donderdag, april 02, 2009

"Patiëntenmobiliteit" zal ook splitsing gezondheidszorg vergemakkelijken

Op 31 maart heeft de commissie Gezondheid van het Europees parlement het voorstel van "Richtlijn betreffende de toepassing van rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg" (1) goedgekeurd met een aantal amendementen (2). Het gaat er in wezen om te bepalen dat personen die in het buitenland medische zorg wensen te kopen daarvoor dezelfde terugbetaling ontvangen van de ziekteverzekering als wanneer ze dat in eigen land hadden gedaan. Organisaties zoals onze ziekenfondsen, van wie men zou verwachten dat ze de belangen van de patiënten verdedigen, zijn daar nooit happig op geweest. Het Europees Hof van Justitie heeft dit dossier moeten openbreken met een reeks arresten waarmee de eerste bressen werden geslagen in de nationaal afgeschermde "markten" van de ziekteverzekering, te beginnen met de arresten Kohll en Decker uit 1998.

Reeds in mei 1998 hebben Steven Vansteenkiste en ikzelf er in de Standaard op gewezen dat deze Europese evolutie ook de overheveling van de ziekteverzekering naar de Gemeenschappen in België zal vergemakkelijken. Ik neem hieronder de tekst over van dat stuk dat we meer dan 10 jaar gelden schreven. Toen waren we misschien wat voorbarig, want er was nog een lange weg te gaan; intussen zijn we er bijna. Het stuk is dus nu zelfs actueler dan toen. Zeker nu de discussie over de "gemeenschapskeuze" in Brussel terug gevoerd wordt (5), een regeling die noodzakelijk is om de gezondheidszorg ook in Brussel over te hevelen naar de Gemeenschappen (waar ze als persoonsgebonden materie thuishoort) en niet naar het Gewest.


Luxemburgs brilletje splitst Belgische ziekteverzekering

(de Standaard maandag 25 mei 1998)(3)

HET Europees Hof van Justitie heeft op 28 april twee langverwachte en belangwekkende arresten geveld (Decker en Kohl, C-120/95 en C-158/96) (4).
Krachtens deze arresten kan de gezondheidszorgverzekering van een bepaalde lidstaat (bij ons het ziekenfonds) niet weigeren om in een andere lidstaat gekochte of genoten medische goederen en diensten terug te betalen, en wel tegen de nationale tarieven.
In een hele reeks lidstaten, waaronder ons land, kan dit kan een ware omwenteling in de organisatie van de gezondheidszorg en de verzekering ervan teweegbrengen. Ook brengen deze arresten een nieuw licht in de interne Belgische discussie rond de communautarisering van de gezondheidszorgverzekering.
De Luxemburgse Decker schafte in 1992 een brilletje aan in België, op voorschrift van een Luxemburgse oogarts. De eveneens Luxemburgse Kohl zond zijn dochter naar een Duitse tandarts. Het Luxemburgse ziekenfonds weigerde in beide gevallen daarvoor de kosten te vergoeden, wat wel het geval geweest zou zijn indien het brilletje in Luxemburg was gekocht geweest of indien de tandarts in Luxemburg gevestigd ware geweest.
Op grond van de verdragsbepalingen met betrekking tot het vrij verkeer van goederen en diensten, besliste het Hof dat, voor terugbetaling van een product of dienst door de gezondheidszorgverzekering van een lidstaat, niet kan worden vereist dat ze in dat land werden aangeschaft. Is in terugbetaling voorzien, dan moet zij ook gelden voor een in het buitenland genoten prestatie, en wel aan hetzelfde tarief.
Gevolg van dit arrest is dat prestaties aan Belgische verzekerden nu door hun ziekenfonds moeten worden terugbetaald, ongeacht in welk land van de Europese Unie zij deze hebben genoten of aangeschaft. Omgekeerd moeten buitenlandse verzekerden in hun land vergoed worden volgens de daar geldende terugbetalingstarieven voor de in België genoten diensten.
Dit is een revolutie in de financiering van de gezondheidszorg. Patiënten zullen meer en meer zorg halen waar deze het goedkoopst is. Het Europees recht laat niet toe aan buitenlandse patiënten meer aan te rekenen dan aan Belgische.
Het is dan ook niet langer houdbaar dat de zorgverstrekkers en vooral de zorginstellingen niet de werkelijke kostprijs aanrekenen, met inbegrip van alle investerings- en apparatuurkosten. De financieringsstroom van de ziekenfondsen naar de instellingen zal dus kostendekkend moeten zijn.
De interpretatie van de Europese verdragen in de arresten-Decker en Kohl zal in heel Europa op termijn haast onvermijdelijk leiden naar een loskoppeling van tarifering van de gezondsheidszorgen en terugbetalingstarieven. We evolueren naar naast elkaar bestaande - nationale of deelstatelijke - stelsels van gezondheidszorgverzekering, die bepaalde prestaties tegen vaste tarieven terugbetalen, ongeacht de werkelijke prijs die de verzekerde betaalt en ongeacht waar hij zorg geniet.
De prijszetting in de instellingen zal hieraan moeten worden aangepast. Het belang van tariefafspraken tussen de ziekenfondsen en de zorgverstrekkers zal sterk afnemen. Meer nog, de kans is vrij groot dat die conventies vroeg of laat strijdig worden geacht met het Europese kartelrecht.

DEZE arresten werpen ook een nieuw licht op de door Vlaanderen gewenste defederalisering, met name communautarisering, van de gezondheidszorgverzekering.
Het Europees recht maakt nu een splitsing van de gezondheidszorgverzekering een stuk gemakkelijker. Wanneer de publieke verzekeraars van de lidstaten vaste terugbetalingstarieven moeten hanteren, ongeacht waar in Europa de prestaties zijn verstrekt, dan kunnen in België gemakkelijk meerdere stelsels van gezondheidszorgverzekering naast elkaar bestaan. Zij kunnen elk hun eigen verstrekkingenpakket hebben en hun eigen terugbetalingstarieven.
Binnen Europa speelt het immers geen rol meer waar een Vlaamse verzekerde zijn zorg geniet - in Vlaanderen, bij een Franstalige instelling in Brussel, in Wallonië, Griekenland of Finland. De Vlaamse, Frans-Brusselse, Waalse of Duitstalige instellingen zullen net zoals de Griekse of Finse aan hun patiënten de werkelijke kostprijs aanrekenen. Of die patiënt Vlaming, Waal, Fin of Griek is, kan geen rol meer spelen.
De arresten maken daarmee brandhout van vele argumenten tegen de communautarisering van de gezondheidszorgverzekering en van de idee dat er geen oplossing zou zijn voor Brussel. Zo werd door sommigen gevreesd (en door anderen gehoopt) dat de splitsing ertoe zou leiden dat de Vlaamse verzekerde enkel zijn zorg in Vlaanderen zou kunnen genieten, en vice versa voor de Franstaligen. Verschraling van het zorgaanbod is inderdaad geen goede zaak.
Nu echter blijkt dat een verzekerde in geheel Europa zijn zorg moet kunnen genieten, is splitsing van de gezondheidszorgverzekering hiervoor geen risico meer. Zo valt het argument weg dat het voor zorginstellingen en -verleners moeilijk of onmogelijk zou zijn om met twee soorten verzekerden om te gaan: zij zullen moeten leren leven met verzekerden uit 15 lidstaten.

OOK treuren dat het instrument van de conventionering door de splitsing aan belang zou kunnen verliezen, heeft geen zin meer tegen de Europese achtergrond. Dit neemt niet weg dat bijvoorbeeld de Vlaamse gezondheidszorgverzekering conventies zou sluiten met zorgverstrekkers in Wallonië zoals in andere lidstaten.
Kortom, de arresten-Kohl en Decker zullen een grote impact hebben op het aanbod en de verzekering van de gezondheidszorg in alle lidstaten van de Europese Unie. Uiteindelijk zal dit leiden tot een duidelijke scheiding tussen beide.
Tegen die achtergrond wint de overdracht van de bevoegdheid voor de gezondheidszorgverzekering naar de gemeenschappen sterk aan evidentie en wordt ze een stuk eenvoudiger.

(1) Oorspronkelijk voorstel: http://ec.europa.eu/health/ph_overview/co_operation/healthcare/docs/COM_nl.pdf. Voor de achtergrond van het ontwerp, zie http://ec.europa.eu/health/ph_overview/co_operation/healthcare/cross-border_healthcare_en.htm
(2) Zie http://euobserver.com/9/27886/?rk=1
(3) http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=dsm9805250001
(4) Arrest-Decker van 28 april 1998, zie http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:61995J0120:NL:HTML; arrest-Kohl van 28 april 1998, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:61996J0158:NL:HTML
(5) Zie mijn blogpost "Gemeenschapskeuze", http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2009/03/gemeenschapskeuze.html

maandag, maart 30, 2009

"gemeenschapskeuze"

In recente discussies over de effecten van Vlaamse maatregelen zoals jobkorting en tijdskrediet op mensen die in het Vlaams Gewest wonen en in Brussel werken of omgekeerd brachten de termen subnationaliteit en gemeenschapskeuze terug in de media. Dit is vanzelfsprekend niet nieuw, en ik vind het een mooie gelegenheid om eraan te herinneren hoe en wanneer ik het woord "gemeenschapskeuze" als neologisme heb gemaakt. De term bedacht ik naar analogie met "taalkeuze", in een nota van 6 januari 1994 voor de werkgroep Brussel-Vlaanderen van het "Vierde Congres der Brusselse Vlamingen" 1994 (afgesloten 30 april 1994, onder de titel "Stad van een eeuw die komt"). Ik voeg hieronder de volledige tekst van de twee nota's die ik toen geschreven heb over dit probleem. De vragen zijn eigenlijk nog steeds dezelfde.

Heb ik het woord voor het eerst gebruikt ? Dat weet ik niet, maar ik had het in ieder geval zelf nog niet eerder elders gelezen. In 1994 en de daaropvolgende jaren heb ik als OVV-voorzitter het woord ook verder verspreid. Maar de idee is natuurlijk ouder.

Zonder dat het woord gebruikt werd kwam de gedachte terug in de bekende 5 Resoluties van het Vlaams Parlement van 1999: "Daarbij moeten de inwoners van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de vrije keuze bekomen om toe te treden tot het stelsel van de deelstaat Vlaanderen of van de Franstalige deelstaat, dat telkens zowel een regeling voor de inkomsten als voor de uitgaven bevat" (betreffende het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspakketten in de volgende staatshervorming, punt 2, over gezondheids- en gezinsbeleid).

Het woord zelf komt zeer expliciet voor in een nota van maart 2003 van de Boetfortgroep (die op 23 augustus 002 naar buiten kwam als Vlaamse studie) en drukkingsgroep binnen de CD&V) binnen de CVP in de zomer van 2002; we vinden het terug in een verslag in de Standaard van 7 maart 2003. Brigitte Grouwels (ook lid van de groep) heeft de term sindsdien herhaaldelijk gebruikt, en Steven Vanacker, toen nog niet federaal gerecupereerd, gebruikte hem ook in zijn voorstellen in juli 2005.

En nu dus pour la petite histoire mijn nota's van januari 1994.

1. Tekst van de nota van 6 januari 1994

1. Het vraagstuk van de subnationaliteit rijst slechts wanneer men autonomie wil geven aan bevolkingsgroepen die op éénzelfde territorium door elkaar leven. Zolang autonomie uitsluitend op territoriale basis wordt toegekend, en niet op grond van het toebehoren tot een bevolkingsgroep, komt het vraagstuk niet ter sprake. Vanuit Vlaams perspektief rijst dit probleem alleen te Brussel, gezien wij naar ik aanneem niet bereid zijn om in de rest van Vlaanderen autonomie toe te kennen aan andere bevolkingsgroepen (b.v. Franstaligen in de rand).

Voor zover alleen om Brusselse instellingen gaat, valt er zonder subnationaliteit te leven, al zou zij toch ook duidelijke voordelen kunnen hebben. Hebben we het over Brusselse instellingen, dan denken we vooreerst aan de verhouding tussen het Gewest en de Gemeeschapscommissies en tussen die Commissies onderling.

Het is van de mensen die vertrouwd zijn met de werking en problemen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie dat we moeten vernemen of zij gehinderd wordt door het feit dat er formeel geen onderscheid kan worden gemaakt tussen Vlamingen en Franstaligen te Brussel bij b.v. hun financiering, de toegang tot hun dienstverlening, e.d.m.


2. In de Belgische kontekst heeft het vraagstuk evenwel een ruimere draagwijdte, dit omwille van het naast elkaar bestaan van territoriale autonomie (de Gewesten) en persoonsgebonden autonomie (de Gemeenschappen), waarbij een Gemeenschap te maken krijgt met het grondgebied van méér dan één gewest. Dit is met name het geval met Vlaanderen en de Brusselse Vlamingen - probleem waarmee wij ons precies bezighouden - en, zij het wellicht afnemende mate, met Wallonië en de Franstalige Brusselaars.

