. Jur. 1389, note P. Labbée; en "edito" van F. Rome, La mariée avait un vice caché..., ibid. 1465; zelfs een blogitem bij Dalloz op http://blog.dalloz.fr/blogdalloz/2008/06/le-mariage-et-l.html)
(3)(http://www.lemonde.fr/opinions/article/2008/06/05/les-paradoxes-du-jugement-de-lille-par-anne-chemin_1054114_3232.html)
Bij wijze van voorbeeld de reactie van Elisabeth Badinter:
"Je suis ulcérée par la décision du tribunal d’accepter de juger ça parce que la sexualité des femmes est une affaire privée et libre en France, absolument libre (…)".
Vandaag verscheen er in Le Monde een artikel dat de zaken toch een beetje in het juiste perspectief zet en duidelijk maakt dat de uitroep van Badinter nonsens is: Anne Chemin, "Les paradoxes du jugement de Lille" (3).
Anne Chemin wijst er zeer terecht op dat dit vonnis volledig past in de liberale logica die het huwelijk uitsluitend in termen van (volgehouden) vrije keuze van de partners ziet. De nietigverklaring was gebaseerd op art. 180 burgerlijk wetboek: ""S'il y a eu erreur dans la personne ou sur les qualités essentielles de la personne, l'autre époux peut demander la nullité du mariage". Dit artikel werd in 1975 ingevoerd samen met het recht op echtscheiding door ondelringe toestemming. Beide bepalingen zijn duidelijk geïnspireerd door de tendens tot liberalisering van huwelijk en echtscheiding, die het huwelijk meer en meer als een gewoon contract ziet. Wel, als het een contract is, dan is dat contract nietig in geval van bedrog of verschoonbare dwaling van één der partijen betreffende elk element dat door die partij bij weten van de tegenpartij subjectief als wezenlijk werd beschouwd.
In de negentiende eeuw werd het huwelijk nog niet als een gewoon contract beschouwd maar als een essentiële instelling van de samenleving; dan gold de regel "en mariage, trompe qui peut", wat wil zeggen (ja, dames en heren, enkel wil zeggen) dat verzwijging bij het aangaan van het huwelijk geen grond tot nietigheid was.
In casu heeft de rechtbank vastgesteld dat beide partijen het erover eens waren dat dit element voor één der contractspartijen subjectief wezenlijk was en dat het verzwegen was; in de "moderne" opvatting van het huwelijk past dit vonnis dus perfect.
Wanneer de socialistische mw. Badinter dan uitroept dat dit in strijd is met de idee dat "la sexualité des femmes est une affaire privée et libre en France" (ook van les hommes, neem ik aan), dan Boer pas op uw Ganzen. Want eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat de staat moet beslissen dat bepaalde motieven bij het sluiten van een huwelijk géén rol meer zouden mogen spelen. Eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat een bruidegom de bruiloft niet zou mogen weigeren omwille van het sexuele verleden van de bruid, want dat is een zogezegde privézaak. Door de staat te laten beslissen dat dit een privézaak is, wordt het private karakter echter juist geperverteerd. Eigenlijk zegt mevrouw Badinter dat het hoger belang van de linkse ideologie inzake sexualiteit meebrengt dat partners het recht hebben elkaar te bedriegen (en bedriegen betekent natuurlijk zonder het akkoord van de andere partij, anders is het geen bedrog).
Ook anderen roepen vandaag in naam van de strijd tegen 'archaïsche opvattingen" dat de wet zou moeten verbieden dat het sexuele verleden van de partner nog door de andere partner als een wezenlijke eigenschap zou mogen worden beschouwd. Kortom, de staat zal voor U wel beslissen met welke kenmerken U bij de keuze van uw partner nog rekening mag houden en met welke niet.
Wanneer ik enkele jaren gelden al schreef dat de hele ideologie van de antidiscriminatie er op een dag toe zal leiden dat men niet meer mag discrimineren bij de keuze van een levenspartner (http://www.doorbraak.org/doorbraak/pdf/0202.pdf), werd ik uitgescholden voor een fantast. Wel, aan de reacties op het Rijselse vonnis te lezen, zijn we er wel akelig dichtbij aan het komen.
(1) te lezen op http://blog.dalloz.fr/blogdalloz/files/Lille.pdf)
(2) (D. 2008. Jur. 1389, note P. Labbée; en "edito" van F. Rome, La mariée avait un vice caché..., ibid. 1465; zelfs een blogitem bij Dalloz op http://blog.dalloz.fr/blogdalloz/2008/06/le-mariage-et-l.html)
(3)(http://www.lemonde.fr/opinions/article/2008/06/05/les-paradoxes-du-jugement-de-lille-par-anne-chemin_1054114_3232.html)
maandag, juni 02, 2008
De maskers vallen af: het gaat (ook) om ordinaire gebiedsroof.
De retoriek van le droit des gens
Jarenlang hebben we het moeten horen: de (valse) tegenstelling die franstalige media, academici en politici maakten tussen een Vlaanderen dat alleen maar kan denken vanuit “le droit du sol” en de morele superioriteit van de franstaligen voor wie “le droit des gens” geldt, voor wie de mensen voorrang zouden hebben op de grond. Daarbij misbruikte men doelbewust de dubbelzinnigheid van de uitdrukking “droit des gens”. Die betekent namelijk ook “het recht der volkeren” in de zin van volkenrecht, d.i. het internationaal recht dat franstaligen in België al enkele decennia proberen voor de kar te spannen van hun revanchisme, van hun reactie tegen het feit dat “on nous a pris la Flandre” (1) Dat volkenrecht wordt bewust op één lijn gesteld met een andere invulling van de uitdrukking, die zou inhouden dat waar mensen zich ook vestigen, de overheid aldaar en de omgeving zich maar moet aanpassen – althans wanneer die mensen tot de “hogere” franse beschaving behoren natuurlijk. Want, zoals wij ook al lang weten, bestaat die invulling van le droit des gens in geen enkel land of gewest waar de franstaligen het alleen voor het zeggen hebben, niet in Frankrijk, niet in de franstalige kantons in Zwitserland, niet in Wallonië en al helemaal niet in Québec. En bij de uitdrukking “droit du sol” (ius soli) vergat men ook uit te leggen dat die de tegenpool vormt van “le droit du sang” (ius sanguinis) en rechtshistorisch op de eerste plaats te maken heeft met de regels inzake verwerving van nationaliteit. Men vergat ook dat het “territorialiteitsbeginsel” het tegendeel is van het “personaliteitsbeginsel”: de tegenstelling tussen het beginsel dat iedereen op een bepaald grondgebied onder dezelfde wet leeft en gelijk is voor die wet tegenover het beginsel dat de wet niet dezelfde is voor iedereen maar afhankelijk is van de etnische (of religieuze) groep waartoe men behoort. Ik breng het maar even kort in herinnering voor wie niet meer weet dat hier natuurlijk veel meer achter zit.
De maskers vallen af
In het zog van de discussie over de aanpassing van de kieskringen (ja, die zijn inderdaad per definitie territoriaal) aan de grondwettelijke indeling van België als federale staat (2), laten steeds meer franstalige politici en academici echter het masker vallen. Hun verzet tegen de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (die wel degelijk de enige mogelijkheid is om zonder grondwetswijziging de wet aan te passen aan de grondwet) (3) heeft namelijk alles te maken met ….. grondhonger, met ordinaire gebiedsroof. Hun verzet tegen de splitsing heeft alles te maken met het in vraag stellen van de bestaande deelstaatgrenzen bij het nakende einde van België. Dat blijkt (opnieuw) uit een aantal recente uitspraken.