Het probleem komt vooral ter sprake door de voortdurende geldhonger van de Franse Gemeenschap. Dit werd zopas nog raak geschetst door D. Achten in de Standaard van 5 januari 1994 : "Telkens als (...) de Franse Gemeenschap op nieuwe problemen stuit, wordt er niet overgegaan tot besparingen, maar begeeft men zich naar de federale overheid voor een refinancement". Vervolgens ontvangt Vlaanderen ongevraagd kompensaties en kan de Vlaamse regering zich met nog minder kopzorgen wijden aan het uitgeven van geld".

Anders gezegd : het ontbreken van een effektieve fiskale bevoegdheid van de Gemeenschappen leidt tot voortdurende verhoging van de federale belastingdruk. België blijft aldus de weg opgaan van een steeds grotere afroming van het land door de overheid, ongeacht of de Vlaamse meerderheid in dit land wat wel wil of niet. Dergelijk beleid kan maar omgebogen worden door de Franse Gemeenschap te dwingen zelf financiële verantwoordelijkheid te dragen. Nu kan men evenwel van de Walen niet eisen dat zij bijdragen tot de Franse Gemeenschap in een mate waarin de Franstalige Brusselaars dat niet moeten doen. Dit veronderstelt dus dat de Franse Gemeenschap bevoegd moet zijn om te Brussel belastingen te heffen. Anderzijds is het voor Vlaanderen onaanvaardbaar dat de Vlaamse Brusselaars moeten betalen voor de Franse Gemeenschap. U kent de oplossing : Alle Brusselaars worden gelijk belast, maar de opbrengst wordt verdeeld over de Gemeenschappen volgens een verdeelsleutel (in casu 80/20). Dit betekent evenwel dat men dezelfde verderfelijke politiek weliswaar niet meer voor heel België, maar dan toch nog voor Brussel toepast. M.a.w. de Vlaamse Brusselaars, en Vlaanderen meer in het algemeen, hebben er geen enkel voordeel bij om zuiniger te zijn. Zuinigheid wordt niet beloond, uitgeven niet bestraft. De enige mogelijkheid om hieraan een einde te maken, is eenieder te verplichten te kiezen voor de ene of de andere Gemeenschap, m.a.w. de subnationaliteit.

Wat zijn de risiko's van dergelijk systeem ?

Het meest bekende risiko is het risiko dat maar weinig Brusselaars zouden kiezen voor de Vlaamse Gemeenschap, en dat de Franstaligen daarin een argument zouden vinden om te klagen over oververtegenwoordiging van de Vlaamse Brusselaars e.d.m.

Zoals ik eerder schreef, meen ik dat wij hiervoor geen schrik mogen hebben, mits wij kunnen garanderen dat de keuze van de Brusselaar voor de Vlaams/Nederlandse subnationaliteit hem/haar een volwaardige dienstverlening verzekert. Een fiskaal voordeel verbinden aan die keuze door ervoor te zorgen dat de Vlaamse Gemeenschapsbelastingen lager liggen dan die van de Franstaligen kan natuurlijk ook steeds helpen om twijfelaars over te halen .... Dit alles veronderstelt natuurlijk toch wel een soort verborgen subsidiëring van de Vlaamse Brusselaars door het Vlaams Gewest, al moet die wellicht niet hoog oplopen, gezien de bestedingsijver van de Franse Gemeenschap.

Daarmee verwant is de vraag of er niet een hele groep Brusselaars is, die zich nog Vlaming noch franstalige voelen, en die niet te snel mogen afgestoten of opgeschrikt worden. Dit kan eventueel opgelost worden door de mogelijkheid open te laten dat inwoners "bicommunautair" kiezen (mits de financiële gevolgen daarvan 50/50 bedragen !). Dergelijke mogelijkheid kan misschien ook problemen veroorzaken, waar ik op dit ogenblik geen zicht op heb, en die afhankelijk zijn van de vraag waarvoor men de keuze allemaal enst te gebruiken (m.b. voor andere dan fiskale beslissingen).

Een tweede risiko zou daarin kunnen liggen dat de Franstaligen overal in Vlaanderen, en meer bepaald in de rand, ook het recht zouden eisen te kiezen voor de Franse subnationaliteit.

Vooreerst moet het m.i. mogelijk zijn de keuzemogelijkheid te beperken tot Brussel 19 door het voor te stellen als de oplossing van een typisch Brussels probleem.

Doch men kan ook de vraag stellen of het verschaffen van een keuze aan alle Belgen of inwoners van België, waar ze ook wonen, voor de Vlamingen nadelig zou zijn. Vooreerst zouden zeker ook per¬sonen gedomicilieerd in Wallonië voor de Vlaamse Gemeenschap kiezen - al moeten we ons over het aantal daarvan geen illusies maken. Verder moet die mogelijkheid natuurlijk impliceren dat b.v. het franstalig onderwijs in de faciliteitengemeenten in Vlaanderen door de franstaligen zal moeten betaald worden, en omgekeerd het Vlaamse schooltje in Komen door de Vlaamse Gemeenschap (wat in feite toch al gebeurt). Hetzelfde moet natuurlijk gebeuren voor alle andere franstalige instellingen in Vlaanderen. Ik ben niet zeker of de Franstalige Gemeenschap in die voorwaarden wel vragende partij zal zijn voor de territoriale uitbreiding van de keuzemogelijkheid.

Een derde risiko betreft de vraag of andere minderheidsgroepen (migranten) niet evenzeer de keuzemogelijkheid zouden eisen. Doch dit is een meer algemeen probleem, dat in concreto niet rijst zolang er geen kulturele autonomie wordt toegekend aan dergelijke minderheidsgroepen.

"Subnationaliteit" is overigens m.i. in de konkrete omstandigheden waar het om gaat wellicht geen geschikte term. Het is beter hem niet te gebruiken, ook al om voor buitenstaanders te nationalistische bijklanken te vermijden. Hij is bovendien onjuist in de mate waarin ook niet-Belgen, gedomicilieerd in België of minstens belastingplichtig in België, voor de keuze gesteld worden. Het is echter moeilijk een goed Nederlands woord te vinden voor dergelijke keuze van "Zugehörigkeit" of "appartenance" aan een Gemeenschap. Naar analogie van taalkeuze (b.v. in gerechtelijke procedures) kan men misschien van gemeenschapskeuze spreken.

2. Tekst van de aanvullende nota (na bespreking van de vorige) van 12 januari 1994

Uit de diskussie vorige maandag en de nota van de Heer Peeters is m.i. gebleken dat de besproken vraag rijst m.b.t. een vijftal kategorieën van rechtsgevolgen.

Een pragmatische aanpak vraagt dat wij nagaan of het wenselijk is :
1° voor elk van de kategorieën over te gaan tot een aanpassing of minstens verduidelijking van de kriteria in de zin van een gemeenschpaskeuze of -nationaliteit
2° de verschillende kategorieën rechtsgevolgen aan elkaar te koppelen.

Bij de beantwoording hiervan ga ik ervan uit dat het probleem beperkt blijft tot het Brussels Gewest, zodat ik b.v. ook de vraag niet moet stellen of franstalige Brusselaars een keuze moeten maken voor de francofonie, voor Wallonië, of voor een franstalig Brusselschap (trouwens, uiteindelijk moeten zij daar zelf over oordelen).

a) fiskaliteit van de Gemeenschappen : hier wordt de situatie spoedig onhoudbaar. Op dit ogenblik bestaat er geen kriterium. Anderzijds is het natuurlijk ondenkbaar dat de keuze die iemand maakt tussen de ene of de andere Gemeenschap voor fiskale redenen voor het overige geen konsekwenties zou hebben voor zijn rechtspositie. Op grond van het beginsel "no taxation without representation"
moet deze keuze samenvallen met een opdeling in kieskolleges.

b) elektoraal. Op dit ogenblik bestaan gescheiden lijsten te Brussel voor de gewestverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement. Er bestaan evenwel geen gescheiden kiezers¬lijs¬ten. De keuze van de burger blijft ook op dit punt geheim. Dit is evenwel reeds anders te Komen en Voeren, waar kiezers die voor de andere gemeenschap willen kiezen, hun stem in een ander kiesbureau (in een andere gemeente) moeten uitbrengen. De keuze voor nederlands- dan wel franstalige lijsten is daar dan ook geen geheime keuze meer. M.i. is het dan ook mogelijk om de burger te verplichten te kiezen voor inschrijving in de nederlandstalige dan wel franstalige kiezers¬lijsten, inschrijving waaraan tevens de onderwerping aan de desbetreffende gemeenschaps¬belas¬tingen dient te worden gekoppeld. Logisch gevolg hiervan is natuurlijk dat het aantal zetels van de taalgroepen in de Brusselse Gewestraad (tevens de twee Gemeenschapskommisses) op voorhand wordt vastgelegd aan de hand van het aantal inschrijvingen op de twee kiezerslijsten. Anderzijds is een splitsing van de kiezerslijsten m.i. ook de enige mogelijkheid om te komen tot een asymmetrische (in plaats van territoriale) splitsing van het kiesarrondissement - voor zover dit onze voorkeur zou wegdragen.

c) onderwijs. Het onderwijs wordt gefinancierd (althans na de overgangsperiode) op basis van het aantal leerlingen (de lat van Coens), en dus niet met eigen inkomsten van de Gemeenschappen. Tegen dergelijke financieringswijze zijn er m.i. op dit ogenblik geen bezwaren. Ik acht het weinig zinvol te Brussel, waar de financiering van het onderwijs dus ook gebeurt op grond van het aantal leerlingen, een andere regeling in te voeren, door b.v. de kosteloosheid van het onderwijs te koppelen aan de elektorale en fiskale keuze voor de Vlaamse Gemeenschap. Bij dergelijke koppeling hebben ij op dit ogenblik niets te winnen.

d) openbaar ambt. De verdeling van funkties in het openbaar ambt gebeurt op basis van de taalrol. Daarbij is de taal van het diploma van doorslaggevende betekenis. Voor het openbaar ambt op federaal niveau, Brussels gewestelijk niveau, Brussels gemeentelijk niveau en bikommunautair niveau zie ik geen reden om dit te wijzigen (wat de Brusselse gemeenten betreft onde voorbehoud van hun afschaffing, cfr. brief Dr. Rampelberg) (hoogstens de bestaande reglementering verstrengen en de achterpoortjes dichten). Anders zouden we precies de mogelijkheid scheppen voor nederlandsonkundigen om op de nederlandse taalrol benoemd te worden mits zij maar elektoraal en fiskaal voor de Vlaamse gemeenschap kiezen. Wel zou voor funkties in Vlaamse administraties eventueel bijkomend kunnen geëist worden dat dergelijke keuze is gemaakt.

e) verhoudingen met de administratie, ev. ook gerecht. Het doorvoeren van een gemeenschapskeuze te Brussel voor alle verhoudingen van de burger met genoemde tweetalige overheden lijkt mij wel zin¬vol. Een verregaande optie daarvoor wordt beschreven in de brief van Dr. Rampelberg, met daarbij in zekere zin de afschaffing van de Brusselse gemeenten en overheveling van hun bevoegdheden naar Brussels Hoofdstedelijk niveau (gewest c.q. gemeenschapskommissies c.q. gemeenschappelijke gemeenschapskommissie). Een overheveling van persoonsgebonden bevoegdheden van de Brusselse gemeenten naar de gemeenschapskommissies veronderstelt inderdaad dat de elektoraal-fiskale keuze ook een keuze inhoudt t.a.v. de onderworpenheid aan de ene of de andere Gemeenschapscommissie.

f) persoonsgebonden materies, inb. eventueel de sociale zekerheid. Een communautarisering van het gezondheidswezen (ziekteverzekering), van de kinderbijslagen en eventueel andere takken van de sociale zekerheid is onmogelijk zonder gemeenschapskeuze (nationaliteit) te Brussel. Zoniet wordt de "federalisering" automatisch een federalisering op basis van de gewesten. Het lijkt me vrij evident dat de keuze hierbij moet samenvallen met de fiskaal-elektorale keuze voor een gemeenschap.

zaterdag, maart 21, 2009

EU-wet bedreigt rol van de Kerk

Overgenomen uit Katholiek Nieuwsblad 20 maart 2009

De EU werkt aan een wet die burgers het recht geeft religieuze uitingen te bannen uit het openbare leven (1).

Mogen er straks geen kruisbeelden meer hangen in ruimten waar niet-katholieken komen? Heet de kerstboom voortaan winterboom en mogen mensen geen eed meer afleggen op de bijbel?

De EU werkt aan een Richtlijn over het verbod op discriminatie op basis van religie, die nog dit jaar goedgekeurd moet worden (2). Het doel ervan is te voorkomen dat burgers binnen de EU zich gediscrimineerd voelen door religieuze symbolen of handelingen. Chantal Hughes, woordvoerster van de Europese Commissie, verzekerde vorige week dat deze antidiscriminatiewet geen bedreiging vormt voor kruisbeelden. De wet zou slechts agressie jegens bepaalde bevolkingsgroepen willen verhinderen.

Heftig

De anglicaanse aartsbisschop van Canterbury, Rowan Williams, vertrouwt het allemaal niet. In de Daily Mail (3) keert hij zich tegen “goed bedoelende secularisten” die in hun politiekcorrecte streven de samenleving willen zuiveren van christelijke symbolen. Zijn argwaan is ingegeven door tal van voorbeelden in eigen land, waar een ware strijd gaande is tegen christelijke uitingen. Zo mag in Zuid-Londen kerstverlichting niet langer zo genoemd worden: het is voortaan ‘winterverlichting’. De gemeenteraad van Birmingham herdoopte Kerstmis in Winterval en belastingambtenaren mogen niet meer deelnemen aan Operation Christmas Child, dat arme kinderen een cadeautje bezorgt.
In Engeland gaat het er soms heftig aan toe, maar een wet die deze zaken wilde regelen is door het Hogerhuis tegengehouden. Williams ziet nu een soortgelijke wet uit Brussel komen, waar zijn Hogerhuis niets tegenin kan brengen.

Gebrainwasht

Ook Matthias Storme, die onder andere Europees recht doceert in Leuven en Antwerpen, maakt zich zorgen. Hij gebruikt er een zelf gemaakt woord voor: ‘victimomanie’, de gekte van mensen die zich slachtoffer voelen. “Deze wet betekent een onderwerping aan de subjectieve gevoelens van eenieder”. Iedereen die zich gekwetst voelt, kan een klacht indienen. Volgens hem is de ellende begonnen met het Verdrag van Amsterdam in 1997. “Daar is aan de EU de macht gegeven antidiscriminatiewetgeving op te leggen aan alle lidstaten zonder dat nationale parlementen daar iets tegen kunnen inbrengen. Naast discriminatie op basis van ras en geslacht, wordt nu ook discriminatie op basis van religie geregeld.” Twee groeperingen die het in veel zaken met elkaar oneens zijn, zien daar volgens hem wel brood in: de secularisten van liberale en socialistische huize en de mensen die de islam willen paaien. “Zij keren zich beide tegen de aanwezigheid van uitingen van het christendom in het openbaar leven.”
‘De christen-democraten zien het gevaar niet of doen eraan mee’

Alleen het Europees parlement kan de wet wijzigen of tegenhouden, maar dat verwacht Storme niet, want de leden worden voortdurend overstelpt door de lobby van het antidiscriminatiekamp. “Mij valt vooral op dat er zo weinig tegenstand is.” Ook niet van de christen-democraten? “Die zien het gevaar niet of doen eraan mee. De neiging politiekcorrect te zijn, is groot. En vergeet niet dat deze mensen decennialang gebrainwasht zijn door een verkeerde vorm van gelijkheidsdenken van de links-liberale kerk, die vooral sterk is binnen NGO’s.” In deze niet-gouvernementele organisaties vind je volgens Storme een speciaal slag mensen. “Normale mensen hebben geen tijd en geld om zich met dit soort radicale zaken bezig te houden.”
Zelfcensuur
Storme heeft niet veel vertrouwen in de geruststellende woorden van de afdeling voorlichting in Brussel. “Een wet kan op het eerste gezicht onschuldig ogen, maar de regels kunnen vatbaar zijn voor misbruik, ze bieden negatieve mogelijkheden die niet waren voorzien. Dat geldt ook voor ons artikel 1 van de Grondwet tegen discriminatie. Wat daar nu mee gebeurt was nooit beoogd bij het herschrijven van de Grondwet.” Die onduidelijkheid betekent veel juridische procedures die veel geld en tijd kosten, maar die volgens Storme vooral een chilling effecthebben. “Dit leidt tot zelfcensuur, het weerhoudt mensen ervan hun vrijheid te gebruiken.”
De gevolgen die Storme ziet, zijn zeer negatief voor de publieke rol van het christendom. “Wetgeving op het gebied van niet-discriminatie zou de vrijheid van godsdienst moeten beschermen, ook de vrijheid geen godsdienst aan te hangen. Maar hier hebben we te maken met een heel ander recht: het recht niet beledigd te worden.” De opstellers gaan er volgens hem ten onrechte van uit dat burgers beschermd dienen te worden tegen de vermeende macht van de Kerk.

Volgens Storme zal de Kerk binnen de nieuwe regels een uitzonderingspositie als minderheid kunnen behouden. “Overdreven gesteld mogen er dan nog kruisbeelden op katholieke scholen hangen, maar dan enkel in scholen die alleen katholieke leerlingen toelaten. En dat was nooit de bedoeling: christelijke instellingen zijn er altijd geweest om dienstbaar te zijn aan de hele samenleving.”

NB. Dit is een samenvatting van een gesprek dat ik had met de auteur; niet letterlijk wat ik allemaal gezegd heb of zou geschreven hebben, maar wel door mij geautoriseerd. M.E.S.

(1) http://www.europarl.europa.eu/activities/committees/studies/download.do?language=nl&file=24359
(2) Zie L. Phillips, "Anti-discrimination bill approved by civil liberties committee", EU observer, http://euobserver.com/851/27786
(3) Zie "The EU equality law that will let 'upset' atheists sue companies that hang up crucifixes", http://www.dailymail.co.uk/news/article-1160275/The-EU-equality-law-let-upset-atheists-sue-companies-hang-crucifixes.html

donderdag, maart 19, 2009

Fortis-commissie moest meer doen dan rommelen in de marge

MATTHIAS STORME meent dat de essentie verloren dreigt te gaan in de aanbevelingen van de Fortis-commissie. Met een paar beleidsvoorstellen hoopt hij de vage conclusies van de commissie aan te vullen.

De parlementaire onderzoekscommissie “Fortis” eindigt met een vage reeks aanbevelingen om bepaalde problemen nader te onderzoeken die betrekking “zouden kunnen hebben” op de scheiding der machten. Daarbij dreigt de essentie verloren te gaan; ik doe een poging die in herinnering te brengen en daar duidelijke hervormingsvoorstellen aan te koppelen.

Daarbij wil ik me niet uitspreken over (individuele) verantwoordelijkheden in de Fortis-zaak, en zelfs niet over de vraag of de “scheiding der machten” geschonden werd. Het onderzoek heeft blootgelegd dat schendingen van fundamentele regels van onze rechtsstaat meer dan uitzonderlijk kunnen voorkomen en dat, ook al zouden ze er niet geweest zijn, ons rechtssysteem daartegen alvast onvoldoende garanties biedt. Ook heeft het blootgelegd dat heel wat verantwoordelijkheden onvoldoende duidelijk zijn afgebakend en de vervlechting tussen de uitvoerende macht (politiek), “openbaar ministerie” (OM) en rechterlijke macht te groot is.
Dat er “geen probleem” is indien onze politici (en magistraten) allen deugdzaam zijn, is niet relevant: zoals Spinoza al leerde is een deugdelijk politiek systeem niet een dat behoorlijk werkt wanneer de bestuurders deugdzaam zijn, maar een dat behoorlijk werkt zelfs als de bestuurders niet deugdzaam zijn.
Verder geldt ook dat “justice must not only be done, but must also be seen to be done”: de burger heeft recht op een gerecht dat niet alleen onafhankelijk en onpartijdig is, maar ook aantoonbaar onafhankelijk en onpartijdig is. Dat er geen perfect systeem bestaat, ontslaat ons niet van de plicht om zonodig radicale hervormingen door te voeren om de grondbeginselen van de rechtsstaat zoveel mogelijk te garanderen door concrete regels en procedures.

Ons gerecht lijdt aan vele kwalen; onze politiek aan nog meer. In dit bestek kan ik die niet allemaal bespreken, laat staan oplossingen aangeven. Ik zal het dus nauwelijks hebben over het schandaal van de gerechtelijke achterstand, of het buitensporig gebrek aan rechtsbescherming van de burger tegen de overheid door het totaal dysfunctioneren van de Raad van State. Ik bespreek slechts enkele belangrijke pijnpunten, vetrekkend van het meest wezenlijke: het recht van de burger op een onpartijdige en onafhankelijke wettelijke rechter.

1. Er zijn onvoldoende wettelijke garanties dat de bepaling welke rechters precies zetelen in een concrete zaak onpartijdig gebeurt. Daartoe moet de aanwijzing van die rechters gebeuren op grond van wettelijke regels die radicaal uitsluiten dat dit in functie van een concrete zaak gebeurt. De samenstelling van de kamer die een bepaalde zaak zal behandelen moet dus vastliggen vooraleer van die zaak sprake is, en mag niet meer kunnen worden beïnvloed, noch door een partij, noch door het OM, noch door het gerecht zelf. Dit heet in Duitsland de “Garantie des gesetzlichen Richters “ en daar wordt streng de hand aan gehouden. A fortiori moet manipulatie van de samenstelling na de start van de procedure uitgesloten worden.

2. De regels inzake procedure en rechtsbescherming moeten zodanig aangepast worden dat een partij geen voordeel meer kan halen uit een vertraging in de beslissing van een zaak. In de Fortis-zaak heeft men geprobeerd de rechterlijke beslissing te vertragen en nutteloos te maken door een heropening van de debatten te vragen. Maar het probleem is ruimer: zo is de rechtsbescherming van de burger tegen de overheid illusoir omdat de Raad van State, wanneer ze na zo’n jaar of 8 eindelijk eens beslist over een verzoek tot nietigverklaring, massaal dergelijke verzoeken “zonder voorwerp” verklaart omdat een nietigverklaring intussen achterhaald zou zijn. Op die plaats stelt de overheid de burgers voor een fait accompli en blijven illegale beslissingen massaal ongestraft (zoals in Doel).

3. De positie van het OM moet radicaal gewijzigd worden in een zin die dit tegelijk opwaardeert en inperkt: enerzijds moet de onafhankelijkheid tegenover de regering (uitvoerende macht) gegarandeerd worden, anderzijds de vervlechting met de rechterlijke macht radicaal beëindigd (behoudens het cassatieparket, dat een heel andere functie heeft, maar – opdat de burger dat ook zou begrijpen – beter van naam zou veranderen en en ook in andere opzichten duidelijk afstand zou moeten nemen van het OM, zoals dat bv. bij het Europees Hof of de Nederlandse Hoge Raad het geval is).

Dit houdt niet alleen de afschaffing in van art. 140 Gerechtelijk wetboek (“waken” over de regelmatigheid van de dienst van de rechtbanken) en 399 (“ordehandhaving in de rechtbanken”), maar ook de inperking van de bevoegdheden buiten strafzaken (138bis § 1).
Het houdt ook in dat het OM duidelijk onderscheiden wordt van de rechterlijke macht in zijn plaats in het proces, in zijn kledij, in zijn behuizing. In een proces kan het niet meer dat de openbare aanklager naast de rechter zit of dezelfde kledij draagt; die moet in alle opzichten behandeld worden zoals een advocaat van een partij; de procureur zowel als de stafhouder van de advocaten moeten burelen hebben buiten de rechtbank, enz.

Tegelijk moet de onafhankelijkheid tegenover de regering versterkt worden, en hier pleit ik ervoor om het OM los te maken van de uitvoerende macht en een eigen constitutioneel statuut te geven waarbij het niet meer aan de regering verantwoording aflegt maar, zoals de regering, rechtstreeks aan het parlement. Dat model bestaat in verschillende Europese landen. De wezenlijke taak van het OM bestaat er immers in – op een bepaald gebied – de wetten te doen toepassen die door het parlement worden gemaakt. Het komt niet aan de regering toe te bepalen welke wetten men wil uitvoeren en welke niet, welke misdrijven men wil vervolgen en welke niet: dat hoort te worden beslist in dialoog tussen OM (college van procureurs-generaal) en parlement. De noodzakelijke hervorming houdt dus veel meer in dan enkel de afschaffing van art. 1088 (volgens hetwelk de Minister van Justitie de procureur-generaal de opdracht kan geven cassatie aan te tekenen).

Kortom, er is veel meer nodig dan wat morrelen in de marge.

De auteur doceert o.m. procesrecht en rechtsvergelijking aan de KU Leuven.

woensdag, maart 18, 2009

Fortisgate

De Fortis-commissie baart een muis, zo blijkt. Jammer, want er valt uit Fortisgate heel wat te leren. Carl Devos (1) stelt enkele van de vragen, maar geeft geen antwoorden. Een goed overzicht van de vragen en mogelijke antwoorden is te vinden op de webstek van John de Wit: "Welke aanbevelingen zou de Fortiscommissie kunnen doen?" (2). Wat jammer dat enkel de Gazet van Antwerpen nog een journalist schijnt te hebben die zo grondig justitie verslaat, en wat jammer dat zelfs in de GvA dit op papier maar enkele regeltjes krijgt, zodat er moet worden uitgeweken naar een blog om die analyses toch gepubliceerd te krijgen.
Bon, ik ben een stukje aan het schrijven voor De Standaard dat hopelijk morgen verschijnt, maar een drietal prioriteiten voor hervorming. Na publicatie kan U, beste lezer, het ook hier vinden. Een van mijn prioriteiten overlapt in belangrijke mate met een opiniestuk van Yves Desmet: "Haal het parket uit de rechtbank" (3) Voor de andere aspecten kan ik verwijzen naar mijn eerder stuk, dat nog niets aan actualiteit heeft verloren: "Bedenkingen over de “scheiding der machten”" (4).