Op de eerste plaats is er het voorstel van Prof. Jacques Autenne in La Libre Belgique van 21 mei 2008 (4). Die is nog “gematigd” in zijn gebiedsaanspraken: hij eist behalve overgangsmaatregelen voor franstaligen in Vlaanderen alleen maar de overdracht aan Wallonië van alle verbindingswegen tussen Brussel en Wallonië: snelwegen, wegen en spoorwegen, rivieren en kanalen. Door Sint-Genesius-Rode, maar ook door Overijse en zelfs Halle. Maar geen bewoonde gebieden (wellicht is het feit dat hij in Tervuren woont en het daar blijkbaar toch zo slechts niet stelt in Vlaanderen daar de oorzaak van).
Bij anderen daarentegen gaat het er heel duidelijk om, om de regels van het volkenrecht meer dan een beetje te forceren en naar franstalige handen te zetten en door middel van een aberrante interpretatie van de “uti-possidetis”-regel bij het uiteenvallen van België een groot stuk van Vlaams-Brabant in te palmen in de nieuwe staat Wallobruxia. Wanneer Karel de Gucht in le Soir van 26 januari duidelijk stelt dat de taalgrens een staatsgrens is (5) Op 28 januari roept de Brusselse voorzitter van de rassemblement Wallonie-France BHV uit tot “Un enjeu d’état” (6). Enkele dagen na een interview met de Luikse hoogleraar grondwettelijk recht, prof. Christian Behrendt in Le Soir (zie verder) legt Paul Piret in La Libre Belgique van 8 mei 2008 (7) de reden uit voor het verzet tegen de splitsing van de kieskring : “ Le pays viendrait-il à éclater, à quelque terme, le droit international reconnaît généralement à une nouvelle entité le territoire qu'elle possédait auparavant - sans quelque maintien de BHV, les frontières étatiques n'en coïncideraient que mieux avec la frontière linguistique, Bruxelles davantage "enclavé" en Flandre”.
En op enkele dagen tijd laten de franstalige kopstukken – Maingain, di Rupo, Onkelinx - het masker vallen. Maingain in Le Soir van 17 mei (8) over de reden van het verzet tegen de splitsing: “De Franstaligen moeten aan de toekomst denken, nadenken in termen van territorium, van toekomstige grenzen, anders zullen ze gestrikt worden." Di Rupo spreekt zelfs uitdrukkelijk van “geostrategische redenen” in Le Soir van 26 mei 2008 (9) : het behoud van de kieskring BHV, het gerechtelijk arrondissement BHV, en de faciliteiten maken dat de taalgrens géén staatsgrens is. In antwoord op de Vlaamse “strategie” om door de afschaffing daarvan de taalgrens te bevestigen als een potentiële staatsgrens, wil di Rupo Brussel en Wallonië verenigen. En het is duidelijk dat hij ook een fysieke, geografische vereniging bedoelt, dus de inpalming van een stuk Vlaams-Brabant. (Oui. Voici mon raisonnement… Les francophones autour de Bruxelles ont trois types de droits liés aux personnes : un droit électoral, leur permettant de voter pour des personnalités bruxelloises; ils peuvent être jugés en français en justice; enfin, il y a les facilités dans six communes. Ces trois types de droits constituent comme des ponts, qui enjambent la frontière linguistique, signifiant qu'elle n'est pas une frontière d'État. Toute la stratégie des responsables politiques flamands est de faire sauter ces ponts l'un après l'autre, afin d'isoler Bruxelles en Flandre, et d'affirmer la frontière linguistique comme une frontière d'État potentiellement. Ce schéma, nous n'en voulons pas. Il ne passera pas”. En Onkelinx stelde op 31 mei in de Standaard(10): “Brussel-Halle-Vilvoorde gaat over: hebben Wallonië en Brussel al dan niet een aparte toekomst? BHV gaat natuurlijk ook de verdediging van de Franstaligen die in de Rand leven, maar dat is niet de kern van de discussie”, en op de opwerping “Met een formule als inschrijvingsrecht zouden de Franstaligen uit de Rand nog kunnen stemmen voor iemand in Brussel” volgt het antwoord: “Wie in Vlaanderen nog gelooft dat het daarover gaat, begrijpt niets van de gevoeligheid van de francofonen. BHV is echt veel fundamenteler dan dat. Dat maakt de discussie zeer moeilijk”. Het gaat dus niet om minderheidsrechten voor franstaligen, maar om het veel “fundamentelere”: franstalige gebiedsuitbreiding. En het Wallobruxia-verhaal doet ook een ander masker afvallen: dat een uitbreiding van Brussel toch niet zo erg zou zijn aangezien het Vlaams-Brabant alleen maar tweetalig zou maken; het gaat niet meer om de uitbrieding van tweetalig gebied, maar om de inrichting van een ééntalig Franse ruimte, zoals België eertijds werd geconcipieerd, waar de nederlandstaligen zoals in 1831 nog wel lokaal hun patois mogen gebruiken.
Het was enkele wakkere Vlaamse academici en bloggers ntauurlijk ook al opgevallen: op de eerste plaats Bart Maddens in de Standaard van 24 mei 2008 (11) (nog voor de uitspraken van di Rupo), verder Filip van Laenen op Brussels Journal (B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo (12)) en In Flanders Fields van 26 mei (13) en Philippe van den Abeele op Nieuw Pierke (14) op 28 mei 2008.
Een beetje voorgeschiedenis van speuren in de juridische gereedschapskist
Natuurlijk is die expansionistische mentaliteit niets nieuws. Ook de analyse van de instrumenten uit het volkenrecht die men daarvoor kan inzetten, is al decennia aan de gang in de franstalige universiteiten en politieke middens. Even ter herinnering: een toen nog grotendeels franstalig Hof van cassatie decreteerde in 1971 de voorrang van het volkenrecht op de Belgische wetgeving (15). Op dat ogenblik ging het alleen over de voorrang van geratificeerde verdragen op de gewone wet en was de beslissing in casu ook correct, maar ze werd wel in veel ruimere bewoordingen gesteld (16). Vandaag beweren franstalige academici dat het volkenrecht ook voorrang zou hebben op de grondwet en dat ook niet geratificeerde verdragen zoals het Minderhedenverdrag voorrang zouden hebben op het Belgische recht omdat het om “mensenrechten” zou gaan).
De eerste inhoudelijke piste die men uitgeprobeerd heeft en blijft uitproberen is die van de zogenaamde taalvrijheid. Hiermee hebben de franstalige internationale grotendeels bot gevangen (met name het arrest van het EHRM over enkele aspecten van de taalwetgeving, , waar men enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille” bekwam… (17); verder ook het arrest-Mathieu-Mohin / België van 2 maart 1987 (18)). Sommige franstalige academici hebben daaruit afgeleid dat ze wellicht beter “bediend” zouden kunnen zijn door het toch nog steeds erg franstalige en staasbehoudende Hof van cassatie en begonnen te pleiten voor grondwettigheidstoetsing door de gewone rechter (en niet door de Raad van State die toen al als te flamingant werd bestempeld) (19). Procureur-generaal bij het Hof van cassatie Walter Ganshof van der Meersch pleitte vanaf toen voor grondwettigheidstoetsing door het Hof van cassatie (20).