(1) "De commissie die er niet had mogen zijn", http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=3627OEMJ
(2) http://www.gva.be/dekrant/experts/johndewit/welke-aanbevelingen-zou-de-fortiscommissie-kunnen-doen.aspx
(3) De Morgen 14 maart 2009, http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/767337/2009/03/14/Haal-het-parket-uit-de-rechtbank.dhtml
(4) http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2009/01/bedenkingen-over-de-scheiding-der.html

vrijdag, maart 06, 2009

Vlaanderen wacht niet ... met vernielen. Doelgericht. Voelbaar.

"Vlaanderen wacht niet" heeft de nieuwe "crisisblog" van Kris Peeters. De grote publiciteitscampagne daarvoor in de kranten vandaag getuigt in ieder geval van een bijzonder cynisme. Vandaag diende immers het kort geding te worden gepleit tegen de illegale afbraak van de sloping van hele straten huizen in Doel door de Maatschappij Grond- en Industrialisatiebeleid Linkeroever, feodale baronie van de familie Deckers in uitvoering van het "goed bestuur" van de Vlaamse regering. Net voor de zaak moest gepleit worden heeft de overheid nog rap rap een hele straat platgegooid met onder meer een herenhuis uit de tijd van Napoleon (zie http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2009/03/bulldozer-peeters-blijft-historische.html). Bovendien heeft de tegenpartij (de maatschappij-Deckers) door middel van het plegen van regelrechte chantage gekoppeld aan procesrechtsmisbruik de zaak weer kunnen doen uitstellen. Zodat men ondertussen weer een straat meer kan afbreken vooraleer de rechter het zou kunnen verbieden.
Want inderdaad, Vlaanderen wacht niet .... met vernielen. "Doelgericht, voelbaar", zo gaat de campagne van dorpsdoodgraver Bulldozer Peeters verder. Inderdaad, doelgericht en voelbaar vernielend.

woensdag, maart 04, 2009

Bulldozer Peeters blijft historische huizen vernielen en dialoog weigeren

Persmededeling Doel 2020

Opnieuw historisch erfgoed tegen de vlakte in Doel
Doel 2020 verdenkt Vlaamse Regering van bewuste vernieling

Vandaag werd in Doel gestart met afbraakwerken in de Camermanstraat. Ondanks het feit dat nog overal in het dorp puin ligt van eerdere afbraakwerken en verschillende krotten onaangeroerd blijven staan wordt opnieuw een historisch pand tegen de vlakte gegooid. Ditmaal gaat het om een herenhuis uit de Napoleontische periode dat dienst deed als dokterswoning.

Het is één van de imposante dokterswoningen die herinneren uit de periode dat schepen die Antwerpen aandeden voor Doel in quarantaine gingen. In de gevel bevinden zich ook enkele kanonsballen die dateren uit 1839 toen de Nederlandse vloot vanop de Schelde Doel beschoot. Dat dit prachtige gebouw nu gewoon wordt afgebroken illustreert opnieuw de complete respectloosheid van de Vlaamse Regering en in het bijzonder van haar minister-president tegenover het historisch erfgoed in de streek.

Na de commotie rond de geplande afbraak van twee historische hoeves in Kieldrecht was er nochtans de belofte van Kris Peeters aan academici en aan de erfgoedwereld om een inventaris op te maken van het onroerend erfgoed in de regio. Maar tot wat dient dit als men ondertussen de belangrijkste historische gebouwen tegen de vlakte gooit?

Doel 2020 verdenkt de Vlaamse Regering ervan dat zij bewust een onleefbare situatie creëert in Doel en de directe omgeving. Dat gebeurt door systematisch en onaangekondigd steeds in andere straten, op andere plaatsen, huizen af te breken. En door in eerste instantie die huizen af te breken die nog in goede staat zijn of historisch belang hebben.

Er is voor deze handelswijze géén enkel argument voor handen. Met de plannen van een Saeftingedok wordt alleen nog gelachen. En niemand in de Vlaamse Regering heeft een concreet idee over wat er in de plaats van het afgebroken Doel kan komen. En toch gaat men door met afbraak. Toch gaat men door met tegen de mensen te zeggen dat ze eind augustus hun dorp moeten verlaten. Omdat dit ‘beslist beleid’ is. Kan het nog kortzichtiger?

Dit ‘beslist beleid’ van de Vlaamse Regering geldt trouwens alleen voor wie een huis huurt… Want de horeca mag in het afgebroken Doel ook na eind augustus blijven doorwerken. En de eigenaars in Doel (nog altijd twaalf gezinnen in de dorpskern) kàn men niet verdrijven omdat men in een woongebied niet kan onteigenen… Kan iemand van de Vlaamse Regering, kan de minister-president ons bijgevolg duidelijk maken wat de logica, de zin is van dit alles?!

Doel 2020 vindt het veelzeggend dat op haar herhaalde vraag tot gesprek en dialoog tussen bewoners en Vlaamse Regering of met het kabinet Peeters zelfs geen antwoord komt. Hebben de mensen in Doel en de polders rond Doel dan geen recht om te weten waarom zij worden verjaagd? Zijn de mensen in Doel en de polders rond Doel voor de minister-president dan écht waarde-loze en rechteloze mensen? Of ontbreekt het de Minister-president gewoon aan argumenten?

Minister-president Kris Peeters heeft zich maandenlang opgeworpen als de voorvechter van de dialoog tussen de gemeenschappen. Misschien dat hij – nu die dialoog mislukt is – wat tijd kan vrijmaken om in dialoog te gaan met mensen uit zijn eigen Vlaamse gemeenschap. Die vragen namelijk niet liever.

vrijdag, februari 13, 2009

Krokodillentranen over de invoering van het betalingsbevel

Eerstdaags moet de voltallige Kamer stemmen over een wetsontwerp tot invoering in het Belgische recht van de procedure "betalingsbevel", ontwerp dat reeds werd goedgekeurd in de Senaat (26 juni 2008) en de Kamercommissie (Stukken op de webstek van de Kamer (1)).

Op het allerlaatste moment proberen lobby's uit onder meer de vakbonden de invoering van deze procedure tegen te houden. Vanmorgen verscheen daartoe een opiniestuk in De Standaard onder de misleidende titel "Maak de consument niet vogelvrij" (2). Een overzicht van de argumenten van de tegenstanders is verder te vinden bij John de Wit (GVA).

Het voorstel is in wezen een variante op en vereenvoudiging van de mogelijkheid die nu reeds bestaat om een verstekvonnis te vorderen tegen een schuldenaar die zich niet laat horen of zien na dagvaarding. Maar de procedure is een stuk eenvoudiger en de vertragingsmogelijkheden van de verweerder worden sterk ingeperkt. Wat het eerste betreft volstaat een verzoekschrift op een door de overheid ter beschikking gesteld formulier, dat dan aangetekend wordt verzonden aan de verweerder. Wat het tweede betreft: nu kan een verweerder verstek laten gaan en dan verzet aantekenen zonder zijn afwezigheid te moeten motiveren; in de betalingsbevelprocedure kan hij geen verzet meer aantekenen nadat hij de termijn voor betwisting (die ook met een eenvoudig formulier kan gebeuren) heeft laten verstrijken, maar enkel om heroverweging vragen in geval van overmacht en enkele andere redenen. Ik vereenvoudig het verhaal hier wel wat, omdat het niet mijn bedoeling is de procedure grondig uiteen te zetten en zelfs niet over de voor- en nadelen van deze procedure te argumenteren.Ik wil wel toegeven dat ik het voorstel gunstig gezind ben, maar toch liever had gezien dat de verweerder niet per aangetekende brief maar per deurwaardersexploot zou worden verwittigd (3).

Wat mij wel treft bij de tegenstanders is hoezeer het besef ontbreekt dat heel deze zaak een Europese dimensie heeft ne hoezeer zij te laat komen met hun tegenstand.

De gewraakte procedure "betalingsbevel" is namelijk reeds IN WERKING in België sedert 12 december 2008. Dat is het effect van een Europese Verordening, de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (4). Aangezien het hier niet om een richtlijn gaat, maar om een verordening, is deze zonder omzetting toepasselijk in België en heeft ze rechtstreekse werking. Met andere woorden, er is geen enkele Belgische wet nodig en onze rechtbanken dienen die procedure toe te passen en betalingsbevelen uit te vaardigen indien aan de voorwaarden van die Verordening is voldaan. De formulieren die schuldeisers moeten invullen om zo'n betalingsbevel aan te vragen staan op internet. Voor bevelen door een Belgische rechtbank is dat op http://ec.europa.eu/justice_home/judicialatlascivil/html/epo_filling_be_nl.htm. Ze moeten wel nog afgeprint worden in aangetekend verstuurd naar de rechtbank. Anders dan bv. voor de Duitse rechtbanken kunnen ze nog niet on line worden ingezonden (zie daarvoor https://www.online-mahnantrag.de).

Nu is het natuurlijk wel juist dat die Verordening de procedure betalingsbevel voor de Belgische rechtbanken enkel invoert voor schuldeisers uit andere landen (in beginsel de EU-landen) die een betalingsbevel tegen een schuldenaar willen bekomen in België (zie art. 3 "grensoverschrijdende zaken"). Ook geldt die procedure enkel voor schulden uit contracten, schuldbekentenissen en mede-eigendom. Binnen dat toepassingsgebied geldt ze zowel tegen ondernemingen als consumenten als overheden, dus met inbegrip van geschillen van consumentenrecht of arbeidsrecht (artikel 2 "werkingssfeer"). Het gata dus helemaal niet om een regeling die enkel geldt tussen bedrijven, zoals dat bv. het geval is met de Europese Richtlijn inzake de bestrijding van de betalingsachterstand (5), die niet handelt over de procedure, maar wel over de interest en kosten die men mag aanrekenen e.d.m.

Zeggen dat België niet verplicht is om die procedure ook toe te passen in "binnenlandse" geschillen is evenwel juridisch vrij onzinnig. Inderdaad, Europa verplicht ons daar niet toe, omdat het geen bevoegdheid is van de EU. Maar het discriminatieverbod in de Belgische Grondwet (art. 10 grondwet, verbod van discriminerende wetgeving) doet dat wel. In de specifieke context van de discrepanties tussen lidstatelijk en Europees recht spreekt men hierbij van het "homogeniteitsgebod" (6). Dat een "afwijkende" regeling wordt ingevoerd door het Europees recht verhindert niet dat de Belgische wetgever verplicht is te onderzoeken of hij geen discriminatie laat ontstaan of in stand houdt door niét te homogeniseren, en het Grondwettelijk Hof is bevoegd dit te toetsen (zie voor een voorbeeld waar de niet-uitbreiding getoetst werd en in casu aanvaardbaar werd geacht arrest nr. 110/2001)(7). Een vergelijkbaar probleem heeft zich overigens voorgedaan bij de omzetting van de Richtlijn betalingsachterstand, waar de wetgever de terugvorderbaarheid van advocatenkosten zoals de Richtlijn beperkt had tot handelstransacties tussen ondernemingen (of overheden) en het Hof van cassatie toen zelf het voortouw heeft genomen om dit uit te breiden naar alle contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsgeschillen (arrest van 2 september 2004), zodat de wetgever verplicht werd in te grijpen met een algemene wet. Uit het Hof van cassatie zelf heb ik vernomen dat het die stap heeft gezet in reactie op de discriminatie die voortvloeiende uit de één-op-één-omzetting van de Richtlijn betalingsachterstand.

Wat nu het betalingsbevel betreft: er is geen enkel zinnig argument om aan een binnenlandse schuldeiser te verbieden voor een Belgische rechtbank een betalingsbevel aan te vragen volgens soortgelijke regels als de Verordening, wanneer een buitenlandse schuldeiser dat kan. Dat verbieden is een discriminatie die ongrondwettig is.

Kortom, wie nu tranen plengt over de invoering van het betalingsbevel ook tegen consumenten en ook in arbeidsgeschillen, komt gewoonweg te laat. Deze procedure werd reeds voorgesteld door een expertencommissie onder voorzitterschap van mijn vader in 1993 (zie de conclusies van het rapport in de vorm van een modelwet, hoofdstuk 11)(8). Ze werd overgenomen in een Groenboek van de Europese Commissie uit 2002 (9), waarop een ruime consultatie volgde. Het voorstel voor een Verordening dateert van 2005 en werd goedgekeurd door het Europees Parlement en de Europese Raad (van Ministers) (10). Voor zover mij bekend heeft België zich niet verzet tegen de invoering van die Verordening.

De tranen die nu geplengd worden zijn dus krokodillentranen. Indien de toepassing van het betalingsbevel op consumenten werkelijk onaanvaardbaar zou zijn, dan hadden de tegenstanders zich maar eerder moeten roeren. Misschien kunnen ze het Belgische recht aanpassen en naar Deens model de regering verplichten de zaak in het parlement te bespreken vooraleer te beslissen op een Europese raad. Of misschien kunnen ze het systeem zelf in vraag dat ons verplicht Europese Verordeningen zomaar te aanvaarden met voorrang boven het Belgische recht. Maar nu weigeren de procedure betalingsbevel uit te breiden naar interne geschillen, ook jegens consumenten, is een houding die aanzetten tot discriminatie. En zijn het nu net die vakbonden die al jaren beweren dat aanzetten tot discriminatie ten strengste verboden moet zijn, zelfs wanneer het de vorm aanneemt van wetgevende voorstellen ?


(1) Stukken op http://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=flwb&language=nl&rightmenu=right&cfm=/site/wwwcfm/flwb/flwbn.cfm?legislat=52&dossierID=1287&inst=K
(2) Maak de consument niet vogelvrij, http://www.standaard.be/Krant/Tekst/Artikel.aspx?artikelId=U926EOSS&date=20090213
(3) Vgl. hierover mijn eerder bijdrage met B. Tilleman en A. Verbeke,"Dagvaarding of verzoekschrift ?", verkort in Juristenkrant nr. 87, 7 april 2004, p. 4, volledig op http://www.gerechtsdeurwaarders.be/doc/0013C9.pdf
(4) Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure , http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2006:399:0001:01:NL:HTML
(5) Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties,http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32000L0035:NL:HTML
(6) Zie vooral de publicaties van W. VAN GERVEN, “In het verleden ligt de toekomst van een Europees ius commune”, RW 1995-96, 1430; -, “Bridging the gap between community and national laws : towards a principle of homogeneity in the field of legal remedies ?”, CMLR 1995, 679 v.
(7) Grondwettelijk Hof arrest nr. 110/2001, http://grondwettelijkhof.be/public/n/2001/2001-110n.pdf
(8) Draft door de commissie-Storme op http://storme.be/Eu.Harmonis.Proced.art.pdf
(9) Groenboek betreffende een Europese procedure inzake betalingsbevelen en maatregelen ter vereenvoudiging en bespoediging van de procesvoering over geringe vorderingen, http://eur-lex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexplus!prod!DocNumber&lg=nl&type_doc=COMfinal&an_doc=2002&nu_doc=746
(10) Voor meer gegevens, zie http://europa.eu/scadplus/leg/nl/lvb/l33212.htm.

donderdag, februari 12, 2009

Grondwettelijk Hof en de antidiscriminatiewetten: gebrek aan moed, maar wel op vele punten een inperking van de wet

Vandaag deed het Grondwettelijk hof uitspraak(zie http://www.arbitrage.be/public/n/2009/2009-017n.pdf) over de vorderingen ingesteld tegen de drie antidiscriminatiewetten van 10 mei 2007 (Antiracismewet , hierna ARW, Algemene Antidiscriminatiewet, hierna ADW, en Wet bestrijding discriminatie tussen vrouwen en mannen, hierna WDVW). Tegen deze wetten was beroep aangetekend, onder meer door een grote groep verontruste burgers verdedigd door mrs. Matthias Storme en Jelle Flo (zie het verzoekschrift op http://storme.be/ADWverzoekschrift.pdf en verdere stukken op http://storme.be/anti-antidiscriminatiewet.html) , maar verder ook op sommige punten door de Liga voor de Mensenrechten, de Vlaamse balies e.d.m.

Een grondiger analyse van het arrest, dat 148 bladzijden telt (wat vooral wijst op de talloze argumenten en middelen die werden aangevoerd, veeleer dan op een uitvoerige motivering van de afwijzing daarvan door het Hof), vergt meer tijd, zodat deze mededeling zich beperkt tot enkele punten.

Het Hof wijst de voorzieningen af onder voorbehoud van restrictieve interpretatie van de bestreden wetten op een hele reeks punten.

Enerzijds zijn wij wel teleurgesteld zowel wat betreft het gebrek aan moed om de bepalingen die te ver gingen ook effectief te vernietigen als wat voor wat er volgens het Hof allemaal door de beugel kan aan vrijheidsbeperkende wetten en de daaraan ten grondslag gelegde rechtsopvattingen.

Anderzijds zijn wel enkele van de ergste uitwassen of mogelijke misbruiken van de wet gecensureerd door het Grondwettelijk Hof, wat natuurlijk verheugt.

1. Verzoekers hadden aangevoerd dat de wetten ongrondwettig zijn omdat zij enerzijds de overheid en anderzijds aan de burger aan eenzelfde discriminatieverbod onderwerpen, hoewel er een fundamenteel verschil is tussen beiden (machtsmonopolie e.d.) en burgers niet aan dezelfde verplichtingen kunnen worden onderworpen.

Het Grondwettelijk hof antwoordt (B.10.4) daarop dat "het bepalend criterium voor de onderwerping aan het verbod van discriminatie niet is het regelgevende optreden, maar de machtspositie, in feite of in rechte, die een persoon in het rechtsverkeer inneemt".

Deze principe-overweging is niet onredelijk maar zet wel de deur open voor eleutherofobische motiveringen(*).

Het is jammer dat het Hof evenwel de bestreden bepalingen verder niet in concreto aan dat criterium toetst. Het bestaan van een machtspositie is immers geen vereiste voor de toepassing van de wetten. Uit overweging B.10.4 zou men evenwel moeten leiden dat de discriminatieverboden uit die wetten slechts gelden voor personen die een machtspositie innemen in het rechtsverkeer.

2. Teleurstellend is de overweging B.14.7. dat elke ongelijke behandeling in de verhoudingen tussen burgers waarvoor geen verantwoording kan worden gegeven een fout uitmaakt. Dat zou immers impliceren dat burgers voor alles wat ze doen steeds een verantwoording moeten kunnen geven op straffe van aansprakelijkheid. Dit is een totalitaire stelling die de vrijheid van de burgers totaal opheft. Het is te maar hopen dat het Grondwettelijk Hof niet beseft wat het hier schrijft. Hier gaat het niet om een gebrek aan moed, maar om een fundamenteel eleutherofobe rechtsopvatting.

3. Wat het derde middel betreft verkondigt het Hof algemeenheden die empirisch niet standhouden, met name dat in verhoudingen tussen (kandidaat-)werkgevers en (kandidaat-)werknemers, tussen personen die reeds een maatschap van vrije beroepers hebben en diegene die daartoe willen toetreden, tussen aanbieders van goederen en diensten (waaronder gezondheidszorg) en afnemers van goederen en diensten, tussen organisatoren van activiteiten en deelnemers aan activiteiten, tussen schuldeisers en schuldenaars, het stééds de eerste categorie die in een machtspositie verkeert tegenover de laatste en dat de markt niet in staat is om de daaruit voortvloeiende discriminaties te bestrijden.

Dit zijn stellingen waarvan de feitelijke onjuistheid kan worden aangetoond. A fact is stronger than a Lord Mayor. Maar als Barbertje moet hangen zijn natuurlijk ook contrafactische argumenten goed.

4. Teleurstellend is ook het feit dat het Hof geen graten ziet in de zeer algemene definities van wat er allemaal verboden is, nl. directe discriminatie, indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie. Zoals de ervaring leert worden daaraan in de praktijk door rechtbanken en andere overheidsdiensten zeer uiteenlopende interpretaties gegeven en bestaat er dus geen enkele garantie van rechtszekerheid tegen subjectieve interpretatie daarvan, desnoods "à la tête du client". We weten allemaal dat in de praktijk niet iedereen gelijk is voor de toepassing van de wet en overheden zoals parketten en centra voor racismebestrijding met twee maten en twee gewichten meten. Het Hof heeft een kans gemist daar iets aan te doen.
Het Hof beschermt in zijn interpretatie feitelijk alleen de persoon die onopzettelijk ongelijk behandelt, maar niet diegene die opzettelijk een onderscheid maken maar ervan overtuigd is dat dit onderscheid redelijk verantwoord is. Met name miskent het Hof dat het begrip "redelijke verantwoording" een vaag begrip is. Aldus hebben burgers géén rechtszekerheid ten aanzien van ongelijke behandelingen die ze opzettelijk uitvoeren in de overtuiging dat het onderscheid redelijk verantwoord is. Dat beschermt niet tegen subjectieve of discriminerende invullingen van het begrip redelijke verantwoording.

5. In overweging B.36.4. perkt het Hof de toepassingsmogelijkheden van de forfaitaire schadevergoeding van art. 16 § 2, 1°ARW , 18b § 2, 1 ADW en 23, 2, 1 WDVW. Die bepalingen voorzien een schadevergoeding bij een ongunstige behandeling, zélfs indien die ook op niet-discriminerende gronden zou zijn getroffen. Het Hof preciseert dat de schadevergoeding slechts kan worden toegekend tegen een persoon die daadwerkelijk discriminatie heeft gepleegd en ten gunste van een persoon die daadwerkelijk slachtoffer is van discriminatie. Overweging B.37.4 verduidelijkt verder dat wie onschuldig is aan discriminatie niet gehouden kan zijn tot die forfaitaire vergoedingen.

6. In overweging B.47.3 geeft het Hof een soepele interpretatie aan de uitzondering voor organisaties op levensbeschouwelijke grondslag, interpretatie die ruimer is dan de letter van de wet.

7. In overweging B.51.6 geeft het Hof een restrictieve interpretatie aan het begrip indirecte discriminatie. Er is slechts sprake van indirecte discriminatie wanneer men een persoon ongelijk behandelt op grond van een ander criterium dan één van de "beschermde criteria" en dit doet met de bedoeling een onderscheid te maken op grond van een van de beschermde criteria en zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.
Door die restrictieve interpretatie worden alvast enkele van de ergste misbruiken en onzekerheden voor de burger tegengegaan.

8. In overweging B.53.4 geeft het hof ook een restrictieve interpretatie ana het begrip "intimidatie" door dit te beperken tot die gevallen waarin het ook de bedoeling was om een bedreigende, vijandige, beledigende of kwetsende omgeving te creëren.

9. Ook aan het begrip weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap wordt een restrictieve interpretatie gegeven (B.54.4), door opzet te vereisen, en met name te vereisen dat de beklaagde wist dat de maatregel geen onredelijke belasting zou uitmaken.

10. Zeer weinig onderbouwd is het antwoord van het Hof op de kritiek jegens het gebruik van de verboden discriminatiegrond "zogenaamd ras". Het Hof stelt dat zoiets als "zogenaamd ras" wel bestaat en gaat helemaal niet in op de vraag naar de omschrijving daarvan of criteria daarvoor. Het volstaat blijkbaar dat een nonsensicaal begrip lang genoeg wordt gebruikt opdat het als een realiteit zou kunnen worden beschouwd. Vanuit dat oogpunt zijn er nog een reeks kandidaten die met een dergelijke redenering tot leven kunnen worden gewekt.

11. Wat de vrijheid van meningsuiting betreft, is het oordeel van het Hof eveneens teleurstellend. Weliswaar geeft het hof een beperkende interpretatie aan het verbod op aanzetten tot haat, maar die beperking gaat niet ver genoeg. De strafbaarstelling van "aanzetten tot haat" geldt volgens het Hof énkel voor gedragingen of meningsuitingen met de bedoeling om aan te zetten tot discriminerend, haatdragend of gewelddadig gedrag (B.67.3). Het aanzetten tot "haat" als emotie is dus niet voldoende. Bovendien moet er volgens het Hof een "bijzonder opzet" aanwezig zijn, dus men met inderdaad de bedoeling hebben discriminerend, haatdragend of gewelddadig gedrag te veroorzaken. Bovendien blijft er het reële gevaar dat onder het mom van een verbod van aanzetten tot haat jegens een groep meningsuitingen verboden en bestraft worden die enkel ingaan tegen het geloof of de overtuiging van een groep. De recente geschiedenis bewijst welk misbruik van dergelijke strafbaarstellingen wordt gemaakt, zoals de veroordeling van opiniemakers die een zekere profeet omschreven als een pedofiel omdat dit een aanzetten tot haat jegens een bevolkingsgroep zou inhouden. Het Hof miskent het feit dat de strafbepalingen die het laat bestaan wel degelijk daarvoor gebruikt of misbruikt worden.
Onduidelijk blijft of de strafbepaling nog kan worden misbruikt om op te treden tegen personen die geenszins de bedoeling hebben om aan te zetten tot discriminerend gedrag in strijd met de bestaande wetten, maar enkel de bedoeling hebben aan te zetten tot het wijzigen van de wet in een zin die volgens de huidige wet discriminerend zou kunnen zijn. M.i. kan dat niet de bedoeling zijn van het Grondwettelijk Hof, maar uitdrukkelijk uitgesloten werd dit niet. Een dergelijke interpretatie zou inhouden dat de wetten die door het huidige "regime" zijn gemaakt, beschermd worden tegen campagnes tot wijziging daarvan: een campagne tot wijziging van de wet kan immers gebrandmerkt worden als een aanzetten tot discriminatie volgens de criteria van de bestaande wet. Dit vormt een bijzonder zware inperking van de democratische meningsvorming. Het is een gemiste kans dat dit niet uitdrukkelijk werd afgewezen.