Het tweede spoor dat men vandaag zeer sterk bewandelt is dat van de zogenaamde minderhedenbescherming, gewapend met de formidabele doublespeak van dat intussen beruchte minderhedenverdrag (zie daarover mijn toespraak bij de uitreiking van de orde van de Vlaamse leeuw) (21)). Door de oprichting van een paritair Grondwettelijk Hof kon men de Vlamingen alvast niet meer sociologisch minoriseren bij de grondwettigheidstoetsing van wetten en werd het spoor van de voorrang van het volkenrecht weer belangrijker (22). Zou het toeval zijn dat het Hof van cassatie het volkenrecht nu ook boven de Grondwet ging stellen (onder meer in het juridisch schandelijke Vlaams-Blok-arrest van 9 november 2004 (23)). Nu, wat die piste van de minderheidsrechten betreft, heeft het feit dat Frankrijk en Québec in deze aan de Vlaamse kant staan, de geloofwaardigheid van het franstalig verhaal niet echt geholpen, en de pietluttigheden waarover men telkens komt zaniken hebben ook in het buitenland toch enige ogen doen opengaan. Dat men al 40 jaat bot vangt bij internationale rechtscolleges en enkel via gemakkelijker te manipuleren internationale politieke organen enige aandacht krijgt geeft misschien toch te denken. Maar goed, met de twee genoemde sporen kon men zijn strategie vervolgen zolang men nog kon volhouden dat er in België geen interne grens was: de basisidee was altijd dat de zogenaamde rechten van de franstaligen in heel België moesten gelden.
Nu men niet meer in het voortbestaan van België gelooft en de taalgrens op korte termijn een staatgsrens dreigt te worden, wordt het derde spoor echter een stuk dringender: de territoriale expansie.
Het derde spoor botst tegen het volkenrecht
Daarbij botst men echter tegen een van de grondbeginselen van het anders zo geprezen volkenrecht: het beginsel dat bij het ontstaan van nieuwe staten de oude interne grenzen de grenzen van de nieuwe staat vormen, traditioneel verwoord als “uti possidetis”. Hoe sterk de internationale gemeenschap vasthoudt aan bestaande grenzen hebben we ook in recente tijden gezien, onder meer bij het uiteenvallen van Joegoslavië (standpunt dat onderbouwd werd in het advies nr. 3 van de commissie-Badinter, 11 januari 1992 (24), onder voorzitterschap van de vroegere Franse Minister van justitie Robert Badinter, zeker ook een voorstander van het territorialiteitsbeginsel).
De uiteindelijke erkenning van Kroatië binnen zijn “intern-joegoslavische” grenzen heeft franstalige academici bij ons gealarmeerd. Dat de franstalige academici van Québec het beginsel uti possidetis zeer sterk verdedigen (zie met name het rapport-Pellet (25)) weerhoudt de Belgische franstalige academici er alvast niet van om eraan te gaan morrelen. Vanaf de jaren ’90 zijn ze dus argumenten gaan zoeken om dit beginsel niet te laten gelden bij een splitsing van België. In januari 1998 werd daartoe een congres georganiseerd aan de ULB te Brussel, waarvan de rapporten verschenen zijn in het boek Demembrements d'Etats et delimitations territoriales: l'uti possidetis en question(s), Actes du colloque de Bruxelles - 23 et 24 janvier 1998 (26).
Op 18 maart 2005 organiseerde het FDF-studiecentrum Jacques Georgin (ja inderdaad genoemd naar de FDF-plakker die op 12 september na een schermutseling met vlaamse plakkers overleed aan een hartaanval die met die schermutseling weinig van doen had, maar die nog altijd als een vermoorde held wordt geprezen) een colloquium waar het de beurt was aan de professoren Hugues Dumont en Sébastien van Drooghenbroeck om de splitsing van BHV aan te grijpen als grond om de gewestgrens tussen Brussel en Vlaanderen aan te passen door middel van referenda. Hun tekst (“Le statut de Bruxelles dans l’hypothèse du confédéralisme”) werd in oktober 2007 in 3 talen gepubliceerd in Brussels Studies (27).
En einde 2007 werd aan de Universiteit van Luik een colloquium georganiseerd over “Fédéralisme et frontières internes: les enjeux de l'arrondissement de BHV (Bruxelles-Hal-Vilvorde/Brussel-Halle-Vilvoorde)” met bijdragen die eerstdaags verschijnen in het elektronisch tijdschrift Fédéralisme Régionalisme (28). De lezing van prof. Christian Behrendt, hoogleraar grondwettelijk recht in Luik en een duitstalge met dubbele nationaliteit, getiteld “BHV et le principe de l’uti possidetis”, bood de franstaligen weinig argumenten. Wanneer Behrendt door Dominique Berns wordt geïnterviewd in Le Soir van 30 april (29) worden hem dan ook enkele suggestieve vragen gesteld; ik was er natuurlijk niet bij toen het interview werd opgenomen, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de journalist het gepubliceerde interview wat naar zijn hand heeft gezet. Hij is blijven doorvragen tot hij een geschikt antwoord kon vinden dat de duidelijke uitgangspunten, die Behrendt verdedigde, toch nog even kon scheeftrekken. Want Behrendt herinnert eraan dat noch het argument “enclave” (Brussel binnen Vlaams grondgebied), noch het argument minderheden noch de eis van een volksraadpleging veel indruk maken op de internationale gemeenschap als argumenten tegen het beginsel uti possidetis.
Drijfhout of bruggen voor expansie ?
Het belang van het beginsel heeft de franstaligen nu toe aangezet om allerlei motieven te zoeken die moeten aantonen dat er helemaal geen eenduidige interne grenzen zijn in België, dat grote delen van Vlaanderen eigenlijk nog altijd gemengd gebied zouden zijn. Maingain en de anderen zijn onmiddellijk gesprongen op de uitlating van Behrendt dat de kieskring en het gerechtelijk arrondissement “bruggen” zijn over de taalgrens heen waarmee men het definitief karakter daarvan misschien toch in vraag zou kunnen stellen. Mij lijkt het eerder te gaan om stukken drijfhout uit het wrak van het schip van de belgische unitaire staat (30). De argumenten om te stellen dat de bestaande grondwettelijke taalgrenzen wel degelijk de interne grenzen zijn voor de toepassing van uti possidetis zijn overweldigend – men moet maar de eerste 5 artikelen van de Belgische grondwet lezen. Maar de franstalige reactie toont wel aan dat elke brug die nog opengelaten wordt of gebouwd wordt, door de overzijde misbruikt wordt als toegangsweg voor territoriale expansie. Bruggen bouwen is zeer nuttig, maar vraagt op de eerste plaats stevige oevers en op de tweede plaats dat de franstalige politici nu eens eindelijk zeer uitdrukkelijk afstand nemen van de eis naar territoriale expansie van de Franse gemeenschap (31). De weigering dat te doen verplicht de Vlamingen om zolang er geen onafhankelijk Vlaanderen is, geen erkenning te verlenen aan welke instellingen of regels ook die door franstaligen misbruikt kunnen worden om territoriale expansie te rechtvaardigen. Ook zo zijn de anderstalgen in Vlaanderen nog altijd stukken beter af dan in Wallonië of andere franstalige landen.
Deze stelling zal me wel weer een partijtje schelden over geborneerdheid en geslotenheid opleveren, maar met een buurman die voortdurend een stuk van je tuin probeert in te palmen zijn “afpaling en afsluiting” (om de termen van het Burgerlijk wetboek te gebruiken) nu eenmaal nodig.
(1) zie mijn “Nog steeds “Ils nous ont pris la Flandre””, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/09/nog-steeds-ils-nous-ont-pris-la-flandre.html
(2) Zie mijn “Dewael’s bedrieglijke vergelijking”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/10/dewaels-bedrieglijke-rechtsvergelijking.html
(3) Zie mijn “Interpretatie zonder te zinzen: waarom de splitsing van BHV grondwettelijk moet”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/09/interpretatie-zonder-te-zinzen-waarom.html. Daar wordt het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat ook een terugkeer naar arrondissementele kieskringen in heel België grondwettelijk kan, weerlegd. Zie ook het vervolgstuk “De kern van de zaak: BHV discrimineert in strijd met het belgisch evenwicht”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/10/de-kern-van-de-zaak-bhv-discrimineert.html
(4) Berlin-Ouest comme solution à BHV”, http://www.lalibre.be/index.php?view=article&art_id=422488, ook op http://haviko.org/cgi-bin/actualiteit.cgi?artikel=1211316810
(5) «La frontière linguistique est une frontière d’Etat», http://www.lesoirenligne.be/actualite/belgique/la-frontiere-linguistique-est-2008-01-26-573631.shtml
(6) http://www.rwf.be/pages/Archives/Annee_2008/semaine05/la_une/bhv_goosse.html
(7) "Scinder BHV a sa logique. S'y opposer, aussi... "
(8) “Le prix de la scission selon Maingain”, Le Soir van 17 mei , http://www.lesoir.be/actualite/belgique/politique-le-president-fdf-2008-05-17-598971.shtml
(9) Di Rupo in Le Soir van 26 mei 2008, http://www.lesoir.be/actualite/belgique/politique-la-condition-il-2008-05-26-600871.shtml: “de toute façon, la scission ne pourra pas être pure et simple. Les francophones ont des raisons de géostratégie.”- «Géostratégie», carrément… - “Oui. Voici mon raisonnement… Les francophones autour de Bruxelles ont trois types de droits liés aux personnes : un droit électoral, leur permettant de voter pour des personnalités bruxelloises; ils peuvent être jugés en français en justice; enfin, il y a les facilités dans six communes. Ces trois types de droits constituent comme des ponts, qui enjambent la frontière linguistique, signifiant qu'elle n'est pas une frontière d'État. Toute la stratégie des responsables politiques flamands est de faire sauter ces ponts l'un après l'autre, afin d'isoler Bruxelles en Flandre, et d'affirmer la frontière linguistique comme une frontière d'État potentiellement. Ce schéma, nous n'en voulons pas. Il ne passera pas.”
(10) “Wallonië heeft er stilaan genoeg van” de Standaard 31 mei 2008, http://www.standaard.be/Krant/Tekst/Artikel.aspx?artikelId=PH1SJB00&date=20080531.
(11) Bart MADDENS, “Waar BHV echt over gaat“, de Standaard van 24 mei 2008, http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=9C1SBJAV, ook op http://haviko.org/cgi-bin/actualiteit.cgi?artikel=1211593597
(12) “B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo“, Brussels Journal 26 mei 2008, http://www.brusselsjournal.com/node/3289.
(13) “B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo “, In Flanders Fields 26 mei 2008, http://inflandersfields.eu/2008/05/b-h-v-en-de-geo-strategie-van-elio-di.html
(14) Philippe van den ABEELE, “ Franstalige 'geostrategie”, op Nieuw Pierke , http://www.nieuwpierke.be/forum_voor_democratie/nl/node/234
(15) Het zgn. Smeltkaasarrest, Cass. 27 mei 1971, Fromagerie Franco-Suisse Le Ski (smeltkaasarrest) Arr Cass 1971, p. 959, concl. Procureur-Generaal W. Ganshof Van Der Meersch.
(16) Volgens Prof. Paul Vermeulen (hoogleraar staatsrecht VUB en later Eerste Voorzitter van de Raad van State) was het arrest ingegeven door de wens van het Franstalige establishment om de Belgische taalwetten te kunnen toetsen aan volkenrechtelijke regels en op die manier mogelijks terzijde te schuiven (zie o.m. zijn tussenkomst in Actualité du contrôle juridictionnel des lois, journées juridiques Jean Dabin, Faculté de droit UCL, Larcier Brussel 1973, p. (554 v.) 555 en 557 v. Zou het werkelijk toeval zijn dat het arrest van 1971 er kwam kort nadat de grondwetswijziging van 1970 de taalgrens had ingeschreven in de Grondwet, zodat alvast de taalwetten niet meer op basis van een grondwettigheidstoetsing konden worden terzijde geschoven ?
(17) EHRM 23 juli 1968 , waarmee men enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille” bekwam. Zie http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?action=html&documentId=699959&portal=hbkm&source=externalbydocnumber&table=F69A27FD8FB86142BF01C1166DEA398649
(18) EHRM 2 maart 1987, Mathieu-Mohin en Clerfayt/ België, http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?action=html&documentId=699970&portal=hbkm&source=externalbydocnumber&table=F69A27FD8FB86142BF01C1166DEA398649
(19) Het congres aan de UCL ”Actualité du contrôle juridictionnel des lois” vond plaats in 1973, kort na de Grondwetsherziening van 1970, de wet op de bevoegdheidsconflicten bij de Raad van State van 1971 (nooit effectief uitgevoerd), en het smeltkaasarrest van 27 mei 1971. De interventie van Vermueln op dat conres doorprikte de franstalige agenda: De franstaligen: waren sterker in de magistratuur dan in de politiek wen wilden dus het parlement onder voogdij stellen van een instelling waarin zij dominanter waren. Professoren en De Visscher en Lienard wilden gewoon af van de Vlaamse meerderheid in het (Belgische) Parlement.
(20) Concl. Ganshof van der Meersch voor het arrest van het Hof van Cassatie van 3 mei 1974 (Cass. 3 mei 1974, R.W. 1974-75, 77).
(21) Bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Leo Peeters en de andere burgemeesters van Halle-Vilvoorde, http://www.ordevandevlaamseleeuw.org/peeters-leeuw.html
(22) Aldus verklaarde de Waalse socialiste Anne-Marie Lizin in 1991, toen ze Staatsecretaris voor Europese Zaken was, dat dankzij Europa de Vlamingen opnieuw de rechtsposities zouden verliezen die ze in en op België hadden weten te veroveren.
(23) Cass. 9 november 2004, http://www.droit.fundp.ac.be/cours/pen/cassvzw.pdf of http://www.diversiteit.be/index.php?action=rechtspraak_detail&id=45&select_page=38.
(24) Advies nr. 3 van de commissie-Badinter, 11 januari 1992 Opinion No 3 of the Arbitration Commission of the Peace Conference on Yugoslavia, 11 January 1992, 31 ILM 1499, onder meer op http://www.ejil.org/journal/Vol3/No1/art13.html. Zie over het beginsel verder onder meer Dieter BLUMENWITZ, “Uti possedetis iuris, uti possedetis de facto: die Grenze im modernen Völkerrecht” In: Raum und Recht : Festschrift 600 Jahre Würzburger Juristenfakultät, red. Horst Dreier, Hans Forkel, Klaus Laubenthal, Duncker & Humblot 2002 ; Suzanne LALONDE, Determining boundaries in a conflicted world : the role of uti possidetis, McGill-Queen's University Press 2002.
(25) D.i. Thomas M. Franck, Rosalyn Higgins, Alain Pellet, Malcolm N. Shaw, Christian Tomuschat, «L’intégrité territoriale du Québec dans l’hypothèse de l’accession à la souveraineté», Commission d’étude des questions afférentes à l’accession du Québec à la souveraineté, Exposés et études, Volume 1, Les attributs d’un Québec souverain, Québec, 1992. Zie ook Michel Roche, “L’éclatement des fédérations soviétique, yougoslave et tchécoslovaque dans le débat sur la question nationale au Québec: de l’échec de Meech au référendum de 1995”, Bulletin d’histoire politique, vol. 4, no 2, printemps 2007, pp. 151; ook op http://classiques.uqac.ca/contemporains/roche_michel/eclatement_des_federations/eclatement_des_federations_texte.html.