12. Belangrijk is wel dat het Grondwettelijk Hof benadrukt (in B.68 en B.76) dat de zgn. cascaderegel van art. 25 Grondwet blijft gelden: wanneer de schrijver van een tekst bekend is en in België woont, kunnen de uitgevers, drukkers en verspreiders niét aansprakelijk worden gesteld. In die gevallen kunnen ze dus ook niet strafbaar zijn wegens het aanzetten tot haat. Die immuniteit geldt in die gevallen dus ook voor het verspreiden van denkbeelden die gegrond zijn op rassuperioriteit of rassenhaat.
Een open vraag blijft evenwel wat er gebeurt bij een verdere verspreiding na het overlijden van de auteur.

13. Wat betreft het verbod op het verspreiden van denkbeelden die gegrond zijn op rassensuperioriteit of rassenhaat heeft het Hof niet de moed gehad dit symboolartikel, deze trofee van de antriracismefascisten neer te halen, ondanks het feit dat zelfs de Liga voor de mensenrechten de vernietiging hiervan heeft gevorderd (met een knipoog naar de boutade van de grote joodse historicus Jacques presser dat als het fascisme terugkomt het dat doet onder de naam antifascisme).
Wel heeft het Hof door een beperkende interpretatie elke zelfstandige betekenis aan dit artikel ontnomen. Het Hof stelt namelijk dat dit verbod slechts geldt voor gedragingen met het bijzonder opzet om aan te zetten tot haat of discriminatie (zie B. 74.5).

14. Grotendeels hetzelfde kan gezegd worden met betrekking tot de strafbaarstelling van het "behoren tot of medewerking verlenen aan ene groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie verkondigt" (art. 22 ARW).
Het Hof beperkt die strafbaarstelling op verschillende wijzen:
- ten eerste moet de groep kennelijk en herhaaldelijk aanzetten tot discriminatie (B.79.2 tot 79.5);
- ten tweede moet de groep of vereniging zelf strafbaar zijn wegens het aanzetten tot discriminatie (B.79.5 en B.88.2); dat laatste vergt ook een bijzonder opzet;
- het behoren tot of medewerking aan een groep die niet strafrechtelijk kan worden vervolgd, kan dus niet strafbaar zijn (B.81.1)
- de beklaagde moet weet hebben van de strafbare gedragingen van de groep (B.82.5)
- medewerking of lidmaatschap moet zijn ingegeven door de drang om mee te werken aan het verkondigen van de discriminatie (B.82.7).
- de immuniteit van art. 25 lid 2 blijft gehandhaafd (B.84.2).
Wel is de motivatie van de verwerping van de strijd met de vrijheid van vereniging in overweging B.83.5 logisch onhoudbaar en contradictorisch ten opzichte van de tekst van de wet en ten opzichte van overweging B.83.7: in B.87.4 het Hof stelt dat de vereniging die herhaaldelijk en kennelijk segregatie verkondigt, wel kan blijven bestaan, en dat daarom de verenigingsvrijheid niet is aangetast, maar het Hof aanvaardt wel dat men niet mag behoren tot zo'n vereniging. Een vereniging zonder leden, is evenwel geen vereniging....

Los van die logische onzin, heeft het Hof dus wel de draagwijdte van art. 22 ARW zeer sterk ingeperkt, maar heeft niet durven vernietigen.

Interessant is wel dat uit de door het hof gegeven criteria blijkt dat de vzw's van het Vlaams Blok in 2004 op onrechtmatige manier zijn veroordeeld en dat het hof van cassatie onrechtmatig de cassatievoorziening tegen die veroordeling heeft afgewezen. Ook andere veroordelingen die reeds hebben plaatsgevonden zijn op basis van die interpretatie onrechtmatig gebeurd. Minstens art. 25 lid 2 van de Grondwet werd daarbij miskend, en wellicht ook de vereiste dat moet worden vastgesteld dat de groep of vereniging zelf strafbaar is en strafrechtelijk kan worden vervolgd. Men zal zich herinneren dat het hof van Cassatie toen op onwettige wijze heeft geweigerd een prejudiciële vraag te stellen ana het grondwettelijk Hof over de toegepaste wetsbepaling (art. 3 van de Oude Antiracismewet, dat overeenstemt met art. 21 van de nieuwe ARW).

De reden waarom art. 21 ARW niet is vernietigd moet allicht ook daarin worden gezocht: het Grondwettelijk Hof heeft de onrechtmatigheid van die veroordeling niet al te zichtbaar willen maken.

15. Tenslotte heeft het Hof ook het aannemen van een vermoeden van discriminatie (omkering van de verdere bewijslast) aan strengere voorwaarden onderworpen als de letter van de wet vereist. Met name aan het gebruik van statistisch materiaal betreft, stelt het Hof een stuk strengere eisen dan de letter van de wet (zie B. 93.3.). Ook kan de bewijslast slechts omgekeerd worden nadat er voldoende aanwijzingen zijn aangebracht dat er reeds een discriminatie heeft plaatsgehad, en volstaan gegevens uit een proactieve controle niet (B.93.5).

16. In overweging B.102.7 en B.103.3. laat het Hof verder ook een opening voor het inroepen van gewetensbezwaren of religieuze motieven als rechtvaardiging voor het handelen niet alleen van een organisatie maar ook van een afzonderlijke burger. Het probleem blijft evenwel dat het aan de rechter wordt overgelaten om te oordelen of die bezwaren of motieven een redelijke verantwoording vormen voor een onderscheid dat een burger of een organisatie op levensbeschouwelijke grondslag hanteert in zijn publieke activiteiten. Door de vaagheid daarvan is de burger teveel overgeleverd aan de subjectiviteit van de rechter.

17. Niet onbelangrijk is ook dat de wetten volgens het Hof (B.102.8) in het geheel niet gelden voor de benoeming en installatie van priesters of andere bedienaren van de eredienst. Impliciet lijkt het Hof ook de eredienst en meer in het algemeen religieuze activiteiten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de wet.

18. Naast de kritische bemerkingen die hierboven reeds werden gemaakt, is het ook te betreuren dat het Hof geen aandacht heeft gehad voor het "chilling effect" op de uitoefening van de vrijheid van de aangevochten bepalingen. Er wordt veel te veel gerekend op het feit dat rechters deze wetten in redelijkheid zullen toepassen. Maar niet alleen leert de ervaring ons dat er in de rechterlijke toepassing grote verschillen zijn en twee maten en gewichten worden gehanteerd, bovenal wordt miskend dat ook een vrijspraak of een afwijzing van een vordering tot schadevergoeding niet verhindert dat de aangeklaagde persoon intussen grote schade heeft geleden door de mogelijkheid hem of haar onterecht voor de rechter te sleuren. Er zijn in ons land op die wijze reeds mensen geruineerd en dat heeft zelfs reeds tot zelfmoord heeft bijgedragen.

Besluit.

Uit dit alles valt af te leiden dat het resultaat van de procedure weliswaar teleurstellend is, maar dat de rechtsgang geenszins nutteloos is geweest. Enkele van de ergste uitwassen van de bestreden wetten zijn alvast gesneuveld.

Het resultaat bewijst wel dat de fundamentele vrijheden in de Belgische Staat niet voldoende zijn beschermd tegen de inperkingen door de wetgever en dat vrijheidslievende burgers ook andere middelen dan een procedure voor het Grondwettelijk Hof zullen moeten inzetten om daar beterschap in te brengen(bedoeld worden: politieke middelen en middel van culturele strijd).

(*) "Eleutherofobie: irrationele angst voor de vrijheid van de mensen die aan de grondslag ligt van onredelijke inperkingen van die vrijheid

woensdag, februari 04, 2009

Enkele verduidelijkingen tussen licht en mis

Zoals te verwachten viel, kreeg ik op mijn vorig stukje ("Een oproep "Kauf nicht bei Juden" uitgezonden door de KU Leuven") uitgesproken reacties van zowel goedkeuring als kritiek. Die laatste noopt mij tot enkele verduidelijkingen.

1. De kritiek die ik richt is een kritiek aan de Universiteit, niet aan de eredoctores. Eenieder heeft de vrijheid om op te roepen tot boycots, maar het is totaal misplaatst dat de universiteit dit uitzendt op het patroonsfeest. Daarom heb ik dit geschreven. Ik spreek me ook niet uit over de verdiensten van de eredoctores, maar wel over de vraag of zij omwille van wetenschappelijke verdiensten geëerd werden en mochten geëerd worden.

2. Degene die van dhimmitude beschuldigd wordt is dus de Universiteit. Dé gelegenheid voor waardering van wetenschappelijke verdiensten, het patroonsfeest, wordt exclusief voorbehouden aan verdiensten in het kader van de "diversiteit" en die "diversiteit" wordt uitsluitend ingevuld als lof voor gematigde moslims of zij die verzoening met de islam nastreven. Opnieuw: mijn kritiek geldt enerzijds de wijze waarop de universiteit wetenschappelijke verdienste invult (diversiteit is wel zowat het meest wezelachtige woord vandaag) en anderzijds de wel zeer eenzijdige kijk op diversiteit.
- Als het om "diversiteit" gaat vrees ik dat we van andere grote culturen misschien meer te leren hebben, of van denkers die consequent de diversiteit aan opinies verdedigd hebben of de godsdienstvrijheid. Als het geen wetenschappers moeten zijn, maar voorvechters van de diversiteit kan men misschien denken aan de voorvechters van christelijke en andere religieuze minderheden, aan verdedigers van mensen die van godsdienst veranderd zijn, enz. An Na'im geef ik hierbij overigens het voordeel van de twijfel, omwille van zijn pleidooi voor het afschaffen van het dhimmi-statuut (maar dat zegt dan toch veel over de islam: zou men een katholieke jurist een eredoctoraat geven omdat hij vindt dat niet-katholieken in de staat misschien toch wel dezelfde rechten moeten krijgen ?).
- Wetenschappers die kritisch zijn ten aanzien van de islam worden grotendeels geweerd op de Universiteit en zullen omzeggens nooit een eredoctoraat krijgen. Nochtans zijn hun wetenschappelijke verdiensten vaak veel groter dan van politiek passende eredoctores; maar zij hebben blijkbaar niet de "politieke verdiensten" waar het om gaat. Als men personen wil eren voor hun wetenschappelijke studie van de islam is er nochtans een behoorlijk grote keuze vandaag, zelfs in allerlei gradaties van islamofilie tot islamofobie. Denken we maar aan Patricia Crone, Karl-Heinz Ohlig, Gerd Puin, Christoph Luxenberg, Volker Popp, Alfred-Louis de Prémaré, Mondher Sfar, E.P. Marie-Edouard Gallez (O.P.), Marie-Thérèse Urvoy, Hans Jansen, Dan Diner, een arabische christen als Samir Khalil Samir (s.J.) of een moslim als Muhammad Kalisch,
- Als het om wetenschappelijke denkers van de diversiteit moet gaan, is er ook keuze, zelfs met specifieke interesse voor de Arabische wereld, bv. Rémi Brague (3), Giovanni Reale,Bassam Tibi (de moslimprofessor die het begrip Leitkultur ontwikkelde), enz.

NB. De wetenschappelijke oriëntalistiek is aan de KU Leuven de jongste jaren overigens bijna volledig (ik zeg dus niet: volledig) in de hoek geduwd en vervangen door islamitische en andere "studies" (een woord dat meestal moet verhullen dat het niet om wetenschap gaat maar om een hutsepotje van al dan niet praktische weetjes voor zover het al niet om politiek correcte verhalen gaat).

3. Als ik het had over een zogenaamde filosofie professor, slaat dat vanzelfsprekend niet op het feit dat prof. Nusseibeh geen filosofieprofessor zou zijn, maar op het feit dat de motieven waarvoor hij een eredoctoraat kreeg niets met zijn filosofisch werk te maken hebben (dat wel degelijk bestaat, al is het de laatste 10 jaar bij mijn weten een heel stuk beperkter - en buiten zijn arabische publicaties die ik niet kan checken op filosofisch vlak omzeggens alleen een (overigens interessante) lezing gaf over geloof, geweld en rede in antwoord op de Regensburgse toespraak (2) van paus Benedictus XVI).

4. De boycotoproep betreft wel degelijk zowel de economische, politieke, academische als culturele contacten met Israël. Vermits het ook om een economische boycot gaat is de toespeling "Kauf nicht bei Juden" niet misplaatst. De meeste arabische landen praktiseren al decennia niet zomaar een boycot van Israël maar een boycot van joodse ondernemingen. Iedereen weet dat er vele economisch banden zijn tussen Israël en de joden elders. Ter vergelijking: roep eens op tot een boycot van alle moslimlanden ter wereld en leg dan maar uit aan de media dat je niet oproept tot een boycot van de moslims.

5. Wat de standpunten van Nusseibeh over het "recht op terugkeer" van alle afstammelingen van Palestijnen uit Israël naar Israël betreft kort het volgende (4). Nusseibeh stelt dat er een onvervreemdbaar "recht op terugkeer" bestaat voor al die afstammelingen van diegene die in 1948 of later verdreven of gevlucht zijn, maar dat het politiek verstandiger is om toch maar van dat recht afstand te doen in ruil voor de zekerheid van een Palestijnse staat (twee-staten-oplossing) en een speciaal (binationaal) statuut voor Jeruzalem. Dat is vergeleken met de standpunten van andere Palestijnen inderdaad een gematigd standpunt. Maar naar onze maatstaven kan dit toch niet zo bijzonder zijn ? Omnis comparatio claudicat, maar toch:
- beschouwen wij Grieken die zouden akkoord gaan om het Westen van Aziatisch Turkije niet terug in meerderheid met Grieken te bevolken mits Istanbul/Constantinopel een binationaal statuut zou krijgen, als bijzonder gematigde Grieken ?
- beschouwen wij Duitsers die bereid zijn om de Poolse inlijving van een kwart van Duitsland te aanvaarden als bijzonder gematigde Duitsers ?
- beschouwen wij de Indiërs die bereid zijn de onafhankelijkheid van Pakistan en Bangla Desh te erkennen en af te zien van de terugkeer van miljoenen verdreven Hindoes als bijzonder gematigde Indiërs ?


(1) Violence: Rationality and Reasonableness, (http://sari.alquds.edu/papal_polemics.htm)
(2) "Glaube, vernunft, Universität", http://www.oecumene.radiovaticana.org/ted/Articolo.asp?c=94864. Zie ook mijn "Glossen bij een regensburgse rede", http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2006/09/glossen-bij-een-regensburgse-rede.html
(3) Zie mijn laudatio Rémi Brague, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2009/02/laudatio-remi-brague.html
(4) Of mijn samenvatting correct is kan men beoordelen mits lezing van zijn bijdrage "Final Status: Jerusalem and Retrun", op http://www.bakerinstitute.org/publications/Final_Status1.pdf/view

dinsdag, februari 03, 2009

Een oproep "Kauf nicht bei Juden" uitgezonden door de KU Leuven

Gisteren 2 februari was het Onze-Lieve-Vrouw Lichtmis, en aangezien Onze Lieve Vrouw de patrones is van de Katholieke Universiteit Leuven (als "sedes sapientiae") worden die dag traditioneel de eredoctoraten uitgereikt op het patroonsfeest. Wat een feest van de wetenschap zou moeten zijn, wordt al vele jaren ontsierd door de blijkbaar ononderbrukbare behoefte van de universiteit om politieke statements te maken, en vooral om de politieke correctheid te vleien. Sommige jaren verloopt het wel allemaal correct, maar gisteren was het weer prijs.

Onder het mom van een bevorderen van de diversiteit heeft men van het feest van onze Lieve Vrouw een hoogmis van de dhimmitude gemaakt. Ik vrees dat vele van de nieuwe dhimmis aan de universiteit het woord nog niet eens kennen. De dhimmis zijn zij die in ruil voor het "privilege" om zich niet te moeten bekeren tot de islam, in alles onderdanigheid aan (u weet wel, "respect" voor) de islam moeten beoefenen. En onze "leiders" in Europa, belgië en blijkbaar ook aan onze Universiteiten zijn volop aan het dhimmiseren.

Diversiteit, weet U wel: in naam van de diversiteit werden alle eredoctoraten gisteren aan moslims gegeven of aan personen die zich als dhimmi tussen de moslims begeven. Dat getuigt natuurlijk van een ongelooflijke diversiteit, nietwaar. Of liever, van een antidiversiteitsvisie op de diversiteit. Een diversiteit die enkel bestaat uit erkenning van en respect voor de islam, van alle religies diegene die het minst diversiteit in de wereld aanvaardt. De perversie van de diversiteit dus. Indien men nu nog gekozen had voor grote geleerden uit alle wereldgodsdiensten had ik er begrip voor opgebracht. Nu echter geen greintje.

Ik was van plan te zwijgen, maar nu kan ik niet meer. Immers, een van de 4 eredoctoraten ging naar Sari Nusseibeh, zogenaamd een professor in de filosofie aan de Palestijnse universiteit van Jeruzalem. In de voorstelling van deze professor (zie http://dagkrant.kuleuven.be/?q=node/5835) werd evenwel enkel over zijn politieke standpunten gesproken. Enige wetenschappelijke verdienste kwam niet aan bod. Nusseibeh was er zelf niet, en zijn toespraak werd op voorhand opgenomen en gisteren uitgezonden (video op http://dagkrant.kuleuven.be/?q=node/5836 en tekst op http://www.kuleuven.be/patroonsfeest/2009/statement.html). In die videotoespraak stelde Nusseibeh:

"I have resisted in the recent past all calls for a boycott of Israeli academic institutions and individuals. Today I believe the circumstances have changed, and I would like to extend an invitation to all civil society institutions, in Palestine or abroad, to place a six-month moratorium on all new "routine" or normal cooperative activities with Israeli institutions or individuals" en "Ideally, of course, international Governments should also be involved in this effort, thus extending the reach of this boycott, and the gravity of the purpose behind it, to include trade and diplomatic ties".

Met andere woorden zegt hij: in het verleden heb ik nooit meegedaan aan oproepen tot boycot van Israël, maar nu roept hij op tot minstens een tijdelijke boycot, zowel academisch, commercieel als diplomatiek. Dus "Kauf nicht bei Juden".

De Universiteit van Leuven zendt dus zogezegd in het teken van de ontmoeting een oproep tot boycot uit. Het gaat hier niet om een uitspraak die ter plaatse is gedaan en die men op voorhand niet kende: de toespraak was opgenomen en werd bewust uitgezonden.

Het feest van Lichtmis werd dus geperverteerd tot een hoogmis van de dhimmitude waarin de universiteit bewust een oproep tot boycot van de Joodse staat uitzendt. De universiteit kan niet zeggen dat ze "es nicht gewusst hat". Het hele bestuur is mee verantwoordelijk voor dit nieuwe morele dieptepunt.

Ik schaam me over mijn alma mater en zeg dat dus ook. Het zal mijn carrière niet bevorderen, maar ik kan niet anders.

Een P.S. is te vinden op http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2009/02/enkele-verduidelijkingen.html

zondag, februari 01, 2009

Laudatio Rémi Brague


Laudatio Rémi Brague bij de opname in de Europese Eresenaat van de BVSE-UEF,
Antwerpen 1 februari 2009

Met professor Rémi Brague eren we vandaag een Europees denker van formaat, een reus van een dwerg op schouders van reuzen, een exclusief denker van de inclusie, een centrale denker van de excentriciteit, een specialist van de bronnen met een magistrale visie op de mondingen.


1. Professor Brague, jaargang 1947, studeerde vooreerst wijsbegeerte en klassieke filologie aan de Ecole Normale Supérieure te Parijs, behaalde het aggregaat in de wijsbegeerte in 1971 en doceert sedert 1973 aan de Universiteit van Parijs. Hij was een van de oprichters van de Franse uitgave van het katholieke tijdschrift Communio. Hij behaalde en een doctoraat derde cyclus in 1976, studeerde verder Hebreeuws en Arabisch en promoveerde nogmaals tot doctor in de letteren in 1986 en is hoogleraar wijsbegeerte sedert 1988. Vandaag bekleedt hij te Parijs de leerstoel klassieke, arabische en middeleeuwse wijsbegeerte en te München de Guardini-Lehrstuhl für Philosophie der Religionen Europas en doceert hij regelmatig in de Verenigde Staten, met name als John Findlay professor in Boston.

2. In enkele decennia schreef hij een reusachtig wetenschappelijk œuvre over de bronnen en ontwikkeling van de Europese cultuur, vooral over de griekse, joods, arabische en middeleeuws-europese wijsbegeerte met een ruime aandacht voor de evolutie der ideeën in de drie fundamentele disciplines van de wijsbegeerte: het wereldbeeld of kosmologie, het mensbeeld of antropologie en de fundamenten van de ethiek. Een enorme historische kennis wordt daarin gepaard met een doorzicht in lange-termijn-ontwikkelingen. Daarbij gaat hij ook in debat met wijsgeren van de nieuwste tijden als Friedrich Nietzsche, Martin Heidegger, Leo Strauss, Schlomo Pines of Hans-Georg Gadamer.

De genoemde drie dimensies werden na ontwikkeling in talloze artikelen het onderwerp van een trilogie, waarvan twee delen zijn verschenen. In 1999 verscheen La sagesse du monde. Histoire de l’expérience humaine de l’univers (1), zoals de titel zegt een geschiedenis van wereldervaring en wereldbeeld van de oudheid tot de moderne tijden. In 2005 verscheen La loi de Dieu: histoire philosophique d’une alliance (2), dat de geschiedenis uitwerkt van de verhouding tussen God en de Wet in de ideeënstromingen van oudheid tot moderniteit. En binnenkort verschijnt Le Règne de l’homme als derde luik.

In plaats van U een beschrijvend overzicht te geven van dat reusachtig wetenschappelijk œuvre wil ik U liever enkele kerngedachten van de gelauwerde proberen toe te lichten.

3. Het wellicht bekendste werk van professor Brague, en datgene waarvan ik enkele ideeën vandaag wil presenteren, is Europe, la voie romaine, waarvan de oorspronkelijke uitgave dateert van 1992 en dat intussen in bijna 20 talen is vertaald (3). Het is de uitwerking van een fundamentele wezenstrek van de Europese beschaving en tegelijk een pleidooi voor de verdere beoefening daarvan. Het is daarmee ook een boek over de Europese culturele identiteit.

Als fundamentele wezenstrek van Europa die professor Brague “romeins” of “rooms” noemt – twee Nederlandse woorden waarvoor het Frans, Duits en Engels slechts één woord gebruiken, ziet hij de erkenning van en verhouding tot de externe bronnen van de eigen beschaving. Die fundamentele trek is zeer duidelijk te zien in de verhouding van het christendom tot de joodse bronnen, en in de verhouding van de antiek-romeinse, middeleeuwse en moderne latiniteit tot de griekse bronnen. Het christendom is “romeins” in zoverre het erkent schatplichtig te zijn aan de Hebreeuwse Bijbel en het joodse denken en tegelijk daarvan te verschillen. De Europese cultuur heeft zich onder meer ontwikkeld door zich het vreemde eigen te maken en tegelijk vreemd te laten zijn. De romeinse weg bestaat erin zich bewust te zijn van deze secondariteit, van het feit dat er bronnen zijn waaraan we wel schatplichtig zijn, maar die niet “van ons” zijn. De romeins-christelijke Europese beschaving is in die zin traditioneel helemaal niet uitsluitend eurocentrisch maar juist excentrisch. Meer nog, de Europese cultuur is de enige waarin de interesse voor vreemde culturen die als vreemde culturen erkend worden niet tot enkelingen beperkt bleef maar een massafenomeen werd (4).

4. In het genoemde werk en andere artikelen onderscheidt professor Brague verschillende wijzen van omgang met het vreemde, met externe bronnen. Het zijn er hoofdzakelijk drie (5).

Ten eerste zijn er culturen of stromingen die zichzelf als origineel, als het enige origineel beschouwen, die geen vreemde bronnen erkennen. Wat men geërfd heeft van andere culturen of eruit heeft overgenomen wordt verteerd en niet als een externe bron erkend. Het is als een vrucht die leeggezogen wordt en die men nog slechts als lege schil erkent. Wanneer het om teksten gaat worden de externe bronnen gebruikt om zelf teksten samen te stellen waarin men mogelijks de externe bronnen parafraseert, maar het origineel wordt vervolgens beschouwd en niet bewaard. In het vroege christendom was er zo een stroming die het Oude Testament verwierp, het Marcionisme. De islamitische beschaving is op die manier omgegaan met de griekse bronnen: eenmaal ze verteerd waren was er geen interesse meer voor; het toegeëigende werd beschouwd als van eigen oorsprong en de externe bronnen als een vervalsing daarvan. Dat is bijvoorbeeld de visie van de islaam op de Bijbel die een belangrijke bron was van de Koraan, maar volgens de islaam een vervalsing van de originele en eeuwige Koraan. Voorafgaand aan de definitieve openbaring daarvan was er slechts jahilia, onwetendheid.