(26) Démembrements d’Etats et délimitations territoriales: l’Uti possidetis en question(s), onder redactie van O. Corten, B. Delcourt, P. Klein en N. Levrat, Editions de l’Université de Bruxelles / Bruylant, Brussel 1999. Sommige bijdragen verschenen ook in de Revue belge de droit international, o.a. N. ANGELET, “Quelques observations sur le principe de l’uti possidetis à l’aune du cas hypothétique de la Belgique”, in Revue belge de droit international, 1998, p. 51-69.
(27) Te vinden op http://www.briobrussel.be/assets/andere publicaties/fr_46_brus10fr.pdf in het Nederlands op http://www.briobrussel.be/assets/andere%20publicaties/nl_46_brus10nl.pdf en in het Engels op http://www.briobrussel.be/assets/andere publicaties/en_46_brus10en.pdf.
(28) http://popups.ulg.ac.be/federalisme/sommaire.php?id=518. Het bevat met name de teksten van volgende lezingen: Michel Pâque, “ Introduction: le contexte institutionnel des difficultés actuelles”; Gonzales d’Alcantara, “Demande flamande de scission de BHV : une justification économique ?”, Christian Behrendt, “BHV et le principe de l’uti possidetis”, Boudewijn Bouckaert, “«Leo Belgicus» op zoek naar zichzelf. Territorialiteit, regionalisme en confederale bestuurscultuur in de Lage Landen”, Carl Devos, “BHV : Voeren van de 21ste eeuw” en Jean-Claude Scholsem, ”La problématique de Bruxelles-Hal-Vilvorde et la jurisprudence de la Cour constitutionnelle”.
(29) “BHV est un diamant pur ; qui demande sa scission doit mettre le prix”, op http://www.lesoir.be/forum/a_bout_portant/article_595322.shtml.
(20) Over het schip als metafoor voor de staat, zie ook H. QUARITSCH "Das Schiff als Gleichnis" in Recht über See, Festschrift Rolf Stödter zum 70. Geburtstag am 22. April 1979 (red. H.P. IPSEN & K-H Necker), Decker Schenck 1979, 251 v.
(21) En wie denkt dat dit een knipoog is naar de column “bruggen bouwen” van D. Sinardet in de Standaard, heeft nog gelijk ook.
Jarenlang hebben we het moeten horen: de (valse) tegenstelling die franstalige media, academici en politici maakten tussen een Vlaanderen dat alleen maar kan denken vanuit “le droit du sol” en de morele superioriteit van de franstaligen voor wie “le droit des gens” geldt, voor wie de mensen voorrang zouden hebben op de grond. Daarbij misbruikte men doelbewust de dubbelzinnigheid van de uitdrukking “droit des gens”. Die betekent namelijk ook “het recht der volkeren” in de zin van volkenrecht, d.i. het internationaal recht dat franstaligen in België al enkele decennia proberen voor de kar te spannen van hun revanchisme, van hun reactie tegen het feit dat “on nous a pris la Flandre” (1) Dat volkenrecht wordt bewust op één lijn gesteld met een andere invulling van de uitdrukking, die zou inhouden dat waar mensen zich ook vestigen, de overheid aldaar en de omgeving zich maar moet aanpassen – althans wanneer die mensen tot de “hogere” franse beschaving behoren natuurlijk. Want, zoals wij ook al lang weten, bestaat die invulling van le droit des gens in geen enkel land of gewest waar de franstaligen het alleen voor het zeggen hebben, niet in Frankrijk, niet in de franstalige kantons in Zwitserland, niet in Wallonië en al helemaal niet in Québec. En bij de uitdrukking “droit du sol” (ius soli) vergat men ook uit te leggen dat die de tegenpool vormt van “le droit du sang” (ius sanguinis) en rechtshistorisch op de eerste plaats te maken heeft met de regels inzake verwerving van nationaliteit. Men vergat ook dat het “territorialiteitsbeginsel” het tegendeel is van het “personaliteitsbeginsel”: de tegenstelling tussen het beginsel dat iedereen op een bepaald grondgebied onder dezelfde wet leeft en gelijk is voor die wet tegenover het beginsel dat de wet niet dezelfde is voor iedereen maar afhankelijk is van de etnische (of religieuze) groep waartoe men behoort. Ik breng het maar even kort in herinnering voor wie niet meer weet dat hier natuurlijk veel meer achter zit.
De maskers vallen af
In het zog van de discussie over de aanpassing van de kieskringen (ja, die zijn inderdaad per definitie territoriaal) aan de grondwettelijke indeling van België als federale staat (2), laten steeds meer franstalige politici en academici echter het masker vallen. Hun verzet tegen de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (die wel degelijk de enige mogelijkheid is om zonder grondwetswijziging de wet aan te passen aan de grondwet) (3) heeft namelijk alles te maken met ….. grondhonger, met ordinaire gebiedsroof. Hun verzet tegen de splitsing heeft alles te maken met het in vraag stellen van de bestaande deelstaatgrenzen bij het nakende einde van België. Dat blijkt (opnieuw) uit een aantal recente uitspraken.
Op de eerste plaats is er het voorstel van Prof. Jacques Autenne in La Libre Belgique van 21 mei 2008 (4). Die is nog “gematigd” in zijn gebiedsaanspraken: hij eist behalve overgangsmaatregelen voor franstaligen in Vlaanderen alleen maar de overdracht aan Wallonië van alle verbindingswegen tussen Brussel en Wallonië: snelwegen, wegen en spoorwegen, rivieren en kanalen. Door Sint-Genesius-Rode, maar ook door Overijse en zelfs Halle. Maar geen bewoonde gebieden (wellicht is het feit dat hij in Tervuren woont en het daar blijkbaar toch zo slechts niet stelt in Vlaanderen daar de oorzaak van).
Bij anderen daarentegen gaat het er heel duidelijk om, om de regels van het volkenrecht meer dan een beetje te forceren en naar franstalige handen te zetten en door middel van een aberrante interpretatie van de “uti-possidetis”-regel bij het uiteenvallen van België een groot stuk van Vlaams-Brabant in te palmen in de nieuwe staat Wallobruxia. Wanneer Karel de Gucht in le Soir van 26 januari duidelijk stelt dat de taalgrens een staatsgrens is (5) Op 28 januari roept de Brusselse voorzitter van de rassemblement Wallonie-France BHV uit tot “Un enjeu d’état” (6). Enkele dagen na een interview met de Luikse hoogleraar grondwettelijk recht, prof. Christian Behrendt in Le Soir (zie verder) legt Paul Piret in La Libre Belgique van 8 mei 2008 (7) de reden uit voor het verzet tegen de splitsing van de kieskring : “ Le pays viendrait-il à éclater, à quelque terme, le droit international reconnaît généralement à une nouvelle entité le territoire qu'elle possédait auparavant - sans quelque maintien de BHV, les frontières étatiques n'en coïncideraient que mieux avec la frontière linguistique, Bruxelles davantage "enclavé" en Flandre”.