In het “romeinse” Europa daarentegen werden externe bronnen eigen gemaakt zonder ze te verteren. Professor Brague noemt dit inclusie - of misschien moet ik het vertalen door inlassing. Ze blijven als zelfstandige bronnen bewaard. Als het om teksten gaat, maakt men een onderscheid tussen tekst en commentaar. Het nieuwe testament is in zekere zin een vernieuwende commentaar (pesher) op het oude testament. De middeleeuwse geleerden zagen zich naar een uitdrukking van Bernardus van Chartres als dwergen op de schouders van reuzen (6). Doordat de vreemde bron als vreemde bron wordt bewaard en niet verteerd, kan men telkens opnieuw ad fontes gaan om zich aan die bron te laven. Men moet ze zich telkens opnieuw eigen maken. Zo kan er telkens opnieuw een renaissance plaatsvinden en hebben er in het roomse Europa vele renaissances plaatsgevonden, te beginnen met de Karolingische. Doordat men telkens opnieuw oudere teksten als te becommentariëren origineel heeft bewaard, zien we de gelaagdheid van onze cultuur. Een cultuur die het verteren voorrang geeft op de inclusie zal moeite hebben me historisch perspectief. Niet alleen ten aanzien van de eigen bronnen heeft de europese beschaving de becommentariërende inclusie beoefend boven het verteren. De filologische omgang met het vreemde, die vandaag de dag ten onrechte als oriëntalisme wordt beschimpt, is een voortzetting van die romeinse traditie (7). De romeinse weg heeft er ook toe geleid dat men de eigen cultuur gaat bekijken vanuit het perspectief van een vreemdeling, denken we maar aan de Lettres Persanes van Montesquieu, maar ook aan de eeuwen oudere dialoog tussen een christen, een jood en een moslimfilosoof geschreven door Abelardus in de 12e eeuw (8). Aldus is de romeinse traditie ook een traditie waarin het vreemde perspectief gehanteerd wordt voor de kritiek van het eigene (9).

In recente interviews (10) bespreekt professor Brague nog een derde houding, die jammerlijk genoeg sterk aanwezig in het huidige Europa: de zelfhaat. Deze uit zich daarin dat men zoveel mogelijk vreemds in zich opneemt, niet om het te verteren maar in de wellicht onbewuste wens om zelf verteerd te worden door het vreemde. De zelfhaat uit zich duidelijk in de culpabilisering van de eigen beschaving, in Europa in het bijzonder de culpabilisering van het christendom. De zelfhaat maakt trouwens ook het respect voor de andersheid van de Andere onmogelijk. Doordat men de “romeinse” manier van omgaan met het vreemde niet meer begrijpt of niet meer aankan, door de eigen interne zwakheid, wordt het vreemde een bedreiging (11).

5. Vanuit deze diepe historische en wijsgerige inzichten is professor Brague ook een genuanceerd commentator in hedendaagse discussies over omgang met vreemde culturen.

Waar hij zich in vorige decennia vaak genoodzaakt zag te herinneren aan hetgeen de Europese cultuur uit de arabische wereld heeft geleerd toen men ons nog leerde dat dat verwaarloosbaar was, moet hij nu opboksen tegen de politieke correcte idiotieën waarmee we overspoeld worden alsof West-Europa ongeveer zijn hele kennis van de klassieke oudheid en de wetenschap aan de islam zou te danken hebben (12). Zo moet professor Brague eraan herinneren dat er in het verleden nooit een christelijk-islamitische “dialoog” heeft bestaan (13) en dat zo’n dialoog, wil men die scheppen - wat lovenswaardig is -, tussen personen plaatsvindt en niet alleen respect en goede wil vereist maar ook een bereidheid om het perspectief van de ander te bestuderen en in zijn anderszijn te erkennen. Het helpt dus geenszins om de indruk te geven dat het om drie monotheïsmen gaat, drie “godsdiensten van Abraham” en nog van die misleidende slogans (14). Een dergelijke dialoog vereist dat men zich eerst bewust is van de verschillen en gelijkenissen en van de wijze waarop de partners voor de dialoog elkaar bezien en menen te begrijpen, taak die professor Brague ter harte heeft genomen in zijn boek uit 2008 “Du Dieu des chrétiens et d’un ou deux autres” (15). Die dialoog heeft volgens professor Brague geen kans op slagen wanneer men die op religieus vlak plaatst, en kan beter over de mensheid, de rede, de beschaving handelen.

Hij verdedigt de traditie van het humaniora-onderwijs, niet omdat jongeren op die manier kennis maken met “onze cultuur, maar precies omdat ze daardoor kennismaken met een vreemde cultuur die elke generatie in onze traditie zich steeds opnieuw heeft moeten toeëigenen. Het verwijt dat die klassieke joods-grieks-romeinse canon niet inclusief zou zijn omdat die niet de ervaring van elke zichzelf als minderheid beschouwende categorie in onze samenleving zou representeren is dan ook totaal naast de kwestie.

De essentiële boodschap is immers juist dat de culturele identiteit van Europa geen rustig bezit is, maar vereist dat bronnen die uit een ons vreemde wereld komen telkens opnieuw eigen worden gemaakt omdat precies die toe-eigening, die poging tot hernieuwde herbronning en overbrugging van de afstand met die vreemde bronnen zo’n verrijking is.
Gezien de identiteitscrisis waarin Europa zich vandaag bevindt zou het boek Europe, la voie romaine m.i. dan ook verplichte lectuur moeten zijn voor eenieder die pretendeert iets over Europa te stellen.

(1) Uitg. Fayard 1999.
(2) Uitg. Gallimard 2005.
(3) Ik gebruik de derde uitgave, Collection Folio Essais, Gallimard 1999.
(4) R. BRAGUE, “L’Europe est-elle nombriliste?”, Le Nouvel Observateur nr. 2057 van 8 april 2004, http://hebdo.nouvelobs.com/hebdo/parution/p2057/articles/a237329-l’europe_estelle_nombriliste.html.
(5) De twee eersten worden aangegeven in Europe, la voie romaine, p. 138-141 en uitgewerkt in “Inklusion und Verdauung. Zwei Modelle kultureller Aneignung”, in Hermeneutische Wege, Hans-Georg Gadamer zum Hunderdsten, Mohr Tübingen 2000, 295 v., in het Frans verschenen als “Inclusion et digestion. Deux modèles d’appropriation culturelle”, overgenomen in de bundel Au moyen du moyen âge. Philosophies médiévales en chrétienté, judaïsme et islam, coll. Champs essais, Ed. de la transparence, Chatou 2006, 263 v.
(6) “nanos gigantium humeris insidentes”, zoals overgeleverd in Johannes van Salisbury, Metalogicon, Boek III.
(7) Zie in dit verband “Inclusion et digestion ...”, p. 276; R. BRAGUE, Préface à Ignace Goldziher, Sur l’Islam, Desclee de Brouwer 2003, 26 v.
(8) R. BRAGUE, “L’Europe est-elle nombriliste?”, l.c. Vgl. Europe, la voie romaine, p. 177 v.
(9) Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat er geen traditie van zelfkritiek was in andere culturen – we zien die bv. heel duidelijk in de joodse traditie.
(10) Het duidelijkst (van de mij bekende teksten) in een interview in Die Presse 21 april 2008, http://diepresse.com/home/kultur/news/378506/index.do.
(11) R. BRAGUE, “Le danger est intérieur”, in La Nef nr. 195 (juli-augustus 2008), ook op http://www.lanef.net/t_article/_le_danger_est_interieur_remi_brague_impression.asp.
(12) Zie bv. de tussenkomst van Brague op de zender KTO op 24 november 2006 over onder meer Averroës en St. Thomas van Aquino, http://vids.myspace.com/index.cfm?fuseaction=vids.individual&VideoID=23999681. Zie in dit verband ook de scheldpartijen aan het adres van S. GOUGENHEIM na het verschijnen van zijn boek Aristote au Mont saint-Michel – Les Racines grecques de l’Europe chrétienne, Seuil Paris 2008, en het artikel ter verdediging van die auteur door o.m. Jacques Le Goff en Rémi Brague in L’Express 15 mei 2008.
(13)“Y a-t-il eu au Moyen Âge un dialogue entre l’islam et le christianisme”, overgenomen in de bundel Au moyen du moyen âge. Philosophies médiévales en chrétienté, judaïsme et islam, coll. Champs essais, Ed. de la transparence, Chatou 2006, 343 v.
(14) Zie behalve het boek in volgende voetnoot ook “Sept leçons sur le dieu des chrétiens”, Interview met R. Brague in le Figaro Magazine 12 april 2008, http://www.lefigaro.fr/lefigaromagazine/2008/04/12/01006-20080412ARTFIG00013-sept-lecons-sur-le-dieu-des-chretiens.php.
(15) R. BRAGUE, Du Dieu des chrétiens et d’un ou deux autres, Flammarion 2008.

Wordle van mijn laudatio Brague

Dit is het beeld van de redevoering die ik deze namiddag zal houden in Antwerpen te ere van professor Rémi Brague

Wordle: Laudatio rémi brague

De tekst volgt spoedig.

dinsdag, januari 27, 2009

Lees, Jozef de Witte, er staat (niet) wat er staat

In De Morgen van 19 januari verscheen er weer (1) een staaltje van de "creatieve" lezing van de Grondwet door Jozef de Witte, dat aantoont hoe bekwaam onze grootinquisiteur met het recht om kan gaan.

In zijn opiniestuk Beschermd of vogelvrij? schrijft hij over het feit dat krachtens de wet op het Slachtofferfonds een vreemdeling zonder legaal verblijf, die recht heeft op schadevergoeding van de aansprakelijke dader, niet daarnaast ook de tussenkomst van dat Fonds kan vragen, dat het gaat om een grondrecht en dat dus de wet kan worden getoetst aan de grondwet. Nadat de auteur correct art. 191 van de Grondwet citeert : "”Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen” - wordt de hoofdvogel afgeschoten "De wettelijke regeling van het slachtofferfonds is in elk geval in tegenspraak met het principe van artikel (191) van de grondwet". A zo ? De grondwet zegt juist dat ten aanzien van vreemdelingen de wet precies wel uitzonderingen mag maken. Er staat wel degelijk, mijnheer de Witte, "behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen". Een wet die dat doet , kan dus onmogelijk in strijd zijn met dat principe van de grondwet.

Verder is het natuurlijk nog de vraag of het beroep op een Slachtofferfonds een grondrecht is. Waarom zou dat ? Het gaat hier niet om het recht op schadevergoeding door de dader, de aansprakelijke persoon. Dat kan men misschien nog een grondrecht noemen. Maar een grondrecht voor alle slachtoffers van lichamelijke schade om zich tegen de overheid (dus de belastingbetaler) te keren omdat de dader insolvabel is ? Men moet wel grondig communist zijn om dat een grondrecht te noemen.

(1) Voor een eerder staaltje, zie http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2006/05/vuile-wijven-vuile-democraten-vuile.html

Aanvulling vanwege de N-VA
"De Commissie voor Financiële Hulp aan Slachtoffers kwam de laatste tijd in een slecht daglicht door het negatieve advies over een financiële tegemoetkoming in de zaak Oulematou. De 25-jarige wet werd nooit uitgebreid tot "alle slachtoffers" van gewelddaden. Een bewuste keuze, die het Grondwettelijk Hof niet strijdig achtte met de Grondwet. N-VA-Kamerlid Els De Rammelaere pleit ervoor om deze wet niet aan te passen. Er zijn ook tal van Belgische slachtoffers die omwille van de uitsluitinggronden geen tegemoetkoming krijgen. In de zaak Oulematou zijn er zelfs 2 uitsluitinggronden: het illegale verblijf in ons land en de subsidiariteit van de tegemoetkoming. De familie kan immers beroep doen op de arbeidsongevallenverzekering. De feiten zijn verschrikkelijk en vallen niet goed te praten. Maar deze zaak legt veeleer het probleem van de "illegaliteit" en het hypocriete gedoogbeleid ter zake bloot. Een duidelijk en strikt optreden, had veel leed kunnen voorkomen."

maandag, januari 26, 2009

Kris Bulldozer breekt verder af

De onwettige afbraak van huizen in Doel-dorp is vanmorgen weer opgestart.

Minister-president Peeters zei net nog in het Vlaams parlement dat hij niet met de bijnaam Bulldozer naar de Vlaamse verkiezingen wil gaan.

Maar hij doet er alles voor om zijn nieuw bijnaam eer aan te doen.

Het excuus is "beslist beleid". In een rechtsstaat evenwel is een beslissing maar rechtskrachtig wanneer ze in een wettelijke vorm wordt genomen en gepubliceerd wordt in het Staatsblad, zodat burgers die maatregel al dan niet kunnen aanvechten voor de rechter.

Voor de afbraak van Doel is dit nooit gebeurd. Volgens het gewestplan is Doel-dorp een woongebied met cultuurhistorische waarde. Dat is niet mijn kwalificatie, dat is de wettelijke kwalificatie die rechtens geldt. Volgens het "nooddecreet" (op zichzelf al een schande voor de rechtsstaat) moét er een leefbaarheidsbuffer tussen dorp en Deurganckdok gebouwd worden (die is er ook), wat betekent dat volgens de wet de leefbaarheid moet gegarandeerd worden.

Maar Bulldozer Peeters heeft "beslist" dat tegen decreet en gewestplan in het Doel moet verdwijnen.

Voor een nieuw megalomaan dok ten behoeve van de containerscheepvaart die de voorbije maanden in elkaar is gestuikt. De kaden waren reeds half ongebruikt en de "trafiek" is vorig jaar al 17 % gedaald. Het zal dit jaar zeker niet beteren ...

"Beslist beleid" is dus de nieuwe benaming voor juridisch onbestaande beslissingen op basis waarvan men onwettig handelen met megalomane oogmerken rechtvaardigt.
 
Locations of visitors to this page