En op enkele dagen tijd laten de franstalige kopstukken – Maingain, di Rupo, Onkelinx - het masker vallen. Maingain in Le Soir van 17 mei (8) over de reden van het verzet tegen de splitsing: “De Franstaligen moeten aan de toekomst denken, nadenken in termen van territorium, van toekomstige grenzen, anders zullen ze gestrikt worden." Di Rupo spreekt zelfs uitdrukkelijk van “geostrategische redenen” in Le Soir van 26 mei 2008 (9) : het behoud van de kieskring BHV, het gerechtelijk arrondissement BHV, en de faciliteiten maken dat de taalgrens géén staatsgrens is. In antwoord op de Vlaamse “strategie” om door de afschaffing daarvan de taalgrens te bevestigen als een potentiële staatsgrens, wil di Rupo Brussel en Wallonië verenigen. En het is duidelijk dat hij ook een fysieke, geografische vereniging bedoelt, dus de inpalming van een stuk Vlaams-Brabant. (Oui. Voici mon raisonnement… Les francophones autour de Bruxelles ont trois types de droits liés aux personnes : un droit électoral, leur permettant de voter pour des personnalités bruxelloises; ils peuvent être jugés en français en justice; enfin, il y a les facilités dans six communes. Ces trois types de droits constituent comme des ponts, qui enjambent la frontière linguistique, signifiant qu'elle n'est pas une frontière d'État. Toute la stratégie des responsables politiques flamands est de faire sauter ces ponts l'un après l'autre, afin d'isoler Bruxelles en Flandre, et d'affirmer la frontière linguistique comme une frontière d'État potentiellement. Ce schéma, nous n'en voulons pas. Il ne passera pas”. En Onkelinx stelde op 31 mei in de Standaard(10): “Brussel-Halle-Vilvoorde gaat over: hebben Wallonië en Brussel al dan niet een aparte toekomst? BHV gaat natuurlijk ook de verdediging van de Franstaligen die in de Rand leven, maar dat is niet de kern van de discussie”, en op de opwerping “Met een formule als inschrijvingsrecht zouden de Franstaligen uit de Rand nog kunnen stemmen voor iemand in Brussel” volgt het antwoord: “Wie in Vlaanderen nog gelooft dat het daarover gaat, begrijpt niets van de gevoeligheid van de francofonen. BHV is echt veel fundamenteler dan dat. Dat maakt de discussie zeer moeilijk”. Het gaat dus niet om minderheidsrechten voor franstaligen, maar om het veel “fundamentelere”: franstalige gebiedsuitbreiding. En het Wallobruxia-verhaal doet ook een ander masker afvallen: dat een uitbreiding van Brussel toch niet zo erg zou zijn aangezien het Vlaams-Brabant alleen maar tweetalig zou maken; het gaat niet meer om de uitbrieding van tweetalig gebied, maar om de inrichting van een ééntalig Franse ruimte, zoals België eertijds werd geconcipieerd, waar de nederlandstaligen zoals in 1831 nog wel lokaal hun patois mogen gebruiken.
Het was enkele wakkere Vlaamse academici en bloggers ntauurlijk ook al opgevallen: op de eerste plaats Bart Maddens in de Standaard van 24 mei 2008 (11) (nog voor de uitspraken van di Rupo), verder Filip van Laenen op Brussels Journal (B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo (12)) en In Flanders Fields van 26 mei (13) en Philippe van den Abeele op Nieuw Pierke (14) op 28 mei 2008.
Een beetje voorgeschiedenis van speuren in de juridische gereedschapskist
Natuurlijk is die expansionistische mentaliteit niets nieuws. Ook de analyse van de instrumenten uit het volkenrecht die men daarvoor kan inzetten, is al decennia aan de gang in de franstalige universiteiten en politieke middens. Even ter herinnering: een toen nog grotendeels franstalig Hof van cassatie decreteerde in 1971 de voorrang van het volkenrecht op de Belgische wetgeving (15). Op dat ogenblik ging het alleen over de voorrang van geratificeerde verdragen op de gewone wet en was de beslissing in casu ook correct, maar ze werd wel in veel ruimere bewoordingen gesteld (16). Vandaag beweren franstalige academici dat het volkenrecht ook voorrang zou hebben op de grondwet en dat ook niet geratificeerde verdragen zoals het Minderhedenverdrag voorrang zouden hebben op het Belgische recht omdat het om “mensenrechten” zou gaan).
De eerste inhoudelijke piste die men uitgeprobeerd heeft en blijft uitproberen is die van de zogenaamde taalvrijheid. Hiermee hebben de franstalige internationale grotendeels bot gevangen (met name het arrest van het EHRM over enkele aspecten van de taalwetgeving, , waar men enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille” bekwam… (17); verder ook het arrest-Mathieu-Mohin / België van 2 maart 1987 (18)). Sommige franstalige academici hebben daaruit afgeleid dat ze wellicht beter “bediend” zouden kunnen zijn door het toch nog steeds erg franstalige en staasbehoudende Hof van cassatie en begonnen te pleiten voor grondwettigheidstoetsing door de gewone rechter (en niet door de Raad van State die toen al als te flamingant werd bestempeld) (19). Procureur-generaal bij het Hof van cassatie Walter Ganshof van der Meersch pleitte vanaf toen voor grondwettigheidstoetsing door het Hof van cassatie (20).
Het tweede spoor dat men vandaag zeer sterk bewandelt is dat van de zogenaamde minderhedenbescherming, gewapend met de formidabele doublespeak van dat intussen beruchte minderhedenverdrag (zie daarover mijn toespraak bij de uitreiking van de orde van de Vlaamse leeuw) (21)). Door de oprichting van een paritair Grondwettelijk Hof kon men de Vlamingen alvast niet meer sociologisch minoriseren bij de grondwettigheidstoetsing van wetten en werd het spoor van de voorrang van het volkenrecht weer belangrijker (22). Zou het toeval zijn dat het Hof van cassatie het volkenrecht nu ook boven de Grondwet ging stellen (onder meer in het juridisch schandelijke Vlaams-Blok-arrest van 9 november 2004 (23)). Nu, wat die piste van de minderheidsrechten betreft, heeft het feit dat Frankrijk en Québec in deze aan de Vlaamse kant staan, de geloofwaardigheid van het franstalig verhaal niet echt geholpen, en de pietluttigheden waarover men telkens komt zaniken hebben ook in het buitenland toch enige ogen doen opengaan. Dat men al 40 jaat bot vangt bij internationale rechtscolleges en enkel via gemakkelijker te manipuleren internationale politieke organen enige aandacht krijgt geeft misschien toch te denken. Maar goed, met de twee genoemde sporen kon men zijn strategie vervolgen zolang men nog kon volhouden dat er in België geen interne grens was: de basisidee was altijd dat de zogenaamde rechten van de franstaligen in heel België moesten gelden.
Nu men niet meer in het voortbestaan van België gelooft en de taalgrens op korte termijn een staatgsrens dreigt te worden, wordt het derde spoor echter een stuk dringender: de territoriale expansie.
Het derde spoor botst tegen het volkenrecht
Daarbij botst men echter tegen een van de grondbeginselen van het anders zo geprezen volkenrecht: het beginsel dat bij het ontstaan van nieuwe staten de oude interne grenzen de grenzen van de nieuwe staat vormen, traditioneel verwoord als “uti possidetis”. Hoe sterk de internationale gemeenschap vasthoudt aan bestaande grenzen hebben we ook in recente tijden gezien, onder meer bij het uiteenvallen van Joegoslavië (standpunt dat onderbouwd werd in het advies nr. 3 van de commissie-Badinter, 11 januari 1992 (24), onder voorzitterschap van de vroegere Franse Minister van justitie Robert Badinter, zeker ook een voorstander van het territorialiteitsbeginsel).
De uiteindelijke erkenning van Kroatië binnen zijn “intern-joegoslavische” grenzen heeft franstalige academici bij ons gealarmeerd. Dat de franstalige academici van Québec het beginsel uti possidetis zeer sterk verdedigen (zie met name het rapport-Pellet (25)) weerhoudt de Belgische franstalige academici er alvast niet van om eraan te gaan morrelen. Vanaf de jaren ’90 zijn ze dus argumenten gaan zoeken om dit beginsel niet te laten gelden bij een splitsing van België. In januari 1998 werd daartoe een congres georganiseerd aan de ULB te Brussel, waarvan de rapporten verschenen zijn in het boek Demembrements d'Etats et delimitations territoriales: l'uti possidetis en question(s), Actes du colloque de Bruxelles - 23 et 24 janvier 1998 (26).
Op 18 maart 2005 organiseerde het FDF-studiecentrum Jacques Georgin (ja inderdaad genoemd naar de FDF-plakker die op 12 september na een schermutseling met vlaamse plakkers overleed aan een hartaanval die met die schermutseling weinig van doen had, maar die nog altijd als een vermoorde held wordt geprezen) een colloquium waar het de beurt was aan de professoren Hugues Dumont en Sébastien van Drooghenbroeck om de splitsing van BHV aan te grijpen als grond om de gewestgrens tussen Brussel en Vlaanderen aan te passen door middel van referenda. Hun tekst (“Le statut de Bruxelles dans l’hypothèse du confédéralisme”) werd in oktober 2007 in 3 talen gepubliceerd in Brussels Studies (27).
En einde 2007 werd aan de Universiteit van Luik een colloquium georganiseerd over “Fédéralisme et frontières internes: les enjeux de l'arrondissement de BHV (Bruxelles-Hal-Vilvorde/Brussel-Halle-Vilvoorde)” met bijdragen die eerstdaags verschijnen in het elektronisch tijdschrift Fédéralisme Régionalisme (28). De lezing van prof. Christian Behrendt, hoogleraar grondwettelijk recht in Luik en een duitstalge met dubbele nationaliteit, getiteld “BHV et le principe de l’uti possidetis”, bood de franstaligen weinig argumenten. Wanneer Behrendt door Dominique Berns wordt geïnterviewd in Le Soir van 30 april (29) worden hem dan ook enkele suggestieve vragen gesteld; ik was er natuurlijk niet bij toen het interview werd opgenomen, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de journalist het gepubliceerde interview wat naar zijn hand heeft gezet. Hij is blijven doorvragen tot hij een geschikt antwoord kon vinden dat de duidelijke uitgangspunten, die Behrendt verdedigde, toch nog even kon scheeftrekken. Want Behrendt herinnert eraan dat noch het argument “enclave” (Brussel binnen Vlaams grondgebied), noch het argument minderheden noch de eis van een volksraadpleging veel indruk maken op de internationale gemeenschap als argumenten tegen het beginsel uti possidetis.
Drijfhout of bruggen voor expansie ?
Het belang van het beginsel heeft de franstaligen nu toe aangezet om allerlei motieven te zoeken die moeten aantonen dat er helemaal geen eenduidige interne grenzen zijn in België, dat grote delen van Vlaanderen eigenlijk nog altijd gemengd gebied zouden zijn. Maingain en de anderen zijn onmiddellijk gesprongen op de uitlating van Behrendt dat de kieskring en het gerechtelijk arrondissement “bruggen” zijn over de taalgrens heen waarmee men het definitief karakter daarvan misschien toch in vraag zou kunnen stellen. Mij lijkt het eerder te gaan om stukken drijfhout uit het wrak van het schip van de belgische unitaire staat (30). De argumenten om te stellen dat de bestaande grondwettelijke taalgrenzen wel degelijk de interne grenzen zijn voor de toepassing van uti possidetis zijn overweldigend – men moet maar de eerste 5 artikelen van de Belgische grondwet lezen. Maar de franstalige reactie toont wel aan dat elke brug die nog opengelaten wordt of gebouwd wordt, door de overzijde misbruikt wordt als toegangsweg voor territoriale expansie. Bruggen bouwen is zeer nuttig, maar vraagt op de eerste plaats stevige oevers en op de tweede plaats dat de franstalige politici nu eens eindelijk zeer uitdrukkelijk afstand nemen van de eis naar territoriale expansie van de Franse gemeenschap (31). De weigering dat te doen verplicht de Vlamingen om zolang er geen onafhankelijk Vlaanderen is, geen erkenning te verlenen aan welke instellingen of regels ook die door franstaligen misbruikt kunnen worden om territoriale expansie te rechtvaardigen. Ook zo zijn de anderstalgen in Vlaanderen nog altijd stukken beter af dan in Wallonië of andere franstalige landen.
Deze stelling zal me wel weer een partijtje schelden over geborneerdheid en geslotenheid opleveren, maar met een buurman die voortdurend een stuk van je tuin probeert in te palmen zijn “afpaling en afsluiting” (om de termen van het Burgerlijk wetboek te gebruiken) nu eenmaal nodig.
(1) zie mijn “Nog steeds “Ils nous ont pris la Flandre””, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/09/nog-steeds-ils-nous-ont-pris-la-flandre.html
(2) Zie mijn “Dewael’s bedrieglijke vergelijking”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/10/dewaels-bedrieglijke-rechtsvergelijking.html
(3) Zie mijn “Interpretatie zonder te zinzen: waarom de splitsing van BHV grondwettelijk moet”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/09/interpretatie-zonder-te-zinzen-waarom.html. Daar wordt het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat ook een terugkeer naar arrondissementele kieskringen in heel België grondwettelijk kan, weerlegd. Zie ook het vervolgstuk “De kern van de zaak: BHV discrimineert in strijd met het belgisch evenwicht”, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/10/de-kern-van-de-zaak-bhv-discrimineert.html
(4) Berlin-Ouest comme solution à BHV”, http://www.lalibre.be/index.php?view=article&art_id=422488, ook op http://haviko.org/cgi-bin/actualiteit.cgi?artikel=1211316810
(5) «La frontière linguistique est une frontière d’Etat», http://www.lesoirenligne.be/actualite/belgique/la-frontiere-linguistique-est-2008-01-26-573631.shtml
(6) http://www.rwf.be/pages/Archives/Annee_2008/semaine05/la_une/bhv_goosse.html
(7) "Scinder BHV a sa logique. S'y opposer, aussi... "
(8) “Le prix de la scission selon Maingain”, Le Soir van 17 mei , http://www.lesoir.be/actualite/belgique/politique-le-president-fdf-2008-05-17-598971.shtml
(9) Di Rupo in Le Soir van 26 mei 2008, http://www.lesoir.be/actualite/belgique/politique-la-condition-il-2008-05-26-600871.shtml: “de toute façon, la scission ne pourra pas être pure et simple. Les francophones ont des raisons de géostratégie.”- «Géostratégie», carrément… - “Oui. Voici mon raisonnement… Les francophones autour de Bruxelles ont trois types de droits liés aux personnes : un droit électoral, leur permettant de voter pour des personnalités bruxelloises; ils peuvent être jugés en français en justice; enfin, il y a les facilités dans six communes. Ces trois types de droits constituent comme des ponts, qui enjambent la frontière linguistique, signifiant qu'elle n'est pas une frontière d'État. Toute la stratégie des responsables politiques flamands est de faire sauter ces ponts l'un après l'autre, afin d'isoler Bruxelles en Flandre, et d'affirmer la frontière linguistique comme une frontière d'État potentiellement. Ce schéma, nous n'en voulons pas. Il ne passera pas.”
(10) “Wallonië heeft er stilaan genoeg van” de Standaard 31 mei 2008, http://www.standaard.be/Krant/Tekst/Artikel.aspx?artikelId=PH1SJB00&date=20080531.
(11) Bart MADDENS, “Waar BHV echt over gaat“, de Standaard van 24 mei 2008, http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=9C1SBJAV, ook op http://haviko.org/cgi-bin/actualiteit.cgi?artikel=1211593597
(12) “B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo“, Brussels Journal 26 mei 2008, http://www.brusselsjournal.com/node/3289.
(13) “B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo “, In Flanders Fields 26 mei 2008, http://inflandersfields.eu/2008/05/b-h-v-en-de-geo-strategie-van-elio-di.html
(14) Philippe van den ABEELE, “ Franstalige 'geostrategie”, op Nieuw Pierke , http://www.nieuwpierke.be/forum_voor_democratie/nl/node/234
(15) Het zgn. Smeltkaasarrest, Cass. 27 mei 1971, Fromagerie Franco-Suisse Le Ski (smeltkaasarrest) Arr Cass 1971, p. 959, concl. Procureur-Generaal W. Ganshof Van Der Meersch.
(16) Volgens Prof. Paul Vermeulen (hoogleraar staatsrecht VUB en later Eerste Voorzitter van de Raad van State) was het arrest ingegeven door de wens van het Franstalige establishment om de Belgische taalwetten te kunnen toetsen aan volkenrechtelijke regels en op die manier mogelijks terzijde te schuiven (zie o.m. zijn tussenkomst in Actualité du contrôle juridictionnel des lois, journées juridiques Jean Dabin, Faculté de droit UCL, Larcier Brussel 1973, p. (554 v.) 555 en 557 v. Zou het werkelijk toeval zijn dat het arrest van 1971 er kwam kort nadat de grondwetswijziging van 1970 de taalgrens had ingeschreven in de Grondwet, zodat alvast de taalwetten niet meer op basis van een grondwettigheidstoetsing konden worden terzijde geschoven ?
(17) EHRM 23 juli 1968 , waarmee men enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille” bekwam. Zie http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?action=html&documentId=699959&portal=hbkm&source=externalbydocnumber&table=F69A27FD8FB86142BF01C1166DEA398649
(18) EHRM 2 maart 1987, Mathieu-Mohin en Clerfayt/ België, http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?action=html&documentId=699970&portal=hbkm&source=externalbydocnumber&table=F69A27FD8FB86142BF01C1166DEA398649
(19) Het congres aan de UCL ”Actualité du contrôle juridictionnel des lois” vond plaats in 1973, kort na de Grondwetsherziening van 1970, de wet op de bevoegdheidsconflicten bij de Raad van State van 1971 (nooit effectief uitgevoerd), en het smeltkaasarrest van 27 mei 1971. De interventie van Vermueln op dat conres doorprikte de franstalige agenda: De franstaligen: waren sterker in de magistratuur dan in de politiek wen wilden dus het parlement onder voogdij stellen van een instelling waarin zij dominanter waren. Professoren en De Visscher en Lienard wilden gewoon af van de Vlaamse meerderheid in het (Belgische) Parlement.
(20) Concl. Ganshof van der Meersch voor het arrest van het Hof van Cassatie van 3 mei 1974 (Cass. 3 mei 1974, R.W. 1974-75, 77).
(21) Bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Leo Peeters en de andere burgemeesters van Halle-Vilvoorde, http://www.ordevandevlaamseleeuw.org/peeters-leeuw.html
(22) Aldus verklaarde de Waalse socialiste Anne-Marie Lizin in 1991, toen ze Staatsecretaris voor Europese Zaken was, dat dankzij Europa de Vlamingen opnieuw de rechtsposities zouden verliezen die ze in en op België hadden weten te veroveren.
(23) Cass. 9 november 2004, http://www.droit.fundp.ac.be/cours/pen/cassvzw.pdf of http://www.diversiteit.be/index.php?action=rechtspraak_detail&id=45&select_page=38.
(24) Advies nr. 3 van de commissie-Badinter, 11 januari 1992 Opinion No 3 of the Arbitration Commission of the Peace Conference on Yugoslavia, 11 January 1992, 31 ILM 1499, onder meer op http://www.ejil.org/journal/Vol3/No1/art13.html. Zie over het beginsel verder onder meer Dieter BLUMENWITZ, “Uti possedetis iuris, uti possedetis de facto: die Grenze im modernen Völkerrecht” In: Raum und Recht : Festschrift 600 Jahre Würzburger Juristenfakultät, red. Horst Dreier, Hans Forkel, Klaus Laubenthal, Duncker & Humblot 2002 ; Suzanne LALONDE, Determining boundaries in a conflicted world : the role of uti possidetis, McGill-Queen's University Press 2002.
(25) D.i. Thomas M. Franck, Rosalyn Higgins, Alain Pellet, Malcolm N. Shaw, Christian Tomuschat, «L’intégrité territoriale du Québec dans l’hypothèse de l’accession à la souveraineté», Commission d’étude des questions afférentes à l’accession du Québec à la souveraineté, Exposés et études, Volume 1, Les attributs d’un Québec souverain, Québec, 1992. Zie ook Michel Roche, “L’éclatement des fédérations soviétique, yougoslave et tchécoslovaque dans le débat sur la question nationale au Québec: de l’échec de Meech au référendum de 1995”, Bulletin d’histoire politique, vol. 4, no 2, printemps 2007, pp. 151; ook op http://classiques.uqac.ca/contemporains/roche_michel/eclatement_des_federations/eclatement_des_federations_texte.html.
(26) Démembrements d’Etats et délimitations territoriales: l’Uti possidetis en question(s), onder redactie van O. Corten, B. Delcourt, P. Klein en N. Levrat, Editions de l’Université de Bruxelles / Bruylant, Brussel 1999. Sommige bijdragen verschenen ook in de Revue belge de droit international, o.a. N. ANGELET, “Quelques observations sur le principe de l’uti possidetis à l’aune du cas hypothétique de la Belgique”, in Revue belge de droit international, 1998, p. 51-69.
(27) Te vinden op http://www.briobrussel.be/assets/andere publicaties/fr_46_brus10fr.pdf in het Nederlands op http://www.briobrussel.be/assets/andere%20publicaties/nl_46_brus10nl.pdf en in het Engels op http://www.briobrussel.be/assets/andere publicaties/en_46_brus10en.pdf.
(28) http://popups.ulg.ac.be/federalisme/sommaire.php?id=518. Het bevat met name de teksten van volgende lezingen: Michel Pâque, “ Introduction: le contexte institutionnel des difficultés actuelles”; Gonzales d’Alcantara, “Demande flamande de scission de BHV : une justification économique ?”, Christian Behrendt, “BHV et le principe de l’uti possidetis”, Boudewijn Bouckaert, “«Leo Belgicus» op zoek naar zichzelf. Territorialiteit, regionalisme en confederale bestuurscultuur in de Lage Landen”, Carl Devos, “BHV : Voeren van de 21ste eeuw” en Jean-Claude Scholsem, ”La problématique de Bruxelles-Hal-Vilvorde et la jurisprudence de la Cour constitutionnelle”.
(29) “BHV est un diamant pur ; qui demande sa scission doit mettre le prix”, op http://www.lesoir.be/forum/a_bout_portant/article_595322.shtml.
(20) Over het schip als metafoor voor de staat, zie ook H. QUARITSCH "Das Schiff als Gleichnis" in Recht über See, Festschrift Rolf Stödter zum 70. Geburtstag am 22. April 1979 (red. H.P. IPSEN & K-H Necker), Decker Schenck 1979, 251 v.
(21) En wie denkt dat dit een knipoog is naar de column “bruggen bouwen” van D. Sinardet in de Standaard, heeft nog gelijk ook.
Abonneren op:
Posts (Atom)